Eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Campinggas, Mexico, Mosterd, Auto’s rijden op ijzer …, Strooizout, Honing(bij).
Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 telt 46 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (28), zuren en basen (9) en verbranden (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Stoffen en materialen | 1-2, 5-6, 8-15, 17, 21, 29-32, 35-44 | 28 |
| Zuren en basen | 16, 20, 22-26, 45-46 | 9 |
| Verbranden | 3-4, 7, 27-28, 33-34 | 7 |
| Elektriciteit | 18-19 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 16 examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg minder over stoffen en materialen (61% van de vragen, gemiddeld 68%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Campinggas
Op de camping wordt vaak gekookt met behulp van een gas uit gasflessen. Dit gas is meestal butaan (C4H10), maar er zijn ook gasflessen die gevuld zijn met propaan (C3H8). Voordat de gassen worden opgeslagen in de gasflessen, worden de gassen vloeibaar gemaakt.
Vraag 1 1 punt
Tot welk soort stoffen behoren butaan en propaan?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 2 1 punt
Propaan en butaan kunnen worden verkregen uit aardolie. Welke scheidingsmethode is hiervoor nodig?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 3 3 punten
Geef de vergelijking van de volledige verbranding van propaan.
Bekijk het antwoord
- uitsluitend C3H8 en O2 voor de pijl (1)
- uitsluitend CO 2 en H2O voor de pijl (1)
- het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)
Vraag 4 1 punt
Rook en vlammen zijn verbrandingsverschijnselen. Geef nog een verbrandingsverschijnsel.
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − roet − vonken − warmte (1)
Vraag 5 1 punt
Wat gebeurt er met de afstand tussen de moleculen van propaan en butaan wanneer deze gassen vloeibaar worden gemaakt?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Vraag 6 1 punt
Welk van de onderstaande pictogrammen zal op een gasfles met butaan staan?
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (1)
I II III IV
A pictogram I
B pictogram II
C pictogram III
D pictogram IV
De verbrandingswarmte van een bepaald gas kan worden uitgedrukt als de hoeveelheid energie, in Joule (J), die vrijkomt bij de volledige verbranding van een kubieke centimeter (cm3) van dit gas.
Vraag 7 1 punt
Om 1,0 L water aan de kook te brengen is een bepaald volume propaan nodig. Kan met hetzelfde volume butaan minder, evenveel of meer water aan de kook worden gebracht? Maak gebruik van Binas-tabel 19 en neem aan dat alle overige omstandigheden gelijk blijven. Met dit volume butaan kan
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Op het moment dat de gasfles wordt opengedraaid, verdampt een deel van de vloeibare brandstof en stroomt als gas uit de gasfles. Voor het verdampen is veel warmte nodig. De gasfles koelt daardoor af. Bij langdurig gebruik van de gasfles, bijvoorbeeld tijdens het barbecueën, ontstaan kleine druppeltjes op de buitenkant van de gasfles.
Vraag 8 1 punt
Een nadeel van butaan is dat het niet uit de gasfles stroomt wanneer het buiten erg koud is. Propaan kan dan vaak wel worden gebruikt, doordat propaan gemakkelijker gasvorming wordt. Welke verklaring kan hiervoor worden gegeven?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 9 1 punt
Waardoor kunnen er vloeistofdruppeltjes op de buitenkant van de gasfles ontstaan?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Mexico
Op een oude Mexicaanse postzegel staan de formules van vijf stoffen die door Mexico worden geëxporteerd. Een afbeelding van deze postzegel staat hiernaast.
Vraag 10 1 punt
De stoffen die op de postzegel staan, zijn zouten of metalen. In welke groepen van het periodiek systeem staan de metalen die op de postzegel staan?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 11 1 punt
Welk van onderstaande kenmerken heeft de stof Ag?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
NaCl wordt vooral gewonnen door het indampen van zeewater. Het kan ook door middel van extractie uit de bodem worden gehaald. Hierbij wordt heet water in de bodem gespoten. Vervolgens wordt een oplossing van NaCl opgepompt en ingedampt. CaF2 wordt ook gewonnen uit de bodem.
Vraag 12 1 punt
Van welk verschil in stofeigenschap wordt gebruikgemaakt bij indampen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 13 2 punten
Leg uit of CaF2 gewonnen kan worden door extractie met water. Maak gebruik van een tabel uit Binas.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
CaF 2 is (volgens Binas-tabel 35) slecht oplosbaar (in water) en kan dus niet door middel van extractie worden gewonnen.
Opmerking Wanneer de formulering ‘reageert slecht met water’ is gebruikt in plaats van ‘lost slecht op (in water)’, het eerste scorepunt niet toekennen.
Vraag 14 2 punten
Lood kan worden verkregen uit de loodverbinding PbS. Hoeveel ton lood kan maximaal worden verkregen uit 5,0 ton PbS?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- berekening van de massaverhouding van Pb en PbS: 207,2 (u) delen door de som van 207,2 (u) en 32,1 (u) (1)
- berekening van het aantal ton lood: de berekende massaverhouding vermenigvuldigen met 5,0 (ton) (1)
Zinkerts bevat zinksulfide (ZnS). De productie van zink uit zinksulfide verloopt in een aantal stappen: stap 1: Zinksulfide reageert met zuurstof tot zinkoxide en zwaveldioxide. stap 2: Zinkoxide reageert met een oplossing van zwavelzuur tot een oplossing van zinksulfaat. Dit is een zuur-basereactie. stap 3: Uit de oplossing van zinksulfaat wordt met behulp van elektrolyse vast zink gevormd.
Vraag 15 3 punten
Geef de vergelijking van de reactie die optreedt bij stap 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- uitsluitend ZnS en O 2 voor de pijl (1)
- uitsluitend ZnO en SO2 na de pijl (1)
- het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)
Vraag 16 2 punten
Wat gebeurt er tijdens stap 2? Neem onderstaande tabel over, en kies steeds uit 'waar' of 'niet waar'. waar/niet waar Er ontstaan watermoleculen. … Waterstofionen reageren met oxide-ionen. … Zinkionen reageren met sulfaationen. … De pH van de oplossing die ontstaat is lager dan de pH van de oplossing van zwavelzuur. …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- waar/niet waar Er ontstaan watermoleculen. waar Waterstofionen reageren met oxide-ionen. waar Zinkionen reageren met sulfaationen. niet waar De pH van de oplossing die ontstaat is lager dan de pH van de oplossing van zwavelzuur. niet waar indien vier regels juist (2) indien drie of twee regels juist (1) indien één of geen regel juist (0) (2)
Vraag 17 1 punt
Geef de formule van zinksulfaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- ZnSO4 (1)
Vraag 18 1 punt
Welk soort deeltjes zorgt bij de elektrolyse voor de stroomgeleiding in de oplossing?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Vraag 19 1 punt
Welk soort proces is elektrolyse?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Mosterd
Op een pot mosterd staat onder andere de volgende informatie: Ingrediënten: azijn, water, mosterdzaden, natriumchloride, suiker, kruiden.
Kees onderzoekt hoeveel azijn is gebruikt bij het maken van deze mosterd. Azijn is een oplossing van azijnzuur in water. Hij doet 3,0 gram mosterd in een bekerglas, voegt een beetje water toe en roert goed. Er ontstaat een troebel mengsel. Hij schenkt dit mengsel door een filter en spoelt het residu na met water. Het filtraat, samen met het spoelwater, vult hij met water aan tot 50 mL. Kees brengt 10,0 mL van deze oplossing in een erlenmeyer en voegt een paar druppels fenolftaleïen toe. Vervolgens titreert hij met een oplossing die 4,0 mg natriumhydroxide per mL bevat. Wanneer 1,96 mL van deze oplossing is toegevoegd, verkleurt de fenolftaleïen.
Vraag 20 1 punt
Wat is de formule van de negatieve ionen in azijn?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Vraag 21 1 punt
Het residu wordt nagespoeld met water omdat één bestanddeel van mosterd volledig uit het residu moet worden verwijderd. Welke bestanddeel is dat?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Vraag 22 1 punt
Hoe wordt een oplossing van natriumhydroxide ook wel genoemd?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 23 2 punten
Bereken hoeveel mg OH– de oplossing van natriumhydroxide per mL bevat.
Bekijk het antwoord
- berekening van de massaverhouding van OH– en NaOH: 16,0 (u) optellen bij 1,0 (u) en de uitkomst delen door de som van 23,0 (u) en 16,0 (u) en 1,0 (u) (1)
- berekening van het aantal mg OH–: de massaverhouding van OH– en NaOH vermenigvuldigen met 4,0 (mg) (1)
Vraag 24 2 punten
De vloeistof in de erlenmeyer verandert tijdens de titratie. Beschrijf de vloeistof ná de kleuromslag. Maak gebruik van Binas-tabel 36. Noteer je antwoord als volgt:
- Fenolftaleïen verkleurde naar: … (kies uit 'kleurloos' of 'paars')
- De vloeistof werd: … (kies uit 'zuur', 'basisch' of 'neutraal')
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Indien een antwoord als 'Fenolftaleïen verkleurde naar kleurloos en de vloeistof werd zuur/neutraal' is gegeven (0)
Vraag 25 3 punten
Bereken het aantal mL azijn dat is gebruikt in 3,0 gram mosterd. Ga bij deze berekening uit van de volgende gegevens:
- de informatie in de tekst
- op het omslagpunt heeft precies al het azijnzuur gereageerd
- 1,0 mL natriumhydroxide-oplossing reageert met 5,9 mg azijnzuur
- 15 mL azijn bevat 600 mg azijnzuur.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer een juiste berekening is gegeven waarbij tussentijds is afgerond, leidend tot de uitkomst 1,5 (mL), dit goed rekenen.
Vraag 26 2 punten
Wanneer Kees 20,0 mL oplossing zou titreren, in plaats van 10,0 mL, veranderen zijn resultaten. Neem onderstaande tabel over en kies bij elke verandering steeds uit 'waar' of 'niet waar'.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- verandering waar/niet waar Er is meer fenolftaleïen nodig. niet waar Er is meer natriumhydroxide-oplossing nodig. waar Er wordt een hoger gehalte azijn berekend. niet waar indien drie veranderingen juist (2) indien twee veranderingen juist (1) indien één of geen verandering juist (0) (2)
Auto’s rijden op ijzer …
Misschien wordt in de toekomst wel ijzer gebruikt als brandstof voor de auto. Bij een tankstation zou dan het volgende kunnen gebeuren: een bestuurder steekt cassettes met roestpoeder in de pomp, die vervolgens nieuwe cassettes met ijzerpoeder teruggeeft. De bestuurder steekt deze cassettes in zijn auto en kan weer honderden kilometers rijden. Het tanken bestaat dus uit het verwisselen van cassettes.
Het ijzerpoeder wordt in de auto (ruimte I) omgezet tot roest (Fe2O3). Door de energie die daarbij vrijkomt, wordt de motor aangedreven. Roest die is afgegeven bij het tankstation, kan vervolgens met waterstof weer worden omgezet tot ijzer (ruimte II). Het gevormde ijzer kan dan weer als brandstof gebruikt worden. Deze ijzerkringloop is schematisch en vereenvoudigd weergeven in figuur 1. Hierin zijn twee namen vervangen door stof X en stof Y.
[figuur 1: zie het originele examen] roest
waterstof
stof X I II
water
stof Y
Vraag 27 2 punten
Het ijzerpoeder bestaat uit kleine ijzerdeeltjes. Onderzoekers stellen dat deze ijzerdeeltjes een micrometer of een nanometer groot kunnen zijn. De deeltjesgrootte heeft invloed op de hoeveelheid energie die per minuut kan vrijkomen, wanneer het ijzer wordt omgezet tot roest. Leg uit bij welke deeltjesgrootte (een micrometer of een nanometer) een cassette de meeste energie per minuut zal opleveren.
- Neem aan dat de massa ijzer in de cassettes gelijk is.
- Maak gebruik van Binas-tabel 3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Bij kleinere deeltjes is er een fijnere/betere verdeling (en gaat de reactie sneller), dus bij ijzerdeeltjes van een nanometer.
- Bij kleinere deeltjes is er een groter reactieoppervlak (en gaat de reactie sneller), dus bij ijzerdeeltjes van een nanometer.
- Bij kleinere deeltjes is de verdelingsgraad (van het ijzer) groter (en gaat de reactie sneller), dus bij ijzerdeeltjes van een nanometer.
Vraag 28 1 punt
Een cassette die wordt afgegeven bevat 10 kg roest. Bevatte deze cassette minder of meer dan 10 kg ijzerpoeder, of was deze massa gelijk aan 10 kg? Neem aan dat er geen ijzer of roest verloren gaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Vraag 29 1 punt
Welk Romeins cijfer wordt gebruikt in de rationele naam van Fe2O3?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 30 1 punt
Welk proces vindt plaats in ruimte I?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 31 1 punt
Om roest weer om te zetten tot ijzer is waterstof nodig. Op welke van de onderstaande manieren kan waterstof worden geproduceerd?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 32 3 punten
Geef de reactievergelijking voor het proces in ruimte II.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- uitsluitend Fe 2O3 en H2 voor de pijl (1)
- uitsluitend Fe en H2O na de pijl (1)
- het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)
Vraag 33 2 punten
Een auto die op benzine rijdt, kan ongeveer 15 kilometer rijden op één liter benzine. Laat met een berekening zien dat een auto die op ijzer rijdt per afgelegde kilometer een hogere massa brandstof nodig heeft dan een auto die op benzine rijdt. Maak gebruik van de volgende informatie:
- Binas-tabel 16
- 1,0 g/cm3 = 1,0 kg/L
- met 40 kg ijzerpoeder als brandstof kan 100 km worden gereden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Voor 100 km is 100 : 15 = 6,7 L benzine nodig. De dichtheid van benzine is (volgens Binas-tabel 16) 0,72 g/cm3 = 0,72 kg/L. Dus voor
100 km is 6,7 × 0,72 = 4,8 kg benzine nodig (dit is minder dan 40 kg ijzerpoeder).
- De dichtheid van benzine is (volgens Binas-tabel 16) 0,72 g/cm 3 = 0,72 kg/L. Dus per km is dat 0,72 : 15 = 0,048 kg benzine. Per km is
40 (kg) : 100 (km) = 0,4 kg ijzerpoeder nodig (en dit is meer dan 0,048 kg benzine).
Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
Vraag 34 1 punt
Het gebruik van ijzer in plaats van benzine als brandstof heeft voordelen. Er wordt bijvoorbeeld een veel kleinere bijdrage geleverd aan het versterkt broeikaseffect. Geef de formule van een stof die een bijdrage levert aan het versterkt broeikaseffect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0) Indien het antwoord 'C' of 'CO' is gegeven (0)
Strooizout
Rijkswaterstaat heeft in één weekend 14,9 miljoen kilogram strooizout verspreid op de Nederlandse snelwegen. Dit strooizout bestaat voornamelijk uit vast natriumchloride. Met behulp van strooiwagens wordt vast strooizout tegelijk met pekel uitgestrooid, waardoor de korrels strooizout beter aan het wegdek plakken. Pekel is een oplossing van natriumchloride in water. Natriumchloride veroorzaakt dat water bij een lagere temperatuur dan normaal wordt omgezet tot ijs. Hierdoor wordt gladheid tegengegaan.
Vraag 35 1 punt
Welke faseovergang kan gladheid veroorzaken?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 36 1 punt
Bij welke temperatuur in Kelvin zal een mengsel van water en strooizout worden omgezet tot ijs?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Vraag 37 1 punt
Behalve water bevat pekel nog andere deeltjes. Wat is de notatie van deze andere deeltjes?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Bij het uitstrooien van de 14,9 miljoen kilogram vast strooizout, werd tegelijk ook een hoeveelheid pekel op de snelwegen verspreid. Deze hoeveelheid pekel bevatte 1,4 miljoen kilogram natriumchloride.
Vraag 38 2 punten
Laat met een berekening zien dat deze hoeveelheid pekel 1,4 miljoen kilogram natriumchloride bevatte. Neem aan dat:
- er werd gestrooid in de massaverhouding strooizout : pekel = 7 : 3
- 1,0 kg pekel 0,22 kg natriumchloride bevat.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
3 0,22 × 14,9 (miljoen) × = 1,4 (miljoen kg)
7 (1,0)
of
3 0,22 × 14,9 ⋅ 10 6 × = 1,4 ⋅ 10 6 (kg)
7 (1,0)
of
7 1,4 (miljoen) × : 0,22 = 14,8 (miljoen kg) 3
of
7 1,4 ⋅ 10 6 × : 14,9 ⋅ 10 6 = 0,22 (kg) 3
- de massaverhouding strooizout : pekel = 7 : 3 juist verwerkt (1p)
- de rest van de berekening juist (1p)
Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
Vraag 39 2 punten
Bereken hoeveel kg natriumchloride in totaal werd verspreid door het strooien van 14,9 miljoen kg strooizout tegelijk met de pekel. Maak gebruik van de volgende gegevens:
- Strooizout bestaat voor 95 massaprocent uit natriumchloride.
- De gestrooide pekel bevatte 1,4 miljoen kg natriumchloride.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 16 miljoen (kg).
Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
Behalve natriumchloride kunnen ook andere zouten worden ingezet bij gladheidsbestrijding, zoals calciumchloride ( CaCl2) en magnesiumchloride (MgCl2). De keuze voor een strooimiddel wordt mede bepaald door de weersomstandigheden. Daarbij speelt het aantal ionen dat in gesmolten sneeuw en ijs aanwezig is een rol.
Vraag 40 1 punt
Van een bepaald strooizout is met behulp van een oplossing van kaliumfosfaat (K3PO4) onderzocht of het, behalve NaCl, misschien ook CaCl2 en/of MgCl2 bevat. Er ontstond een neerslag. Welke conclusie is juist? Het strooizout bevat, behalve NaCl,
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 41 1 punt
Welk van de stoffen calciumchloride en magnesiumchloride levert per kg het grootste aantal ionen?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Honing(bij)
Planten scheiden nectar af. Honingbijen verzamelen de nectar en verwerken die tot honing. Nectar bestaat voor een belangrijk deel uit suikers, waaronder sacharose. Het overige deel van de nectar bestaat voornamelijk uit water en een kleine hoeveelheid andere stoffen. De bijen voegen aan de nectar hulpstoffen toe, zoals enzymen. Onder invloed van enzymen wordt sacharose omgezet tot andere suikers. Een reactie die daarbij optreedt, kan met onderstaande vergelijking worden weergegeven. Deze vergelijking is nog onvolledig: alleen één formule ontbreekt.
C12H22O11 + … → 2 C6H12O6 (reactie 1)
De verwerkte nectar wordt vervolgens in een honingraat (zie afbeelding hiernaast) gebracht. Daar verdampt water uit het mengsel. Wanneer het mengsel de juiste gehalte suikers heeft, is de honing klaar.
naar www.bijenhouden.nl
Vraag 42 1 punt
Geef de ontbrekende formule.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)
Vraag 43 2 punten
Sacharose wordt omgezet tot andere suikers (reactie 1). Neem onderstaande tabel over en geef aan of de genoemde gegevens 'wel' of 'niet' veranderen wanneer reactie 1 optreedt. gegeven verandert wel/niet het aantal suikermoleculen … het aantal atomen per suikermolecuul … het aantal atoomsoorten per suikermolecuul …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- gegeven verandert wel/niet het aantal suikermoleculen wel het aantal atomen per suikermolecuul wel het aantal atoomsoorten per suikermolecuul niet indien drie gegevens juist (2) indien twee gegevens juist (1) indien één of geen gegevens juist (0) (2)
Vraag 44 1 punt
Is het gehalte suikers in honing hoger of lager dan dat in de verwerkte nectar, of is dit gehalte gelijk?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Om te bepalen uit welke planten de nectar afkomstig was, kan de honing onderzocht worden. Bij dit onderzoek wordt steeds 40 gram honing opgelost in 100 mL gedestilleerd water. Daarna worden onder meer de pH en de elektrische geleiding van de verkregen honingoplossing bepaald. In tabel 1 zijn van enkele honingsoorten de pH en de gemeten elektrische geleiding weergegeven.
[tabel 1: zie het originele examen] oplossing van pH elektrische geleiding (µS cm–1) acaciahoning 3,91 150 heidehoning 4,23 615 lindehoning 4,59 515 zonnebloemhoning 3,78 270
naar www.bijenhouden.nl
Vraag 45 1 punt
Welke honingsoort uit tabel 1 bevat de hoogste concentratie waterstofionen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Vraag 46 2 punten
Wanneer in het onderzoek drinkwater (leidingwater) is gebruikt, kunnen de meetresultaten anders zijn dan wanneer gedestilleerd water is gebruikt. Leg uit waarom de meetresultaten in dat geval anders kunnen zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Drinkwater bevat (behalve water) ook opgeloste stoffen. Deze stoffen kunnen mogelijk ook stroom geleiden.
- Drinkwater bevat (behalve water) ook opgeloste zouten. Hierdoor kan een te hoge stroomgeleiding worden gemeten.
- Drinkwater is geen zuiver water, en bevat mogelijk ook zuren/basen (waardoor de pH anders is dan van gedestilleerd water).
- Drinkwater bevat (behalve water) ook andere stoffen. Deze stoffen kunnen misschien reageren met de deeltjes die de pH/de elektrische geleiding bepalen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Natuur- en scheikunde II 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-19-2-o
Andere examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?
Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 telt 46 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (28), zuren en basen (9) en verbranden (7).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-19-2-c).
Hoe oefen ik met het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.