Eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Pauzevlam, 18 troebel wordt., Wratten, 10 een natriumchloride-oplossing, die de opgeloste zilverionen bindt., Zelfhelende verf, 5 Dit gebeurt in drie stappen., 7 Het oplosmiddel wordt vervolgens teruggewonnen en hergebruikt., Kaliumchloraat, Kresolrood.

Kort antwoord

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2 telt 49 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (36), zuren en basen (10) en verbranden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Stoffen en materialen1, 6, 8-20, 22-27, 29-37, 39-43, 4536
Zuren en basen4-5, 7, 21, 28, 44, 46-4910
Verbranden2-3, 383

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 16 examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over stoffen en materialen (73% van de vragen, gemiddeld 67%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Pauzevlam

De 'pauzevlam' wordt ingesteld wanneer tijdens een practicum een brander tijdelijk niet gebruikt wordt. Bij deze instelling vindt onvolledige verbranding van methaan plaats. Hierbij ontstaat een stof die een zwarte aanslag geeft en ook de vlam geel kleurt.

Vraag 1 1 punt

Wat is de formule van de stof die de vlam geel kleurt?

  1. A C
  2. B CO
  3. C CO2
  4. D H2O
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 2 1 punt

Door welke handeling verandert een kleurloze vlam in een pauzevlam? Neem aan dat de overige instellingen steeds gelijk blijven.

  1. A de gastoevoer verder dichtdraaien
  2. B de gastoevoer verder opendraaien
  3. C de luchtregelschijf verder dichtdraaien
  4. D de luchtregelschijf verder opendraaien
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 3 1 punt

Geef aan waarom het veiliger is dat de pauzevlam wordt ingesteld wanneer de brander tijdelijk niet gebruikt wordt.

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als 'De pauzevlam is minder heet/warm', dit goed rekenen.

18 troebel wordt.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 4 1 punt

Geef de triviale naam van de oplossing waarmee Lisa de gaswasfles vult.

Bekijk het antwoord
  • (helder) kalkwater (1)

Vraag 5 3 punten

Het proces dat optreedt in de gaswasfles (regels 10 tot en met 13) kan met één vergelijking worden weergegeven. Geef deze vergelijking.

Bekijk het antwoord

Indien de vergelijking 'Ca(OH) 2 + CO2 → CaCO3 + H2 O' is gegeven (2) Indien de vergelijking 'Ca 2+ + CO32– → CaCO3' is gegeven (1)

Vraag 6 1 punt

Welk soort mengsel ontstaat wanneer calciumcarbonaat wordt gevormd (regels 10 tot en met 13)?

  1. A een emulsie
  2. B een legering
  3. C een oplossing
  4. D een suspensie
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 7 2 punten

Lisa trekt op basis van haar waarneming een conclusie en beantwoordt vervolgens haar onderzoeksvraag. Geef het antwoord op de onderzoeksvraag van Lisa. Noteer je antwoord als volgt: Waarneming: … Conclusie bij deze waarneming: ... dus er vindt ... (kies uit: 'wel' of 'geen') volledige verbranding plaats.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Waarneming: het kalkwater werd troebel Conclusie bij deze waarneming: er werd koolstofdioxide aangetoond / er ontstond koolstofdioxide (bij de verbranding) / er ontstond calciumcarbonaat (in de gaswasfles) dus er vindt wel volledige verbranding plaats.

Wratten

Wratten zijn harde eeltachtige vergroeiingen van de huid. De wratten kunnen worden behandeld met een kleine hoeveelheid vloeibare stikstof.

Vraag 8 2 punten

Tot welk soort stoffen behoort vloeibare stikstof? Neem onderstaande tabel over en kies steeds uit 'wel' of 'niet'.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • soort stof wel/niet metalen niet niet-ontleedbare stoffen wel zouten niet indien drie soorten stoffen juist (2) indien twee soorten stoffen juist (1) indien één of geen soort stof juist (0) (2)

soort stof wel/niet metalen … niet-ontleedbare stoffen … zouten …

Vraag 9 1 punt

Wanneer stikstofgas vloeibaar wordt gemaakt, verandert de fase van de stikstof. Geef de naam van deze faseovergang.

Bekijk het antwoord
  • condenseren/condensatie (1)

Vraag 10 1 punt

Bij welke temperatuur in graden Celsius wordt stikstofgas vloeibaar? Maak gebruik van Binas-tabel 17.

  1. A – 196
  2. B – 210
  3. C 336
  4. D 350

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 11 1 punt

Bij het verdampen van vloeibare stikstof verandert het volume van de stikstof. Wat is de oorzaak van deze volumeverandering?

  1. A De moleculen bewegen gemiddeld langzamer.
  2. B De moleculen komen gemiddeld verder van elkaar.
  3. C De moleculen worden veel groter.
  4. D Er ontstaan meer moleculen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 12 1 punt

Op een verpakking met vloeibare stikstof voor huisartsen staat het etiket dat hiernaast is afgebeeld. Wat betekent dit etiket?

  1. A explosief
  2. B gassen onder druk
  3. C gevaarlijk voor waterrijk milieu
  4. D schadelijk
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

10 een natriumchloride-oplossing, die de opgeloste zilverionen bindt.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 13 3 punten

Bereken hoeveel gram zilverionen de punt van de stift bevat.

Bekijk het antwoord
  • berekening van het aantal gram AgNO 3 in de stift: 0,5 (g) vermenigvuldigen met 95(%) en delen door 100(%) (1)
  • berekening van de massaverhouding van Ag en AgNO3: 107,9 (u) delen door de som van 107,9 (u) + 14,0 (u) + 3 × 16,0 (u) (1)
  • berekening van het aantal gram Ag +: de berekende massaverhouding vermenigvuldigen met de berekende massa AgNO 3 (1)

Vraag 14 1 punt

Op basis van de informatie in Binas-tabel 40 lijkt het aan te raden om handschoenen te dragen bij het aanbrengen van zilvernitraat. Uit welk gegeven uit de tabel blijkt dit?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien slechts het antwoord 'gevaarlijk' is gegeven (0)

Vraag 15 3 punten

Door de punt vochtig te maken, lost een deel van het zilvernitraat op. Geef de vergelijking voor het oplossen van zilvernitraat. Vermeld ook de toestandsaanduidingen.

Bekijk het antwoord

Indien de vergelijking 'AgNO3 (s) + H2O (l) → Ag+ (aq) + NO3– (aq) + H2O (l)' is gegeven (2) Indien de vergelijking 'Ag + (aq) + NO3– (aq) → AgNO3 (s)' is gegeven (1)

Opmerking Wanneer een niet-kloppende vergelijking is gegeven, het laatste scorepunt niet toekennen.

Vraag 16 1 punt

De werking van de stift vermindert wanneer te veel water is gebruikt. Mogelijke oorzaken hiervan kunnen zijn: I De zilverionen spoelen sneller van de wrat af. II De concentratie zilverionen in de vloeistof die op de wrat terechtkomt is dan lager. Welk van deze oorzaken verklaart de verminderde werking van de stift?

  1. A geen van beide
  2. B alleen I
  3. C alleen II
  4. D beide: I en II
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 17 1 punt

Welk proces is het binden van de zilverionen (regels 9 en 10)?

  1. A een neerslagreactie
  2. B een ontleding
  3. C een scheiding
  4. D een zuur-basereactie
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Zelfhelende verf

Veel metalen kunnen door stoffen uit de omgeving, zoals zuurstof en water, worden aangetast. Dit proces wordt corrosie genoemd. Om metaal tegen corrosie te beschermen, kan het worden voorzien van een laagje chroom. Chroom reageert met zuurstof tot een ondoordringbaar laagje dat het metaal eronder beschermt. De vergelijking van deze reactie is hieronder vereenvoudigd en onvolledig weergegeven. De coëfficiënten ontbreken. … Cr + ... O2 → ... Cr2O3

Vraag 18 1 punt

Neem de reactievergelijking uit het tekstblok over en vul de ontbrekende coëfficiënten aan.

Bekijk het antwoord
  • 4 Cr + 3 O2 → 2 Cr2O3 (1)

Vraag 19 2 punten

Geef de rationele naam van Cr2O3. Maak gebruik van een Romeins cijfer.

Bekijk het antwoord
  • chroomoxide (1)
  • Romeins cijfer III juist verwerkt (1)

5 Dit gebeurt in drie stappen.

1 Eerst wordt de legering behandeld met een mengsel dat chroomzuur (H2CrO4) bevat. Het chroomzuur reageert met het buitenste laagje legering, waarbij onder meer Cr2O3 ontstaat. Het zo gevormde mengsel wordt de 'conversielaag' genoemd.

2 Op deze conversielaag wordt een zogenoemde 'zelfhelende verf' aangebracht. Deze verf bevat een oplosbaar zout dat chromaationen (CrO42–) bevat, bijvoorbeeld strontiumchromaat.

3 Tot slot wordt over de verflaag nog een afdekkend laagje polyurethaan aangebracht. Polyurethaan is een kunststof.

Vraag 20 1 punt

Geef de naam van de aluminiumlegering (regel 2). Maak hierbij gebruik van Binas.

Bekijk het antwoord
  • duraluminium (1)

Vraag 21 1 punt

Bij stap 1 reageert metaal met een zuur. Bij welk van onderstaande processen reageert ook een metaal met een zuur?

  1. A etsen
  2. B ontharden
  3. C ontkalken
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 22 1 punt

De lading van de strontiumionen in strontiumchromaat (stap 2) is gelijk aan die van de ionen van andere metalen uit groep 2 van het periodiek systeem. Wat is de formule van strontiumchromaat?

  1. A SrCrO4
  2. B Sr(CrO4)2
  3. C Sr2CrO4
  4. D Sr2(CrO4)3
  5. E Sr3(CrO4)2
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 23 1 punt

Welk begrip kan worden gebruikt voor de beginstoffen waaruit polyurethaan wordt gevormd?

  1. A cokes
  2. B edelgassen
  3. C monomeren
  4. D polymeren
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Wanneer door beschadiging de legering bloot komt te liggen, wordt een nieuw laagje Cr2O3 gevormd. Bij dit proces reageert het aluminium uit de legering met water (uit de lucht of regen) en met de chromaationen. Hierbij ontstaat Cr2O3. Dit is hieronder vereenvoudigd weergegeven.

Vraag 24 1 punt

Uit de formules van de stoffen die betrokken zijn bij het zelfherstellende proces is af te leiden dat Cr2O3 niet het enige reactieproduct kan zijn. Welke van de atoomsoorten H, Al en O, moeten in elk geval voorkomen in de andere reactieproducten?

  1. A alleen H en Al
  2. B alleen Al en O
  3. C alleen H en O
  4. D alle drie: H , Al en O
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 25 1 punt

Geef aan waarom het nieuw gevormde laagje de bescherming van de legering heeft hersteld. Maak hierbij ook gebruik van de informatie boven vraag 18.

Bekijk het antwoord

Indien in een overigens juist antwoord de stof 'chroom' is gegeven in plaats van 'chroomoxide' (0)

Vraag 26 1 punt

Welke twee lagen reageren bij het zelfhelende proces?

  1. A de aluminiumlegering en de conversielaag
  2. B de aluminiumlegering en de zelfhelende verf
  3. C de aluminiumlegering en het polyurethaan
  4. D de conversielaag en de zelfhelende verf
  5. E de conversielaag en het polyurethaan
  6. F de zelfhelende verf en het polyurethaan
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

7 Het oplosmiddel wordt vervolgens teruggewonnen en hergebruikt.

Dit proces is vereenvoudigd en onvolledig weergegeven in figuur 1. In deze figuur zijn de pijlen genummerd. De stofnamen bij deze pijlen ontbreken. Bij een van de pijlen ontbreken twee stofnamen.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 27 1 punt

Bereken hoeveel ton zwaveldioxide ontstaat wanneer een hoeveelheid aardgas wordt verbrand die 531 ton H2S bevat. Neem aan dat bij de verbranding van dit aardgas 1,9 kg SO2 per kg H2S ontstaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 28 1 punt

Zure regen kan ontstaan, doordat zwaveldioxide met water en zuurstof uit de lucht een zuur vormt. Welk zuur is dit?

  1. A azijnzuur
  2. B salpeterzuur
  3. C zoutzuur
  4. D zwavelzuur

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 29 1 punt

Welke scheidingsmethode wordt in de regels 4 tot en met 6 beschreven?

  1. A adsorberen
  2. B extraheren
  3. C destilleren
  4. D filtreren

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 30 1 punt

Bij welke van de genummerde pijlen in figuur 1 moet diwaterstofmonosulfide komen te staan?

  1. A de pijlen 1 en 2
  2. B de pijlen 2 en 3
  3. C de pijlen 3 en 4
  4. D de pijlen 1, 2 en 3
  5. E de pijlen 2, 3 en 4

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Het afgescheiden H2S is giftig en stinkt, en wordt daarom vervolgens omgezet tot zwavel en water, volgens het zogenoemde 'clausproces'. De omstandigheden bij dit proces zijn zo gemaakt, dat 33,3 massaprocent van het H2S reageert volgens reactie 1. Het overige H2S reageert volgens reactie 2 met het zwaveldioxide dat bij reactie 1 is gevormd.

2 H2S + 3 O2 → 2 SO2 + 2 H2O (reactie 1)

2 H2S + SO2 → 3 S + 2 H2O (reactie 2)

De verkregen zwavel wordt in de industrie gebruikt voor de productie van bijvoorbeeld kunstmest.

Vraag 31 3 punten

Bereken hoeveel ton zuurstof nodig is om 33,3 massaprocent van 531 ton H2S om te zetten volgens reactie 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 32 1 punt

Via reactie 1 en reactie 2 is x ton zwavel verkregen. Hoeveel ton diwaterstofmonosulfide is daarbij omgezet?

  1. A minder dan x ton
  2. B x ton
  3. C meer dan x ton

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 33 1 punt

Geef aan waarom de omzetting van H2S via het clausproces geen bijdrage levert aan het ontstaan van zure regen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Het gevormde zwaveldioxide uit reactie 1 wordt omgezet bij reactie 2. (Er wordt dus netto geen zwaveldioxide gevormd.) − Al het SO2 uit reactie 1 reageert bij reactie 2. − In het proces komt geen SO2 vrij / ontstaat uiteindelijk alleen S en H2O (en die leveren geen bijdrage aan het ontstaan van zure regen). (1)

Kaliumchloraat

Bij de ontleding van kaliumchloraat (KClO3) ontstaan kaliumchloride en zuurstof. De reactie kan worden versneld met behulp van bruinsteen als katalysator. Kenneth onderzoekt hoeveel mL zuurstof figuur 1 ontstaat bij deze ontleding. Hij bouwt hiervoor de opstelling die in figuur 1 is weergegeven. Hij doet 400 mg kaliumchloraat in een reageerbuis en voegt 20 mg bruinsteen toe. Vervolgens verhit hij het mengsel. Het gas dat ontstaat vangt hij op in een omgekeerde maatcilinder die volledig is gevuld met water. Kenneth concludeert uit de eindstand van de maatcilinder dat er 110 mL zuurstofgas is ontstaan. Kenneth herhaalt de proef vervolgens vier maal en meet bij elke proef het aantal mL zuurstof dat uiteindelijk is ontstaan. Hij gebruikt steeds 400 mg kaliumchloraat, maar achtereenvolgens 40 mg, 60 mg, 80 mg en 100 mg bruinsteen.

Vraag 34 1 punt

Uit hoeveel atoomsoorten bestaat kaliumchloraat?

  1. A 1
  2. B 2
  3. C 3
  4. D 4
  5. E 5
  6. F 6

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 35 3 punten

Geef de vergelijking van de ontleding van kaliumchloraat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend KClO3 voor de pijl (1)
  • uitsluitend KCl en O2 na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)

Vraag 36 1 punt

Welk type ontleding vindt plaats bij de proef van Kenneth?

  1. A elektrolyse
  2. B fotolyse
  3. C thermolyse

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 37 1 punt

Welke van de afbeeldingen hiernaast geeft de eindstand van de maatcilinder juist weer?

  1. A afbeelding I
  2. B afbeelding II
  3. C afbeelding III
  4. D afbeelding IV

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 38 2 punten

Het ontstane zuurstofgas kan uit de maatcilinder worden verkregen. Daarna kan het zuurstofgas worden aangetoond met een proefje. Beschrijf de uitvoering van dit proefje en geef de daarbij behorende waarneming(en). Noteer je antwoord als volgt: Handeling(en): … Waarneming(en): …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Handeling(en): een gloeiende houtspaander in het gas houden / erbij houden (1)
  • Waarneming(en): de houtspaander gloeit op/harder/feller / de houtspaander gaat branden (1)

Vraag 39 2 punten

Laat met een berekening zien dat 110 mL zuurstofgas kan ontstaan uit

400 mg kaliumchloraat. Gebruik bij de berekening de volgende gegevens:

  • kaliumchloraat en zuurstof zijn in de massaverhouding 2,55 : 1,00 bij de ontleding betrokken;
  • 5,00 mL zuurstof heeft een massa van 7,15 mg.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven:

400 : 2,55 × 1,00 : 7,15 × 5,00 = 110 (mL) of

110 : 5,00 × 7,15 × 2,55 : 1,00 = 401 (mg) (en dat is vrijwel 400)

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 40 1 punt

Kenneth verwerkt zijn meetresultaten in een diagram. Welke van de drie onderstaande diagrammen maakt Kenneth?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (1)

Kresolrood

Kresolrood (C21H18O5S) is een roodbruin poeder dat kan worden gebruikt als indicator. Hiervan wordt eerst een oplossing gemaakt in een mengsel van onder meer water en alcohol. Deze oplossing is geel van kleur.

Om de gemaakte oplossing te testen wordt de volgende proef gebruikt:

1 Meng 0,1 mL van de kresolrood-oplossing met 0,15 mL natronloog (0,8 g NaOH per L) en 100 mL water.

2 Druppel voorzichtig zoutzuur (pH=1,7) toe. Na maximaal 3 druppels moet de kleur omslaan naar geel.

Kresolrood heeft twee omslagtrajecten. De kleuren van deze indicator zijn hieronder weergegeven:

Vraag 41 2 punten

De molecuulmassa van kresolrood is 382 u. Laat dit met een berekening zien.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

21 × 12,0 + 18 × 1,0 + 5 × 16,0 + 32,1 = 382(,1) (u)

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 42 1 punt

Geef de formule van alcohol.

Bekijk het antwoord
  • C2H6O / C2 H5OH (1)

Vraag 43 1 punt

Welk soort oplossing is de gemaakte oplossing van kresolrood?

  1. A een basische oplossing
  2. B een neutrale oplossing
  3. C een zure oplossing
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 44 1 punt

Geef de rationele naam van natronloog.

Bekijk het antwoord
  • natriumhydroxide(-oplossing) (1)

Vraag 45 1 punt

In de eerste stap van de test wordt een mengsel gevormd. Geef aan waarom de concentratie natriumionen in dit mengsel kleiner is dan 0,8 g/L.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − De natronloog wordt verdund (met 100 mL water). − De natriumionen zijn alleen de positieve ionen van het (opgeloste) NaOH (dus minder dan 0,8 g per L). − Het natronloog bevat 0,8 g NaOH per L, dus 0,46 g Na + per L. − Nadat de kresolrood-oplossing en het water zijn toegevoegd is de concentratie Na + lager geworden. (1)

Vraag 46 2 punten

Geef de notatie van zoutzuur. Vermeld hierbij ook de toestandsaanduidingen.

Bekijk het antwoord

Indien het antwoord 'HCl (aq)' is gegeven (1)

Vraag 47 1 punt

De test berust op het neutraliseren van de 0,15 mL natronloog met zoutzuur. Geef de formule van het reactieproduct van deze neutralisatiereactie.

Bekijk het antwoord

Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 48 1 punt

Bij welke kleur van kresolrood is de concentratie OH–-ionen in de oplossing het grootst?

  1. A bij een oranjerode kleur
  2. B bij een gele kleur
  3. C bij een paarsrode kleur
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 49 1 punt

Door welke van onderstaande stoffen verandert de kleur van een kresolrood-oplossing van geel naar paarsrood?

  1. A ammonia
  2. B azijn
  3. C keukenzout
  4. D water
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Natuur- en scheikunde II 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-21-2-o

Andere examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2?

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2 telt 49 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (36), zuren en basen (10) en verbranden (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-21-2-c).

Hoe oefen ik met het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.