Eindexamen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Kaval, Papieren schakelingen, Coconuts, Springende larven, Vervalst schilderij.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (7), elektriciteit (5) en geluid en trillingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling10-11, 19-237
Elektriciteit5-95
Geluid en trillingen1-44
Beweging14-15, 173
Astrofysica12-132
Energie en arbeid16, 182

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over straling (30% van de vragen, gemiddeld 17%) en elektriciteit (22% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over krachten (0% van de vragen, gemiddeld 13%) en warmte (0% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Kaval

Een kaval is een Turkse herdersfluit. Zie figuur 1.

De lucht in de fluit wordt in trilling gebracht door over een mondstuk heen te blazen.

Jeroen ziet op internet een filmpje van een kaval en besluit deze fluit te onderzoeken. Uit het filmpje blijkt dat de kaval 700 mm lang is. Hij vergelijkt het geluid van de kaval met zuivere tonen uit een toongenerator en ontdekt dat 277 Hz de laagste toonhoogte is die de kaval kan produceren.

Jeroen beschouwt de kaval als een buis met twee open uiteindes. Hij neemt aan dat de luchttemperatuur 20 °C is. Hij berekent dat de laagst mogelijke toon dan 245 Hz is.

Vraag 1 3 punten

Toon dat aan met een berekening.

Foto van een kaval, een Turkse herdersfluit, die door een persoon wordt bespeeld. Bekijk in Opgaven, pagina 2

Bekijk het antwoord

v = f\lambda \rightarrow f = \frac{v}{\lambda} = \frac{343}{2 \cdot 0{,}700} = 245\ \text{Hz}

Jeroen gaat uitzoeken waarom de toon in werkelijkheid hoger is dan hij heeft berekend. Hij onderzoekt drie mogelijke verklaringen.

Hij vraagt zich als eerste af of hij de kaval beter kan modelleren als een buis met één open en één gesloten uiteinde in plaats van een buis met twee open uiteinden.

Vraag 2 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef op de uitwerkbijlage voor beide modellen het patroon van knopen (K) en buiken (B) dat hoort bij de grondtoon.
  • Leg aan de hand van dit patroon uit dat het verschil tussen de gemeten en berekende laagste toonhoogte van de kaval niet verklaard kan worden door de keuze voor dit model.

Twee lege patroonvakken: één voor de buis met open uiteinden en één voor de buis met een gesloten en een open uiteinde. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1

Bekijk het antwoord

Open uiteinden: B K B.

Gesloten uiteinde en open uiteinde: K B.

In de buis met een open en een gesloten uiteinde is de golflengte van de grondtoon langer dan in de buis met twee open uiteinden. Bij de langere golflengte hoort een lagere frequentie. (Het model met een gesloten uiteinde biedt dus geen verklaring voor het verschil tussen berekende en gemeten frequentie.)

Aanvulling: Opmerking: Als een patroon alleen is getekend zonder aangeven van knopen K en buiken B, vervalt de bijbehorende deelscore.

Jeroens tweede verklaring voor het verschil in toonhoogte is dat de luchttemperatuur tijdens de meting niet gelijk was aan 20 °C. Hij gebruikt weer het model met twee open uiteinden. Hij berekent dat de geluidssnelheid dan $387\ \text{m s}^{-1}$ geweest moet zijn.

Vraag 3 2 punten

Leg met behulp van het informatieboek uit dat ook deze verklaring niet goed kan zijn.

Bekijk het antwoord

Om een geluidssnelheid te halen van $387\ \text{m s}^{-1}$ moet de temperatuur (ver) boven de 333 K (Binas) / 373 K (Sciencedata) liggen. Deze temperatuur ligt veel hoger dan de temperatuur van de leefomgeving van een mens. (Dit is dus geen goede verklaring.)

Jeroens derde verklaring heeft te maken met extra gaten aan het uiteinde van de kaval die niet met de vingers worden gesloten, de zogenaamde devil holes. Zie figuur 2.

Devil holes zorgen voor boventonen en kunnen ook invloed hebben op de hoogte van de grondtoon. Om de invloed van de devil holes te onderzoeken, neemt Jeroen twee even lange buizen. Hij boort in één buis devil holes. Hij maakt voor beide buizen een $(u,t)$-diagram van de laagste toon. Voor de buis zonder devil holes is de laagste toon 245 Hz. Zie figuur 3. Er staan geen waardes bij de assen, maar de tijdschaal is voor beide diagrammen gelijk.

Vraag 4 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal met behulp van figuur 3 de frequentie van de laagste toon van de buis met devil holes.
  • Geef aan of devil holes een aannemelijke verklaring kunnen zijn voor het verschil tussen gemeten ($f = 277\ \text{Hz}$) en berekende ($f = 245\ \text{Hz}$) laagste toonhoogte van de echte kaval.

Twee $(u,t)$-diagrammen van de laagste toon: bovenaan de buis met devil holes, onderaan de buis zonder devil holes. Er staan geen waarden bij de assen. Bekijk in Opgaven, pagina 3

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $f_{\text{kaval}} = 2{,}9 \cdot 10^2\ \text{Hz}$

Uit de verhouding tussen de twee $(u,t)$-diagrammen volgt:

f_{\text{kaval}} = \frac{7{,}0}{6{,}0} \cdot 245 = 2{,}9 \cdot 10^2\ \text{Hz}

De devil holes zorgen ervoor dat de frequentie omhoog gaat. De devil holes kunnen dus inderdaad een aannemelijke verklaring zijn voor het verschil tussen gemeten en berekende laagste toonhoogte van de echte kaval.

Opmerking: Als een kandidaat constateert dat de frequentie te veel omhoog gaat en daarom de verklaring verwerpt, kan dit wel als consequente conclusie gelden.

Papieren schakelingen

Het materiaal van de stift van een potlood is elektrisch geleidend. Een potloodlijn die op papier getekend is, is daardoor ook elektrisch geleidend en werkt als een draad met weerstand.

Er bestaan verschillende soorten potloden. De stift van ieder potlood bestaat uit een mix van grafiet en vulmiddel. Harde 'H' potloden bevatten veel vulmiddel en weinig grafiet, zachte 'B' potloden bevatten weinig vulmiddel en veel grafiet. De soortelijke weerstand van het vulmiddel is $2{,}5 \cdot 10^2\ \Omega\text{m}$.

Theo en Rob hebben een artikel gelezen over op papier getekende draden en gaan hier onderzoek naar doen. Ze willen een potloodlijn met een zo klein mogelijke weerstand tekenen.

Vraag 5 3 punten

Leg met behulp van het informatieboek uit of Theo en Rob voor een hard (H) of een zacht (B) potlood moeten kiezen.

Bekijk het antwoord

Voor een zo klein mogelijke weerstand moeten Theo en Rob materiaal kiezen met een zo laag mogelijke soortelijke weerstand. Grafiet heeft een soortelijke weerstand $\rho = 10^{-5}\ \Omega\text{m}$. Die soortelijke weerstand is veel kleiner dan van het vulmiddel, dus ze moeten een zacht (B) potlood gebruiken.

Theo en Rob hebben elk een potloodlijn getekend met hetzelfde potlood. Beide lijnen zijn gelijk in lengte en breedte. Ze meten de elektrische weerstand met een multimeter. De multimeter is met zogenaamde krokodillenklemmen verbonden met de potloodlijn. De potloodlijn van Theo (I) is met een dikkere laag getekend en daardoor donkerder gekleurd dan de lijn van Rob (II). Zie figuur 1.

Vraag 6 2 punten

Leg met behulp van de formule voor soortelijke weerstand uit bij welke potloodlijn (I of II) ze de kleinste weerstand meten.

Foto van twee getekende potloodlijnen op papier, I donkerder en II lichter, met krokodillenklemmen van een multimeter aan de uiteinden. Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord

Uit $\rho = \frac{RA}{\ell}$ volgt dat de weerstand $R$ afneemt met het toenemen van de doorsnede $A$. (Beide lijnen zijn even breed, dus) de dik getekende lijn I heeft de kleinste weerstand.

Rob sluit een 9,0 V batterij en een led aan op twee identieke potloodlijnen. Zie figuur 2.

De led heeft minimaal een spanning van 1,4 V nodig om licht te geven. In figuur 3 staat het $(I,U)$-diagram van de led.

Vraag 7 5 punten

Bepaal met behulp van een berekening en figuur 3 bij welke weerstand van één potloodlijn de led net brandt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Het $(I,U)$-diagram van de led: stroomsterkte in mA tegen spanning in V. De stroom stijgt sterk vanaf ongeveer 1,4 V. Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $R = 2{,}1 \cdot 10^4\ \Omega$

Over de potloodlijnen staat een maximale spanning van:

U_{\text{lijnen}} = U_b - U_{\text{led}} = 9{,}0 - 1{,}4 = 7{,}6\ \text{V}

Over één lijn staat dan een spanning van:

\frac{7{,}6}{2} = 3{,}8\ \text{V}

In een serieschakeling is de stroomsterkte overal gelijk, dus:

I_{\text{lijn}} = I_{\text{led}} = 0{,}18\ \text{mA}

Voor de maximale weerstand van één potloodlijn geldt:

R = \frac{U}{I} = \frac{3{,}8}{0{,}18 \cdot 10^{-3}} = 2{,}1 \cdot 10^4\ \Omega

Aanvulling: Opmerking: Als een kandidaat alleen $R_{\text{led}}$ uitrekent en deze interpreteert als $R_{\text{lijn}}$, vervallen de eerste, tweede en vijfde deelscore, maar zijn de derde en vierde deelscore nog wel te behalen.

Voor de weerstand van één getekende potloodlijn uit figuur 2 geldt het volgende verband:

R = k \cdot \frac{\ell}{b} \qquad (1)

Hierin is:

  • $R$ de weerstand van het lijnstuk;
  • $k$ een constante;
  • $\ell$ de lengte van het lijnstuk;
  • $b$ de breedte van het lijnstuk.

Eén potloodlijn in figuur 2 heeft in werkelijkheid een weerstand van $1{,}2 \cdot 10^4\ \Omega$ bij een breedte van 0,50 cm en een lengte van 12 cm.

Vraag 8 3 punten

Voer de volgende twee opdrachten uit:

  • Leid af dat de constante $k$ de eenheid $\Omega$ heeft.
  • Bereken de waarde van de constante $k$.

Foto van een getekende potloodlijn tussen twee strips, aangesloten op een 9,0 V batterij en een led (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $k = 5{,}0 \cdot 10^2\ (\Omega)$

[R] = [k] \cdot \frac{[\ell]}{[b]} \rightarrow \Omega = [k] \cdot \frac{\text{m}}{\text{m}} \rightarrow [k] = \Omega

R = k \cdot \frac{\ell}{b} \rightarrow k = R \cdot \frac{b}{\ell} = 1{,}2 \cdot 10^4 \cdot \frac{0{,}50 \cdot 10^{-2}}{12 \cdot 10^{-2}} = 5{,}0 \cdot 10^2\ (\Omega)

Theo maakt een nieuwe schakeling. Hierbij sluit hij twee identieke leds aan op twee getekende potloodlijnen. Zie figuur 4.

Theo constateert dat de led dichter bij de batterij feller brandt dan de led verder van de batterij. In figuur 5 zijn vier mogelijke schakelschema's getekend.

Vraag 9 3 punten

Voer de volgende twee opdrachten uit:

  • Geef aan welk schakelschema (I, II, III of IV) de situatie het best weergeeft.
  • Leg het verschil in felheid tussen de leds uit met behulp van het gekozen schakelschema.

Vier mogelijke schakelschema's (I, II, III en IV) met een batterij, twee leds en weerstanden in de potloodlijnen. Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord

Schakelschema I.

De tweede led verder van de batterij is in serie met een weerstand parallel aangesloten aan de eerste led dichter bij de batterij. Hierdoor krijgt hij minder spanning/stroom dan de eerste led.

Coconuts

Exoplaneten zijn planeten die rond een andere ster dan de zon draaien. In 2020 werd de exoplaneet COCONUTS-2b ontdekt met behulp van een foto. Deze exoplaneet draait rond de ster COCONUTS-2a. Zie figuur 1.

De exoplaneet heeft een hoge oppervlaktetemperatuur van 160 °C. De straling die de exoplaneet bij deze temperatuur uitzendt is door de onderzoekers vastgelegd met behulp van een camera.

Vraag 10 3 punten

Leg met behulp van een berekening uit of COCONUTS-2b gefotografeerd is met een camera voor infraroodstraling, voor ultravioletstraling of voor zichtbaar licht.

Opname van het sterrenveld met de exoplaneet COCONUTS-2b en de ster COCONUTS-2a, met pijlen en labels bij beide objecten. Bekijk in Opgaven, pagina 8

Bekijk het antwoord

Voor de golflengte van de waargenomen straling geldt:

\lambda_{\text{max}} = \frac{k_W}{T} = \frac{2{,}898 \cdot 10^{-3}}{(160 + 273)} = 6{,}69 \cdot 10^{-6}\ \text{m}

Deze golflengte bevindt zich in het infrarode gebied, dus een camera voor infraroodstraling.

Vanaf de aarde zie je COCONUTS-2a op een andere positie dan COCONUTS-2b. Tussen deze twee kijkrichtingen zit een kijkhoek. Deze is $0{,}165^\circ$. In figuur 2 is dit schematisch maar niet op schaal weergegeven.

De afstand $r$ tussen COCONUTS-2b en zijn ster COCONUTS-2a is $9{,}65 \cdot 10^{14}\ \text{m}$.

Vraag 11 3 punten

Toon dit aan met behulp van figuur 2.

Schematische tekening van de aarde, de ster COCONUTS-2a en de exoplaneet COCONUTS-2b, met een kijkhoek van 0,165 graden en een afstand van 35,4 lichtjaar tussen de aarde en de ster. Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

COCONUTS-2a staat op een afstand van $35{,}4 \cdot 9{,}461 \cdot 10^{15} = 3{,}349 \cdot 10^{17}\ \text{m}$ van de aarde. Uit de hoek volgt voor de afstand tussen ster en exoplaneet:

\tan \alpha = \frac{o}{a} \rightarrow r = 3{,}349 \cdot 10^{17} \cdot \tan(0{,}165) = 9{,}65 \cdot 10^{14}\ \text{m}.

Opmerking: Als een kandidaat gebruik heeft gemaakt van de sinus, dit niet aanrekenen.

COCONUTS-2b beweegt in een cirkelvormige baan rond de ster COCONUTS-2a. De massa van de ster is 0,35 keer die van de zon. De baansnelheid van COCONUTS-2b is gelijk aan $2{,}2 \cdot 10^2\ \text{m s}^{-1}$.

Vraag 12 4 punten

Toon dat aan met een berekening.

Bekijk het antwoord

De massa van COCONUTS-2a is gelijk aan $0{,}35 \cdot 1{,}99 \cdot 10^{30} = 6{,}97 \cdot 10^{29}\ \text{kg}$.

Voor de baansnelheid geldt:

F_{\text{mpz}} = F_G \rightarrow \frac{mv^2}{r} = G\frac{mM}{r^2} \rightarrow v = \sqrt{\frac{GM}{r}} = \sqrt{\frac{6{,}67 \cdot 10^{-11} \cdot 6{,}97 \cdot 10^{29}}{9{,}65 \cdot 10^{14}}} = 2{,}2 \cdot 10^2\ \text{m s}^{-1}.

Er zijn al duizenden exoplaneten in andere sterrenstelsels ontdekt. Meestal worden deze ontdekt met de transitmethode. Bij deze methode wordt de verandering in waargenomen lichtintensiteit van de ster gemeten. Deze waargenomen lichtintensiteit neemt tijdelijk af wanneer een planeet voor de ster langs beweegt. Zie figuur 3.

De transitmethode was geen geschikte methode om COCONUTS-2b te detecteren.

Vraag 13 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken hoelang een jaar op COCONUTS-2b duurt, uitgedrukt in aardse jaren. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
  • Geef aan waarom de transitmethode geen geschikte methode is om COCONUTS-2b te detecteren.

Lichtintensiteit van de ster tegen de tijd tijdens een transit: een tijdelijke daling wanneer de planeet voor de ster langs beweegt. Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $T = 8{,}7 \cdot 10^5$ (jaren)

Er geldt:

T = \frac{2\pi r}{v} = \frac{2\pi \cdot 9{,}65 \cdot 10^{14}}{2{,}2 \cdot 10^2} = 2{,}76 \cdot 10^{13}\ \text{s}.

Dit komt overeen met:

\frac{2{,}76 \cdot 10^{13}}{365 \cdot 24 \cdot 3600} = 8{,}7 \cdot 10^5\ \text{aardse jaren}.

De kans om een overgang waar te nemen is zeer klein door de lange omlooptijd. (De transitmethode is dus niet geschikt om COCONUTS-2b waar te nemen.)

Springende larven

Onderzoekers hebben ontdekt dat de larven van een bepaalde kever zeer hoog kunnen springen in verhouding tot hun lengte. John en Imani onderzoeken dit.

Van een sprong is een stroboscopische foto gemaakt. Zie figuur 1. De larve is zes keer gefotografeerd tijdens de sprong. Het zwaartepunt Z van de larve is in ieder beeld aangegeven.

Figuur 1 is gemaakt met een camera die 132 foto's per seconde maakt. Figuur 1 staat op schaal op de uitwerkbijlage.

Vraag 14 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de gemiddelde snelheid van de larve tussen het moment van loskomen van de grond (1) en het bereiken van het hoogste punt (6). Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Stroboscopische foto van de larve in zes beelden (1 tot en met 6), op schaal, met het zwaartepunt Z; schaalbalk van 5,0 mm. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $v_{\text{gem}} = 0{,}22\ \text{m s}^{-1}$

Er zijn 5 beeldovergangen. Hieruit volgt voor de tijd:

t = 5 \cdot \frac{1}{132} = 0{,}0379\ \text{s}.

Uit de schaal in figuur 1 volgt voor de afgelegde afstand:

\Delta x = \frac{5{,}4}{3{,}2} \cdot 5{,}0\ \text{mm} = 8{,}4\ \text{mm}.

Dus:

v_{\text{gem}} = \frac{\Delta x}{\Delta t} = \frac{8{,}4 \cdot 10^{-3}}{3{,}79 \cdot 10^{-2}} = 0{,}22\ \text{m s}^{-1}.

Aanvulling: De eerste deelscore 'inzicht dat $t = \frac{n_{\text{beeldovergangen}}}{135}$ met $n_{\text{beeldovergangen}} = 5$' wordt vervangen door 'inzicht dat $t = \frac{n_{\text{beeldovergangen}}}{132}$ met $n_{\text{beeldovergangen}} = 5$'.

Imani maakt een $(v,t)$-diagram van de snelheid tijdens het begin van de sprong. Het resultaat staat in figuur 2.

Imani wil met behulp van het diagram het vermogen van de larve gaan bepalen. Hiervoor heeft ze de gemiddelde resulterende kracht $F_{\text{res gem}}$ over de hele afzet nodig. Ze bepaalt daarvoor de afstand waarover de larve zich heeft afgezet. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 15 2 punten

Leg met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage uit hoe Imani deze afstand heeft bepaald. Laat in de figuur zien hoe Imani aan haar antwoord komt. Je hoeft deze bepaling niet uit te voeren.

Het $(v,t)$-diagram van figuur 2 (snelheid in m s$^{-1}$ tegen tijd in ms, van 0 tot 6 ms), met ruimte om de oppervlakte te markeren. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2

Bekijk het antwoord

Door de oppervlakte onder de grafiek te bepalen tot het moment dat de snelheid weer gaat afnemen.

Imani heeft de afzetafstand bepaald op 0,72 mm. De massa van deze soort larve is $1{,}3 \cdot 10^{-6}$ kg. Uit een energiebeschouwing met de maximale snelheid $v_e$ volgt dat de gemiddelde resulterende kracht $F_{\text{res gem}}$ gelijk is aan $6{,}1 \cdot 10^{-5}$ N.

Vraag 16 3 punten

Toon dit aan met figuur 2 en de relatie tussen arbeid en kinetische energie.

Het $(v,t)$-diagram van de snelheid van de larve tijdens het begin van de sprong; de snelheid bereikt een maximum en neemt daarna licht af. Bekijk in Opgaven, pagina 10

Bekijk het antwoord

W_{\text{tot}} = \Delta E_k \rightarrow F_{\text{res gem}} = \frac{\frac{1}{2} m v_e^2 - \frac{1}{2} m v_b^2}{s} = \frac{\frac{1}{2} \cdot 1{,}3 \cdot 10^{-6} \cdot 0{,}26^2 - 0}{0{,}72 \cdot 10^{-3}} = 6{,}1 \cdot 10^{-5}\ \text{N}.

John verwaarloost de zwaartekracht ten opzichte van de afzetkracht. Dus hij gebruikt $F_{\text{res}} = -F_{\text{afzet}}$.

John constateert dat de resulterende kracht niet constant is tijdens de afzet. Hij vraagt zich af of hij de springende larve kan modelleren als een veer. Als de larve zich gedraagt als een gespannen veer die zich ontspant tijdens de afzet, zou er moeten gelden dat de maximale resulterende kracht $F_{\text{res max}}$ twee keer zo groot is als de gemiddelde resulterende kracht $F_{\text{res gem}}$. Hij vindt het model acceptabel als blijkt dat de verhouding van die krachten tussen 1,5 en 2,5 uitkomt. Figuur 2 staat nogmaals op de uitwerkbijlage.

Vraag 17 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale versnelling tijdens de afzet. Laat in de figuur zien hoe je aan je antwoord komt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Bereken $F_{\text{res max}}$ tijdens de afzet.
  • Toon aan dat de larve zich binnen de marge van John volgens het model van een veer gedraagt.

Het $(v,t)$-diagram van de afzet (zoals figuur 2) met ruimte om de raaklijn in het steilste deel te tekenen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $a = 88\ \text{m s}^{-2}$ (binnen het bereik $85\ \text{m s}^{-2} \le a \le 120\ \text{m s}^{-2}$), $F_{\text{res}} = 1{,}1 \cdot 10^{-4}\ \text{N}$

Er geldt:

a = \left(\frac{\Delta v}{\Delta t}\right)_{\text{raaklijn}} = \frac{0{,}30}{3{,}4 \cdot 10^{-3}} = 88\ \text{m s}^{-2}.

Hieruit volgt:

F_{\text{res max}} = ma = 1{,}3 \cdot 10^{-6} \cdot 88 = 1{,}1 \cdot 10^{-4}\ \text{N}.

Volgens het model geldt:

\frac{F_{\text{res max}}}{F_{\text{res gem}}} = 2

Voor de larve geldt:

\frac{F_{\text{res max}}}{F_{\text{res gem}}} = \frac{1{,}1 \cdot 10^{-4}}{6{,}1 \cdot 10^{-5}} = 1{,}8

De larve gedraagt zich binnen de marge van John volgens het model van een veer.

Aanvulling: De uitkomst 'binnen het bereik $85\ \text{m s}^{-2} \le a \le 120\ \text{m s}^{-2}$' wordt vervangen door 'binnen het bereik $82\ \text{m s}^{-2} \le a \le 120\ \text{m s}^{-2}$'.

Tot slot willen John en Imani het specifieke vermogen van een mens en van een larve tijdens een verticale sprong vergelijken. Het specifieke vermogen $P_{\text{spec}}$ is het vermogen per kilogram lichaamsmassa. Voor een gemiddelde mens geldt: $P_{\text{spec}} = 3{,}3$ W per kilogram lichaamsmassa. De massa van de larve is $1{,}3 \cdot 10^{-6}$ kg. Tijdens de afzet tot het loskomen van de grond is de gemiddelde snelheid van de larve $0{,}14\ \text{m s}^{-1}$ en is de gemiddelde resulterende kracht $F_{\text{res gem}} = 6{,}1 \cdot 10^{-5}$ N.

Vraag 18 4 punten

Bereken hoeveel keer zo groot $P_{\text{spec}}$ van de larve is tijdens de afzet ten opzichte van $P_{\text{spec}}$ van een mens.

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $n = 2{,}0$

De larve levert een (gemiddeld) vermogen van:

P = Fv = 6{,}1 \cdot 10^{-5} \cdot 0{,}14 = 8{,}5 \cdot 10^{-6}\ \text{W}.

Het specifieke vermogen van de larve is dan:

\frac{8{,}5 \cdot 10^{-6}}{1{,}3 \cdot 10^{-6}} = 6{,}6\ \text{W kg}^{-1}.

Dit is $\frac{6{,}6}{3{,}3} = 2{,}0$ keer zo groot als dat van een mens.

Vervalst schilderij

Echte schilderijen kunnen veel waard zijn, in tegenstelling tot vervalsingen. Kunstexperts maken daarom gebruik van speciale technieken om de echtheid van schilderijen te onderzoeken. Zie figuur 1.

Bij een methode om nieuwere vervalsingen van oude originelen te onderscheiden wordt de ouderdom van het gebruikte doek bepaald door datering met C-14.

Koolstof-14 ontstaat hoog in de atmosfeer door een botsing tussen een stikstofkern en een snel neutron dat afkomstig is van kosmische straling. Bij deze botsing ontstaat instabiel C-14 en nog een ander deeltje. Op de uitwerkbijlage staat een deel van deze reactie weergegeven.

Vraag 19 3 punten

Maak de vergelijking op de uitwerkbijlage af.

Onvolledige kernvergelijking van de botsing van een stikstofkern met een neutron, met lege vakjes voor de getallen en het vrijgekomen deeltje. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3

Bekijk het antwoord

{}^{14}_{7}\text{N} + {}^{1}_{0}\text{n} \rightarrow {}^{14}_{6}\text{C} + {}^{1}_{1}\text{H}

Aanvulling: In de derde deelscore wordt 'atoomnummer links en rechts gelijk' vervangen door 'som van de atoomnummers links en rechts gelijk'.

Vraag 20 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie van C-14.

Bekijk het antwoord

{}^{14}_{6}\text{C} \rightarrow {}^{14}_{7}\text{N} + {}^{0}_{-1}e

Een schilderij is geschilderd op doek van canvas. Dit materiaal wordt gemaakt van hennepplanten. De atmosfeer bevat behalve C-14 vooral de isotoop C-12. Een levende hennepplant neemt beide soorten koolstof op uit de lucht. De verhouding tussen C-12 en C-14 is in de levende plant hetzelfde als in de lucht.

Vraag 21 2 punten

Leg uit hoe deze verhouding in de plant verandert na het afsterven van de plant.

Bekijk het antwoord

Na het afsterven van de plant neemt deze geen nieuwe koolstof meer op uit de atmosfeer. C-12 is een stabiele isotoop van koolstof (C-14 is instabiel). Het aandeel C-12 in de plant verandert niet, maar het aandeel C-14 neemt af in de tijd.

De relatieve hoeveelheid C-14 in de lucht was tot eind jaren 50 van de vorige eeuw constant. Door nucleaire testen in de open lucht nam de hoeveelheid C-14 ten opzichte van C-12 in korte tijd flink toe.

In figuur 2 is voor de periode van 1900 tot 2020 het verloop van de relatieve hoeveelheid C-14 in de lucht aangegeven. De grootheid $N$ langs de verticale as is het aantal atomen C-14 per $10^{14}$ koolstofatomen.

Begin jaren 60 stopten de testen in de open lucht en nam de relatieve hoeveelheid C-14 in de lucht weer af richting de oorspronkelijke waarde. De waargenomen afname is niet te verklaren door het radioactieve verval van C-14.

Vraag 22 2 punten

Leg dat uit met behulp van de halveringstijd en figuur 2.

Verloop van $N$ van 1900 tot 2020: constant op 100, een piek van ongeveer 200 rond 1960 en daarna een afname terug naar 100. Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

De halveringstijd van C-14 is $5{,}7 \cdot 10^3$ jaar. In de korte tijd sinds 1960 is dus bijna geen C-14 vervallen.

De daling vanaf de jaren 60 is te verklaren door biologische opname van C-14 door planten. Ook die daling is te beschrijven met een halveringstijd.

Vraag 23 3 punten

Bepaal deze halveringstijd met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage. Laat in de figuur zien hoe je aan je antwoord komt.

Het diagram van $N$ tegen het jaartal (1900 tot 2020) van figuur 2, om de halveringstijd in te markeren. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 4

Bekijk het antwoord

Uitkomst: $t_{\frac{1}{2}} = 7$ jaar (binnen het bereik $6{,}5$ jaar $\le t \le 9{,}0$ jaar)

De achtergrondwaarde is gelijk aan 100. De eerste halvering vindt dus plaats van 200 naar 150. Dit gebeurt in een periode van 7 jaar.

Een museum heeft verschillende originele schilderijen van de kunstschilder Fernand Léger. Deze zijn gemaakt vóór 1913. Eén schilderij lijkt een vervalsing. Daarom wordt de ouderdom onderzocht met koolstofdatering.

Uit een analyse blijkt dat de relatieve hoeveelheid C-14 in het canvas doek 1,3 keer zo hoog is als het langdurige gemiddelde van voor de nucleaire testen.

Vraag 24 2 punten

Bepaal met behulp van figuur 2 het jaartal waarin het vervalste schilderij gemaakt is.

Verloop van $N$ van 1900 tot 2020, zie vraag 22. Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

Uitkomst: 1973 (met een marge van 1 jaar)

In het schilderij zijn $1{,}3 \cdot 100 = 1{,}3 \cdot 10^2$ deeltjes C-14 (per $10^{14}$ koolstofatomen) aangetroffen. Dit hoort bij het jaartal 1973.

Opmerking: Als een kandidaat het jaartal 1958 benoemt: dit niet aanrekenen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (7), elektriciteit (5) en geluid en trillingen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2025, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-1/ha-1023-a-25-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.