Eindexamen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Zweven op geluid, Sirius, Schommelsprong, Elektrische eierkoker, Stralingsdetectie.
Het centraal examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), geluid en trillingen (4) en astrofysica (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Straling | 21-24, 26-27 | 6 |
| Geluid en trillingen | 1-4 | 4 |
| Astrofysica | 5, 7-9 | 4 |
| Energie en arbeid | 14, 18-20 | 4 |
| Krachten | 11-13 | 3 |
| Elektriciteit | 15, 25 | 2 |
| Warmte | 16-17 | 2 |
| Licht en lenzen | 6 | 1 |
| Beweging | 10 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over astrofysica (15% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over beweging (4% van de vragen, gemiddeld 10%) en elektriciteit (7% van de vragen, gemiddeld 14%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Zweven op geluid
Het is mogelijk om kleine druppels te laten zweven op geluid. Zie figuur 1. De opstelling die daarvoor nodig is, bestaat uit een toongenerator met een losse luidspreker en een reflector die het geluid terugkaatst. Dit is schematisch weergegeven in figuur 2. Deze figuur is niet op schaal.
figuur 1 figuur 2
Tussen de luidspreker en de reflector wordt de lucht in trilling gebracht en er ontstaat een golfpatroon van knopen en buiken.
Op de uitwerkbijlage staan twee zinnen over de golven tussen de luidspreker en de reflector.
Vraag 1 2 punten
Omcirkel in iedere zin het juiste antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De golf in de lucht tussen de luidspreker en de reflector is een longitudinale golf. De druppels zweven op een staande golf. per juiste zin (1) (2)
In figuur 3 is een oscillogram weergegeven van het signaal van de toongenerator tijdens een experiment met de opstelling van figuur 2.
[figuur 3: zie het originele examen]
De horizontale schaalverdeling is 10 μs per hokje.
De toongenerator is ingesteld op 22 kHz.
Vraag 2 3 punten
Toon dat met behulp van figuur 3 aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een antwoord:
methode 1 Op het scherm zijn in 9 hokjes 2,0 trillingen zichtbaar. De totale tijdsduur
90 ·10−6 −6 hiervoor is 90 ·10 s. Hieruit volgt dat T = = 4,5 ·10−5 s. 2, 0
1 (1) Dus: f = = = 22 ·103 Hz (= 22 kHz). T 4,5 ·10−5
- completeren van de bepaling (1p)
of
methode 2 Op het scherm zijn in 9 hokjes 2,0 trillingen zichtbaar. De totale tijdsduur hiervoor is 90 ·10−6 s. 2, 0 Hieruit volgt: f = −6 = 22 ·103 Hz (= 22 kHz).
90 ·10
aantal trillingen
- inzicht dat geldt f = (1) benodigde tijd
- bepalen van een aantal trillingen en de daarvoor benodigde tijd met een marge van 0,1∙10−5 s (1p)
Figuur 4 is een foto van zes zwevende druppels. De afbeelding is niet op ware grootte.
[figuur 4: zie het originele examen]
De zwevende druppels bevinden zich in opeenvolgende knopen. De toongenerator is ingesteld op 22 kHz. De temperatuur van de omgeving is
20 °C.
Vraag 3 4 punten
Bereken de werkelijke afstand tussen (het midden van) de eerste en de zesde druppel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: Δx = 3,9 ·10−2 m
voorbeeld van een berekening: In totaal zitten er 2,5 golven tussen de eerste en de zesde druppel. Voor de v 343 golflengte geldt: v = f λ → λ = = (3) = 1,56 ·10−2 m. f 22 ·10 De afstand tussen druppel 1 en 6 is 2,5 ·1,56 ·10−2 = 3,9 ·10−2 m.
Onderzocht wordt of met deze methode druppels vloeibaar medicijn opgeslagen kunnen worden. Door het zweven is de kans op vervuiling van het medicijn namelijk kleiner. Probleem is dat de druppels niet te groot gemaakt mogen worden. Een te grote druppel wordt platgedrukt in de geluidsgolf en springt vervolgens uit elkaar. Zie figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen]
Er zijn twee mogelijke oplossingen voor dit probleem:
- de geluidssterkte verlagen,
- de toonhoogte verlagen.
Op de uitwerkbijlage staat het (u,t)-diagram van een signaal waarbij alleen een kleine druppel heel blijft.
Vraag 4 2 punten
Schets op de uitwerkbijlage in het (u,t)-diagram een signaal waarin beide oplossingen gecombineerd zijn, zodat ook een grotere druppel heel blijft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het geschetste signaal heeft een kleinere amplitude (1)
- het geschetste signaal heeft een lagere frequentie (1)
Sirius
Sterren vormen soms een zogenaamd figuur 1 dubbelstersysteem. In een vereenvoudigd dubbelstersysteem bewegen twee sterren in eigen cirkelbanen om een gemeenschappelijk middelpunt M. Zie figuur 1. Sterren P en Q hebben dezelfde omlooptijd.
Vraag 5 2 punten
Zet in de tabel op de uitwerkbijlage in elke rij een kruisje in de juiste kolom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
van ster P het van ster Q het voor ster P en eigenschap grootst grootst Q gelijk baanstraal X baansnelheid X
De ster Sirius lijkt in de tijd heen en weer te bewegen. In 1844 concludeerden astronomen hieruit dat Sirius een dubbelstersysteem is, bestaande uit Sirius A en Sirius B. Dat de twee sterren van Sirius toen niet apart van elkaar werden waargenomen, komt doordat de hoek α waaronder Sirius A en Sirius B vanaf de aarde gezien kunnen worden zeer klein is. Deze hoek kan worden vergeleken met de hoek waaronder koplampen van een auto gezien worden. De (gemiddelde) afstand tussen Sirius A en Sirius B is
20 keer zo groot als de afstand tussen de aarde en de zon. Sirius staat op 8,7 lichtjaar van de aarde. De afstand tussen twee koplampen is 1,5 m. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Sirius A en Sirius B worden onder een bepaalde hoek α gezien vanaf de aarde.
Vraag 6 3 punten
Bereken op welke afstand s van de waarnemer de auto moet staan om de koplampen onder dezelfde hoek α te zien.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: s = 4,1·104 m
voorbeeld van een berekening: De onderlinge afstand tussen Sirius A en B is gelijk aan
20 ·1,50 ·1011 = 3,00 ·1012 m. Sirius staat op een afstand van 8,7 · 9, 46 ·1015 = 8, 23 ·1016 m. Hieruit volgt: 3, 00 ·1012 1,5 16 = tan α = → sauto = 4,1 ·104 m. 8, 23 ·10 sauto
Opmerking Wanneer sinus is gebruikt in plaats van tangens: dit niet aanrekenen.
In 1862 werd met een verbeterde telescoop de kleinere Sirius B voor het eerst apart van Sirius A gezien. Daarna noteerden astronomen de positie van Sirius B ten opzichte van Sirius A. Sirius B beschrijft dan een baan om Sirius A met de wijzers van de klok mee. Deze baan is een ellips. Zie figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 7 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de gravitatiekracht die Sirius B op Sirius A uitoefent als een pijl met een lengte van 3 cm.
- Teken de gravitatiekracht die Sirius A op Sirius B uitoefent.
- Leg uit of de snelheid van Sirius B ten opzichte van Sirius A in deze situatie toeneemt, afneemt of gelijk blijft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: −
−
De gravitatiekracht werkt (deels) met de bewegingsrichting van Sirius B mee. De snelheid van Sirius B neemt dus toe.
Opmerkingen
- Als in de bovenste figuur een vector getekend is van Sirius B naar Sirius A en in de onderste figuur een even lange vector van Sirius A naar Sirius B kan de tweede deelscore nog wel behaald worden.
- Als de vector niet aangrijpt in het midden van de ster: dit niet aanrekenen.
Uit de waarnemingen waren diverse gegevens over Sirius A en Sirius B te bepalen. Zie figuur 4. Gegevens van sterren worden vaak uitgedrukt in vergelijking met onze zon.
[figuur 4: zie het originele examen] eigenschap Sirius A Sirius B massa 2,063·Mzon 1,018·Mzon straal 1,8·Rzon 0,022·Rzon λmax 293·10−9 m 117·10−9 m
Een van de eigenschappen waarmee sterren onderling vergeleken worden is de dichtheid.
Vraag 8 3 punten
Beredeneer met behulp van figuur 4 welke van de sterren (Sirius A of Sirius B) de grootste dichtheid heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: m Voor de dichtheid geldt: ρ = . V Voor het volume V van een bol geldt: V = 43 πr 3 . De massa m van Sirius A is in orde van grootte vergelijkbaar met de massa van Sirius B. De straal (en daarmee het volume) van Sirius A is echter veel groter dan de straal van Sirius B. De dichtheid van Sirius B is dus (veel) groter dan de dichtheid van Sirius A.
m
Opmerking Als voor de redenering gebruik is gemaakt van een berekening waarin een rekenfout is gemaakt: maximaal twee scorepunten toekennen.
Sterren zijn op basis van hun eigenschappen in te delen in categorieën. Een vereenvoudigd overzicht van vijf categorieën sterren staat in figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen] categorie m T bruine 0,01∙Mzon < Mster < 0,08∙Mzon Tster < 1,6∙103 K dwerg rode 0,08∙Mzon < Mster < 0,5∙Mzon 2,3∙103 K < Tster < 3,5∙103 K dwerg witte 0,5∙Mzon < Mster < 1,4∙Mzon 3,5∙103 K < Tster dwerg rode 0,3∙Mzon < Mster < 8∙Mzon Tster < 4,75∙103 K reus blauwe 8∙Mzon < Mster 1,0∙104 K < Tster < 6,0∙104 K reus
Vraag 9 4 punten
Toon met een berekening aan in welke categorie Sirius B valt. Gebruik daarbij figuren 4 en 5.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Uit de massa volgt dat Sirius B een witte dwerg of een rode reus is. Voor de temperatuur geldt: kW 2,898 ·10 −3 λmaxT = k W → T = = −9 = 2, 48 ·104 K. λmax 117 ·10 Uit de temperatuur volgt dat Sirius B een blauwe reus of een witte dwerg is.
Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Schommelsprong
Een schommelsprong is een stunt waarbij een springer aan een speciaal touw van een brug springt. Het touw hangt onder de brug door en is aan de andere zijde bevestigd. Na een korte val recht omlaag gaat de springer daardoor over in een schommelbeweging. Zie de figuren op de uitwerkbijlage.
In figuur 1 zijn schematisch de beginsituatie en de baan van de beweging getekend. Er wordt gesprongen vanaf punt A. Het touw zit vast in punt B. In het laagste punt van de baan gaat de springer door evenwichtsstand E.
[figuur 1: zie het originele examen]
Lara voert voor een praktische opdracht metingen uit aan een video van een vrouw die een schommelsprong maakt. Uit de videometing volgt het (v,t)-diagram in figuur 2. Hierbij is de grootte van de snelheid positief weergegeven op de heenweg (van S richting E) en negatief op de terugweg (van E richting S).
[figuur 2: zie het originele examen]
De schommelsprong begint met een val totdat het touw strak staat. Daarna gaat de beweging over in een schommelbeweging. Zie punt S in figuur 1. Een deel van figuur 2 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 10 3 punten
Bepaal de afstand van de val met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: s = 4,8 m (met een marge van 0,2 m)
voorbeelden van een bepaling: methode 1 De afstand waarover de springer valt, is gelijk aan de oppervlakte onder de (v,t)-grafiek tot t = 1,0 s. De afstand van de val is dan gelijk aan s = 12 ·1, 0 · 9, 6 = 4,8 m.
- completeren van de bepaling (1p)
of
methode 2 De afstand waarover de springer valt, is uit te rekenen met s = vt met 9, 6 + 0 −1 v = vgem = = 4,8 m s . De vrije val duurt tv = 1,0 s, dus: 2 s = vt = 4,8 ·1, 0 = 4,8 m.
Opmerking Als gerekend is met s = vt waarin voor v niet de gemiddelde snelheid is ingevuld: geen scorepunten toekennen.
Op het moment dat de springer voor de eerste keer in het laagste punt van de baan door de evenwichtsstand E slingert, is de spankracht in het touw maximaal. Deze maximale spankracht Fs max is op dat moment te bepalen met de volgende formule:
Fs max = Fz + Fmpz
De springer (m = 60 kg) gaat met een snelheid van 16,8 m s−1 door de evenwichtsstand E. Het touw heeft een lengte van 18 m.
Vraag 11 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bereken met behulp van de snelheid de grootte van de middelpuntzoekende kracht.
- Toon aan dat de maximale spankracht gelijk is aan 1,5 ·103 N.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: Fmpz = 9, 4 ·102 N
voorbeeld van een berekening: mv 2 60 · (16,8)2
- Er geldt: Fmpz = = = 9, 4 ·102 N. r (18) voorbeeld van een antwoord:
- Er geldt: Fs max = Fz + Fmpz = mg + Fmpz = 60 · 9,81 + 9, 4 ·102 = 1,5 ·103 N.
mv 2
Opmerking Als de middelpuntzoekende kracht niet is uitgerekend met behulp van de snelheid, vervallen de eerste en laatste deelscores.
Bergbeklimmers gebruiken speciaal touw om veilig te kunnen klimmen. Een veelgebruikt klimmerstouw heeft een diameter van 10 mm en een treksterkte van 2,4·108 N m−2. Volgens de fabrikant mag het touw niet zwaarder belast worden dan 20% van de treksterkte. Lara vraagt zich af of dat touw ook sterk genoeg is voor deze schommelsprong met een maximale spankracht van 1,5·103 N.
Vraag 12 4 punten
Toon aan of dit touw sterk genoeg is voor de schommelsprong die Lara heeft onderzocht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De spankracht in het touw is (maximaal) 1,5 ·103 N. De oppervlakte van de doorsnede van het touw is A = πr 2 = π· (5, 0 ·10−3 )2 = 7,85 ·10−5 m2 .
F 1,5 ·103 Voor de spanning σ geldt: σ = = −5 = 1,9 ·107 N m −2 .
A 7,85 ·10 De toegelaten spanning is 0, 20 · 2, 4 ·108 = 4,8 ·107 N m−2 . De belasting van het touw blijft in het veilige gebied, dit touw is dus sterk genoeg.
Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
In de uiterste standen van de schommelbeweging is de snelheid nul. In figuur 3 staan vier verschillende opties voor de kracht of krachten op de springer in de uiterste stand. Voor alle krachten is het bevestigingspunt van het touw als aangrijpingspunt gebruikt. De baan waarlangs de springer beweegt, is ook weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen] I II
III IV
Vraag 13 1 punt
Geef aan welke optie (I, II, III of IV) de resulterende kracht het best weergeeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- antwoord: optie IV (1)
De springer heeft een massa van 60 kg. Ze ondervindt luchtwrijving waardoor ze afgeremd wordt. De rek in het touw wordt hier verwaarloosd.
Vraag 14 4 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de arbeid die de luchtwrijvingskracht heeft verricht tussen het passeren van de evenwichtsstand op tijdstippen tp en tq.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: W = 1, 7 ·103 J
voorbeeld van een bepaling: Voor de arbeid die de weerstand heeft verricht geldt: W = ΔEk = 12 mvp2
- 12 mvq2 = 12 · 60 · ((−12,5) 2
- 10, 02 ) = 1, 7 ·103 J.
Elektrische eierkoker
Aart heeft een elektrische eierkoker. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Deze eierkoker werkt als volgt: De eierkoker wordt gevuld met maximaal 7 eieren en een beetje koud water en afgedekt met een deksel. Na inschakelen wordt het water door een elektrisch verwarmingselement tot het kookpunt verhit en omgezet in waterdamp. De waterdamp verhit de eieren. Zodra het water volledig is verdampt, loopt de temperatuur van het element op tot boven 100 °C. Op dat moment schakelt het verwarmingselement uit en schakelt een zoemer in.
Op de uitwerkbijlage staat een deel van het elektrisch schakelschema getekend. In de eierkoker zit een automatische schakelaar T met twee standen. Als de temperatuur lager is dan of gelijk is aan 100 °C staat de schakelaar in stand I. Als de temperatuur hoger is dan 100 °C staat de schakelaar in stand II.
De eierkoker voldoet aan de volgende drie ontwerpeisen:
1 De eierkoker gaat aan en uit met een schakelaar S.
2 Als het verwarmingselement R aan is, brandt een controlelampje L. Beide werken op een spanning van 230 V.
3 Als de temperatuur boven de 100 °C komt, schakelen R en L uit en schakelt een zoemer Z in.
Vraag 15 4 punten
Teken op de uitwerkbijlage de overige draden in het schema zodat de eierkoker functioneert volgens de drie ontwerpeisen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een niet naar behoren werkende schakeling is getekend, bijvoorbeeld door extra verbindingen: maximaal 3 scorepunten toekennen.
De eierkoker heeft een deksel met een gaatje waar waterdamp door ontsnapt. Zie figuur 1.
De werktijd t is de tijd tussen het aanzetten van de eierkoker en het automatisch uitschakelen van het verwarmingselement.
Aart meet nog zonder eieren hoe t afhangt van de massa van het water. Hij voert de metingen uit zonder deksel en met deksel. Het resultaat staat in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Aart ziet dat waterdamp op het deksel condenseert en terugloopt in de eierkoker.
Vraag 16 2 punten
Leg uit dat deze waarneming in overeenstemming is met zijn meting dat de werktijd met deksel langer is dan zonder deksel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: (De eierkoker schakelt uit als de temperatuur boven 100 °C komt.) Het uitschakelen gebeurt pas als al het water verdampt/verdwenen is. Door het condenseren en teruglopen van het water duurt dit met deksel langer dan zonder deksel.
De werktijd t wordt bepaald door het ontwerp van de eierkoker. Op de uitwerkbijlage staat een tabel met mogelijke aanpassingen in het ontwerp.
Vraag 17 2 punten
Geef per aanpassing aan of t daardoor afneemt of toeneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de werktijd de werktijd aanpassing ontwerp neemt af neemt toe een verwarmingselement met een X grotere weerstand R een groter gat in het deksel X warmte-isolatie rondom het deksel X indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (2)
In de gebruiksaanwijzing vindt Aart een tabel met een opvallende opmerking. Zie figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen] ‘Hoe meer eieren er gekookt worden, hoe minder water er toegevoegd hoeft te worden.’ aantal eieren 1 2 3 4 5 6 7 toe te voegen water (gram) 52 48 44 40 36 32 28 Aart meet t voor 1 tot en met 7 eieren en zet zijn resultaten in een grafiek. Zie figuur 4. Voor iedere meting zijn het deksel en de voorgeschreven hoeveelheid water gebruikt.
[figuur 4: zie het originele examen]
In figuur 4 staat ook de grafiek van de eerdere metingen met deksel, zonder eieren. In figuur 4 is te zien dat t voor 7 eieren en 28 gram water veel langer is dan voor alleen 28 gram water. Voor 1 ei en 52 gram water is t maar iets langer dan voor alleen 52 gram water.
Het rendement van het koken van de eieren is de verhouding tussen de nuttige energie die door de eieren is opgenomen en de totale elektrische energie die de eierkoker heeft opgenomen.
Vraag 18 3 punten
Leg met behulp van figuur 4 uit of het rendement van de eierkoker bij het in één keer koken van 7 eieren groter is dan, kleiner is dan of even groot is als bij het koken van 1 ei.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De werktijd t7 voor het koken van 7 eieren in één kookbeurt is veel korter dan 7 keer de werktijd t1 bij 1 ei. Uit Eelektrisch = Pt volgt dat de eierkoker voor 7 eieren dus minder elektrische energie nodig heeft dan voor het koken van zeven keer 1 ei. (De zeven eieren nemen in beide gevallen evenveel energie op.) Het rendement voor het koken van 7 eieren is dus hoger dan voor het koken van 1 ei.
Het verwarmingselement heeft een vermogen van 320 W. Op internet leest Aart dat een ei tijdens het koken ongeveer 14 kJ energie opneemt.
Vraag 19 3 punten
Toon met figuur 4 en met een berekening aan of deze stelling kan kloppen voor het koken van 1 ei met de eierkoker.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een antwoord:
methode 1 Met 52 gram water en zonder ei is het verwarmingselement 5,18 ∙ 102 s aan. Met 1 ei en 52 gram water is dat 5,80 ∙ 102 s. Het element staat dus 62 s langer aan om het ei te verwarmen. Hieruit volgt voor de energie voor 1 ei:
Eei ( = Everwarming ) = Pt = 320 · 62 = 20 ·103 J = 20 kJ.
- completeren van de berekening en consequente conclusie (1p)
of
methode 2 Als een ei 14 kJ aan energie opneemt, moet de eierkoker hier
E 14 ·103
E = Pt → t1 ei theorie = = = 44 s extra voor aanstaan ten opzichte van P 320 de werktijd voor alleen 52 gram water. Deze extra tijd t1 ei gemeten is in werkelijkheid 5,80 ·102
- 5,18 ·102 = 62 s. Er is meer energie door de eierkoker afgegeven dan volgens de stelling nodig is. De stelling kan dus kloppen.
Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Tot slot wil Aart weten of eieren koken met de elektrische eierkoker energiezuiniger is dan eieren koken in een pan met water op een gaspit. Hij kookt vier eieren op een gaspit. Zie figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen]
De elektrische eierkoker gebruikt voor het koken van vier eieren 5,7 ∙ 10−2 kWh elektrische energie. Met de pan gebruikt Aart 14 gram aardgas.
Vraag 20 3 punten
Toon met een berekening aan of de elektrische eierkoker energiezuiniger is dan de gaspit bij het koken van vier eieren. Ga uit van ‘Gronings’ aardgas (Binas) of ‘gemiddeld’ aardgas (Sciencedata).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een berekening:
methode 1 Binas: voor het Gronings aardgas geldt: m 14 ·10−3 ρ = →V = = 1, 68 ·10−2 m3. V 0,833 Ech = rV V = 8,9 ·1, 68 ·10−2 = 0,15 kWh. Dit is meer dan er aan elektrische energie nodig is, dus de elektrische eierkoker is zuiniger.
- completeren van de berekening en consequente conclusie (1p)
of
methode 2 Sciendata: voor het gemiddelde aardgas geldt: Ech = rm m = 54, 0 ·106 ·14 ·10−3 = 7,56 ·105 J. 7,56 ·105 Dit komt overeen met = 0, 21 kWh. 3, 6 ·106 Dit is meer dan er aan elektrische energie nodig is, dus de elektrische eierkoker is zuiniger.
Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Stralingsdetectie
In een ziekenhuis wordt vaak gewerkt met radioactieve isotopen. Medewerkers moeten daarbij goed in de gaten houden dat ze geen te grote stralingsdosis oplopen. Hiervoor bestaan verschillende vormen van stralingsdetectie. Een van de isotopen waarmee wordt gewerkt is kobalt-60. Op de uitwerkbijlage staat een (N,Z)-diagram. Hierin is Z het aantal protonen en N het aantal neutronen in een kern. Kobalt-60 zendt β- en γ-straling uit.
Vraag 21 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de vergelijking van de vervalreactie van kobalt-60.
- Geef op de uitwerkbijlage deze reactie in het (N,Z)-diagram aan met een pijl.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 60
- 27 Co → 60 0 (0p)
28 Ni + −1 e + 0 γ
Bij een bepaalde methode van stralingsdetectie wordt gebruikt gemaakt van een zogenaamde badge. Deze wordt door een medewerker aan de kleding bevestigd. Zie figuur 1.
figuur 1 figuur 2
Een badge registreert hoeveel ioniserende straling er op valt. In een bepaalde badge zit filmmateriaal dat steeds donkerder wordt naarmate er meer ioniserende straling op valt. Vóór de film zijn drie verschillende ‘vensters’ naast elkaar aangebracht. Zie figuur 2. Deze vensters zijn ieder van een ander materiaal gemaakt:
1 mica
2 karton
3 lood
De badge wordt geraakt door γ-straling afkomstig van een bepaalde bron. Lood heeft een halveringsdikte van 0,061 cm voor deze fotonen. Karton heeft een grotere halveringsdikte. Het karton en het lood hebben elk een dikte van 0,183 cm.
Vraag 22 3 punten
Beantwoord de volgende vragen:
- Bereken het percentage van de γ-straling dat door het lood wordt doorgelaten.
- Leg uit of het percentage doorgelaten γ-straling bij het karton groter is dan, kleiner is dan of even groot is als bij het lood.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 13(%)
voorbeeld van een berekening:
- De halveringsdikte van lood voor deze γ -fotonen is 0,061 cm. d 0,183 d1 0,061 I Hieruit volgt: I = I 0 ( 2 ) = I 0 ( 2 )
1 2 1 → = 0,13 = 13%. I0 voorbeeld van een antwoord:
- Een grotere halveringsdikte betekent dat er een grotere laagdikte nodig is om een gelijk percentage straling tegen te houden. (De plaatjes zijn even dik.) Er komt dus een groter percentage γ -fotonen door het karton.
d
Opmerking Voor de tweede deelscore is een antwoord in de trant van “karton laat meer straling door dan lood” niet voldoende. De derde deelscore kan dan nog wel behaald worden.
Na verloop van tijd wordt de badge geopend en is uit de kleur van het filmmateriaal af te leiden welke soort straling de badge heeft geraakt. Gegeven is dat α-straling alleen door mica heen gaat en β-straling zowel door mica als karton. Op de uitwerkbijlage staan twee badges die ieder gedurende langere tijd door één soort straling geraakt zijn.
Vraag 23 1 punt
Omcirkel voor iedere badge de soort straling die de film op deze manier heeft gekleurd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Het scorepunt alleen toekennen wanneer beide kolommen juist zijn.
De badge wordt tegenwoordig vaak vervangen door een modernere stralingsdetector, de draagbare geiger-müllerteller (GMT). Zie figuur 3.
figuur 3 figuur 4
Een GMT bevat een serieschakeling van een telbuis en een weerstand R. Zie figuur 4. De telbuis is gevuld met een niet-geleidend gas. Over de telbuis staat een spanning. Zolang er geen ioniserende straling op de telbuis valt, werkt deze telbuis als een open schakelaar in de serieschakeling. Wanneer ioniserende straling door het venster valt en het gas raakt, wordt een deel van de gasatomen gesplitst in ionen en elektronen. Op de uitwerkbijlage staat een tabel over de beweging van de deeltjes in de telbuis.
Vraag 24 2 punten
Geef met een kruisje in iedere rij aan in welke richting de deeltjes bewegen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
bewegen naar bewegen naar bewegen niet in de minpool van de pluspool van een vaste deeltjes de telbuis de telbuis richting elektronen X ionen X gasatomen X
Door de ioniserende straling werkt de telbuis even als een gesloten schakelaar. Hierdoor verandert de spanning U over weerstand R. Zie figuur 4. Dit wordt door een teller geregistreerd.
Vraag 25 2 punten
Leg uit wat er gebeurt met de spanning U over weerstand R zodra de telbuis geraakt wordt door ioniserende straling.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Door het ioniseren van het gas neemt de weerstand van de telbuis af. De spanning over de telbuis neemt hierdoor ook af. In een serieschakeling geldt U tot = U telbuis + U R . Hieruit volgt dat de spanning U over weerstand R toeneemt.
De GMT van figuur 3 wordt gedragen door een werknemer (ouder dan
18 jaar) die beroepshalve te maken heeft met straling. Deze werknemer leest de meetwaarde af van het scherm. Zie figuur 3.
Vraag 26 3 punten
Leg met een berekening uit of deze werknemer met deze stralingsbelasting het risico loopt om over de jaarlijkse dosislimiet voor werknemers te gaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een antwoord:
methode 1 De GMT geeft 0,12 μSv h −1 = 0,12 ·10−6 Sv h −1. De jaarlijkse dosislimiet voor een werknemer ouder dan 18 jaar is
20 mSv = 20 ·10−3 Sv. Hieruit volgt dat de werknemer na
20 ·10−3 −6 = 1, 7 ·105 h over de limiet zou gaan. Dat zijn meer uren dan er in 0,12 ·10 een jaar zitten, dus er is geen risico om over de jaarlijkse limiet te gaan.
- consequente conclusie (1p)
of
methode 2 De medewerker ontvangt 0,12 ·10−6 Sv per uur. Per jaar is dat 0,12 ·10−6 · 365 · 24 = 1,1·10−3 Sv . Dit ligt al ver onder de jaarlijkse dosislimiet voor werknemers (en is in praktijk nog lager, omdat niet ieder uur van het jaar gewerkt wordt).
Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
De GMT heeft als technisch ontwerp voordelen ten opzichte van de badge als het gaat om de bescherming van de medewerker.
Vraag 27 1 punt
Geef een voordeel van de GMT ten opzichte van de badge.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een antwoord: De GMT kan op ieder moment worden afgelezen (en de badge alleen achteraf). / De GMT levert een meting met een nauwkeurig getal (en de badge alleen een verkleuring). (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-21-2-o
Andere examens natuurkunde havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2?
Het centraal examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), geluid en trillingen (4) en astrofysica (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2021, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-21-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.