Eindexamen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Scheepsradar, Operatiedeken, SpaceShipOne, Verontreinigd technetium, Auto uit het ijs.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over golven (7), krachten (6) en straling (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Golven1-77
Krachten15-16, 24-26, 296
Straling18-236
Elektriciteit9-124
Beweging13-14, 17, 274
Grootheden en eenheden81

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over golven (25% van de vragen, gemiddeld 2%) en krachten (21% van de vragen, gemiddeld 12%). Minder over geluid en trillingen (0% van de vragen, gemiddeld 14%) en energie en arbeid (0% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Scheepsradar

Sommige schepen hebben een radarinstallatie om de afstand tot andere schepen of voorwerpen in de omgeving te meten. Een radarinstallatie zendt hiervoor elektromagnetische signalen uit die weerkaatst worden door een voorwerp. Door de tijd tussen het uitzenden en het ontvangen van een signaal te meten, kan de afstand tot het voorwerp bepaald worden, ook als dat voorwerp zich op grote afstand van het schip bevindt.

Een veelgebruikt type radar is de pulsradar. Dit type radar zendt een kort elektromagnetisch signaal uit en ontvangt even later de echo van dit signaal. Op een bepaald moment wordt er 0,26 ms gemeten tussen het uitzenden en het ontvangen van een signaal.

Vraag 1 3 punten

Bereken de afstand tot het voorwerp.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: s = 3,9·104 m

voorbeeld van een berekening: Elektromagnetische golven bewegen met de lichtsnelheid. De afstand die het signaal heeft afgelegd is: ssignaal =ct =3, 00 ⋅108 ⋅ 0, 26 ⋅10−3 =7,8 ⋅10 4 m. Het signaal gaat heen en terug, dus de afstand s tot het voorwerp is:

1 ⋅ 7,8 ⋅10 4 = 3,9 ⋅10 4 m. 2

Het signaal is een puls die bestaat uit een aantal opeenvolgende elektromagnetische golven. Deze golven worden gemaakt met een vaste frequentie van 9,38 GHz. Eén puls duurt 0,100 µs. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

∆t = 0,100 μs

Vraag 2 2 punten

Bereken uit hoeveel golven één puls bestaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: n = 938

voorbeeld van een berekening: De frequentie van de puls is 9,38 GHz. Eén puls duurt 0,100 µ s. In één puls zitten dan: 9,38 ⋅109 ⋅ 0,100 ⋅10−6 =

938 golven.

Details met afmetingen van 10% van de golflengte zijn door de pulsradar net waar te nemen.

Vraag 3 3 punten

Bereken de minimale afmeting van een voorwerp dat met deze pulsradar waar te nemen is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: ℓ = 3,2·10−3 m

voorbeeld van een berekening: c 3, 00 ⋅10 8 Voor de golflengte van de radar geldt: λ= = = 3, 20 ⋅10 −2 m. f 9,38 ⋅10 9 De minimale lengte van een voorwerp is dan: 0,10 ⋅ 3, 20 ⋅10−2 =3, 2 ⋅10 −3 m.

Opmerking Wanneer de kandidaat hier dezelfde foutieve waarde voor c gebruikt als in vraag 1: niet opnieuw aanrekenen.

Het bereik van een radar is de grootste afstand die met de radar gemeten kan worden. Het bereik wordt onder andere bepaald door het vermogen van de radar en de oppervlakte van het voorwerp dat de straling reflecteert, ook wel het doel genoemd.

Dit wordt beschreven met de radarvergelijking:

r4 = constant PA

Hierin is:

  • r het bereik (in m);
  • P het vermogen van de radar (in W);
  • A de reflecterende oppervlakte van het doel (in m2).

Het bereik van een pulsradar is 30 km voor een doel met een reflecterende oppervlakte van 6,0 m2. Bij gelijk vermogen is het bereik van deze radar voor een ander doel gelijk aan 45 km.

Vraag 4 2 punten

Bereken hoe groot de reflecterende oppervlakte van dat andere doel is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: A = 30 m2

voorbeeld van een berekening: r4 Voor de radar geldt: = constant. Bij een bereik van 30 km heeft het doel PA een reflecterende oppervlakte van 6, 0 m 2 dus: (30 ⋅103 ) 4 (45 ⋅103 ) 4 6, 0 ⋅ (45 ⋅103 ) 4 = = zodat A = 3 4

30 m 2 . P ⋅ 6, 0 P⋅ A (30 ⋅10 )

 r4   r4 

Het bereik wordt ook bepaald door de herhalingsfrequentie. Dit is de frequentie waarmee de pulsen uitgezonden worden. Een nieuwe puls mag niet uitgezonden worden voordat de vorige puls is ontvangen. Op de uitwerkbijlage staan hierover drie zinnen.

Vraag 5 2 punten

Omcirkel in deze zinnen telkens het juiste alternatief.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord: Een radar met een lager vermogen heeft een kleiner bereik voor een doel met een bepaalde oppervlakte A. De tijd tussen twee pulsen kan dan korter zijn. De herhalingsfrequentie is dan hoger.

Naast de pulsradar bestaat er ook de breedbandradar. Dit type radar heeft twee antennes, één om continu uit te zenden en één om continu te ontvangen. Het vermogen van de zender blijft constant. Het uitgezonden signaal is schematisch weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] f (Hz)

t (s)

Vraag 6 1 punt

Geef aan of hier sprake is van frequentiemodulatie of van amplitudemodulatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • antwoord: frequentiemodulatie (1)

Op de uitwerkbijlage is naast het uitgezonden signaal ook het signaal weergegeven dat de radar ontvangen heeft na weerkaatsing op een reflecterend doel. In deze figuur is de tijd tussen het uitzenden en het ontvangen van het signaal aangegeven met Δt. Ook de periode T van het signaal is aangegeven. Uit de verhouding Δt/T is de afstand tot het reflecterende doel te bepalen. Deze radar heeft een bereik van 75 km. Bij deze afstand geldt Δt = T . De echo is dan net terug voordat het signaal opnieuw wordt uitgezonden.

Vraag 7 2 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand tot dit reflecterende doel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • uitkomst: s = 25 km voorbeelden van een bepaling: methode 1 Voor de figuur op de uitwerkbijlage geldt dat het tijdsverschil ∆t tussen het uitgezonden en het ontvangen signaal (ongeveer) gelijk is aan 0,33T . Bij een maximaal tijdsverschil ( ∆t =T ) hoort een bereik van 75 km. Als het tijdsverschil 0,33T is, is de afstand tot het reflecterende doel 0,33 ⋅ 75 =25 km. ∆t • bepalen van = 0,33 (met een marge van 0,03) (1) T • completeren van de bepaling (1) methode 2 Voor de figuur op de uitwerkbijlage geldt dat het frequentieverschil ∆f tussen het uitgezonden en het ontvangen signaal (ongeveer) gelijk is aan 0,33 f . Bij een maximaal frequentieverschil hoort een bereik van 75 km. Als het tijdsverschil 0,33 f is, is de afstand tot het reflecterende doel 0,33 ⋅ 75 = 25 km. ∆f • bepalen van = 0,33 (met een marge van 0,03) (1) f • completeren van de bepaling (1) (2)

Operatiedeken

Kleding wordt meestal gemaakt van textiel figuur 1 dat geweven is: de draden zijn in de lengterichting en in de breedterichting met elkaar verbonden, waardoor er een samenhang ontstaat. Zie vergroot in figuur 1.

Om 1,0 m2 van dit weefsel te maken is 8,8 km draad nodig.

Elke draad heeft een doorsnede met een oppervlakte van 3,85·10−3 mm2. De massa van 1,0 m2 van het weefsel is 47 gram.

Vraag 8 3 punten

Bereken de dichtheid van de draad.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: ρ = 1, 4 ⋅103 kg m −3

voorbeeld van een berekening: Het volume van de draad is V =λ ⋅ A =8,8 ⋅103 ⋅ 3,85 ⋅10−9 =3,39 ⋅10−5 m3 . De massa van de draad is 47 ⋅10−3 kg. De dichtheid is dan m 47 ⋅10−3 ρ= = = 1, 4 ⋅103 kg m −3 . V 3,39 ⋅10−5

Niet-geleidend weefsel kan elektrisch figuur 2 geleidend gemaakt worden door metaaldraden in de lengterichting mee te weven in de stof. In de breedte zijn geen geleidende draden opgenomen. Zie figuur 2.

Een materiaal dat gebruikt kan worden voor de geleidende draden is een legering van koper (Cu) en nikkel (Ni). Deze CuNi-draden hebben een diameter van

40 μm. De weerstand van 1,00 m van deze CuNi-draad is 250 Ω bij een temperatuur van 293 K. In figuur 3 is de soortelijke figuur 3 weerstand van deze 6,0·10−7 CuNi-draad als functie ρ (Ω m) van het massapercentage 5,0·10−7 nikkel gegeven bij T = 293 K. Figuur 3 staat ook op de 4,0·10−7 uitwerkbijlage.

Vraag 9 4 punten

Bepaal met behulp van 3,0·10−7 figuur 3 het massapercentage nikkel voor deze CuNi-draad. 2,0·10−7

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 23(%) (met een marge van 1(%))

voorbeeld van een bepaling: De weerstand van 1,00 m draad is 250 Ω. De doorsnede van deze draad is πr 2 = π(20 ⋅10−6 ) 2 = gelijk aan A = 1, 26 ⋅10−9 m 2 . De soortelijke weerstand RA 250 ⋅1, 26 ⋅10−9 van deze draad is dan: ρ = = =3,1 ⋅10−7 Ω m. λ 1, 00 In figuur 3 is dan af te lezen dat het massapercentage nikkel voor deze draad 23% is.

Opmerkingen

  • Voor de derde deelscore hoeft geen rekening gehouden te worden met de significantie.
  • Wanneer de eenheid van ρ niet vermeld is: dit niet aanrekenen.

1,0·10−7

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% massapercentage nikkel

Geleidend textiel kan onder andere figuur 4 gebruikt worden als elektrisch verwarmde deken tijdens operaties. Zie figuur 4. De geleidende draden in het weefsel van de deken zijn allemaal identiek. Deze verwarmingsdraden zijn met metalen stripjes met elkaar verbonden. Zie figuur 5 en 6. De weerstand van de metalen stripjes is te verwaarlozen.

figuur 5 figuur 6

- 12,0 V

+ stripjes

In de deken zitten 10 verwarmingsdraden volgens de schakeling van figuur 6. De verwarmingsdraden in de deken zijn van een ander materiaal dan CuNi gemaakt. Eén verwarmingsdraad heeft bij kamertemperatuur een weerstand van 3,6 Ω.

De deken heeft een totale weerstand van 1,4 Ω.

Vraag 10 3 punten

Toon dit aan met behulp van een berekening.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een berekening:

1 (5) De geleidbaarheid van vijf draden parallel is: G =5 ⋅ = =1,39 S. R 3, 6 1 De weerstand van deze vijf draden samen is dan= R = 0, 72 Ω. 1,39 In deze deken zijn twee van deze groepjes draden in serie aangesloten. De totale weerstand van de deken is dan Rtotaal =0, 72 + 0, 72 =1, 44 =1, 4 Ω.

1 (5)

Opmerkingen

  • Voor de laatste deelscore hoeft geen rekening gehouden te worden met de significantie.
  • Wanneer de eenheid niet vermeld is: dit niet aanrekenen.

Een patiënt wordt warm gehouden door de deken aan te sluiten op een spanningsbron van 12,0 V.

Vraag 11 3 punten

Bereken het elektrisch vermogen van de deken direct na het inschakelen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

P 1, 0 ⋅102 W uitkomst: =

voorbeeld van een berekening: Voor het elektrisch vermogen geldt: P = UI . Hierin is U = 12, 0 V en U 12, 0 =I = = 8,57 A. Het elektrisch vermogen van de deken is dan Rtotaal 1, 4 P=UI =12, 0 ⋅ 8,57 =1, 0 ⋅102 W.

De operatiedeken mag tijdens het gebruik niet te warm worden. Het is voor het ontwerp van de deken belangrijk om te weten of de draden van PTC- of van NTC-materiaal gemaakt moeten worden. Op de uitwerkbijlage staan hierover een aantal zinnen.

Vraag 12 3 punten

Omcirkel in deze zinnen telkens het juiste alternatief.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord: Als de deken te warm is, zal het vermogen P van de deken kleiner moeten worden. De stroomsterkte I in de deken moet dan kleiner worden. De weerstand R van de verwarmingsdraden moet dan met het oplopen van de temperatuur groter worden. Deze verwarmingsdraden moeten dan van PTC-materiaal gemaakt zijn.

SpaceShipOne

Sinds 2004 bestaat de mogelijkheid om figuur 1 met het ruimteschip SpaceShipOne een paar minuten in de ruimte te verblijven. c In figuur 1 is getekend hoe dat gaat. Figuur 1 is niet op schaal. Een speciaal daarvoor gemaakt vliegtuig (de White Knight) brengt het ruimteschip SpaceShipOne naar een hoogte van ongeveer 15 km waar het ruimteschip wordt losgekoppeld. In de figuur zijn de punten a, b, c, d en e aangegeven.

  • In punt a schakelt de raketmotor aan b d en dan gaat SpaceShipOne met een grote versnelling vrijwel verticaal omhoog.
  • In punt b gaat de raketmotor uit. e
  • Punt c is het hoogste punt van de a baan. Na het passeren van dit punt valt SpaceShipOne terug naar de aarde.
  • Na het passeren van punt d begint het ruimteschip door de luchtweerstand weer af te remmen.
  • Vanaf punt e gaat SpaceShipOne als zweefvliegtuig verder tot de landing.

Op de uitwerkbijlage staat de grafiek van de verticale snelheid vy als functie van de tijd van een vlucht van het ruimteschip. De tijdstippen die horen bij het passeren van de punten a, b, c en d zijn op de horizontale as aangegeven.

Tijdstip tc hoort bij het hoogste punt c van de baan.

Vraag 13 1 punt

Geef aan hoe dat uit de grafiek blijkt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Een antwoord als “dat staat in de figuur in de opgave”: geen scorepunt toekennen.

Vraag 14 3 punten

Bepaal met behulp van de grafiek op de uitwerkbijlage de versnelling in punt c.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: a = (−)9,55 m s −2 ( 9,36 m s −2 ≤ a ≤ 9, 74 m s −2 )

voorbeeld van een bepaling:  ∆v  Er geldt: a =   waarin ∆v = (−)2100 m s −1 en ∆t =220 s. ∆ t  raaklijn (−)2100 Hieruit volgt dat: a = = (−)9,55 m s −2 . 220

 ∆v 

Opmerking Voor de eerste deelscore hoeft de raaklijn niet expliciet getekend te zijn.

Op een bepaalde hoogte ten opzichte van de aarde (maar ook aan het aardoppervlak zelf) geldt voor de valversnelling:

GM g= r2

Hierin is:

  • G de gravitatieconstante (in Nm2 kg−2);
  • M de massa van de aarde (in kg);
  • r de afstand tot het middelpunt van de aarde (in m).

Vraag 15 4 punten

Bereken de valversnelling op 100 km hoogte.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • uitkomst: g = 9,518 m s −2 voorbeeld van een berekening: GM Er geldt: g = 2 waarin = G 6, 674 ⋅10−11 Nm 2 kg −2 , r M 5,972 ⋅10 kg en r= 6,371 ⋅106 + 0,100 ⋅106= 6, 471 ⋅106 m. = (24) 6, 674 ⋅10−11 ⋅ 5,972 ⋅1024 (4)

De inzittenden van het ruimteschip zijn op een deel van hun vlucht gewichtloos; dit betekent dat de normaalkracht op de inzittenden op dat moment gelijk is aan 0 N. Op de uitwerkbijlage staat hierover een tabel.

Vraag 16 2 punten

Kruis in de tabel op de uitwerkbijlage aan of de inzittenden van het ruimteschip wel of niet gewichtloos zijn op de trajecten ab, bc, cd en in punt c.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • antwoord: wel niet gewichtloos gewichtloos traject ab X traject bc X in punt c X traject cd X (X) indien vier antwoorden juist (2) indien twee of drie antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) Toelichting Voor traject cd een kruisje in één van beide kolommen goed rekenen: Uit de vierde streep in de inleidende tekst blijkt dat vóór punt d ook al sprake moet zijn van luchtweerstand. (2)

Op tijdstip tb wordt de motor uitgeschakeld en bevindt het ruimteschip zich op een hoogte van 45 km. Op tijdstip tc wordt het hoogste punt bereikt. Mensen die op een hoogte van 100 km of meer zijn geweest, mogen zich astronaut noemen.

Vraag 17 4 punten

Toon met behulp van de grafiek op de uitwerkbijlage aan of de inzittenden van het ruimteschip zich astronaut mogen noemen na de vlucht.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een antwoord:

methode 1 De afstand die het ruimteschip tussen b en c (in verticale richting) aflegt, is gelijk aan de oppervlakte onder de grafiek tussen tb en tc. Deze oppervlakte is: 12 ⋅1100 ⋅ (195

  • 80) =63 ⋅103 m =63 km. In punt c bevond het ruimteschip zich op een hoogte van

63 +=45 108 km ( > 100 km ) . De inzittenden van het ruimteschip mogen zich dus astronaut noemen na deze vlucht.

  • completeren van de bepaling en consequente conclusie (1p)

of

methode 2 (Op het traject bc is de luchtweerstand verwaarloosbaar.) De maximale snelheid is volgens de grafiek 1100 m s−1 . (De minimale hoogte wordt bereikt bij de maximale waarde voor g op aarde.) Uit de wet van behoud van energie volgt dan: vmax 2 11002 = h = = 61, 6 ⋅103 m = 61,6 km. 2g 2 ⋅ 9,81 In punt c bevond het ruimteschip zich op een hoogte van

45 107 km ( > 100 km ) . 61, 6 += De inzittenden van het ruimteschip mogen zich dus astronaut noemen na deze vlucht.

vmax 2

Opmerkingen

  • Als voor g een waarde uit vraag 14 of 15 gebruikt wordt: goed rekenen.
  • Er hoeft hier geen rekening gehouden te worden met significantie.

Verontreinigd technetium

Technetium-99m wordt in ziekenhuizen gebruikt als tracer. Het Tc-99m dat daar voor nodig is, wordt in het ziekenhuis zelf geproduceerd. Tc-99m is een vervalproduct van molybdeen-99. Tc-99m is metastabiel. Dit betekent dat de protonen en neutronen in de kern van een Tc-99m atoom zich nog kunnen herschikken tot een toestand met minder energie.

Vraag 18 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie waarbij Tc-99m ontstaat.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord:

99 99m 0 0 (99)

42 Mo → 43Tc + −1 e ( + 0 γ) (of Mo → 99m Tc + β− (+ γ) )

Opmerkingen

  • Als rechts van de pijl nog andere vervalproducten zijn genoemd, vervalt de tweede deelscore.
  • Als er Tc-99 is genoteerd: niet aanrekenen.

Vraag 19 2 punten

Leg uit of er bij het gebruik van een tracer voor de patiënt sprake is van bestraling of van besmetting.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De bron komt in de patiënt terecht, dus er is sprake van besmetting.

In het ziekenhuis wordt het Tc-99m van het Mo-99 gescheiden. Tijdens dit scheidingsproces blijft er Mo-99 in de oplossing van het Tc-99m achter. Deze verontreiniging van het Tc-99m is ongewenst, omdat Mo-99 bètastraling uitzendt. Volgens wettelijke eisen mag de activiteit van de Mo-99 verontreiniging maximaal 0,15 kBq zijn per 1,0 MBq activiteit van het Tc-99m.

De verhouding van activiteiten is te berekenen met:

A ( t )Mo-99 t 1 Tc-99m · N ( t )Mo-99 = 2

A ( t )Tc-99m t 1 Mo-99 · N ( t )Tc-99m 2

Vraag 20 3 punten

Bereken hoeveel Mo-99-kernen er maximaal per miljoen Tc-99m-kernen mogen voorkomen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: n = 1, 6 ⋅103 (kernen)

voorbeeld van een berekening:

De halveringstijd van Mo-99 is 65,9 uur; de halveringstijd van Tc-99m is 6,0 uur. De activiteit van Mo-99 is 0,15 kBq; de activiteit van Tc-99m is 1,0 MBq. 0,15 ⋅103 6, 0 ⋅ N (t ) Mo Invullen geeft: = . Hieruit volgt dat het aantal kernen 1, 0 ⋅106 65,9 ⋅1 ⋅106 Mo-99 dat er maximaal mag voorkomen per miljoen Tc-99m-kernen gelijk is aan 1, 6 ⋅103 .

Opmerking Er hoeft hier geen rekening gehouden te worden met significantie.

Het geproduceerde Tc-99m wordt bewaard in potten gemaakt van 6,0 mm dik lood. In een pot ontstaat de volgende straling:

  • gammafotonen, met een energie van 0,1 MeV, uitgezonden door Tc-99m;
  • bètadeeltjes, uitgezonden door Mo-99;
  • gammafotonen, met een energie van 1,0 MeV, uitgezonden door Mo-99.

Vraag 21 1 punt

Geef een reden waarom de bètadeeltjes, uitgezonden door Mo-99, niet buiten de pot gedetecteerd kunnen worden.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een antwoord: Deze deeltjes dringen niet door het lood van de pot heen. / Het doordringend vermogen van de bètastraling is te laag. (1)

De intensiteit van de gammastraling van het Tc-99m buiten de pot is relatief klein. Het percentage van de oorspronkelijke intensiteit dat aan de buitenkant van de pot gemeten wordt, kan zowel voor Tc-99m als Mo-99 met behulp van de halveringsdikte bepaald worden. Op de uitwerkbijlage staan hierover twee tabellen.

Vraag 22 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Noteer op de uitwerkbijlage in de eerste tabel de halveringsdikte (in cm) van lood voor gammastraling met een energie van 0,1 MeV en met een energie van 1,0 MeV.
  • Omcirkel op de uitwerkbijlage in de tweede tabel de intensiteit (in % van de oorspronkelijke intensiteit) van de gammastraling van Tc-99m en van Mo-99 buiten de pot.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord:

0,1 MeV 1,0 MeV halveringsdikte in cm 0,011 0,86

intensiteit buiten de pot (%) Tc-99m Mo-99 50-100 50-100 10-50 10-50 1-10 1-10 −3

10 -1 10−3-1 10−6-10−3 10−6-10−3 <10−6 <10−6

Opmerking De halveringsdikte bij 0,1 MeV is volgens Binas 0,0106 cm. Dit goed rekenen.

Als voor een behandeling in het ziekenhuis het Tc-99m te vroeg wordt geproduceerd, neemt de verontreiniging met Mo-99 toe. Op de uitwerkbijlage staan hierover drie zinnen.

Vraag 23 2 punten

Omcirkel in deze zinnen telkens het juiste alternatief.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord: De halveringstijd van Tc-99m is kleiner dan de halveringstijd van Mo-99. De activiteit van Tc-99m neemt daardoor sneller af dan de activiteit van Mo-99.

A ( t )Mo-99 Voor de verhouding geldt dan dat deze in de loop van de tijd

Auto uit het ijs

In een filmpje op internet is te figuur 1 zien hoe enkele Russen met een staalkabel en houten planken een auto die door het ijs is gezakt weer boven water halen. Tussen de auto en het ijs zijn planken gezet waarlangs de auto naar boven getrokken kan worden. In het ijs is een ronde as geslagen waar een dwarsbalk aan is vastgemaakt. De staalkabel tussen de auto en de as kan worden opgedraaid door tegen deze dwarsbalk te duwen. Zie de foto in figuur 1 en het zijaanzicht in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] dwarsbalk

ijs as Z

water

α bodem

De planken maken een hellingshoek α met de bodem. Op de auto werken in deze situatie een spankracht, een normaalkracht en een kracht F recht omlaag. De kracht F is de resultante van de zwaartekracht omlaag en de kracht van het water op de auto omhoog. De auto wordt met constante snelheid tegen de helling naar boven getrokken. Als de auto net is los getrokken van de bodem is de spankracht in de kabel 6,1·103 N. Een deel van figuur 2 staat op schaal op de uitwerkbijlage. De spankracht en de werklijn van F zijn hierin getekend vanuit het zwaartepunt Z.

Vraag 24 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit op de uitwerkbijlage:

  • Construeer de kracht F en de normaalkracht vanuit punt Z.
  • Bepaal de grootte van F met behulp van deze constructie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • juiste constructie van F uit Fspan en F naar beneden ingetekend (1p)

= 1,0 ⋅103 N. Uit de vector van de spankracht volgt de schaal: 1, 0 cm Hieruit volgt voor de kracht F: F = 7,8 ⋅1,0 ⋅103 = 7,8 ⋅103 N.

Opmerking Wanneer F niet naar beneden is ingetekend, vervalt de tweede deelscore, maar is de vierde deelscore nog wel te behalen.

De lengte van het uiteinde van de balk tot het draaipunt S is 5,0 m. De as heeft een diameter van 18 cm. Zie het bovenaanzicht in figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

dwarsbalk

kabel S

In het begin duwt één man tegen het uiteinde van de balk. Zie de krachtvector in figuur 3. Deze figuur is niet op schaal. De spankracht in de kabel is op dat moment 6,1·103 N.

Vraag 25 3 punten

Bereken de kracht waarmee de man tegen het uiteinde van de balk moet duwen om deze spankracht te kunnen leveren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: F= 1,1 ⋅102 N

voorbeeld van een berekening: In deze situatie geldt de hefboomwet: F1r1 = F2 r2 . De balk is 5,0 m lang; de as heeft een diameter van 18 cm; de spankracht in de kabel is 6,1 ⋅103 N. Invullen geeft:

F ⋅ 5, 0 = 6,1 ⋅103 ⋅ 12 ⋅18 ⋅10−2 . Hieruit volgt dat F= 110 N = 1,1 ⋅102 N.

De kabel is gemaakt van koolstofstaal met een elasticiteitsmodulus van 0,20·1012 N m−2 (1 N m−2 = 1 Pa). De spankracht is 6,1·103 N. Tijdens het spannen rekt de kabel uit. De kabel heeft een doorsnede met een oppervlakte van 80 mm2 en een beginlengte van 15 m.

Vraag 26 4 punten

Bereken de lengteverandering van de kabel tijdens het spannen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Δℓ = 5,7·10−3 m

voorbeeld van een berekening:

F 6,1 ⋅103 Voor de spanning in de kabel geldt σ= = = 7, 63 ⋅107 N m −2 . −6

A 80 ⋅10 De elasticiteitsmodulus van koolstofstaal is 0, 20 ⋅1012 N m −2 . De relatieve σ 7, 63 ⋅107 rek in de kabel is dan gelijk aan ε= = = 3,81 ⋅10−4. 12

E 0, 20 ⋅10 De lengteverandering van de kabel is dan ∆λ = ε ⋅ λ 0 = 3,81 ⋅10−4 ⋅15 = 5, 7 ⋅10−3 m.

Naarmate de auto verder uit het water figuur 4 komt, wordt de verticale kracht F op de I auto groter en is er een grotere II spankracht nodig. Daarom moeten drie III mannen tegen de balk duwen op de plaatsen I, II en III. Zie figuur 4. S

Vraag 27 1 punt

Welke man loopt met de grootste snelheid?

  1. A man I
  2. B man II
  3. C man III
  4. D Iedere man loopt met dezelfde snelheid

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

28 Deze vraag moeten de kandidaten overslaan. In Wolf is reeds voor alle kandidaten de maximale score ingevoerd bij deze vraag.

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

De drie mannen leveren ieder een even grote arbeid.

In het ontwerp zijn verschillende veranderingen mogelijk. In de tabel op de uitwerkbijlage staan enkele voorstellen voor veranderingen.

Vraag 29 3 punten

Kruis in de tabel per verandering aan of de kracht die één man op het einde van de dwarsbalk moet uitoefenen om de auto uit het ijs te takelen groter wordt, kleiner wordt of gelijk blijft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • verandering in ontwerp de kracht die één man aan het einde van de balk moet uitoefenen wordt groter wordt kleiner blijft gelijk langere dwarsbalk X kleinere hellingshoek X dikkere as X langere kabel X indien vier antwoorden juist (3) indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (3)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-1/ha-1023-a-18-1-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over golven (7), krachten (6) en straling (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2018, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-1/ha-1023-a-18-1-c).

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.