Eindexamen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Kunstmatige meteoroïden, Knakworstenverwarmer, Boombrommer, Wiebelgenerator, Gebitsfoto.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (4), elektriciteit (4) en straling (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Astrofysica1, 3-4, 64
Elektriciteit7-9, 114
Straling21-244
Energie en arbeid5, 10, 203
Krachten14-163
Geluid en trillingen17-193
Beweging12-132
Warmte21

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over astrofysica (17% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Kunstmatige meteoroïden

Meteoroïden zijn objecten uit de ruimte die lichtflitsen veroorzaken bij het binnendringen en doorkruisen van de atmosfeer van de aarde. Deze lichtflitsen zijn als lichtsporen aan de hemel te zien. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Meteoroïden komen de aardatmosfeer binnen met een snelheid tussen 3,5 ·104 km h −1 en 2,5 ·105 km h −1. De meteoroïde in figuur 1 was gedurende 1,22 s zichtbaar aan de hemel.

Vraag 1 4 punten

Bereken de maximale lengte van het spoor van deze meteoroïde. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: smax = 85 km

voorbeeld van een antwoord: De maximale lengte van de baan wordt bereikt bij de maximale snelheid. 2,5 ·105 Hieruit volgt: smax = vmax t = ·1, 22 = 8,5 ·10 m = 85 km. 4

3,6

Het waarnemen van een meteoroïde is een toevalstreffer. Daarom ontwikkelt een Japans bedrijf kunstmatige meteoroïden om deze op afroep als kosmisch vuurwerk in te zetten. Het bedrijf heeft een satelliet ontworpen die vanuit de ruimte metalen bolletjes kan lanceren richting de aarde. Deze bolletjes komen de aardatmosfeer binnen op hoge snelheid. Door de luchtwrijving bereiken de bolletjes een zeer hoge temperatuur waardoor ze gedurende langere tijd helder licht uitzenden.

Het bedrijf heeft de bolletjes getest in een testopstelling waar ze de vlucht door de aardatmosfeer nabootsen met een luchtstroom. De temperatuur van de bolletjes wordt bepaald door de golflengte van de straling met de hoogste intensiteit te meten. Deze is 940 nm.

Vraag 2 3 punten

Bereken de temperatuur van de bolletjes in °C .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: T = 2,81 ·103 (°C)

voorbeeld van een antwoord: kW 2,898 ·10−3 Uit de wet van Wien volgt: T = = = 3,083 ·103 K. λmax 940 ·10 −9

De satelliet van het bedrijf draait op 4,0 ·102 km hoogte boven het aardoppervlak in een cirkelbaan.

Vraag 3 4 punten

Bereken de snelheid van de satelliet in deze baan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 7,7 ·103 ms −1 .

voorbeeld van een antwoord: Voor de baansnelheid van de satelliet geldt: mv 2 GMm Fmpz = Fg → = 2 r r GM 6,67 ·10−11 · 5,972 ·1024 →v= = = 7,7 ·103 m s −1. r (6,371 ·10 + 4,0 ·10 )

6 (5)

De bolletjes beginnen hun val vanuit de satelliet richting aarde. Max en Lara hebben ieder een verklaring waarom een bolletje niet in een cirkelbaan om de aarde blijft draaien, maar naar de aarde toe valt:

  • Volgens Max valt een bolletje naar de aarde omdat het een lagere snelheid heeft dan de benodigde baansnelheid.
  • Volgens Lara valt een bolletje naar de aarde omdat de gravitatiekracht groter is dan de middelpuntzoekende kracht die nodig is voor de cirkelbaan.

Vraag 4 1 punt

Wie heeft er gelijk?

  1. A Alleen Max heeft gelijk.
  2. B Alleen Lara heeft gelijk.
  3. C Beiden hebben gelijk.
  4. D Geen van beiden heeft gelijk.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

De bolletjes beginnen hun val richting aarde met een beginsnelheid van 7,5 ·103 ms −1 . De valversnelling mag tijdens de hele val gelijkgesteld worden aan de valversnelling op aarde. Op een hoogte van 1,0 ·102 km komen de bolletjes de aardatmosfeer binnen. De snelheid van de bolletjes is dan lager dan de snelheid van 3,5 ·104 km h −1 van een echte meteoroïde.

Vraag 5 4 punten

Toon dat aan met een berekening met de wet van behoud van energie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Er geldt: 12 mvv2 + mghv = 12 mvn2 + mghn → 12 (7,5 ·103 ) 2 + 9,8 · 4,0 ·105 = 12 vn2 + 9,8 ·1,0 ·105 Hieruit volgt: vn = 7,9 ·103 ms −1. Dit komt overeen met v = 2,8 ·104 km h −1. (Deze snelheid is lager dan van een echte meteoroïde).

De kunstmatige meteoroïden lichten op als ze de atmosfeer op h = 1,0 ·102 km boven het aardoppervlak binnendringen. Ze zijn op dat moment overal vanaf het aardoppervlak waarneembaar binnen een cirkelvormig gebied dat de basis is van een kegel met hoogte h en een tophoek α van 77 graden. Zie schematisch en niet op schaal in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

In figuur 3 zijn vier gebieden (I, II, III en IV) met bijbehorende orde van grootte weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 6 3 punten

Leg met behulp van een berekening uit welk gebied (I, II, III of IV) het grootste gebied is waarbinnen het kosmisch vuurwerk van de meteoroïden nog overal zichtbaar is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Er geldt voor de straal van het cirkelvormige gebied:

77 r tan = → r = 80 km. Het gebied heeft dus een diameter van

2 100 1,6 ·102 km. Dit komt in orde van grootte overeen met gebied III, op auto- afstand. α r

Knakworstenverwarmer

Lieke onderzoekt of het mogelijk is om een knakworst te verwarmen door er een elektrische stroom doorheen te sturen. Hiervoor prikt ze twee aansluitpunten in een knakworst en bouwt ze de schakeling van figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

In de schakeling van figuur 1 zijn twee meters (I en II) opgenomen. Eentje werkt als spanningsmeter, de andere als stroommeter.

Vraag 7 2 punten

Leg op basis van de schakeling in figuur 1 uit welke meter (I of II) de stroommeter is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De stroommeter moet in serie zijn aangesloten met de knakworst. Dat is meter II.

Lieke meet de stroom I door de knakworst bij verschillende spanningen U. Ze voert de metingen in zeer korte tijd uit, om de knakworst tijdens deze metingen nog niet te laten opwarmen.

Van haar metingen maakt ze een (I,U)-diagram. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Op het potje van de knakworsten staat dat er zout in zit. Lieke vraagt zich af of de soortelijke weerstand van de knakworst hetzelfde is als die van zout water. Op internet vindt ze dat de soortelijke weerstand van zout water gelijk is aan 0,24 Ωm. De knakworst heeft een diameter van 15 mm en de lengte van de knakworst tussen de aansluitpunten van de draden is 8,0 cm.

Vraag 8 6 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal met behulp van figuur 2 de weerstand van de knakworst. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Toon met een berekening aan of de soortelijke weerstand van de knakworst gelijk is aan die van zout water.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: R = 2,6 ·102 Ω (met een marge van 0,1 ·102 Ω )

voorbeeld van een antwoord: U 20,0

  • Er geldt: R = = = 2,6 ·102 Ω. I 0,076
  • De knakworst heeft een doorsnede met een oppervlakte van

A = πr 2 = π(7,5 ·10−3 ) 2 = 1,77 ·10−4 m 2 . RA 2,6 ·102 ·1,77 ·10−4 Hieruit volgt: ρ = = = 0,58 Ωm. λ 8,0 ·10−2 Dat is niet hetzelfde als de soortelijke weerstand van zout water.

Vervolgens zet Lieke een constante spanning over de knakworst. Nu laat ze de knakworst wel opwarmen. Het valt Lieke op dat de stroomsterkte niet constant blijft tijdens het verwarmen. Ze maakt daarom een (I,t)- diagram. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 9 3 punten

Leg met behulp van figuur 3 uit of de knakworst zich gedraagt als een NTC of als een PTC.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Tijdens het opwarmen neemt de stroomsterkte toe. De weerstand neemt dus af (omdat de spanning constant blijft). Dit is een eigenschap van een NTC.

Lieke laat de knakworst in 14 minuten opwarmen van een temperatuur van 22 °C tot een temperatuur van 60 °C . Ze vraagt zich af wat het rendement is van haar opstelling tijdens het opwarmen van de knakworst. Het gemiddelde elektrische vermogen tijdens het opwarmen is 3,9 W. De massa van de knakworst is 20 g. Ze vindt op internet dat vlees een soortelijke warmte heeft van 3,0 ·103 J kg −1 K −1 .

Vraag 10 4 punten

Bereken het rendement van de opstelling.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: η = 0,70 (= 70%)

voorbeeld van een antwoord: Er geldt: Q = cmΔT = 3,0 ·103 · 20 ·10−3 · (60

  • 22) = 2, 28 ·103 J. En voor de benodigde elektrische energie:

E = Pt = 3,9 · (14 · 60) = 3, 28 ·103 J. Dus: Enuttig 2, 28 ·103 η= = = 0,70 (= 70%). Ein 3, 28 ·103

  • gebruik van E = Pt (1) Enuttig Pnuttig

Lieke wil nu met haar opstelling, in dezelfde tijd als bij één knakworst, meerdere knakworsten tegelijk opwarmen tot een temperatuur van 60 °C. Op de spanningsbron staat vermeld dat deze een maximale spanning van

35 V kan leveren en een maximale stroomsterkte van 5,0 A.

Vraag 11 3 punten

Leg met behulp van figuren 2 en 3 uit of ze de knakworsten dan in serie of parallel moet aansluiten op de spanningsbron.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit figuren 2 en 3 volgt dat één knakworst is aangesloten op een stroomsterkte van ongeveer 0,1 A bij een spanning van ongeveer 30 V. De voeding kan geen veelvoud van deze spanning leveren, maar wel een veelvoud van deze stroomsterkte. Dat kan alleen als de worsten parallel op de voeding worden aangesloten.

Boombrommer

Betelnoten groeien in de toppen van palmbomen. De stammen van die bomen zijn hoog en kaarsrecht. Zie figuur 1. Boeren beklimmen deze bomen om de noten te plukken. Een uitvinder heeft een boombrommer gemaakt om langs een stam omhoog naar de top te kunnen ‘rijden’. Zie figuur 2.

figuur 1 figuur 2

De brommer klemt met wielen om de stam. Een benzinemotor kan de brommer met constante snelheid langs de stam naar boven laten rijden. De boombrommer is uitgerust met een rem. Deze rem zorgt voor een grote remkracht op de brommer, waardoor die stil kan hangen aan de stam. De boombrommer kan vanuit stilstand weer afdalen langs de stam door de remkracht te verkleinen.

De uitvinder heeft een testrit gemaakt om de boombrommer te demonstreren. Van deze rit is een (h,t)-diagram gemaakt. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

Op de uitwerkbijlage staat een tabel.

Vraag 12 2 punten

Geef in de tabel met een kruisje per tijdstip aan welke bewering juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • tijdstip (s): de motorkracht de remkracht er wordt geen verricht arbeid verricht arbeid arbeid verricht 7 X 23 X 36 X indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (2)

Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 13 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale snelheid waarmee de brommer langs de stam naar boven rijdt. Geef in de figuur aan hoe je aan je antwoord komt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 1, 2 m s −1 (met een marge van 0,1 ms −1 )

voorbeeld van een antwoord: De maximale snelheid wordt bereikt in het steilste deel van de grafiek, tussen 2,0 s en 4,5 s.

Hieruit volgt: Δx 9,0

  • 0 v= = = 1, 2 m s −1. Δt raaklijn 8,5
  • 1,0

In figuur 4 is de situatie van een stil hangende boombrommer schematisch en op schaal weergegeven. Bij het ontwerp is handig gebruikgemaakt van de hefboomwet. De brommer heeft een draaipunt D. De boom oefent op steunwiel S alleen een normaalkracht Fn uit. Door de arm rFn ontstaat er een moment M. Dit is in evenwicht met het moment van de zwaartekracht Fz op de uitvinder en brommer samen. De uitvinder hangt stil. De massa van de uitvinder en boombrommer samen is 104 kg. [figuur 4: zie het originele examen]

Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 14 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken de arm van de zwaartekracht.
  • Bepaal met behulp van de hefboomwet de grootte van de normaalkracht Fn op steunwiel S. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Fn = 1,9 ·103 N

voorbeeld van een antwoord: −

Uit de hefboomwet volgt: (104 · 9,81) · 3,8 F1r1 = F2 r2 → Fn = = 1,9 ·103 N. 2,0

Opmerking Als de kandidaat de arm verkeerd heeft ingetekend, maar deze arm consequent heeft gebruikt bij de beantwoording van de tweede deelvraag, kunnen de tweede, derde en vierde deelscore nog wel worden behaald.

De uitvinder wil dat de boom niet wordt beschadigd. Daarom wil hij Fn zo klein mogelijk houden. In het ontwerp kan hij de afstand SD kleiner maken.

Vraag 15 3 punten

Leg uit of Fn groter wordt, kleiner wordt of gelijk blijft door een kleinere afstand SD.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De arm rFn neemt af als de afstand SD kleiner wordt. Het moment M van de normaalkracht blijft gelijk, dus bij de afname van de afstand rFn zal de normaalkracht Fn groter worden.

De uitvinder beweert dat hij 135 bomen van elk 30 m hoog kan beklimmen met 1,5 liter benzine. Het rendement van de motor die in de boombrommer zit, is 18%.

Vraag 16 5 punten

Toon met een berekening aan of de bewering van de uitvinder kan kloppen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

methode 1 De brommer gebruikt 1,5 liter benzine. Dit levert een chemische energie van Ech = rV V = 33 ·109 ·1,5 ·10−3 = 4,95 ·107 J. De verbrandingsmotor kan dan een nuttige energie leveren van 18 Enuttig = η Ein = · 4,95 · 107 = 8,91 ·106 J. 100 Om een boom te beklimmen is een energie nodig van Ez = mgh = 104 · 9,81 · 30 = 3,06 ·104 J. 8,91 ·106 Met de brommer kunnen dan = 2,9 ·102 bomen worden 3,06 ·10 4

beklommen. Dat is meer dan de bewering van de uitvinder, dus de bewering kan kloppen.

  • completeren van de berekening en consequente conclusie (1p)

of

methode 2 De brommer gebruikt 1,5 L benzine. Dit levert een chemische energie van Ech = rV V = 33 ·109 ·1,5 ·10−3 = 4,95 ·107 J. Om alle bomen te beklimmen is een totale energie nodig van Ez = mgh = 104 · 9,81 · (135 · 30) = 4,13 ·106 J. Het rendement dat hier uit volgt is gelijk aan Enuttig Ez 4,13 ·106 η= ·100 = ·100 = ·100 = 8,3%. Dit rendement is lager Ein Ech 4,95 ·107 dan het rendement van de benzinemotor, dus de bewering van de uitvinder kan kloppen.

  • gebruik van η = (1) Ein

Wiebelgenerator

Er wordt onderzoek gedaan naar een nieuwe methode om windenergie om te zetten in elektrische energie. Bij een bepaalde experimentele methode wordt een lange paal gebruikt waarin staande golven ontstaan als de paal in de wind staat. De wiebelende paal wekt elektriciteit op en wordt dan ook ‘wiebelgenerator’ genoemd. Voor een test is een prototype van een wiebelgenerator gemaakt met een 12,5 m lange paal. Zie figuur 1. In deze figuur is schematisch weergegeven hoe de paal in de grondtoon trilt.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 17 2 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage het patroon van knopen (K) en buiken (B) voor de eerste boventoon van de paal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • knoop bij de basis en buik aan het uiteinde (1)
  • afwisseling van buiken en knopen met in totaal twee buiken en twee knopen (1)

De frequentie waarmee de paal gaat trillen, is afhankelijk van de voortplantingssnelheid van de golven in de paal. Om deze snelheid te bepalen, wordt tijdens een test de paal aan het trillen gebracht in de grondtoon. Zie figuur 1. Van deze trilling wordt een (u,t)-diagram gemaakt. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 18 4 punten

Bepaal met behulp van figuren 1 en 2 de voortplantingssnelheid die uit deze test volgt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 98 m s −1

voorbeeld van een antwoord: In figuur 2 is af te lezen dat er 16 trillingen in 8,2 s gemaakt zijn. Hieruit 16 volgt dat de frequentie van de toon gelijk is aan f = = 1,95 Hz. 8, 2 Uit figuur 1 volgt: 14 λ = 12,5 m → λ = 50,0 m. Dus: v = λ f = 50,0 ·1,95 = 98 m s −1.

Als gevolg van de wind ontstaan er rond de paal wervelingen met een bepaalde frequentie fw. Voor een zo groot mogelijke opbrengst van de wiebelgenerator moet fw gelijk zijn aan de eigenfrequentie f0 van de grondtoon. De frequentie fw is niet constant, maar afhankelijk van de windsnelheid. De eigenfrequentie f0 moet dus aangepast kunnen worden tijdens het veranderen van de windsnelheid. De onderzoekers denken dit te kunnen doen met een technische oplossing waarmee de veerconstante van de paal kan worden verhoogd of verlaagd. De paal is te modelleren als een massa-veer-systeem. Op de uitwerkbijlage staan hierover twee zinnen.

Vraag 19 2 punten

Omcirkel op de uitwerkbijlage in iedere zin het juiste alternatief.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Wanneer de windsnelheid en dus de frequentie fw afneemt, moet de trillingstijd van de paal toenemen. De veerconstante moet dan verlaagd worden.

Met behulp van het model wordt berekend dat het nuttige vermogen van de wiebelgenerator bij een bepaalde lengte van de paal gelijk is aan

100 W. Men wil het rendement van de wiebelgenerator bij een windsnelheid van 12 m s˗1 vergelijken met het rendement van een reguliere windturbine onder dezelfde omstandigheden. Voor het vermogen dat de wind overdraagt op de wiebelgenerator geldt:

Pwind = 0,30· ρ · A · v3 (1)

Hierin is:

  • Pwind het overgedragen vermogen;
  • ρ de dichtheid van lucht;
  • A het frontaal oppervlak van de wiebelende paal;
  • v de windsnelheid.

Het frontaal oppervlak voor de paal in het model wordt gesteld op 1,2 m2. Een reguliere windturbine heeft onder dezelfde omstandigheden een rendement van 35%.

Vraag 20 3 punten

Toon met behulp van een berekening aan of het rendement van de wiebelgenerator dat volgt uit dit model hoger of lager is dan het rendement van de reguliere windturbine.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor het vermogen dat de wind overdraagt op de generator geldt: Pwind = 0,30· ρ · A · v3 → Pwind = 0,30 ·1, 293 ·1, 2 ·123 = 804 W. Het rendement van de generator is dan: Pnuttig 100 η= = = 0,12 (= 12%). Pin 804 Het rendement is dus lager dan het rendement van de reguliere windmolen.

Gebitsfoto

Om het gebit goed te kunnen beoordelen, maakt de tandarts röntgenscans. Voor het maken van een röntgenscan kan de tandarts een röntgenapparaat met een draaibare scanner gebruiken waarmee die een foto van het volledige gebit kan maken. In korte tijd draait de scanner rondom het hoofd van de patiënt. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

De röntgenstraling wordt opgewekt in een zogenaamde röntgenbuis. Dit gebeurt door in de röntgenbuis een trefplaatje te beschieten met elektronen. De snelheid van de elektronen kan verhoogd worden door het verhogen van een instelbare spanning U over de röntgenbuis. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Snellere elektronen leveren fotonen op met een hogere foton-energie en dus een kleinere golflengte. De golflengte van fotonen die voor gebitsfoto’s worden gebruikt, ligt tussen de 0,01 nm en 10 nm. De spanning U is zo ingesteld dat de fotonenergie 85 keV is.

Vraag 21 4 punten

Toon met een berekening aan dat de golflengte van de gebruikte fotonen binnen het aangegeven gebied ligt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de frequentie van de gebruikte fotonen geldt: Ef85 ·103 ·1,60 ·10−19 1,36 ·10−14 f = = −34 = −34 = 2,05 ·1019 Hz. h 6,63 ·10 6,63 ·10 En voor de golflengte: c 3,00 ·108 λ= = = 1, 46 ·10−11 m = 0,015 nm. f 2,05 ·1019

(Deze waarde ligt binnen het gegeven golflengtegebied).

Hoeveel fotonen er per seconde ontstaan, wordt onder andere bepaald door de stroomsterkte I van de elektronen in de röntgenbuis. Deze stroomsterkte is 6,0 mA. Slechts 1 op de 100 elektronen uit deze stroom maakt echt een foton vrij in het trefplaatje.

Vraag 22 3 punten

Bereken hoeveel fotonen er per seconde ontstaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: nfotonen = 3,8 ·1014 (fotonen per seconde)

voorbeeld van een berekening: De stroomsterkte is gelijk aan 6,0 ·10−3 A = 6,0 ·10−3 Cs −1 , dus: I 6,0 ·10−3 nelektronen = = −19 = 3,75 ·1016 elektronen per seconde. e 1,60 ·10 Per 100 elektronen wordt er 1 foton vrijgemaakt, dus 3,75 ·1016 nfotonen = = 3,8 ·1014 fotonen per seconde. 100

Om de stralingsdosis goed te kunnen instellen, worden proefmetingen in de scanner gedaan met een pop die werkt als een dosimeter. De pop ontvangt tijdens een proefscan een stralingsvermogen van 2,6 ·10−4 W. Het maken van de totale scan duurt 16,7 s. De massa van het bestraalde materiaal is 1,5 kg.

Vraag 23 3 punten

Bereken de dosis die de pop ontvangt tijdens deze proefscan. In figuur 3 is de scan te zien zoals een tandarts die heeft gemaakt van een patiënt. Eén van de kiezen van de patiënt is vervangen door een implantaat van metaal. In de vergroting zijn een originele kies en het implantaat zichtbaar. De kies en het implantaat hebben dezelfde dikte. Zie het schematische bovenaanzicht in figuur 4. figuur 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: D = 2,9 ·10−3 Gy

voorbeeld van een berekening: Tijdens de scan ontvangt de pop een totale energie van

E = Pt = 2,6 ·10−4 ·16,7 = 4,34 ·10−3 J. De pop ontvangt hierdoor een dosis van

[figuur 4: zie het originele examen]

De donkere gebieden op de scan in figuur 3 geven aan dat er op die plaatsen meer straling door de ontvanger gemeten is.

Vraag 24 2 punten

Leg uit of het implantaat een grotere of kleinere halveringsdikte heeft dan de originele kies.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De scan is lichter van kleur op de plek van het implantaat, dus het implantaat heeft meer straling geabsorbeerd dan de originele kies. Gezien de gelijke dikte heeft het implantaat dus een kleinere halveringsdikte dan de originele kies.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2024, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-24-2-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (4), elektriciteit (4) en straling (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2024, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-24-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2024, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.