Eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Rood-wit-blauw, 11 het ontstaan van wegvliegende gloeiende vaste deeltjes., 11 het ontstaan van wegvliegende gloeiende vaste deeltjes., Grafeen, Cijfers en letters, Ontbrekend etiket, 8 middel van extraheren uit zuur gas verwijderd., Onweer onder water, 8 dat overblijft moet in een speciaal afvalvat worden gedaan., 8 dat overblijft moet in een speciaal afvalvat worden gedaan..

Kort antwoord

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1 telt 50 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (29), zuren en basen (14) en verbranden (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Stoffen en materialen3, 5-6, 11, 13-17, 20-30, 38-39, 42-46, 48-4929
Zuren en basen1-2, 4, 7, 19, 31-37, 41, 5014
Verbranden8-10, 12, 18, 40, 477

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 16 examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over zuren en basen (28% van de vragen, gemiddeld 20%). Minder over stoffen en materialen (58% van de vragen, gemiddeld 68%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Rood-wit-blauw

Tijdens een open dag staan in het scheikundelokaal drie bekerglazen klaar. Elk bekerglas bevat een oplossing van een andere stof: fenolftaleïen, lood(II)nitraat of koper(II)sulfaat. Okke mag aan elk van de bekerglazen een kleurloze oplossing van ammoniak toevoegen, waardoor steeds een kleurverandering plaatsvindt. In de tabel hieronder is weergegeven welke kleur ontstaat.

bekerglas inhoud: voor toevoegen van na toevoegen van water met … ammoniakoplossing ammoniakoplossing

1 fenolftaleïen kleurloos en helder lichtpaars en helder

2 lood(II)nitraat kleurloos en helder wit en troebel

3 koper(II)sulfaat lichtblauw en helder donkerblauw en helder

Vraag 1 1 punt

Wat is de notatie van een oplossing van ammoniak?

  1. A NH3 (aq)
  2. B NH3 (l)
  3. C NH4+ (aq)
  4. D NH4+ (l)

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 2 1 punt

Na toevoeging van de ammoniakoplossing ontstaat een nieuw mengsel. In welk(e) van de bekerglazen is dit nieuwe mengsel een oplossing?

  1. A alleen in bekerglas 1
  2. B alleen in bekerglas 2
  3. C alleen in bekerglas 3
  4. D in de bekerglazen 1 en 2
  5. E in de bekerglazen 1 en 3
  6. F in de bekerglazen 2 en 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: E

Vraag 3 1 punt

Wat betekent de II in de namen lood(II)nitraat en koper(II)sulfaat?

  1. A De coëfficiënt van de positieve ionen is 2.
  2. B De index van de negatieve ionen is 2.
  3. C De lading van de metaalionen is 2+.
  4. D De stoffen bevatten 2 ionsoorten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 4 1 punt

Uit de kleurverandering die optreedt in bekerglas 1 blijkt dat ammoniak een bepaalde eigenschap heeft. Welke eigenschap is dat?

  1. A Ammoniak is een base.
  2. B Ammoniak is een gas.
  3. C Ammoniak is een vloeistof.
  4. D Ammoniak is een zuur.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

De verandering in bekerglas 2 is het gevolg van een reactie waarbij onder meer lood(II)hydroxide ontstaat.

Vraag 5 1 punt

Geef de formule van het negatieve ionsoort dat aanwezig is in lood(II)hydroxide.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 6 1 punt

Voorafgaand aan het toevoegen van de ammoniakoplossing is de oplossing in bekerglas 3 lichtblauw van kleur. Door welke deeltjes wordt deze lichtblauwe kleur veroorzaakt?

  1. A koperatomen
  2. B koperionen
  3. C kopermoleculen
  4. D sulfaatatomen
  5. E sulfaationen
  6. F sulfaatmoleculen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 7 1 punt

"Jammer dat de vloeistof in het eerste bekerglas geen rode kleur heeft," zegt Okke, "anders is het net de Nederlandse vlag." De docent stelt dat in dat geval geen fenolftaleïen, maar een andere indicator in bekerglas 1 zou moeten worden gebruikt. Geef aan welke indicator in bekerglas 1 wel dit rode resultaat zou geven. Maak gebruik van Binas-tabel 36.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • fenolrood (1)

11 het ontstaan van wegvliegende gloeiende vaste deeltjes.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 8 1 punt

Door kortsluiting van de batterij wordt aan een verbrandingsvoorwaarde voldaan (regels 4 tot en met 6). Welke verbrandingsvoorwaarde is dit?

  1. A aanwezigheid van brandstof
  2. B aanwezigheid van zuurstof
  3. C voldoende hoge temperatuur
  4. D voldoende volume
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 9 1 punt

Hoe worden de gloeiende vaste deeltjes (regel 11) genoemd?

  1. A rook
  2. B vlammen
  3. C vonken
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 10 1 punt

Door de garde harder rond te slingeren wordt het gloeien feller. Hieronder staan drie redenen voor dit fellere gloeien. a De reactie versnelt. b De temperatuur gaat omhoog. c Er komt meer zuurstof bij de staalwol. Wat is de juiste volgorde waarin deze redenen een rol spelen?

  1. A a-b-c-a
  2. B b-a-c-a
  3. C c-a-b-a
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

11 het ontstaan van wegvliegende gloeiende vaste deeltjes.

Staalwol bestaat voornamelijk uit dunne staaldraadjes en is grijs van kleur. Staal is een legering, die voornamelijk uit ijzer bestaat. Wanneer het branden is gestopt, heeft de vaste stof in de garde een zwarte kleur gekregen. Deze zwarte stof bestaat vooral uit magnetiet, dat kan worden weergegeven met de formule Fe3O4.

Vraag 11 1 punt

Staal bevat behalve ijzer en koolstof nog een andere stof. Geef de naam van deze stof.

Bekijk het antwoord

Indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0)

Opmerking Wanneer het antwoord 'chroom' is gegeven, dit goed rekenen.

Vraag 12 3 punten

Geef de vergelijking van de verbranding van ijzer tot magnetiet. Vermeld ook de toestandsaanduidingen.

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend Fe en O2 voor de pijl en uitsluitend Fe 3O4 na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)
  • juiste toestandsaanduidingen (1)

Vraag 13 1 punt

Magnetiet heeft andere stofeigenschappen dan staalwol. Een daarvan is de kleur. Geef nog een stofeigenschap waarin deze stoffen verschillen.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − brandbaarheid − stroomgeleiding − dichtheid (1)

Vraag 14 1 punt

In magnetiet komen twee soorten ijzerionen voor: Fe2+ en Fe3+. Wat is de verhouding Fe2+ : Fe3+ in Fe3O4?

  1. A 1:2
  2. B 2:1
  3. C 2:3
  4. D 3:2
  5. E 3:4
  6. F 4:3
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 15 2 punten

Bereken het massapercentage ijzer in Fe3O4. Gebruik voor Fe3O4 de massa 231,4 (u).

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Grafeen

In 2010 werd een Nobelprijs uitgereikt voor de ontdekking van grafeen. Dit materiaal bestaat slechts uit één laag koolstofatomen. Het is ongeveer tweehonderd keer sterker dan staal en geleidt stroom supergoed. In een laboratorium in China is een proces ontwikkeld om grafeen (C) te maken uit calciumcarbonaat en magnesium. Deze beginstoffen worden in een oven verhit tot 850 °C. Daarbij vindt de volgende reactie plaats:

CaCO3 + 2 Mg → CaO + 2 MgO + C (reactie 1)

Om het grafeen te verkrijgen worden de bijproducten die ontstaan bij reactie 1 verwijderd door een oplossing van een zuur toe te voegen. De reactie van de bijproducten met het zuur kan als volgt worden weergegeven:

CaO + MgO + 4 H+ → Ca2+ + Mg2+ + 2 H2O (reactie 2)

Er ontstaat een vloeibaar mengsel. In dit mengsel is grafeen als vaste stof aanwezig. Bij een andere reactie wordt koolstofdioxide gevormd, die wordt afgevoerd. Het grafeen wordt ten slotte uit het vloeibare mengsel verkregen door de overige stoffen te verwijderen met behulp van een scheidingsmethode.

Het beschreven proces is hieronder schematisch en vereenvoudigd met een blokschema weergegeven.

Vraag 16 2 punten

Leg uit welke fase (vast of vloeibaar) magnesium heeft in de verwarmde oven. Maak gebruik van Binas-tabel 15.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • De temperatuur van 850 °C is hoger dan het smeltpunt (en lager dan het kookpunt), dus het magnesium is vloeibaar.
  • De temperatuur in de oven ligt tussen het smeltpunt en het kookpunt in, dus de fase is vloeibaar/l.

Vraag 17 1 punt

Bij reactie 1 zijn vijf verschillende stoffen betrokken. Welke van deze stoffen is een metaal?

  1. A C
  2. B CaCO3
  3. C CaO
  4. D Mg
  5. E MgO
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 18 1 punt

Lucht bevat stoffen waardoor magnesium in de oven kan verbranden. Dit is ongewenst. Daarom wordt de oven (blok I) vooraf gevuld met argon in plaats van met lucht. Waarom zal magnesium niet verbranden wanneer de oven is gevuld met argon?

  1. A Argon is een edelgas, en dus niet brandbaar.
  2. B Argon is een edelgas, en reageert dus niet.
  3. C Argon is een halogeen, en dus niet brandbaar.
  4. D Argon is een halogeen, en reageert dus niet.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 19 1 punt

Welke deeltjes reageren bij reactie 2 als base?

  1. A de calciumionen
  2. B de magnesiumionen
  3. C de oxide-ionen
  4. D de waterstofionen
  5. E de watermoleculen
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 20 1 punt

In blok I is een van de beginstoffen in overmaat aanwezig. Geef de formule van deze stof.

Bekijk het antwoord

Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 21 1 punt

Geef de triviale naam van de oplossing die wordt ingevoerd in blok II.

Bekijk het antwoord

Indien het antwoord 'waterstofchloride-oplossing' is gegeven (0) Indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0)

Vraag 22 1 punt

Geef de naam van een scheidingsmethode waarmee grafeen ten slotte uit het vloeibare mengsel kan worden verkregen (blok III).

Bekijk het antwoord
  • filtreren/zeven/bezinken (en afschenken) (1)

Vraag 23 2 punten

In het laboratorium-proces worden maar kleine hoeveelheden gebruikt. Bereken hoeveel gram grafeen maximaal kan ontstaan uit 15 gram calciumcarbonaat.

Bekijk het antwoord
  • berekening van de massaverhouding van grafeen en CaCO 3 : 12,0 (u) delen door de som van 40,1 (u) en 12,0 (u) en 3 × 16,0 (u) (1)
  • berekening van het aantal gram grafeen: de berekende massaverhouding vermenigvuldigen met 15 (g) (1)

Cijfers en letters

Een docent oefent met de klas het inzicht in reacties. Hij schrijft op het bord:

2A → B + 2C

In deze vergelijking zijn A, B en C moleculaire stoffen, aangeduid met letters in plaats van met formules.

Vraag 24 1 punt

Verandert het totale aantal moleculen bij de weergegeven reactie?

  1. A Ja, het aantal moleculen wordt kleiner.
  2. B Ja, het aantal moleculen wordt groter.
  3. C Nee, het aantal moleculen blijft gelijk.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 25 1 punt

Welk proces kan met deze vergelijking zijn weergeven?

  1. A de ontleding van A
  2. B de scheiding van A
  3. C het oplossen van A
  4. D het smelten van A
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 26 1 punt

Een hoeveelheid A heeft een massa van 10 mg. Deze hoeveelheid A wordt volledig omgezet volgens de gegeven vergelijking. Wat is dan de totale massa van B en C samen?

  1. A minder dan 10 mg
  2. B 10 mg
  3. C meer dan 10 mg maar minder dan 20 mg
  4. D 20 mg
  5. E meer dan 20 mg
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 27 2 punten

De docent geeft aan dat A een molecuulmassa heeft van 34 u. Hij zegt: "Uit 10 mg A ontstaat bij deze reactie 4,7 mg B." Bereken de molecuulmassa van B.

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

De docent vertelt dat bij de weergegeven reactie ook een katalysator is betrokken. Hij geeft in een diagram weer hoe het aantal moleculen van de betrokken stoffen gedurende de reactie verandert.

Vraag 28 1 punt

Welke lijn geeft het aantal moleculen van A weer?

  1. A lijn I
  2. B lijn II
  3. C lijn III

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 29 2 punten

Leg uit welke van de betrokken stoffen wordt weergegeven met de horizontale lijn (IV).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • De katalysator, want deze wordt (wel gebruikt maar) niet verbruikt (dus het aantal moleculen blijft gelijk).
  • De katalysator, want de hoeveelheid van een katalysator verandert niet (dus loopt de lijn horizontaal).

Indien een antwoord is gegeven als 'de katalysator, omdat deze (alleen) de reactie versnelt' (1)

Vraag 30 2 punten

De docent vertelt vervolgens dat één van de reactieproducten kan worden aangetoond door er een gloeiende houtspaander bij te houden. Geef aan welke waarneming dan wordt gedaan en wat de bijbehorende conclusie is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • De houtspaander gloeit op/harder/feller, dus een van de reactieproducten is O2.
  • De houtspaander gaat branden, dus de conclusie is: zuurstof.
  • De houtspaander gaat branden, daarmee is zuurstof aangetoond.

Ontbrekend etiket

Na een les zijn in de zuurkast drie flesjes met een kleurloze heldere vloeistof blijven staan. Op één flesje (flesje 1) staat: Natronloog 4,0 g/L . Op de andere twee flesjes ontbreekt het etiket. De docent weet dat één ervan gevuld is met gedestilleerd water, en het andere met een oplossing van salpeterzuur. Ook is er wat glaswerk blijven staan (zie figuur 1).

[figuur 1: zie het originele examen]

Fiona zoekt uit welk flesje de oplossing van salpeterzuur bevat en wat de concentratie ervan is. Als eerste bepaalt ze de pH-waarde van elk van de drie vloeistoffen. Deze waarden noteert ze in een tabel. Vervolgens bedenkt ze welke inhoud elk flesje bevat, en noteert dat ook.

flesje pH-waarde inhoud

1 13 natronloog

2 7 gedestilleerd water

3 1 salpeterzuuroplossing

Vraag 31 1 punt

Geef de formule van het negatieve ion in de salpeterzuuroplossing.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 32 1 punt

In welk van de drie flesjes is de concentratie H+-ionen het grootst?

  1. A in flesje 1
  2. B in flesje 2
  3. C in flesje 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 33 1 punt

Met welke indicator kan Fiona de pH-waarde van de vloeistof in flesje 2 hebben bepaald?

  1. A methyloranje
  2. B broomfenolrood
  3. C blauw lakmoespapier
  4. D universeel indicatorpapier

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 34 2 punten

Fiona heeft genoteerd dat flesje 3 salpeterzuur bevat. Leg uit of dit een waarneming of een conclusie is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Uit de kleur van de indicator kun je alleen afleiden/weten/bedenken dat in flesje 3 een zuur zit, dit kan nu alleen het (salpeter)zuur zijn; dit is dan een conclusie.
  • Je kunt het niet aflezen/zien/horen/ruiken/proeven (dus het is geen waarneming), dus het is een conclusie.

Om de concentratie salpeterzuur in flesje 3 te bepalen voert Fiona een titratie uit. Ze gebruikt hierbij een opstelling zoals hiernaast is weergegeven. De buret wordt gevuld met natronloog uit flesje 1. In de erlenmeyer doet ze 10 mL salpeterzuuroplossing en een indicator. Vervolgens voert ze de titratie uit. Wanneer de indicator van kleur verandert, is de eindstand van de buret 18,5 mL. Fiona heeft dan 11,3 mL natronloog toegevoegd. Met behulp van dit resultaat berekent ze de concentratie salpeterzuur in de oplossing. Uit een andere proef weet ze dat 5,0 mL van de gebruikte natronloog reageert met 31,5 mg salpeterzuur.

Vraag 35 1 punt

Met welk glaswerk uit figuur 1 kan Fiona het nauwkeurigst 10 mL salpeterzuuroplossing afmeten?

  1. A bekerglas
  2. B erlenmeyer
  3. C maatcilinder
  4. D pipet
  5. E reageerbuis

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Vraag 36 1 punt

Hiernaast zijn vier buretstanden afgebeeld. Welke van deze afbeeldingen geeft de beginstand van de buret van Fiona weer?

  1. A afbeelding I
  2. B afbeelding II
  3. C afbeelding III
  4. D afbeelding IV

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 37 2 punten

Bereken met behulp van de resultaten van Fiona de concentratie salpeterzuur in mg/mL dat aanwezig is in flesje 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

8 middel van extraheren uit zuur gas verwijderd.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 38 1 punt

Geef de naam van stof X in figuur 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien een formule is gegeven in plaats van de naam (0) Indien het antwoord 'aardgas' is gegeven (0)

Vraag 39 1 punt

Uit welke atoomsoorten bestaan koolwaterstoffen?

  1. A alleen uit C en H
  2. B alleen uit C en N
  3. C alleen uit C en O
  4. D uit C, H en N
  5. E uit C, H en O
  6. F uit C, H, N en O
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 40 3 punten

Geef de vergelijking van de reactie van diwaterstofmonosulfide met zuurstof tot zwaveldioxide. Hierbij ontstaat ook water.

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend H2S en O2 voor de pijl (1)
  • uitsluitend SO2 en H2 O na de pijl (1)
  • het aantal deeltjes van elk element voor en na de pijl gelijk en de coëfficiënten weergegeven in zo klein mogelijke gehele getallen (1)

Vraag 41 1 punt

Wat is de pH van zure regen?

  1. A kleiner dan 7
  2. B 7
  3. C groter dan 7
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 42 1 punt

Welk soort proces is extraheren (regel 8)?

  1. A ontleden op basis van het verschil in dichtheid
  2. B ontleden op basis van het verschil in kookpunt
  3. C ontleden op basis van het verschil in oplosbaarheid
  4. D scheiden op basis van het verschil in dichtheid
  5. E scheiden op basis van het verschil in kookpunt
  6. F scheiden op basis van het verschil in oplosbaarheid
Bekijk het antwoord

Antwoord: F

Vraag 43 1 punt

Bereken, aan de hand van figuur 1, hoeveel m3 'zuur gas' uit Drenthe is verwerkt wanneer hieruit 2,0∙106 m3 diwaterstofmonosulfide is verwijderd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.

Onweer onder water

Door ethanol (C2H6O) heel voorzichtig op geconcentreerd zwavelzuur te schenken, ontstaan twee lagen (zie figuur 1). Op het grensvlak mengen de vloeistoffen, waarbij veel warmte vrijkomt. Wanneer een paar korreltjes kaliumpermanganaat (KMnO4) worden toegevoegd, start deze stof op het grensvlak een reeks van reacties. Twee van deze reacties zijn hieronder vereenvoudigd met een vergelijking weergegeven. De vergelijking van reactie 2 is nog onvolledig: de coëfficiënten ontbreken.

reactie 1: 2 MnO4– + 2 H+ → Mn2O7 + H2O reactie 2: ... Mn2O7 → ... MnO2 + … O2

[figuur 1: zie het originele examen]

Bij reactie 2 ontstaat zuurstof, waarmee de ethanol op het grensvlak gaat reageren (reactie 3). Deze reactie is een verbranding en veroorzaakt flitsen en geknetter, waardoor deze proef ook wel 'onweer onder water' wordt genoemd.

Vraag 44 1 punt

Het ontstaan van de twee vloeistoflagen wordt veroorzaakt doordat bepaalde stofeigenschappen van de vloeistoffen verschillen. Welke van onderstaande stofeigenschappen draagt bij aan het ontstaan van de twee vloeistoflagen in de reageerbuis?

  1. A brandbaarheid
  2. B molecuulmassa
  3. C dichtheid
  4. D kookpunt

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 45 1 punt

In de reageerbuis zijn ook twee ionsoorten aanwezig die niet deelnemen aan de reacties. De formules van deze ionen komen daarom niet voor in de vergelijking van reactie 1. Eén ervan is K+. Geef de formule van het andere ionsoort.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien een naam is gegeven in plaats van de formule (0)

Vraag 46 1 punt

Neem de onvolledige vergelijking uit het tekstblok over en vul de ontbrekende coëfficiënten aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 2 Mn2O7 → 4 MnO2 + 3 O2 (1)

Vraag 47 2 punten

Geef de namen van de twee reactieproducten van de volledige verbranding van ethanol.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Indien beide juiste formules zijn gegeven in plaats van de namen (1)

8 dat overblijft moet in een speciaal afvalvat worden gedaan.

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 48 1 punt

Geef een gevaarlijke stofeigenschap van geconcentreerd zwavelzuur. Maak gebruik van Binas-tabel 40.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − bijtend/irriterend − brand-/explosiegevaarlijk − giftig(heid) (1)

Vraag 49 1 punt

Op het etiket van de pot met kaliumpermanganaat moeten volgens de chemiekaart van deze stof de onderstaande pictogrammen staan:

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (1)

8 dat overblijft moet in een speciaal afvalvat worden gedaan.

Wat betekenen deze pictogrammen?

A ontvlambaar, giftig en gezondheidsgevaarlijk

B ontvlambaar, schadelijk en gevaarlijk voor waterrijk milieu

C oxiderend, giftig en gezondheidsgevaarlijk

D oxiderend, schadelijk en gevaarlijk voor waterrijk milieu

Vraag 50 1 punt

Het bruisen (regel 7) bij het toevoegen van een soda-oplossing is het gevolg van een zuur-basereactie waarbij een gas ontstaat. Wat is de naam van dit gas?

  1. A koolstofdioxide
  2. B stikstof
  3. C waterstof
  4. D zuurstof
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Natuur- en scheikunde II 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vmbo-gl/documenten/cse-1/gt-0174-a-21-1-o

Andere examens natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1?

Het centraal examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1 telt 50 vragen. De meeste vragen gaan over stoffen en materialen (29), zuren en basen (14) en verbranden (7).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vmbo-gl/documenten/cse-1/gt-0174-a-21-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuur- en scheikunde II vmbo-gl/tl 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.