Eindexamen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Hamsterwiel, Solar Orbiter, Lekdetectie, Vierkantsweerstand, Parapluspin.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (5), elektriciteit (5) en straling (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Beweging1-4, 255
Elektriciteit18-225
Straling14-174
Warmte6-83
Astrofysica9-113
Geluid en trillingen12-13, 263
Energie en arbeid5, 232
Krachten241

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over beweging (19% van de vragen, gemiddeld 9%) en elektriciteit (19% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over krachten (4% van de vragen, gemiddeld 13%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Hamsterwiel

Machteld heeft een hamster, die vooral ’s nachts actief is in een hamsterwiel. Zie figuur 1. Machteld wil de prestatie van haar hamster vergelijken met die van een mens.

Eerst meet Machteld de snelheid waarmee de hamster het wiel laat ronddraaien. De meetopstelling die ze hiervoor bouwt bestaat uit een magneetje en een sensor. Ze bevestigt het magneetje op de zijkant van het hamsterwiel. Het wiel heeft een diameter van 24 cm. De sensor hangt aan een statief ernaast. Zie figuur 2.

Als het magneetje langs de sensor beweegt, geeft de sensor een spanningspuls. Machteld meet enige tijd de sensorspanning $U$ terwijl de hamster in het wiel loopt. Figuur 3 toont het $(U,t)$-diagram.

De baansnelheid van het magneetje is gelijk aan de loopsnelheid van de hamster.

Vraag 1 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal de omlooptijd van het magneetje. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Bepaal de loopsnelheid van de hamster.

Figuur 3 toont het (U,t)-diagram van de sensorspanning met pieken op ongeveer 1,1 s, 2,2 s en 3,3 s. Bekijk in Opgaven, pagina 2

Bekijk het antwoord

uitkomst: $T = 1,1$ s

$v = 0,69$ m s$^{-1}$

voorbeeld van een antwoord:

De omlooptijd kan afgelezen worden in figuur 3: $T = 1,1$ s.

Voor de baansnelheid geldt $v = \frac{2\pi r}{T}$ met $r = \frac{d}{2} = 0,12$ m.

Dus $v = \frac{2\pi \cdot 0,12}{1,1} = 0,69$ m s$^{-1}$.

Vervolgens meet Machteld gedurende een hele nacht. Zij rekent de gegevens uit het $(U,t)$-diagram om tot een $(s,t)$-diagram. Voor een deel van de nacht is dit diagram afgebeeld in figuur 4.

Vraag 2 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef aan hoe uit de grafiek volgt dat de hamster gepauzeerd heeft.
  • Bepaal met behulp van figuur 4 de gemiddelde loopsnelheid van de hamster over dit deel van de nacht. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Het (s,t)-diagram van de hamster over een deel van de nacht, met horizontale delen bij de pauzes. Bekijk in Opgaven, pagina 3

Bekijk het antwoord

uitkomst: $v_{\text{gem}} = 0,806$ km h$^{-1}$ (met een marge van $0,010$ km h$^{-1}$)

voorbeeld van een antwoord:

de $(s,t)$-grafiek loopt soms horizontaal (tijdens die tijdsintervallen was de snelheid nul, en heeft de hamster pauze gehouden).

Aflezen in figuur 4 geeft $\Delta s = 2,70$ km en $\Delta t = 3,35$ h. Hieruit volgt: $v_{\text{gem}} = \frac{\Delta x}{\Delta t} = \frac{2,70}{3,35} = 0,806$ km h$^{-1}$ ($= 0,224$ m s$^{-1}$).

Machteld leest op internet de volgende bewering:

Een hamster zet in één nacht net zoveel stappen als een mens tijdens vier marathons.

Een mens zet tijdens een marathon gemiddeld 160 stappen per minuut. De gemiddelde eindtijd is 4 uur en 21 minuten.

Om de bewering over het aantal stappen te controleren, bepaalt Machteld de totale afstand die de hamster tijdens de nacht heeft afgelegd. Deze is 7,4 km. Ook maakt ze een video van de rennende hamster. Met behulp van losse beeldjes uit de video bepaalt ze de stapgrootte van de hamster. Zie figuur 5.

Machteld definieert één stap als het verzetten van een voorpoot van een hamster of een been van een mens van achter naar voren.

Vraag 3 5 punten

Toon met behulp van figuur 5 aan of het aantal stappen van de hamster in één nacht overeenkomt met het aantal stappen van een mens tijdens vier marathons.

Figuur 5 toont twee foto’s van het hamsterwiel met de straal (0,12 m) en de stapgrootte van de hamster. Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord

uitkomst: $n_{\text{stap hamster}} = 7,5 \cdot 10^4$

voorbeeld van een antwoord:

Het gemiddeld aantal stappen in een marathon is $160 \cdot (4 \cdot 60 + 21) = 4,18 \cdot 10^4$. Voor vier marathons komt dit dus overeen met $1,7 \cdot 10^5$ stappen.

Uit de schaal van figuur 5 volgt de stapgrootte van de hamster: $2,8 \cdot \frac{0,12}{3,4} = 0,099$ m.

Het aantal stappen van de hamster is $\frac{7,4 \cdot 10^3}{0,099} = 7,5 \cdot 10^4$.

Dat zijn er veel minder, dus het aantal stappen komt niet overeen.

Om het vermogen van de rennende hamster te kunnen vergelijken met dat van een marathonloper, wil Machteld bepalen hoe groot de afzetkracht van een hamster tijdens het lopen ongeveer is. Ze constateert dat de hamster tijdens de start even tegen een helling lijkt op te lopen voordat het wiel gaat draaien. Machteld maakt een foto en tekent deze helling op schaal in. Zie figuur 6.

Machteld neemt aan dat de kracht waarmee de hamster zich afzet zolang het wiel nog niet draait, even groot is als de afzetkracht nadat het wiel is gaan draaien. Figuur 6 is schematisch weergegeven op de uitwerkbijlage. In die figuur is ook de zwaartekracht op de hamster aangegeven.

De hamster heeft een massa van $1,3 \cdot 10^2$ gram.

Machteld bepaalt dat de hamster zich afzet met een kracht parallel aan de helling van minimaal 0,3 N.

Vraag 4 4 punten

Toon dat aan met behulp van een bepaling en de figuur op de uitwerkbijlage.

Figuur 6 is een foto van de hamster met de helling en een stippellijn die op schaal is ingetekend. Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

$F_z = mg = 0,13 \cdot 9,81 = 1,28$ N.

Hieruit volgt voor de schaalfactor dat 1 cm overeen komt met 0,26 N.

In de constructie is $F_{z//}$ 1,3 cm lang. (Er geldt: $F_{\text{spier}} = F_{z//}$) dus $F_{\text{spier}} = 1,3 \cdot 0,26 = 0,34$ N $= 0,3$ N.

Opmerking: De uitkomst $F_{\text{spier}} = 0,4$ N mag ook goed gerekend worden.

Machteld neemt aan dat deze afzetkracht van de hamster tijdens het lopen voortdurend 0,3 N blijft. Bij het hardlopen is het vermogen per kilogram lichaamsgewicht een belangrijke grootheid. Voor een amateur marathonloper is dit 3 W kg$^{-1}$. Tijdens een bepaald deel van de nacht heeft de hamster een constante loopsnelheid van 2,4 km h$^{-1}$.

Machteld denkt dat haar hamster op dat moment een lager vermogen per kilogram lichaamsgewicht levert dan een marathonloper.

Vraag 5 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken het vermogen dat de rennende hamster levert gedurende dit deel van de nacht.
  • Toon met een berekening aan of Machteld gelijk heeft.
Bekijk het antwoord

uitkomst: $P = 0,2$ W

vermogen per kilogram lichaamsgewicht $= 2$ W kg$^{-1}$

voorbeeld van een antwoord:

$P = Fv = 0,3 \cdot \frac{2,4}{3,6} = 0,2$ W.

Voor het vermogen per kilogram lichaamsgewicht geldt $\frac{0,2}{0,13} = 2$ W kg$^{-1}$. Dit is lager dan 3 W kg$^{-1}$, dus Machteld heeft gelijk.

Solar Orbiter

In februari 2020 werd de satelliet Solar Orbiter gelanceerd. Zie figuur 1.

Deze satelliet gaat op relatief kleine afstand van de zon metingen doen aan het oppervlak van de zon. Als Solar Orbiter dichter bij de zon komt, zal hij door de zon fors worden opgewarmd.

Vraag 6 1 punt

Geef aan welke vorm van warmtetransport plaatsvindt tussen de zon en Solar Orbiter.

Figuur 1 is een foto van Solar Orbiter met de zon op de achtergrond. Bekijk in Opgaven, pagina 6

Bekijk het antwoord

straling

Solar Orbiter nadert de zon tot een kleinste afstand van $43 \cdot 10^6$ km (gemeten vanaf het middelpunt van de zon). Zie schematisch en niet op schaal in figuur 2.

De intensiteit $I$ is het invallend vermogen van het zonlicht per m$^2$ bestraald oppervlak. Dit verandert met de afstand tot de zon volgens een omgekeerd kwadratisch evenredig verband:

I = k \cdot \frac{1}{r^2} \qquad (1)

Hierin is:

  • $k$ een constante;
  • $r$ de afstand tot het middelpunt van de zon.

Op het aardoppervlak is $I$ in de orde van grootte van $10^3$ W m$^{-2}$.

Om Solar Orbiter te beschermen tegen een te grote intensiteit van het zonlicht is een hitteschild ontworpen. De ontwerpers hebben hierover een regel opgenomen in het programma van eisen. Zie figuur 3.

Programma van eisen: Het hitteschild moet minimaal een intensiteit in de orde van grootte van … W m$^{-2}$ kunnen weerstaan.

Op de puntjes in figuur 3 staat één van de volgende ordes van grootte: $10^2$, $10^4$, $10^6$ of $10^8$.

Vraag 7 3 punten

Leg met figuur 2 en een berekening met formule (1) uit welke orde van grootte in de ontwerpeis staat.

Figuur 2 toont schematisch de afstanden van de aarde, Solar Orbiter en de zon (150 en 43 miljoen km). Bekijk in Opgaven, pagina 6

Bekijk het antwoord

uitkomst: $10^4$ (W m$^{-2}$)

voorbeeld van een antwoord:

Op aarde geldt $I_{\text{aarde}} = k \cdot \frac{1}{r^2_{\text{zon aarde}}}$ dus $k = I_{\text{aarde}} \cdot r^2_{\text{zon aarde}}$.

Op de positie van Solar Orbiter is $I_{\text{SO}} = k \cdot \frac{1}{r^2_{\text{zon SO}}} = I_{\text{aarde}} \cdot \frac{r^2_{\text{zon aarde}}}{r^2_{\text{zon SO}}} = 1,0 \cdot 10^3 \cdot \frac{(150 \cdot 10^9)^2}{(43 \cdot 10^9)^2} = 1,2 \cdot 10^4$ W m$^{-2}$.

Het hitteschild moet een intensiteit in de orde van grootte van $10^4$ W m$^{-2}$ kunnen weerstaan.

Het hitteschild bestaat uit drie reflecterende lagen. De afstand tussen laag 1 en laag 2 is 245 mm. De lagen zijn van elkaar gescheiden door titanium verbindingsstaafjes in vacuüm. In figuur 4 is een deel van het hitteschild schematisch en niet op schaal weergegeven. In deze figuur staan ook de verwachte temperaturen van laag 1 en laag 2 dicht bij de zon.

De warmtegeleidingscoëfficiënt van titanium is $21,9$ W m$^{-1}$ K$^{-1}$. Er zijn 12 gelijke verbindingsstaafjes aangebracht tussen laag 1 en laag 2. Een ontwerpeis voor het hitteschild is dat de warmtestroom door alle verbindingsstaafjes tussen laag 1 en laag 2 samen maximaal 15 W mag zijn.

Vraag 8 4 punten

Bereken de oppervlakte van de dwarsdoorsnede die een staafje maximaal mag hebben om aan deze ontwerpeis te voldoen. Geef je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Figuur 4 is een schematische doorsnede van het hitteschild met drie lagen, verbindingsstaafjes en temperaturen van 346 °C en 270 °C. Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord

uitkomst: $A = 1,8 \cdot 10^{-4}$ m$^2$

voorbeeld van een antwoord:

Voor de totale doorsnede bij de maximale warmtestroom geldt: $A = \frac{P \cdot d}{\lambda \cdot \Delta T} = \frac{15 \cdot 0,245}{21,9 \cdot (346 - 270)} = 2,21 \cdot 10^{-3}$ m$^2$.

Ieder staafje mag dan een maximale doorsnede hebben van $\frac{2,21 \cdot 10^{-3}}{12} = 1,8 \cdot 10^{-4}$ m$^2$.

De kleinste afstand tussen Solar Orbiter en de zon is $43 \cdot 10^6$ km.

Vraag 9 3 punten

Bereken de versnelling die Solar Orbiter op deze afstand ondervindt als gevolg van de gravitatiekracht van de zon.

Bekijk het antwoord

uitkomst: $a = 7,2 \cdot 10^{-2}$ m s$^{-2}$

voorbeeld van een antwoord:

De gravitatiekracht van de zon op Solar Orbiter is $F_g = G \frac{m_{\text{SO}} m_{\text{zon}}}{r^2}$.

De versnelling van Solar Orbiter is $a = \frac{F_{\text{res}}}{m} = \frac{F_g}{m_{\text{SO}}} = G \frac{m_{\text{zon}}}{r^2} = 6,67 \cdot 10^{-11} \cdot \frac{1,99 \cdot 10^{30}}{(43 \cdot 10^9)^2} = 7,2 \cdot 10^{-2}$ m s$^{-2}$.

Op 18 november 2020 maakte Solar Orbiter een foto. Zie figuur 5. Hierop zijn Venus, Mars en de aarde (Earth) te zien.

In figuur 6 zijn schematisch de posities van de zon, Mercurius, Venus, Mars en Solar Orbiter op deze datum te zien.

In figuur 6 is ook de baan van de aarde getekend. Er zijn vier posities (I t/m IV) aangegeven.

Vraag 10 1 punt

Welke positie in figuur 6 komt overeen met de positie van de aarde op het tijdstip van de foto in figuur 5?

  • A positie I
  • B positie II
  • C positie III
  • D positie IV
  1. A positie I
  2. B positie II
  3. C positie III
  4. D positie IV

Figuur 6 toont schematisch de posities van de zon, Mercurius, Venus, Mars, Solar Orbiter en de aarde (I t/m IV). Bekijk in Opgaven, pagina 8

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Net zoals de maan vanaf de aarde gezien maanfasen heeft, heeft Venus vanaf Solar Orbiter gezien ook fasen. In figuur 7 zijn drie mogelijke fasen van Venus afgebeeld.

Vraag 11 2 punten

Leg met behulp van figuur 6 uit welke fase (1, 2 of 3) het best overeenkomt met de fase zoals gezien vanaf Solar Orbiter op 18 november 2020.

Figuur 7 toont drie fasen van Venus (1, 2 en 3), met het donkere en lichte deel aangegeven. Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Vanuit Solar Orbiter gezien valt het zonlicht vanaf rechts op Venus. De rechterkant van Venus wordt dus belicht. Fase 1 komt het best overeen met de waarneming vanaf Solar Orbiter op 18 november 2020.

Lekdetectie

Een groot lek in een waterleiding is makkelijk te detecteren. Zie figuur 1.

In de industrie worden veel gassen en vloeistoffen door pijpleidingen vervoerd. Een lek kan grote gevolgen hebben, maar is niet altijd zo duidelijk waarneembaar. Er zijn daarom verschillende methodes om een lek te detecteren.

Een lek in een bovengrondse gasleiding kan worden opgespoord met een methode die gebruikmaakt van het geluid dat een gas of vloeistof bij ontsnapping maakt. In het oscillogram in figuur 2 is het signaal weergegeven van het geluid van een lek. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

De tijd staat op de horizontale as en is ingesteld op $20\ \mu$s per hokje. Ultrasoon geluid heeft een frequentie boven de 20 kHz.

Vraag 12 3 punten

Toon met een bepaling en de figuur op de uitwerkbijlage aan of dit geluid ultrasoon is.

Figuur 2 is een oscillogram van het geluid van een lek, met de tijdas ingesteld op 20 µs per hokje. Bekijk in Opgaven, pagina 10

Bekijk het antwoord

uitkomst: $f = 56$ kHz (met een marge van 1 kHz)

voorbeeld van een antwoord:

Aflezen in figuur 2 geeft 10 trillingen in 9 hokjes.

De frequentie is $f = \frac{10}{9,0 \cdot 20 \cdot 10^{-6}} = 56$ kHz.

Dit is meer dan 20 kHz, dus het geluid is ultrasoon.

Aanvulling: Op pagina 11, bij vraag 12 moet het volgende geschrapt worden: uitkomst: $f = 56$ kHz (met een marge van 1 kHz).

Om lekken onder de grond te detecteren wordt een andere methode gebruikt. Hierbij wordt een capsule met een radioactieve tracer meegevoerd door het gas of de vloeistof in de buis. De buis heeft overal een gelijke doorsnede. Zie figuur 3.

Op diverse plaatsen boven de buis staat een meetinstrument. Ieder meetinstrument bevat twee stralingsdetectoren op een vaste onderlinge afstand $s$. De stralingsdetectoren registreren alleen straling die loodrecht door de buiswand komt. Een klok in ieder meetinstrument meet het tijdsverschil $\Delta t$ dat de capsule nodig heeft om afstand $s$ af te leggen.

Op de uitwerkbijlage staan een aantal zinnen.

Vraag 13 3 punten

Omcirkel op de uitwerkbijlage in iedere zin het juiste antwoord.

Na een lek is het debiet groter / kleiner dan voor het lek.

De doorsnede $A$ van de pijp is overal constant.

Na een lek is de snelheid van de vloeistof in de pijp groter dan / kleiner dan / even groot als voor het lek.

Na een lek is de tijd die nodig is om een afstand $s$ af te leggen groter dan / kleiner dan / even groot als voor het lek.

Figuur 3 toont een buis met een capsule, twee meetinstrumenten met stralingsdetectoren en een lek. Bekijk in Opgaven, pagina 11

Bekijk het antwoord

Na een lek is het debiet kleiner dan voor het lek.

Na een lek is de snelheid van de vloeistof in de pijp kleiner dan voor het lek.

Na een lek is de tijd die nodig is om een afstand $s$ af te leggen groter dan voor het lek.

Voor het gebruik van deze methode bij ondergrondse metalen leidingen is een eis dat de tracer in elk geval $\gamma$-straling uitzendt.

Vraag 14 1 punt

Wat is de reden van deze eis?

  • A Het ioniserende vermogen van γ-straling is altijd lager dan van α- of β-straling.
  • B Het doordringend vermogen van γ-straling is altijd hoog.
  • C De activiteit van een γ-bron is altijd hoog.
  • D De halveringstijd van een γ-bron is altijd lang.
  1. A Het ioniserende vermogen van γ-straling is altijd lager dan van α- of β-straling.
  2. B Het doordringend vermogen van γ-straling is altijd hoog.
  3. C De activiteit van een γ-bron is altijd hoog.
  4. D De halveringstijd van een γ-bron is altijd lang.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Bij een derde methode stroomt de radioactieve tracer zonder capsule mee met de vloeistof in de buis. Boven de grond wordt op twee plekken de intensiteit bepaald met een GM-teller. Zie figuur 4.

Een veelgebruikte tracer is Br-82.

Vraag 15 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie van Br-82.

Figuur 4 toont twee GM-tellers boven de grond, een pijpleiding met tracer en een mogelijk lek. Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

{}^{82}_{35}\text{Br} \rightarrow {}^{82}_{36}\text{Kr} + {}^{0}_{-1}\beta + {}^{0}_{0}\gamma

De GM-tellers meten alleen straling die er loodrecht op valt. De intensiteit van de gammastraling in deze richting binnen in de buis noemt men $I_0$. Als de γ-straling door de wand van de leiding komt is de intensiteit gehalveerd als gevolg van de metalen wand van de buis. Vervolgens moet de straling nog door 0,50 m grond. Zie figuur 4. De halveringsdikte van de grond is 5,0 cm.

Vraag 16 3 punten

Bereken welk percentage van $I_0$ GM-teller 1 bereikt.

Bekijk het antwoord

uitkomst: 0,049%

voorbeeld van een antwoord:

De metalen wand zorgt voor een halvering, de grond zorgt voor $0,50/0,050 = 10$ halveringen. In totaal wordt de intensiteit 11 keer gehalveerd, dus: $I = I_0 \left(\frac{1}{2}\right)^n = I_0 \left(\frac{1}{2}\right)^{11} = 4,9 \cdot 10^{-4} \cdot I_0$.

Dit komt overeen met 0,049% van de beginintensiteit.

Bij een onderzoek aan een pijpleiding passeerde de tracer (Br-82) GM-teller 1 op tijdstip $t = 0$. Na 3 dagen werd de tracer bij GM-teller 2 gedetecteerd. Er werd bij GM-teller 2 een intensiteit gemeten die 8 keer zo klein was als die bij GM-teller 1.

Vraag 17 3 punten

Leg uit of de gemeten intensiteit duidt op een lek in de pijpleiding tussen GM-teller 1 en GM-teller 2.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De halveringstijd van Br-82 is 35,3 h = 1,5 d. Er zijn dus ongeveer 2 halveringstijden voorbij. De intensiteit zou daardoor 4 keer zo klein geworden moeten zijn. Omdat de intensiteit 8 keer zo klein is, moet er tracer weggelekt zijn en duidt deze meting op een lek in de pijpleiding.

Opmerking: Als voor het antwoord gebruik is gemaakt van een berekening waarin een fout is gemaakt, maximaal 2 scorepunten toekennen.

Vierkantsweerstand

Bij elektronica wordt gebruikgemaakt van de grootheid ‘vierkantsweerstand’. De vierkantsweerstand is de weerstand $R_{\text{vw}}$ tussen de zijvlakken P en Q van een vierkant stuk materiaal. Het vierkant kan worden opgevat als een geleidende laag met een constante dikte $d$ en een lengte en breedte $x$. Zie figuur 1a. In figuur 1b is een zijaanzicht van de laag weergegeven.

Voor de vierkantsweerstand $R_{\text{vw}}$ van een geleidende laag geldt de volgende formule:

R_{\text{vw}} = \frac{\rho}{d} \qquad (1)

Hierin is $\rho$ de soortelijke weerstand van het materiaal en $d$ de dikte van de laag.

Vraag 18 3 punten

Leid deze formule af met een formule uit het informatieboek en figuur 1a.

Figuur 1a toont een vierkant stuk geleidende laag met lengte x en dikte d, met de zijvlakken P en Q. Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De weerstand van een geleidende draad wordt gegeven door $R = \rho \frac{\ell}{A}$.

De dwarsdoorsnede $A$ van de vierkante geleider met een constante dikte $d$ uit figuur 1 is $A = x \cdot d$ en de lengte is $\ell = x$.

De vierkantsweerstand is $R_{\text{vw}} = \rho \cdot \frac{x}{x \cdot d} = \frac{\rho}{d}$.

Uit formule (1) blijkt dat de vierkantsweerstand niet verandert als een vierkant met een andere lengte en breedte $x$ gekozen wordt.

In figuur 2 zijn afgebeeld: een klein vierkant en daarnaast een vierkant met een drie keer zo lange zijde. Beide vierkanten zijn gemaakt van hetzelfde geleidende materiaal met dezelfde dikte $d$.

Het kleine vierkant wordt voorgesteld als een weerstand $R$. Het grote vierkant kan worden gemodelleerd als negen van deze weerstanden, die onderling verbonden zijn volgens het schema in figuur 3.

Vraag 19 3 punten

Toon met behulp van de regels voor serie- en parallelschakelingen aan dat de weerstand van het grote vierkant gelijk is aan die van het kleine vierkant.

Figuur 3 toont negen weerstanden R in drie takken van elk drie in serie, die parallel zijn geschakeld. Bekijk in Opgaven, pagina 14

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De totale weerstand van de serieschakeling in één tak is $3R$.

Voor de totale weerstand van de drie takken van de parallelschakeling geldt: $\frac{1}{R_{\text{tot}}} = \frac{1}{3R} + \frac{1}{3R} + \frac{1}{3R} = \frac{3}{3R} = \frac{1}{R}$.

Dus $R_{\text{tot}} = R$ (en de weerstand van het grote vierkant heeft dezelfde waarde als die van het kleine vierkant).

Bij de productie van computerchips wordt de vierkantsweerstand van de geproduceerde lagen gemeten. Figuur 4 toont een mogelijke meetopstelling. In een ideale situatie zonder weerstand van de aansluitdraden volgt de vierkantsweerstand uit de ingestelde spanning $U_{\text{bron}}$ en gemeten stroomsterkte $I_{\text{bron}}$.

In de praktijk moet bij het meten van de vierkantsweerstand rekening worden gehouden met de weerstand van de aansluitdraden. Zie figuur 5.

Op de uitwerkbijlage staan drie zinnen over de situaties in figuur 4 en 5.

Vraag 20 3 punten

Omcirkel op de uitwerkbijlage in iedere zin het juiste antwoord.

De $I_{\text{bron}}$ die in de praktijksituatie wordt gemeten, is groter dan / kleiner dan / gelijk aan de $I_{\text{bron}}$ die in de ideale situatie is te verwachten.

De vierkantsweerstand die in de praktijksituatie wordt bepaald, is groter dan / kleiner dan / gelijk aan de vierkantsweerstand die voor de ideale situatie wordt berekend met $I_{\text{bron}}$ en $U_{\text{bron}}$.

Een nauwkeuriger bepaling in de praktijksituatie kan worden gedaan door een spanningsmeter over de geleidende laag / een aansluitdraad / de spanningsbron aan te sluiten en de gemeten spanning hiervan te gebruiken in de berekening.

Figuur 4 en 5 tonen de meetopstelling zonder en met de weerstand van de aansluitdraden (R_draad). Bekijk in Opgaven, pagina 15

Bekijk het antwoord

De $I_{\text{bron}}$ die in de praktijksituatie wordt gemeten, is kleiner dan de $I_{\text{bron}}$ die in de ideale situatie is te verwachten.

De vierkantsweerstand die in de praktijksituatie wordt bepaald, is groter dan de vierkantsweerstand die voor de ideale situatie wordt berekend met $I_{\text{bron}}$ en $U_{\text{bron}}$.

Een nauwkeuriger bepaling in de praktijksituatie kan worden gedaan door een spanningsmeter over de geleidende laag aan te sluiten en de gemeten spanning hiervan te gebruiken in de berekening.

Weerstanden worden veel gebruikt in elektronica. Zie figuur 6.

Een weerstand kan worden voorgesteld als een vierkant stuk geleidende folie (met oppervlakte $A$ en dikte $d$) dat om een isolerende cilinder is gerold. Aansluitpootjes maken via geleidende kappen contact met de folie. Zie figuur 7.

Bij koolfilmweerstanden is de geleidende folie een grafietlaag. De dikte van deze grafietlaag bepaalt de vierkantsweerstand en daarmee de weerstandswaarde. Een veelvoorkomende weerstandswaarde is $330\ \Omega$.

Vraag 21 2 punten

Bereken met behulp van formule (1) de dikte van de grafietlaag bij deze weerstandswaarde.

Figuur 7 toont de folie met dikte d die om een isolerende cilinder is gerold, met kappen en aansluitpootjes. Bekijk in Opgaven, pagina 16

Bekijk het antwoord

uitkomst: $d = 10^{-8}$ m

voorbeeld van een antwoord:

$R_{\text{vw}} = \frac{\rho}{d} \rightarrow d = \frac{\rho}{R_{\text{vw}}} = \frac{10^{-5}}{330} = 10^{-8}$ m.

Opmerking: De uitkomst hoeft niet als orde van grootte genoteerd te zijn.

Tijdens het gebruik wordt een weerstand warm. De weerstandswaarde van een koolfilmweerstand mag door de temperatuurtoename niet meer dan 10% afwijken van de weerstandswaarde bij 20 °C. Figuur 8 toont hoe de soortelijke weerstand van een bepaald soort grafiet afhangt van de temperatuur.

Vraag 22 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit of een koolfilmweerstand zich gedraagt als PTC of NTC.
  • Bepaal de maximale temperatuur die deze weerstand mag krijgen. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Figuur 8 toont de soortelijke weerstand ρ (µΩm) van grafiet als functie van de temperatuur T (°C), van 13,0 bij 0 °C tot ongeveer 11,4 bij 140 °C. Bekijk in Opgaven, pagina 17

Bekijk het antwoord

uitkomst: $T = 1,3 \cdot 10^2$ °C (met een marge van $0,1 \cdot 10^2$ °C)

voorbeeld van een antwoord:

  • De soortelijke weerstand van grafiet neemt af met toenemende temperatuur (dus de weerstandswaarde neemt af). De koolfilmweerstand gedraagt zich als een NTC.
  • Bij 20 °C is de soortelijke weerstand $12,8 \cdot 10^{-6}$ Ωm. Een afname van 10% is toegestaan, dus de soortelijke weerstand mag afnemen tot $11,5 \cdot 10^{-6}$ Ωm. Uit figuur 8 volgt een maximumtemperatuur van $1,3 \cdot 10^2$ °C.

Parapluspin

Lees onderstaand artikel.

Vliegen en muggen let op: hier komt de parapluspin!

De meeste spinnen wachten in het web tot er vanzelf een prooi in vliegt. De parapluspin jaagt actief door zichzelf met zijn web met grote snelheid te katapulteren richting een prooi. Wetenschappers hebben onderzocht hoe de spin het web gebruikt.

De parapluspin bouwt een parapluvormig web en gebruikt een scheerlijn van spinrag om het web op spanning te trekken (1). Bij het zien van een prooi laat de spin de scheerlijn schieten en wordt hij door middel van het web gelanceerd in horizontale richting (2 en 3). Hij beweegt een paar keer heen en weer rond de evenwichtstand om daar ten slotte tot stilstand te komen (4).

(De figuren 1 tot en met 4 bij het artikel tonen de spin in het web in de vier stadia van de lancering.)

Ishaan vindt een filmpje waarin de lancering van de parapluspin te zien is. Hij gebruikt dit filmpje om een $(v,t)$-diagram van de beweging van de spin in het web te maken. Zie figuur 1.

Ishaan bepaalt met figuur 1 de uitrekking van het web vlak voor de lancering. In figuur 2 staat het $(v,t)$-diagram vier keer afgebeeld. In elk diagram zijn verschillende oppervlaktes gearceerd.

Vraag 23 2 punten

Leg uit in welk diagram (I, II, III of IV) de gearceerde oppervlakte overeenkomt met de uitrekking van het web vlak voor de lancering.

Figuur 2 toont vier (v,t)-diagrammen (I t/m IV), elk met een andere gearceerde oppervlakte. Bekijk in Opgaven, pagina 19

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De snelheid neemt (ten gevolge van de resulterende kracht van het web op de spin) toe vanaf de lancering totdat de spin (voor het eerst) door de evenwichtsstand gaat. De uitrekking van het web komt dus overeen met de oppervlakte onder de grafiek tot aan de eerste top, dus diagram II is correct.

Tijdens een bepaalde lancering neemt de snelheid van de parapluspin over een afstand van 8,0 mm toe van 0 tot 3,0 m s$^{-1}$. De parapluspin heeft een massa van 0,20 mg.

Vraag 24 3 punten

Bereken met behulp van de wet van arbeid en kinetische energie de gemiddelde resulterende kracht op de spin tijdens deze snelheidstoename. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bekijk het antwoord

uitkomst: $F_{\text{res}} = 1,1 \cdot 10^{-4}$ N

voorbeeld van een antwoord:

Volgens de wet van arbeid en kinetische energie geldt: $W_{\text{tot}} = \Delta E_k \rightarrow Fs = \frac{1}{2} m v_e^2 - \frac{1}{2} m v_b^2$

$F_{\text{res}} \cdot 8,0 \cdot 10^{-3} = \frac{1}{2} \cdot 2,0 \cdot 10^{-7} \cdot 3,0^2 \rightarrow F_{\text{res}} = \frac{9,0 \cdot 10^{-7}}{8,0 \cdot 10^{-3}} = 1,1 \cdot 10^{-4}$ N.

Van een deel van een lancering van een andere parapluspin is ook een $(v,t)$-diagram gemaakt. Zie figuur 3.

De wetenschappers uit het artikel beweren dat de parapluspin meer dan 10 keer de versnelling krijgt die gevechtspiloten maximaal kunnen ondergaan.

Gevechtspiloten kunnen een maximale versnelling van $9g$ verdragen.

Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 25 4 punten

Toon met een bepaling in de figuur op de uitwerkbijlage aan of de bewering over de versnelling van de spin klopt. Geef in de figuur aan hoe je aan je antwoord komt.

Figuur 3 is een (v,t)-diagram van een lancering, met t van 0 tot ongeveer 15 ms en v van −2 tot 5 m s$^{-1}$. Bekijk in Opgaven, pagina 20

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De maximale versnelling wordt bereikt waar de helling van de $(v,t)$-grafiek het steilst is.

Hieruit volgt: $a = \left(\frac{\Delta v}{\Delta t}\right)_{\text{raaklijn}} = \frac{-2,0 - 5,0}{11,6 \cdot 10^{-3} - 5,8 \cdot 10^{-3}} = (-)1,2 \cdot 10^3$ m s$^{-2}$.

Uitgedrukt in de valversnelling is dit $\frac{1,2 \cdot 10^3}{9,81} = 1,2 \cdot 10^2\ g$.

Dit is meer dan $10 \cdot 9g$, dus de bewering klopt.

Opmerking: De versnelling mag ook bepaald worden op de opgaande flank van de grafiek.

Na de lancering blijft de spin nog even in zijn web natrillen. De parapluspin in zijn web met scheerlijn is te beschouwen als een massa-veersysteem. In figuur 4 staat het $(x,t)$-diagram als de spin geen prooi heeft gevangen. Verder staan er twee mogelijke $(x,t)$-diagrammen (I en II) als de spin wel een prooi heeft gevangen.

Vraag 26 2 punten

Leg uit met behulp van de formule voor de trillingstijd van een massa-veersysteem welk $(x,t)$-diagram (I of II) van toepassing kan zijn als de spin wel een prooi heeft gevangen.

Figuur 4 toont het (x,t)-diagram zonder prooi en twee mogelijke (x,t)-diagrammen I en II met prooi. Bekijk in Opgaven, pagina 21

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De formule voor de trillingstijd van een massa-veersysteem luidt: $T = 2\pi\sqrt{\frac{m}{C}}$. Als de spin een prooi vangt, wordt de massa groter (bij gelijkblijvende veerconstante). Dit resulteert in een grotere trillingstijd en dus diagram II.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (5), elektriciteit (5) en straling (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2026, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-1/ha-1023-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.