Eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Fosforstenen, Reactiesnelheid, Knalerwt, Toestel van Kipp, Koken op oud brood en visafval, Fenolrood als indicator, Dobbelen met zouten.

Kort antwoord

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2 telt 47 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (26), zuren en basen (11) en verbranden (10). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Stoffen en materialen3-4, 7-10, 12-16, 18-21, 24, 26-29, 42-4726
Zuren en basen11, 17, 23, 25, 35-4111
Verbranden1-2, 5-6, 22, 30-3410

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 16 examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over verbranden (21% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over stoffen en materialen (55% van de vragen, gemiddeld 69%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Fosforstenen

Op de bodem van de Noordzee komt op sommige plaatsen fosfor voor dat afkomstig is uit bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog. Als dit fosfor aanspoelt, kan dit tot ongelukken leiden, zoals in onderstaand tekstfragment is beschreven.

tekstfragment

Een gezin vond mooie stenen op het strand. Ze namen de stenen mee naar huis. Daar vlogen de stenen spontaan in brand. Binnen een paar seconden stond alles vol rook. De stenen bleken bedekt te zijn met fosfor. De ‘fosforstenen’ bleken met water niet te blussen. Fosfor brandt zo hevig, dat alleen verstikken met zand of met een blusdeken zou helpen.

De vergelijking van de verbranding van fosfor is hieronder onvolledig weergegeven. Eén coëfficiënt en één formule ontbreken. P₄ + … … → P₄O₁₀

Vraag 1 1 punt

Wat wordt bedoeld met 'verstikken' van de fosforbrand?

  1. A de brandstof wegnemen
  2. B de ontbrandingstemperatuur verlagen
  3. C de zuurstof wegnemen
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Vraag 2 1 punt

Welke coëfficiënt en welke formule ontbreken in de vergelijking?

  1. A 2 O₅
  2. B 5 O₂
  3. C 10 O
  4. D 10 O₂
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Het reactieproduct bestaat uit moleculen P₄O₁₀, maar het wordt ook vaak weergegeven met de formule P₂O₅.

Vraag 3 2 punten

Geef de rationele naam van P₂O₅.

Bekijk het antwoord

difosforpent(a)oxide

  • fosforoxide (1)
  • de voorvoegsels di en pent(a) juist verwerkt (1)

Vraag 4 1 punt

Is het massapercentage P in P₄O₁₀ gelijk aan dat in P₂O₅?

  1. A Ja, de massapercentages P zijn gelijk.
  2. B Nee, het massapercentage P in P₄O₁₀ is groter.
  3. C Nee, het massapercentage P in P₄O₁₀ is kleiner.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

Zuivere fosfor komt voor als verschillende stoffen, zoals witte fosfor en rode fosfor. Elke stof heeft bepaalde eigenschappen, zoals in onderstaande tabel is weergegeven:

witte fosforrode fosfor
smeltpunt 44 °C ontbrandingstemperatuur 30 °C dichtheid 1,8 g/cm3 geeft licht in het donker zeer giftigsmeltpunt 590 °C (hoge druk) ontbrandingstemperatuur 260 °C dichtheid 2,2 g/cm3 geeft geen licht in het donker niet giftig

Vraag 5 2 punten

Uit het gegeven dat de gevonden stenen in brand vlogen kan worden afgeleid dat deze 'fosforstenen' waren bedekt met witte fosfor, en niet met rode fosfor.

→Leg uit dat de gevonden stenen met witte fosfor waren bedekt. Vermeld in je antwoord de eigenschap uit de tabel waaruit dit blijkt.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Uit de ontbrandingstemperatuur, want die van witte fosfor is lager / het laagst.

− Uit de ontbrandingstemperatuur, want 30 °C kan gehaald worden / want 260 °C kan niet (vanzelf) gehaald worden.

  • de ontbrandingstemperatuur (1)
  • uitleg waaruit blijkt dat deze lager is / het laagst is / te behalen is (1)

Vraag 6 1 punt

Geef een reden waarom de gevonden fosforstenen op de bodem van de Noordzee niet zijn gaan branden.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Onder water kan er geen/onvoldoende lucht/zuurstof bij de fosfor komen.

− Op de bodem van de zee is het koud(er dan 30 °C) / te koud om de fosfor te kunnen laten ontbranden.

Opmerking

Wanneer een antwoord is gegeven als 'wanneer het ontbrandt, wordt het meteen geblust', dit beoordelen als onjuiste reden.

Reactiesnelheid

De snelheid van een chemische reactie kan worden beïnvloed door verschillende factoren, zoals de temperatuur. Elke factor beïnvloedt de tijdsduur die nodig is om een bepaalde hoeveelheid beginstof volledig te laten reageren.

Vraag 7 1 punt

Welke van de onderstaande diagrammen geeft de invloed van de temperatuur op de tijdsduur het best weer?

Afbeelding bij vraag 7 (opgaven-p4-1.webp).
  1. A diagram I
  2. B diagram II
  3. C diagram III
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

Harry onderzoekt de invloed van een andere factor op de reactiesnelheid. Hij vult vier maatcilinders met water en een oplossing van natriumthiosulfaat (oplossing A). Aan elke maatcilinder voegt hij vervolgens 10 mL zoutzuur toe, waarbij steeds direct een tijdmeting wordt gestart. Elke tijdmeting wordt gestopt zodra in de maatcilinder een troebeling te zien is. Deze troebeling ontstaat als gevolg van een reactie waarvan de vergelijking hieronder onvolledig is weergegeven. Alleen de formule van het thiosulfaation ontbreekt. De lading van dit ion is 2–. 2 H⁺ + … → H₂O + S + SO₂

Vraag 8 1 punt

Geef de formule van het thiosulfaation.

Bekijk het antwoord

S₂O₃ 2−

Vraag 9 1 punt

Geef de naam van het reactieproduct dat de troebeling veroorzaakt.

Bekijk het antwoord

zwavel

indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0)

Vraag 10 1 punt

In de maatcilinders zijn twee ionsoorten aanwezig die niet meedoen aan de reactie, waaronder Na⁺.

→Geef de formule van het andere ionsoort.

Bekijk het antwoord

Cl^–

indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 11 1 punt

Bij deze reactie wordt een overmaat zoutzuur gebruikt. Welke pH heeft de vloeistof na afloop van de proef?

  1. A tussen 0 en 7
  2. B 7
  3. C tussen 7 en 14
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

In een tabel geeft Harry aan waarmee de vier maatcilinders zijn gevuld. Hij noteert ook de tijdsduur tot het moment waarop de troebeling zichtbaar werd. Deze tabel is hieronder weergegeven. Helaas heeft Harry bij twee van de maatcilinders de meetresultaten per ongeluk verwisseld.

vooraftoegevoegdmeetresultaat
maatcilinderwater (mL)oplossing A (mL)zoutzuur (mL)tijd tot troebeling (sec)
10401012
2103010210
320201080
430101032
Afbeelding bij vraag 12 (opgaven-p5-1.webp).

Vraag 12 1 punt

Hiernaast staan vier maatcilinders afgebeeld. Eén ervan geeft het volume van maatcilinder 1 aan wanneer oplossing A is toegevoegd. Welke afbeelding is dit?

  1. A I
  2. B II
  3. C III
  4. D IV
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 13 2 punten

Oplossing A bevat 24,8 mg natriumthiosulfaat per mL.

→Bereken het aantal mg natriumthiosulfaat per mL in het mengsel dat aanwezig is in maatcilinder 2 vóórdat zoutzuur wordt toegevoegd.

Bekijk het antwoord

Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 19 (mg mL^–1).

  • berekening van het aantal mg natriumthiosulfaat: 24,8 (mg mL^–1) vermenigvuldigen met 30 (mL) (1)
  • berekening van de concentratie in mg per mL: het berekende aantal mg natriumthiosulfaat delen door de som van 10 (mL) en 30 (mL) (1)

Opmerkingen: − Wanneer een antwoord is geven als '24,8 × 30 : (40) = 19' of '24,8 : 4 × 3 = 19', dit goed rekenen. − De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 14 1 punt

Met zijn proef heeft Harry één van de factoren die invloed hebben op de reactiesnelheid onderzocht.

→Geef aan welke factor dit is.

Bekijk het antwoord

(de) concentratie

Vraag 15 1 punt

Van welke twee maatcilinders heeft Harry de meetresultaten verwisseld?

  1. A 1 en 2
  2. B 1 en 3
  3. C 1 en 4
  4. D 2 en 3
  5. E 2 en 4
  6. F 3 en 4
Bekijk het antwoord

Antwoord: E

E

Knalerwt

Knalerwten zijn een soort vuurwerk. Een knalerwt bestaat uit een papieren omhulsel met daarin een mengsel van zilverfulminaat (AgCNO) en zand. Zilverfulminaat moet met grote voorzichtigheid behandeld worden. Knalerwten worden daarom zorgvuldig verpakt om ontploffing tijdens transport te voorkomen.

Zilverfulminaat kan worden gemaakt uit zilver. Dit proces is hieronder vereenvoudigd met een blokschema weergegeven. Dit blokschema is nog onvolledig: één formule is weergegeven met 'stof X'. Stof X is een zuur.

Afbeelding bij Knalerwt (opgaven-p6-1.webp).

Vraag 16 1 punt

Tot welk soort stoffen behoort zilverfulminaat?

  1. A tot de koolwaterstoffen
  2. B tot de moleculaire stoffen
  3. C tot de zouten
  4. D tot de zuren
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Vraag 17 1 punt

Welk zuur is stof X?

  1. A azijnzuur
  2. B salpeterzuur
  3. C zoutzuur
  4. D zwavelzuur
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 18 3 punten

Uit blok II wordt meer water afgevoerd dan er in dit blok wordt ingevoerd. Dit komt doordat bij de reactie van zilvernitraat met alcohol ook water ontstaat.

→Geef de vergelijking van de reactie van zilvernitraat met alcohol. Neem aan dat zilverfulminaat als vaste stof ontstaat.

Bekijk het antwoord

2 Ag⁺ + 2 NO₃ – + C₂H₆O → 2 AgCNO + 3 H₂O + O₂

  • uitsluitend Ag⁺, NO₃ – en C₂H₆O voor de pijl (1)
  • uitsluitend AgCNO, H₂O en O₂ na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)

Opmerking

Wanneer de volgende vergelijking is gegeven:

'2 AgNO₃ + C₂H₆O → 2 AgCNO + 3 H₂O + O₂' , dit hier goed rekenen.

Door de knalerwt hard op de grond te gooien, ontstaat wrijvingswarmte. Hierdoor ontleedt het zilverfulminaat, volgens:

2 AgCNO → 2 Ag + 2 CO + N₂ Doordat bij deze ontleding het volume in heel korte tijd sterk toeneemt, knapt het papieren omhulsel met een knalletje.

Vraag 19 1 punt

Wat is de naam van het type ontledingsreactie dat het knalletje veroorzaakt?

  1. A extractie
  2. B fotolyse
  3. C sublimeren
  4. D thermolyse
  5. E verbranding
  6. F verdamping
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Vraag 20 2 punten

Een knalerwt kan 0,80 mg zilverfulminaat bevatten.

→Bereken hoeveel mg zilver kan ontstaan uit 0,80 mg zilverfulminaat.

Bekijk het antwoord

Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 0,58 (mg).

  • berekening van de massaverhouding van Ag en AgCNO: 2 × 107,9 (u) delen door 2 × de som van 107,9 (u) en 12,0 (u) en 14,0 (u) en 16,0 (u) (1)
  • berekening van het benodigde aantal mg zilver: de berekende massaverhouding vermenigvuldigen met 0,80 mg (1)

Opmerking

Wanneer beide coëfficiënten zijn weggelaten, dit niet aanrekenen.

Vraag 21 2 punten

Welke verandering wordt door de ontleding veroorzaakt? Neem onderstaande tabel over en kies steeds 'wel' of 'niet'.

het ontstaan van een groter aantalwel/niet
atomen…
moleculen…
soorten stoffen…
Bekijk het antwoord
het ontstaan van een groter aantalwel/niet
atomenniet
moleculenwel
soorten stoffenwel

indien drie veranderingen juist (2)

indien twee veranderingen juist (1)

indien één of geen verandering juist (0)

Vraag 22 2 punten

Het knalletje wordt vooral veroorzaakt door het ontstaan van de reactieproducten. Twee daarvan leveren de grootste bijdrage aan de knal. →Geef de formules van deze reactieproducten en licht toe waarom deze stof de grootste bijdrage levert.

Noteer je antwoord als volgt: formules: … en … toelichting: …

Bekijk het antwoord
  • formules: CO en N₂ (1)
  • toelichting: deze stoffen zijn gassen (en nemen meer volume in dan vaste (begin)stoffen) (1)

Toestel van Kipp

Het toestel van Kipp (figuur 1) kan worden gebruikt om figuur 1 kleine hoeveelheden gas te maken. Het toestel bestaat uit drie bolvormige ruimtes en een kraantje. In de bovenste bol wordt een vloeistof gedaan, die door het pijpje omlaag stroomt naar de onderste (halve) bol. In de middelste bol wordt een vaste stof geplaatst. Wanneer het kraantje openstaat, stijgt de vloeistof naar de middelste bol en komt in contact met de vaste stof. Hierbij ontstaat een gas. Het gas kan via het kraantje worden opgevangen.

Het toestel kan bijvoorbeeld worden gevuld met zoutzuur en calciumcarbonaat.

figuur 1
figuur 1

Vraag 23 3 punten

Bij de reactie van zoutzuur en calciumcarbonaat ontstaat onder meer een gas.

→Geef de vergelijking van deze reactie. Noteer het zuur als H⁺.

Bekijk het antwoord

CaCO₃ + 2 H⁺ → Ca²⁺ + H₂O + CO₂

  • uitsluitend CaCO₃ en H⁺ voor de pijl (1)
  • uitsluitend Ca²⁺, H₂O en CO₂ na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)

indien een van de volgende vergelijkingen is gegeven (2)

− CaCO₃ + 2 H⁺ → Ca²⁺ + H₂CO₃ − CO₃ ^2– + 2 H⁺ → H₂O + CO₂

Vraag 24 1 punt

Reza gebruikt zoutzuur en stukjes calciumcarbonaat. Hij bedenkt twee manieren om daarmee zo snel mogelijk gas te maken. Welke van de volgende manieren is juist?

I een indicator toevoegen

II de brokjes calciumcarbonaat verbrokkelen

  1. A alleen I
  2. B alleen II
  3. C beide: I en II
  4. D geen van beide
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Door een andere vaste stof in het toestel te doen, kan een ander gas worden gevormd. Een voorbeeld daarvan is diwaterstofmonosulfide (H₂S) dat ontstaat volgens:

FeS (s) + 2 H⁺ (aq) → Fe²⁺ (aq) + H₂S (g) (reactie 1)

Vraag 25 1 punt

Welk van onderstaande deeltjes reageert als base bij reactie 1?

  1. A Fe
  2. B Fe²⁺
  3. C H₂
  4. D H⁺
  5. E S
  6. F S²⁻
Bekijk het antwoord

Antwoord: F

F

Vraag 26 3 punten

Bereken hoeveel mg FeS heeft gereageerd wanneer 20,0 mL H₂S is ontstaan. Neem aan dat 1,0 mL H₂S een massa heeft van 1,54 mg.

Bekijk het antwoord

Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 79 (mg).

  • berekening van het aantal mg H₂S in 20,0 mL: 1,54 (mg) delen door 1,0 (mL), eventueel impliciet, en vermenigvuldigen met 20,0 (mL) (1)
  • berekening van de massaverhouding van FeS en H₂S: 55,8 (u) optellen bij 32,1 (u) en delen door de som van 2 × 1,0 (u) en 32,1 (u) (1)
  • berekening van het aantal mg FeS dat heeft gereageerd: het berekende aantal mg H₂S vermenigvuldigen met de berekende massaverhouding van FeS en H₂S (1)

Opmerking

De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

In het toestel kan eventueel stikstofdioxide worden gemaakt, wanneer salpeterzuur en koper worden gebruikt. Bij de reactie ontstaan dan onder meer metaalionen, waardoor de vloeistof van kleur verandert.

Vraag 27 1 punt

Welke kleur geven de metaalionen aan de vloeistof?

  1. A blauw
  2. B geel
  3. C rood
  4. D wit
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

Koken op oud brood en visafval

Uit 'biomassa', zoals oud brood en visafval, kan door vergisting biogas worden geproduceerd. Biogas bestaat vooral uit methaan (CH₄) en koolstofdioxide, maar bevat ook kleine hoeveelheden water en diwaterstofmonosulfide. Na behandeling mag dit gas 'groen gas' worden genoemd. Groen gas kan als brandstof worden gebruikt.

Dit proces is hieronder vereenvoudigd weergegeven.

Afbeelding bij Koken op oud brood en visafval (opgaven-p10-1.webp).

Vraag 28 1 punt

Wat is de formule van glucose?

  1. A C₂H₆
  2. B C₂H₆O
  3. C C₆H₁₂
  4. D C₆H₁₂O₆
  5. E C₁₂H₂₂
  6. F C₁₂H₂₂O₁₁
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Vraag 29 1 punt

Bij de vergisting (b) wordt ook een dikke suspensie gevormd. De vaste stof uit deze suspensie kan worden gebruikt als compost. Daarvoor moet de vloeistof eerst verwijderd worden.

→Geef de naam van een mogelijke scheidingsmethode die kan worden gebruikt om de vaste stof te scheiden van de vloeistof.

Bekijk het antwoord

filtreren / indampen / bezinken (en afschenken)

Vraag 30 2 punten

Biogas wordt behandeld, zodat groen gas ontstaat (c). →Leg uit, aan de hand van de informatie bij b en c, of het gehalte methaan afneemt, toeneemt, of gelijk blijft bij deze behandeling.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Er worden (overige/andere) stoffen/gassen uit biogas verwijderd/afgevoerd (bij de behandeling tot groen gas), dus het gehalte methaan neemt toe.

− Groen gas bevat geen H₂O/H₂S/CO₂ meer, dus het gehalte methaan neemt toe.

  • uitleg waaruit blijkt dat een stof/stoffen uit het biogas wordt/worden verwijderd (1)
  • conclusie in overeenstemming met de gegeven uitleg (1)

indien een antwoord is gegeven als 'Bij de behandeling wordt geen methaan uit biogas gehaald. Dus de hoeveelheid methaan blijft gelijk.' (1)

Opmerking

Wanneer een antwoord is gegeven als 'H₂O/H₂S/CO₂ verdwijnt (uit het gasmengsel), dus het gehalte methaan neemt toe', dit goed rekenen.

Vraag 31 1 punt

H₂S wordt verwijderd uit biogas (c), omdat de verbranding van H₂S negatieve effecten op het milieu kan hebben. Dit gas mag daarom niet in groen gas aanwezig zijn.

→Geef de naam van een van deze negatieve milieueffecten.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − zure regen

− (versterkt) broeikaseffect − verzuring van de bodem − smog(vorming)

Opmerking

Wanneer het antwoord 'vergiftiging', 'luchtverontreiniging' of 'afbraak van de ozonlaag' is gegeven, dit hier beoordelen als een juist antwoord.

Vraag 32 1 punt

Bij de volledige verbranding van methaan (e) ontstaan koolstofdioxide en één ander reactieproduct.

Wat is de naam van dit andere reactieproduct?

  1. A koolstof
  2. B water
  3. C waterstof
  4. D zuurstof
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 33 1 punt

Leg uit waarom het geproduceerde 'groen gas' geen fossiele brandstof is.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Bij verbranding van groen gas wordt geen extra CO₂ geproduceerd (want dit is eerder vastgelegd/gebruikt door de planten). − De CO₂ die bij de verbranding van groen gas vrijkomt is (relatief) kort geleden vastgelegd.

Opmerking

Wanneer een antwoord is gegeven als 'alleen aardgas, aardolie en steenkool zijn fossiele brandstoffen', dit goed rekenen.

Een bedrijf verwerkt per jaar 55 miljoen kg biomassa tot 2,7 miljoen m³ groen gas en 20 miljoen kg compost. Het bedrijf stelt dat het 202 kg CO₂ bespaart per duizend kg biomassa.

Vraag 34 2 punten

Het totale gasverbruik in Nederland is ongeveer 4,0∙10⁴ miljoen m³ per jaar.

→Bereken hoeveel miljoen kg biomassa het bedrijf nodig zou hebben voor het produceren van 4,0∙10⁴ miljoen m³ groen gas.

Bekijk het antwoord

Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 8,1∙10⁵ (miljoen kg).

  • berekening van de verhoudingsfactor: 4,0∙10⁴ (miljoen m³) delen door 2,7 (miljoen m³) (1)
  • berekening van het benodigde aantal miljoen kg biomassa: de berekende verhoudingsfactor vermenigvuldigen met 55 (miljoen kg) (1)

of

  • berekening van het aantal kg biomassa per m³ groen gas: 55 (miljoen kg) delen door 2,7 (miljoen m³) (1)
  • berekening van het benodigde aantal miljoen kg biomassa: het berekende aantal kg biomassa per m³ groen gas vermenigvuldigen met 4,0∙10⁴ (miljoen m³) (1)

Opmerking

De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Fenolrood als indicator

1 Een oplossing van fenolrood kan worden gebruikt als indicator. Hiervoor 2 wordt een rode stof met de formule C₁₉H₁₃NaO₅S opgelost in water. Het 3 smeltpunt van de rode stof is 558 K. Marieke doet een proefje. Ze voegt 4 3,0 mL zwavelzuuroplossing bij 3,0 mL natronloog en doet daar twee 5 druppels fenolroodoplossing bij. Het mengsel wordt geel.

Vraag 35 1 punt

Uit hoeveel atoomsoorten is de rode stof (regel 2) opgebouwd?

  1. A 4
  2. B 5
  3. C 6
  4. D 37
  5. E 39
  6. F 40
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 36 1 punt

Welke fase heeft de rode stof bij kamertemperatuur (regels 2 en 3)?

  1. A gasvormig
  2. B vloeibaar
  3. C vast
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Vraag 37 1 punt

Geef de naam van het negatieve ionsoort dat aanwezig is in een oplossing van zwavelzuur.

Bekijk het antwoord

sulfaat(ion)

indien de formule is gegeven in plaats van de naam (0)

Vraag 38 1 punt

Is natronloog een zuivere stof of een mengsel?

  1. A een mengsel, want het bestaat uit twee soorten ionen
  2. B een mengsel, want het bestaat uit twee soorten stoffen
  3. C een zuivere stof, want het bestaat uit één soort stof
  4. D een zuivere stof, want het is een zout
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 39 1 punt

Geef aan waarom de gele kleur (regel 5) aantoont dat zwavelzuur in overmaat aanwezig was.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− De indicator is geel bij een pH lager dan 6,8 (dus het mengsel is zuur). − Fenolrood is geel in een zuur / in een zure oplossing / onder zure omstandigheden.

Opmerking

Wanneer pH 7 is gegeven in plaats van pH 6,8, dit goed rekenen.

Om het gele mengsel weer rood te kleuren, voegt Marieke een geschikte oplossing (oplossing A) toe. Ze blijkt 3,5 mL van deze oplossing nodig te hebben om de kleuromslag te laten plaatsvinden.

Vraag 40 2 punten

Welke oplossing kan Marieke hebben toegevoegd? Neem onderstaande tabel over en kies steeds 'wel' of 'niet'.

een oplossing vanwel/niet
HAc…
NH 3…
NaCl…
Ca(OH) 2…
Bekijk het antwoord
een oplossing vanwel/niet
HAcniet
NH 3wel
NaClniet
Ca(OH) 2wel

indien vier stoffen juist (2)

indien drie of twee stoffen juist (1)

indien één of geen stof juist (0)

Vraag 41 2 punten

Marieke weet dat 12,5 mL van de gebruikte oplossing A reageert met 5,0 mg zwavelzuur. Ze berekent daarmee hoeveel mg zwavelzuur heeft gereageerd wanneer de kleur omslaat van geel naar rood.

→Bereken dit aantal mg zwavelzuur.

Bekijk het antwoord

Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 1,4 (mg).

  • berekening van de volumeverhouding: 3,5 (mL) delen door 12,5 (mL) (1)
  • berekening van het aantal mg zwavelzuur: de berekende volumeverhouding vermenigvuldigen met 5,0 (mg) (1)

of

  • berekening van het aantal mg zwavelzuur dat reageert per mL oplossing A: 5,0 (mg) delen door 12,5 (mL) (1)
  • berekening van het aantal mg zwavelzuur: het berekende aantal mg per mL vermenigvuldigen met 3,5 (mL) (1)

Dobbelen met zouten

Damian heeft twee dobbelstenen ontworpen en geprint met behulp van zijn 3D-printer. De 3D-printer smelt plastic en brengt dit laagje voor laagje over elkaar heen totdat de dobbelsteen klaar is. Na afkoelen kan er met de dobbelstenen gedobbeld worden.

Op de ene dobbelsteen zijn de volgende zes positieve ionen afgebeeld: Ag⁺, Sn²⁺, Ca²⁺, Na⁺, NH₄⁺, Pb²⁺.

De andere dobbelsteen laat zes negatieve ionen zien.

De docent van Damian werpt de dobbelstenen en stelt vervolgens bij elke worp een vraag. Op deze manier oefent hij de examenstof met de klas.

Vraag 42 2 punten

Leg uit of het plastic waarmee is geprint een thermoharder is of een thermoplast.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Het plastic smelt / wordt vervormbaar/zacht, dus het is een thermoplast.

  • juiste uitleg (1)
  • conclusie in overeenstemming met de gegeven uitleg (1)

Vraag 43 1 punt

Een van de afgebeelde positieve ionen behoort niet tot de metaalionen. →Geef de formule van dit ion.

Afbeelding bij vraag 43 (opgaven-p14-1.webp).
Bekijk het antwoord

NH₄ +

indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Het resultaat van de eerste dobbelsteenworp is hiernaast weergegeven. De docent vraagt welk zout uit deze ionen bestaat.

Vraag 44 2 punten

Geef de rationele naam van dit zout. Maak hierbij gebruik van een Romeins cijfer.

Bekijk het antwoord

tin(II)fosfaat

  • tinfosfaat (1)
  • Romeins cijfer II juist verwerkt (1)

indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0)

De docent werpt nu twee keer achter elkaar. De uitkomst van beide worpen is hieronder weergegeven. Met de afgebeelde ionen van elke worp kan een zout worden beschreven.

Afbeelding bij vraag 45 (opgaven-p15-1.webp).

De docent zegt: "Als een oplossing van het ene zout (worp II) wordt samengevoegd met een oplossing van het andere zout (worp III), vindt een neerslagreactie plaats." Hij geeft de klas de opdracht om de vergelijking van deze neerslagreactie op te schrijven.

Vraag 45 1 punt

In welke verhouding komen de ionen voor in het zout dat bestaat uit de afgebeelde ionen van worp III?

Ca²⁺ Cl^–

  1. A 1; 1
  2. B 1; 2
  3. C 2; 1
  4. D 4; 1
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Vraag 46 1 punt

Met behulp van een vlamkleurtest kan onderscheid worden gemaakt tussen de zouten die met worp II en worp III beschreven kunnen worden. →Geef aan welke waarneming wordt gedaan bij een vlamkleurtest met het zout uit worp III.

Bekijk het antwoord

de vlam kleurt rood

Vraag 47 3 punten

Voer de opdracht van de docent uit.

→Geef de vergelijking van de neerslagreactie. Vermeld ook de toestandsaanduidingen.

Bekijk het antwoord

3 Ca²⁺ (aq) + 2 PO₄ ^3– (aq) → Ca₃(PO₄)₂ (s)

  • uitsluitend Ca²⁺ en PO₄ ^3– voor de pijl en een formule met uitsluitend deze ionen na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)
  • juiste toestandsaanduidingen (1)

indien de vergelijking '2 Na₃PO₄ (aq) + 3 CaCl₂ (aq) → Ca₃(PO₄)₂ (s) + 6 NaCl (aq)' is gegeven (2)

indien de vergelijking 'Ca²⁺ (aq) + PO₄ ^3– (aq) → CaPO₄ (s)' is gegeven (1)

Opmerking

Wanneer 'Ca₃PO₄₂' of 'Ca₃(PO₄)₃' is gegeven na de pijl, maximaal 2 scorepunten toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gt Natuur- en scheikunde II 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2 telt 47 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (26), zuren en basen (11) en verbranden (10).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-i-26-2-c).

Hoe oefen ik met het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.