Eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Rook, Zonnebrandcrème in zee, Siliciumcarbide, Leidingwater, Koolstofdioxide-meter, 13 de stip niet meer zichtbaar is., 13 de stip niet meer zichtbaar is., Kristallen kweken.

Kort antwoord

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2 telt 47 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (37), verbranden (5) en zuren en basen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Stoffen en materialen1, 7-8, 10-23, 25, 28-32, 34-4737
Verbranden2-65
Zuren en basen9, 24, 27, 334
Elektriciteit261

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 16 examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over stoffen en materialen (79% van de vragen, gemiddeld 67%). Minder over zuren en basen (9% van de vragen, gemiddeld 22%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Rook

Bij de verkiezing van een nieuwe paus in Rome wordt het resultaat met rook bekendgemaakt. Bij witte rook is een nieuwe paus gekozen. Zwarte rook betekent dat opnieuw moet worden gestemd. Om de rook te maken worden verschillende stoffen in een kachel verbrand. In onderstaande tabel zijn deze stoffen weergegeven.

zwarte rook witte rook antraceen (C14H10) lactose (C12H22O11) kaliumperchloraat (KClO4) kaliumchloraat (KClO3) zwavel dennenhars

Beide kaliumzouten ontleden in de kachel tot kaliumchloride en zuurstof. Hierdoor wordt de verbranding van de overige stoffen beïnvloed.

Vraag 1 2 punten

Tot welk soort stoffen behoort antraceen? Neem de Romeinse cijfers uit onderstaande tabel over en kies steeds 'wel' of 'niet'.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • antraceen behoort tot de wel/niet I (moleculaire stoffen) wel II (koolwaterstoffen) wel III (ontleedbare stoffen) wel indien drie regels juist (2) indien twee regels juist (1) indien één of geen regel juist (0) (2)

antraceen behoort tot de wel/niet I moleculaire stoffen ... II koolwaterstoffen ... III ontleedbare stoffen ...

Vraag 2 3 punten

Geef de vergelijking van de ontleding van kaliumchloraat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1p)

indien een juiste vergelijking van de ontleding van kaliumperchloraat is gegeven (2)

Vraag 3 1 punt

Geef aan waarom de ontleding van de kaliumzouten invloed heeft op het verloop van de verbranding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Doordat zuurstof ontstaat, is sneller aan de verbrandingsvoorwaarden voldaan. − Er is daardoor een hogere concentratie zuurstof aanwezig. − De extra zuurstof verhoogt de verbrandingssnelheid/reactiesnelheid. − De gevormde zuurstof is een verbrandingsvoorwaarde. − Zuurstof is een beginstof bij de verbranding. (1)

Vraag 4 1 punt

Bij de ontleding ontstaat per gram kaliumzout een bepaalde massa zuurstof. Welk van de twee kaliumzouten levert de grootste massa zuurstof?

  1. A kaliumchloraat
  2. B kaliumperchloraat
  3. C beide zouten leveren dezelfde massa zuurstof

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 5 3 punten

Geef de vergelijking van de volledige verbranding van lactose.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend C12H22O11 en O2 voor de pijl (1)
  • uitsluitend CO2 en H2 O na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)

Vraag 6 1 punt

Welke fase hebben de zwarte deeltjes in de zwarte rook?

  1. A gasvormig
  2. B vast
  3. C vloeibaar

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 7 1 punt

Witte rook is vooral zichtbaar doordat waterdamp in de lucht condenseert tot kleine waterdruppeltjes. Wat is de naam voor het mengsel van deze waterdruppeltjes in lucht?

  1. A schuim
  2. B legering
  3. C nevel
  4. D oplossing
  5. E suspensie

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Zonnebrandcrème in zee

Zonnebrandcrème bestaat voornamelijk uit een mengsel van water en olie (mengsel A). Aan dit mengsel zijn stoffen toegevoegd om uv-licht tegen te houden. Ook bevat zonnebrandcrème stoffen die de pH van de crème aanpassen tot de pH van de huid. De pH van de huid is ongeveer 5.

Vraag 8 1 punt

Mengsel A is een troebel mengsel. Geef de algemene naam van dit soort mengsel.

Bekijk het antwoord
  • emulsie indien het antwoord 'een heterogeen mengsel' is gegeven (0) (1)

Vraag 9 1 punt

Moet een zuur of juist een base worden toegevoegd om de pH van mengsel A aan te passen tot die van de huid? Neem aan dat de pH van mengsel A neutraal is.

  1. A De pH moet omlaag worden gebracht, dus een base.
  2. B De pH moet omlaag worden gebracht, dus een zuur.
  3. C De pH moet omhoog worden gebracht, dus een base.
  4. D De pH moet omhoog worden gebracht, dus een zuur.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 10 1 punt

Op een fles zonnebrandcrème staat de tekst 'schudden voor gebruik'. Dit is nodig, omdat na enige tijd in de fles een bezinksel ontstaat. Welk van onderstaande beweringen is juist? I Het bezinksel bestaat uit niet-opgeloste stoffen. II Het bezinksel zal door het schudden beter gemengd zijn met de overige bestanddelen.

  1. A alleen I
  2. B alleen II
  3. C beide: I en II
  4. D geen van beide
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Een voorbeeld van een stof die uv-licht tegenhoudt is TiO2. Deze stof is slecht oplosbaar in water. Helaas werkt TiO2 onder invloed van zonlicht als katalysator bij de reactie van water en zuurstof tot waterstofperoxide. Waterstofperoxide is schadelijk voor de huid en heeft een negatieve invloed op het milieu. Om het ontstaan van deze stof te voorkómen, is een afsluitend laagje aluminiumoxide om de vaste TiO2-deeltjes aangebracht.

Aan het strand komt zonnebrandcrème ook in het zeewater terecht. Doordat dan soms het laagje aluminiumoxide eraf gaat, komt TiO2 vrij. Wetenschappers toonden aan dat op een gemiddelde zomerdag aan een strand langs de Middellandse Zee zo'n 4,0 kg TiO2 in zee terechtkomt.

Vraag 11 2 punten

Ti heeft atoomnummer 22. Geef de rationele naam van TiO2. Maak hierbij gebruik van een Romeins cijfer.

Bekijk het antwoord
  • titaanoxide (1)
  • Romeins cijfer IV juist verwerkt (1)

Vraag 12 2 punten

Geef de definitie van fotolyse en leg aan de hand daarvan uit of de beschreven reactie met behulp van TiO2 een fotolyse is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Fotolyse is een ontleding onder invloed van licht. (1)
  • De beschreven reactie is geen ontleding/heeft twee beginstoffen, dus het is geen fotolyse. (1)

Vraag 13 1 punt

Welke reactie wordt voorkómen door de aanwezigheid van het laagje aluminiumoxide?

  1. A die van water en TiO2
  2. B die van water en zonlicht
  3. C die van water en zuurstof
  4. D die van waterstofperoxide en TiO 2
  5. E die van waterstofperoxide en zonlicht
  6. F die van waterstofperoxide en zuurstof
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 14 1 punt

Volgens Klaas komt er in de winter geen zonnebrandcrème in het zeewater. Toch wordt daar dan nog steeds waterstofperoxide gevormd. Leg uit waarom dan nog steeds waterstofperoxide wordt gevormd.

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als 'het laagje Al 2O3 gaat er (kennelijk) maar langzaam vanaf, dus TiO2 komt langzaam/later beschikbaar', dit goed rekenen.

Vraag 15 2 punten

Het massapercentage TiO2 in een zonnebrandcrème is 15%. Bereken hoeveel flessen van deze zonnebrandcrème minimaal verbruikt zijn als 4,0 kg TiO2 in zee is terechtgekomen. Neem aan dat één fles 0,24 kg zonnebrandcrème bevat.

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De uitkomst 111 (flessen) ook goed rekenen.
  • De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Siliciumcarbide

Siliciumcarbide (SiC) is een belangrijke grondstof voor bijvoorbeeld schuurpapier. Het wordt gevormd uit een mengsel van zand en cokes (C) bij een temperatuur van ongeveer 2500 °C. Zand bestaat voornamelijk uit siliciumdioxide (SiO2). De totale vergelijking voor de productie van siliciumcarbide is hieronder vereenvoudigd en onvolledig weergegeven. De formule van één stof is vervangen door X en de daarbij behorende coëfficiënt ontbreekt. Deze stof is een gas.

SiO2 + 3 C → SiC + ... X (reactie 1)

Vraag 16 1 punt

Siliciumcarbide bestaat uit twee atoomsoorten. Waar staan deze atoomsoorten in het periodiek systeem?

  1. A in dezelfde groep en in dezelfde periode
  2. B in dezelfde groep, maar in verschillende perioden
  3. C in verschillende groepen, maar in dezelfde periode
  4. D in verschillende groepen en in verschillende perioden
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 17 1 punt

Tot welk soort stoffen behoort cokes?

  1. A tot de brandstoffen
  2. B tot de halogenen
  3. C tot de ontleedbare stoffen
  4. D tot de zouten
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 18 2 punten

Reactie 1 kan worden weergegeven met onderstaand blokschema. Dit blokschema is nog onvolledig: drie formules ontbreken en één formule is vervangen door X. Neem onderstaand blokschema over en noteer de drie ontbrekende formules bij de juiste pijlen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • SiC juist (1p)

indien de juiste namen zijn gegeven in plaats van de formules (1)

Opmerkingen

  • Wanneer SiO2 en C zijn verwisseld, dit niet aanrekenen.
  • Wanneer behalve formules ook coëfficiënten zijn genoteerd, dit niet aanrekenen.

Vraag 19 2 punten

Geef de formule van X en de daarbij behorende coëfficiënt (reactie 1).

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • CO (1p)

indien het antwoord C2O2 is gegeven (1)

Vraag 20 1 punt

Zand en cokes zijn geen zuivere stoffen. Leg uit waarom dit betekent dat er mogelijk ook andere reacties plaatsvinden dan reactie 1.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Er zijn dan ook andere stoffen (dan SiO2 en C) aanwezig die kunnen reageren. − Bij hoge temperatuur / In de oven kunnen de verontreinigingen (bijvoorbeeld) ontleden. (1)

Vraag 21 1 punt

Bij de productie van siliciumcarbide volgens reactie 1 mag geen zuurstof aanwezig zijn, omdat dit met een beginstof zou reageren. Er wordt dan een ander reactieproduct gevormd. Leg uit dat dan een ander reactieproduct zou worden gevormd.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist of goed te rekenen antwoord zijn: − C zal verbranden (tot CO/CO2). − Er ontstaat dan koolstofdioxide. − Er zullen dan verbrandingsproducten ontstaan. − De beginstoffen/reactieproducten zullen verbranden. (1)

Vraag 22 2 punten

Een Nederlands bedrijf produceert 6,0∙104 ton siliciumcarbide per jaar. Bereken hoeveel ton siliciumdioxide minimaal nodig is voor de productie van 6,0∙104 ton siliciumcarbide. Maak gebruik van de vergelijking van reactie 1 en gebruik voor SiC de massa 40,1 u.

Bekijk het antwoord
  • berekening van de massaverhouding van SiO 2 en SiC: 28,1 (u) optellen bij 2 × 16,0 (u) en delen door 40,1 (u) (1)
  • berekening van het aantal ton SiO2: de berekende massaverhouding vermenigvuldigen met 6,0∙104 (ton) (1)

Leidingwater

Chula onderzoekt het water uit de kraan (leidingwater). Ze vult vier bekerglazen elk met 25 mL leidingwater en doet daarmee een aantal proefjes: Bekerglas 1: ze voegt thymolblauw toe. Bekerglas 2: ze voegt rodekoolsap toe. Bekerglas 3: ze voegt een oplossing van natriumsulfaat toe. Bekerglas 4: ze leidt er elektrische stroom door.

Chula zet een aantal van haar resultaten in een tabel:

proef erbij waarneming

1 thymolblauw De vloeistof kleurt geel.

2 rodekoolsap De vloeistof kleurt blauw.

3 oplossing van natriumsulfaat De vloeistof wordt wit troebel.

4 elektrische stroom Het lampje gaat branden.

Vraag 23 1 punt

Geef aan waarom de samenstelling van gedestilleerd water anders is dan die van leidingwater.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit een juist antwoord blijkt dat leidingwater opgeloste stoffen bevat en gedestilleerd water niet. (1)

Vraag 24 1 punt

Wat is de algemene naam van stoffen zoals thymolblauw en rodekoolsap, waarvan de kleur afhangt van de pH?

  1. A halogenen
  2. B indicatoren
  3. C katalysatoren
  4. D legeringen
  5. E monomeren

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 25 1 punt

Welke kenmerken heeft een oplossing van natriumsulfaat? Neem de Romeinse cijfers uit onderstaande tabel over en kies steeds 'wel' of 'niet'.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • kenmerk wel/niet I (De oplossing heeft een kookpunt.) niet II (De oplossing is een mengsel van drie stoffen.) niet indien twee kenmerken juist (1) indien één of geen kenmerk juist (0) (1)

kenmerk wel/niet I De oplossing heeft een kookpunt. … II De oplossing is een mengsel van drie stoffen. …

Vraag 26 1 punt

Met welke van de volgende opstellingen kon Chula onderzoeken of het leidingwater de elektrische stroom geleidt?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (1)

A met opstelling I

B met opstelling II

C met opstelling III

D met opstelling IV

Vraag 27 1 punt

Uit de resultaten leidt Chula af dat de pH van het leidingwater tussen bepaalde waarden moet liggen. Welke pH-waarden zijn dit?

  1. A tussen 2 en 4
  2. B tussen 4 en 6
  3. C tussen 6 en 8
  4. D tussen 8 en 10

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Chula leest dat het leidingwater behoorlijk hard is. Daarom denkt ze dat bij proef 3 calciumsulfaat is ontstaan. Haar zus Taronah denkt dat het ook magnesiumsulfaat kan zijn.

Vraag 28 1 punt

Geef de formules van twee ionsoorten die water 'hard' maken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Ca2+ en Mg 2+ indien beide juiste namen zijn gegeven in plaats van de formules (0) (1)

Vraag 29 1 punt

Leg uit dat het neerslag bij proef 3 geen magnesiumsulfaat kan zijn. Maak gebruik van Binas-tabel 35.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Magnesiumsulfaat is een goed oplosbaar zout. − Mg2+(-ionen) en SO42–(-ionen) vormen samen een goed oplosbare stof. indien een antwoord is gegeven als 'Mg 2+ reageert goed met SO42–' (0) (1)

Vraag 30 1 punt

Welke conclusie past bij de waarneming van proef 4?

  1. A Leidingwater bevat opgeloste atomen.
  2. B Leidingwater bevat opgeloste ionen.
  3. C Leidingwater bevat opgeloste moleculen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Koolstofdioxide-meter

In ons lichaam wordt glucose omgezet tot onder meer koolstofdioxide. Deze koolstofdioxide ademen we uit, waardoor het gehalte van deze stof in de omgeving toeneemt. Een te hoog gehalte koolstofdioxide heeft een negatieve invloed op de gezondheid. Daarom is in elk klaslokaal een koolstofdioxide-meter verplicht. De meter geeft aan hoeveel koolstofdioxide aanwezig is. Het gehalte van een gas in de lucht wordt weergegeven in ppm. Voor koolstofdioxide geldt: 1 ppm = 1,95 mg CO2 per m3 lucht.

[figuur 1: zie het originele examen]

voorbeeld van een CO2 -meter toelichting schaalverdeling

Vraag 31 1 punt

De vergelijking van de omzetting van glucose is:

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (1)

C6H12O6 + 6 O2 → 6 CO2 + 6 H2O

Deze reactie is een volledige verbranding. Waaruit blijkt dit?

A Glucose is een brandstof.

B Eén van de beginstoffen is zuurstof.

C Glucose en zuurstof zijn de enige beginstoffen.

D Koolstofdioxide en water zijn de enige reactieproducten.

E Er staat geen glucose meer na de pijl.

Vraag 32 1 punt

Door ventileren verandert de samenstelling van de lucht in het klaslokaal. Welke verandering vindt plaats? het gehalte koolstofdioxide het gehalte zuurstof

A daalt daalt

B daalt stijgt

C stijgt daalt

D stijgt stijgt

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (1)

13 de stip niet meer zichtbaar is.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 33 1 punt

Geef de formule van het negatieve ionsoort in helder kalkwater.

Bekijk het antwoord
  • OH– indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0) (1)

Vraag 34 3 punten

Geef de vergelijking van de vorming van het neerslag (regels 2 en 3). Vermeld ook de toestandsaanduidingen.

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend Ca 2+ en CO 32– voor de pijl (1)
  • uitsluitend CaCO3 na de pijl (1)
  • juiste toestandsaanduidingen (1)

Vraag 35 1 punt

In de afbeelding hiernaast is met pijlen de richting van de doorgeblazen lucht weergegeven. Bij het doorblazen verandert het gehalte koolstofdioxide in deze lucht. Waarom verandert het gehalte CO2?

  1. A omdat CO2 een katalysator is
  2. B omdat CO2 gasvormig is
  3. C omdat CO2 reageert
  4. D omdat CO2 wordt gevormd

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

13 de stip niet meer zichtbaar is.

Bij het begin van de les geeft de koolstofdioxide-meter 300 ppm aan. De klas meet op dat moment hoelang het duurt voordat de stip niet meer zichtbaar is (meting 1). Na een half uur is het koolstofdioxide-gehalte in het klaslokaal gestegen naar 700 ppm. De klas herhaalt dan de meting (meting 2). Bij beide metingen wordt een gelijke hoeveelheid helder kalkwater gebruikt.

Vraag 36 3 punten

Het klaslokaal heeft een volume van 230 m3. Laat met een berekening zien dat 179 gram koolstofdioxide is ontstaan in een half uur. Neem aan dat 1 ppm = 1,95 mg/m3.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is: (700

  • 300) × 1,95 × 230 : 1000 (= 179 gram)

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Vraag 37 2 punten

Leg uit of bij meting 2 een langere of juist een kortere tijd wordt gemeten.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist of goed te rekenen antwoord zijn:

  • Bij een hoger gehalte CO2 is minder lucht nodig om (genoeg) neerslag te krijgen (en de stip onzichtbaar te maken), dus de gemeten tijd is korter.
  • Bij een hoger gehalte CO2 is de reactiesnelheid hoger / ontstaat sneller (voldoende) neerslag, dus is de stip eerder onzichtbaar / is de gemeten tijd korter.
  • De gemeten tijd is korter, omdat bij 700 ppm CO2 sneller (voldoende) neerslag ontstaat (om de stip onzichtbaar te maken).

Kristallen kweken

Sem heeft voor zijn verjaardag een 'starter-set kristallen kweken' gekregen. Hij kan hiermee thuis mooie aluin-kristallen maken. Aluin is een zout met de formule KAl(SO4)2·12H2O. Deze formule betekent dat in de vaste stof tussen de ionen ook watermoleculen aanwezig zijn. Deze moleculen zijn opgesloten tussen de ionen en komen vrij wanneer het zout wordt opgelost in water. Behalve watermoleculen bevat aluin twee soorten positieve en één soort negatieve ionen. De vergelijking van het oplossen van aluin is hieronder onvolledig weergegeven. Twee formules en één coëfficiënt ontbreken.

KAl(SO4)2·12H2O → … + … + … SO42– + 12 H2O

Vraag 38 1 punt

Geef de naam van het negatieve ionsoort in aluin.

Bekijk het antwoord
  • sulfaat(ion) indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0) (1)

Vraag 39 2 punten

Geef de drie ontbrekende gegevens van de gegeven vergelijking.

Bekijk het antwoord
  • K+ en Al3+ (1)
  • 2 (1)

Vraag 40 2 punten

Bereken het massapercentage water in aluin. Gebruik voor KAl(SO4)2·12H2O de massa 474,4 u.

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Bij de starter-set is onder meer de volgende informatie gegeven:

- Let op: gebruik handschoenen en een veiligheidsbril. -

Voorschrift:

1 Voeg de inhoud van een zakje aluin (15 gram) toe aan 50 mL heet water.

2 Roer het mengsel met de spatel, totdat alle aluin is opgelost.

3 Voeg dan nog eens 5 mL water toe en roer goed.

4 Laat de oplossing afkoelen totdat kristallen zijn ontstaan.

5 Filtreer de vloeistof met de kristallen.

6 Pak met een pincet de gevormde kristallen en leg ze op de bodem van een bekerglas om ze te laten drogen.

Vraag 41 1 punt

Met welk van de volgende soorten glaswerk kan 50 mL het meest nauwkeurig worden afgemeten (stap 1)?

  1. A bekerglas
  2. B erlenmeyer
  3. C maatcilinder
  4. D reageerbuis
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 42 1 punt

Geef aan waaraan je kunt zien dat alle aluin is opgelost (stap 2).

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Dan is het mengsel helder geworden. / niet meer troebel. − Dan zie je geen (vaste) deeltjes meer (zweven in de vloeistof). (1)

Vraag 43 1 punt

Wat gebeurt er met de concentratie van de opgeloste ionen bij stap 3?

  1. A die wordt groter
  2. B die blijft gelijk
  3. C die wordt kleiner
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 44 2 punten

In het diagram hiernaast is de oplosbaarheid van aluin afhankelijk van de temperatuur weergegeven. Hieruit blijkt waarom 25 °C een te lage temperatuur is voor 50 mL water bij stap 1 en stap 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • De oplosbaarheid van aluin bij 25 °C is lager dan 30 (g/100 mL), dus kan er geen 15 gram oplossen in 50 mL.
  • Bij 25 °C kan in 100 mL maar ongeveer 14 gram aluin oplossen, dit is 7 gram in 50 mL, dus niet alle aluin zal oplossen.
  • Om 15 gram in 50 mL / 30 gram in 100 mL water op te lossen, is een temperatuur van (iets minder dan) 50 °C nodig. Dus 25 °C is te laag.
  • juiste toelichting in overeenstemming met de gegeven waarde (1p)

indien een antwoord is gegeven als 'dan zal niet alle aluin oplossen' (0) indien een antwoord is gegeven als '25 °C is geen heet water' (0)

Licht toe aan de hand van het diagram waarom

25 °C te laag is.

Vraag 45 1 punt

De kristallen ontstaan (stap 4) als door afkoelen de oplosbaarheid van de aluin daalt. De ionen die niet meer opgelost kunnen blijven, vormen dan kleine vaste deeltjes in de vloeistof. Welke notatie beschrijft de toestandsverandering die daarbij plaatsvindt?

  1. A (aq) → (l)
  2. B (aq) → (s)
  3. C (l) → (aq)
  4. D (l) → (s)
  5. E (s) → (aq)
  6. F (s) → (l)

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 46 1 punt

Welk van de volgende begrippen past bij de kristallen na stap 5?

  1. A bezinksel
  2. B destillaat
  3. C filtraat
  4. D residu

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 47 1 punt

De resten van deze starters-set mogen niet in het riool of bij het huisafval terechtkomen. Sem zoekt dit uit en concludeert dat aluin schadelijk is. Geef aan met welk van de volgende pictogrammen dit gevaar kan worden aangegeven. Noteer het Romeinse cijfer.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • II (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Natuur- en scheikunde II 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-25-2-o

Andere examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2?

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2 telt 47 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (37), verbranden (5) en zuren en basen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0174-a-25-2-c).

Hoe oefen ik met het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.