Eindexamen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Lutetium-177, Accuboormachine, Solderen, Mondharp, Wereldrecord Usain Bolt.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), geluid en trillingen (6) en energie en arbeid (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling1-66
Geluid en trillingen18-19, 21-246
Energie en arbeid7, 10, 27-284
Elektriciteit8, 14-15, 174
Beweging9, 25-26, 294
Krachten11-122
Warmte13, 162
Grootheden en eenheden201

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over geluid en trillingen (21% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Lutetium-177

Lutetium-octreotaat is een radioactief eiwit waarmee patiënten met diepliggende tumoren inwendig en lokaal bestraald kunnen worden. In dit eiwit wordt de radioactieve isotoop Lu-177 gebruikt. Lu-177 vervalt door het uitzenden van β− en γ-straling.

Vraag 1 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie van Lu-177 .

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord:

177 177 0 177

71 Lu → 72 Hf + −1 e + γ of Lu → 177 Hf + β− + γ

De straling die door Lu-177 wordt uitgezonden, wordt gebruikt om de tumoren in het weefsel te vernietigen, maar ook om te kijken of de tumor het lutetium goed heeft opgenomen. Daarvoor is het belangrijk dat de straling die Lu-177 uitzendt buiten het lichaam kan worden opgevangen.

Vraag 2 1 punt

Welk soort straling is dit?

  1. A α
  2. B β
  3. C β en γ
  4. D γ
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Lu-177 zendt straling uit met een energie van 7,05 ⋅10−14 J.

Vraag 3 3 punten

Bereken de golflengte van deze straling.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

λ 2,82 ⋅10−12 m uitkomst:=

voorbeeld van een antwoord: Er geldt E = hf . Invullen geeft 7, 05 ⋅10−14 = 6, 626 ⋅10−34 ⋅ f zodat 7, 05 ⋅10−14 =f = 1, 06 ⋅1020 Hz. De golflengte van de straling is dan −34 6, 626 ⋅10 c 2,998 ⋅108 λ= = = 2,82 ⋅10−12 m. 20 f 1, 06 ⋅10

Bij een patiënt wordt bij een behandeling een hoeveelheid Lu-177 in de bloedsomloop gebracht. Als de activiteit van het Lu-177 is afgenomen tot 0,001-ste deel van de oorspronkelijke activiteit, moet de patiënt in het ziekenhuis terugkomen. De halveringstijd van Lu-177 is 6,7 dagen.

Vraag 4 3 punten

Beredeneer na hoeveel dagen de eerstvolgende afspraak dan op zijn vroegst kan plaatsvinden.

Bekijk het antwoord

Als ( )

1 n = 0, 001 is n = 10. Er moeten dus minstens 10 halveringstijden 2 verstreken zijn voor de volgende afspraak; dit komt overeen met

10 ⋅ 6, 7 =

67 dagen.

inzicht dat ( 12 ) = 0, 001 n

Opmerking Als voor de redenering gebruik is gemaakt van een berekening waarin een rekenfout is gemaakt: maximaal twee scorepunten toekennen.

Als de patiënt naar huis gaat krijgt hij leefregels mee: de patiënt is immers radioactief. In de folder van een ziekenhuis staat:

Algemene leefregels voor thuis na therapie met radioactief lutetium

  • U moet afstand bewaren tot uw huisgenoten en bezoekers: minimaal één meter, liefst meer. Het is aan te bevelen dat u en uw partner apart slapen op minstens twee meter afstand van elkaar, indien mogelijk in aparte kamers.

De intensiteit van de straling van de γ-straling is omgekeerd kwadratisch evenredig met de afstand.

Vraag 5 2 punten

Beredeneer hoeveel keer zo klein de intensiteit van de straling wordt als de afstand tot de patiënt wordt vergroot van 1 m naar 2 m.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De intensiteit van de γ -straling is omgekeerd kwadratisch evenredig met de constante afstand (of I = ). r2 Dit betekent dat als de afstand tot de patiënt wordt verdubbeld, de intensiteit van de stralingsenergie vier keer zo klein wordt.

constante

In de ‘Algemene leefregels’ staat dat het voor de patiënt en zijn partner wordt aangeraden om in een aparte kamer te slapen. Een muur tussen twee slaapkamers is van beton en 10,5 cm dik.

Vraag 6 3 punten

Bereken hoeveel procent van de intensiteit van straling met een energie van 0,05 MeV door deze muur komt. Geef je antwoord in één significant cijfer.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 6 ∙ 10−3 %

voorbeeld van een antwoord: De halveringsdikte van beton voor γ -straling met een energie van 0,05 MeV is 0,75 cm (Binas tabel 28 F of Science Data tabel 5.9) 10,5 Een betonnen muur van 10,5 cm is = 14 halveringsdiktes dik. 0, 75 Er komt dan nog ( 12 ) ⋅100% = 14

6 ⋅10−3 % van de straling door de muur heen.

Accuboormachine

Inge gebruikt regelmatig een accuboormachine. Het valt haar op dat deze boormachine niet voor iedere boorklus geschikt is. Zij wil weten hoe dat komt en besluit daarom enkele eigenschappen van de boormachine te onderzoeken.

Op de doos van de boormachine staat een tabel met eigenschappen van de boormachine. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen] capaciteit 1,3 Ah spanning 10,8 V (maximaal) vermogen 180 W (maximaal) koppel 16 Nm

Inge is vergeten wat capaciteit betekent. Ze zoekt op internet en vindt het volgende:

“Met capaciteit wordt bedoeld hoeveel stroomsterkte de accu gedurende een bepaalde tijd kan leveren. 3,0 Ah betekent dat de accu gedurende één uur 3,0 A kan leveren, of 1,5 A gedurende twee uur.”

Vraag 7 3 punten

Bereken hoeveel minuten Inge met deze boormachine op maximaal vermogen kan boren met één volle accu.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 4,7 (minuten)

voorbeeld van een antwoord: Er geldt: P = UI . Invullen geeft 180 = 10,8 ⋅ I zodat I = 16,7 A. De capaciteit van de boormachine is 1,3 Ah. De boormachine kan dan 1,3 = 0,= 078 h 4, 7 minuten werken. 16, 7

Sommige accuboormachines zijn voorzien figuur 2 van een lampje dat de plek verlicht waar geboord wordt. Zie figuur 2. De schakeling hiervoor voldoet aan de volgende eisen:

  • Als de motor van de boor met een schakelaar wordt ingeschakeld, gaat het lampje ook branden.
  • Door het lampje loopt een kleine stroomsterkte, door de motor loopt een grote stroomsterkte. Op de uitwerkbijlage zijn vijf verschillende schakelingen getekend.

Vraag 8 3 punten

Geef op de uitwerkbijlage per schakeling aan of deze wel of niet aan de gestelde eisen voldoet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • schakeling I wel schakeling II niet schakeling III niet schakeling IV niet schakeling V niet indien vijf juiste antwoorden (3) indien vier juiste antwoorden (2) indien drie juiste antwoorden (1) indien twee, één of geen juiste antwoorden (0) (3)

Inge monteert een boortje met een diameter van 10 mm in de boormachine. Als de boormachine vrij draait, is het toerental

1500 omwentelingen per minuut.

Vraag 9 3 punten

Bereken de snelheid van de zijkant van het boortje in m s−1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 0,79 (m s−1 )

voorbeeld van een antwoord:

2 πr 60 5, 0 ⋅10−3 Er geldt v = met T = = 0, 040 s dus v = 2π ⋅ = 0, 79 m s −1 . T 1500 0, 040

2 πr

Inge boort gaatjes in verschillende houtsoorten. Ze merkt dat de boormachine bij hardere houtsoorten minder toeren maakt. Ze neemt aan dat de boormachine wel steeds hetzelfde maximale vermogen levert.

Vraag 10 2 punten

Leg uit waarom het toerental minder wordt bij hardere houtsoorten. Gebruik hierbij P = Fv , waarin v de snelheid van de zijkant van het boortje is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als er harder hout wordt gebruikt, moet er een grotere kracht F op het materiaal worden uitgeoefend om een gat te boren. Als het vermogen P constant is en de kracht F groter is, is de snelheid v kleiner en wordt het toerental minder.

Als Inge gaten boort in verschillende materialen, merkt ze dat de maximale diameter van het gat afhangt van de hardheid van het materiaal. Ze veronderstelt dat dit te maken heeft met het maximale koppel van de boormachine. Zij gaat op zoek naar uitleg over het koppel van een boormachine. Ze vindt de volgende definitie van het koppel van een boormachine:

“Het koppel van de boormachine is de kracht F die op het uiteinde van een boorgat wordt uitgeoefend, vermenigvuldigd met de diameter d van het boorgat.”

Inge boort een gat met een diameter van 15 mm. Het koppel van haar boor is 16 Nm.

Vraag 11 2 punten

Bereken de kracht op het uiteinde van het boorgat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: F= 1,1 ⋅103 N

voorbeeld van een antwoord: Voor deze boor geldt: 16= F ⋅ d . Het boortje heeft een diameter 15 mm, 16 invullen geeft: F= = 1,1 ⋅103 N. 0, 015

Op een internetforum ziet zij dat iemand beweert:

“Als het koppel van een boormachine niet verandert, geldt: hoe groter de diameter van het boorgat, hoe groter de kracht aan de rand van het gat.”

Vraag 12 2 punten

Leg met behulp van de definitie van koppel uit of deze bewering klopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als het koppel constant is, is bij een grotere afstand d de kracht F minder. De bewering klopt niet.

Solderen

Solderen is een techniek om twee metalen onderdelen met elkaar te verbinden. In figuur 1 zie je hoe een onderdeel wordt gesoldeerd.

[figuur 1: zie het originele examen]

Voor het solderen wordt de alliage (mengsel van metalen) ‘zacht soldeer’ gebruikt. Deze alliage heeft een lager smeltpunt dan de metalen onderdelen die met elkaar verbonden moeten worden.

Er wordt een messingdraad met zacht figuur 2 soldeer aan een messingstrip gesoldeerd. Het solderen gebeurt met (de punt van) een soldeerbout. Zie figuur 2.

Vraag 13 2 punten

Leg met behulp van het tabellenboek uit tussen welke waarden de temperatuur van de punt van de soldeerbout moet liggen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: methode 1 Binas Het smeltpunt van messing is 1170 K; het smeltpunt van zacht soldeer is

490 K. De temperatuur van de punt van de soldeerbout moet hoger zijn dan

490 K omdat het zacht soldeer moet smelten maar lager dan 1170 K omdat het messing niet mag smelten.

of

methode 2 Sciencedata Het smeltpunt van messing is 1233 K; het smeltpunt van zacht soldeer is

456 K. De temperatuur van de punt van de soldeerbout moet hoger zijn dan

456 K omdat het zacht soldeer moet smelten maar lager dan 1233 K omdat het messing niet mag smelten.

In de soldeerbout loopt een elektrische stroomsterkte van 15 A. Het elektrische vermogen is 90 W. Het soldeerapparaat is aangesloten op een stopcontact met een spanning van

230 V.

Vraag 14 3 punten

Laat aan de hand van een berekening zien dat er een transformator in het soldeerapparaat zit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het vermogen in de punt is 90 W, de stroomsterkte is 15 A. P 90 De spanning U over de punt is dan: U= = = 6, 0 V. I 15 Het apparaat is aangesloten op 230 V, de spanning over de punt is 6,0 V. In het soldeerapparaat zit dus een transformator.

Via de transformator wordt de energie die uit het stopcontact komt getransporteerd naar de punt. Tijdens het gebruik wordt ook de transformator een beetje warm.

Vraag 15 1 punt

Beredeneer of het vermogen dat het stopcontact levert kleiner of groter is dan 90 W .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: Als de transformator warm wordt, gaat er energie verloren. Deze energie is wel geleverd door het stopcontact, maar wordt niet gebruikt om te solderen. Het stopcontact levert dus meer dan 90 W. (1)

De soldeerbout is te gebruiken als de temperatuur van de punt 400 °C is. De begintemperatuur is 20 °C. De punt is gemaakt van koper en heeft een massa van 50 gram.

Vraag 16 4 punten

Bereken hoe lang het minstens duurt voordat de punt deze temperatuur bereikt heeft. Veronderstel dat geen warmte weglekt naar de omgeving.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: t = 82 s (Binas) of t = 81 s (Sciencedata)

voorbeeld van een antwoord: methode 1 Binas Om de koperen punt van de soldeerbout op te warmen van 20 °C naar

400 °C is Q = cm∆T = 387 ⋅ 50 ⋅10−3 ⋅ (400

  • 20) J = 7,35 ⋅103 J nodig. Het vermogen van de soldeerbout is 90 W, dus het duurt Q 7,35 ⋅103 t = = = 82 s. P (90p)

of

methode 2 Sciencedata Om de koperen punt van de soldeerbout op te warmen van 20 °C naar

400 °C is Q = cm∆T = 385 ⋅ 50 ⋅10−3 ⋅ (400

  • 20) J = 7,32 ⋅103 J nodig. Het vermogen van de soldeerbout is 90 W, dus het duurt Q 7,32 ⋅103 t = = = 81 s. P (90p)

Bij het solderen van een klein onderdeel wordt vaak een metalen tang gebruikt, om dit onderdeel te beschermen tegen oververhitting. Zie figuur 3. Het materiaal van de punt van de tang is hierbij van belang. Op de uitwerkbijlage staan hierover twee zinnen.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 17 2 punten

Omcirkel in de zinnen op de uitwerkbijlage het juiste alternatief.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De warmtegeleidingscoëfficiënt van het materiaal van de punt van de tang moet groot zijn (1)
  • De soortelijke weerstand van het materiaal van de punt van de tang is niet van belang (1)

Mondharp

Een mondharp is een muziekinstrumentje met een metaalplaatje dat maar aan één kant vast zit. Dit metaalplaatje kan als ‘trilplaatje’ gebruikt worden, zie figuur 1. Het instrumentje wordt met de pootjes tegen de voortanden gezet. Zie figuur 2. Door het metaalplaatje aan te slaan , gaat het plaatje trillen en produceert een grondtoon.

figuur 1 figuur 2

Met behulp van een computermeting kan een (u,t)-diagram van de trilling van het metaalplaatje worden gemaakt. Het diagram hiervan is weergegeven in figuur 3. Hierin is de uitwijking uitgezet tegen de tijd. Op de uitwerkbijlage is figuur 3 nogmaals gegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 18 3 punten

Bepaal, met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de frequentie van de grondtoon van deze mondharp.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 82 Hz (met een marge van 5 Hz)

voorbeeld van een antwoord: methode 1

1 0, 295

  • 0,198 Voor de frequentie geldt: f = = , waarin T = 0, 0121 s. T (8) 1 Hieruit volgt = dat f = 82 Hz. 0, 0121
  • completeren van de bepaling (1p)

of

methode 2 Uit de figuur is af te lezen dat er 8 trillingen gemaakt worden in 8 0,295

  • 0,198 = 0,097 s. Hieruit volgt= f = 82 Hz. 0, 097

aantal trillingen

  • inzicht dat geldt f = (1) benodigde tijd
  • bepalen van de benodigde tijd voor minimaal 5 trillingen (1p)

Een andere mondharp heeft een metaalplaatje van 8,5 cm lang, 3,5 mm breed en 0,50 mm dik. Het metaalplaatje is gemaakt van staal.

Vraag 19 3 punten

Bereken de massa van het metaalplaatje.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

m 1, 2 ⋅10−3 kg uitkomst: =

voorbeeld van een antwoord: Voor de massa van het metaalplaatje geldt: m = ρV . Hierin is ρ 7,8 ⋅103 kg m −3 en V = 8,5 ⋅10−2 ⋅ 3,5 ⋅10−3 ⋅ 0,50 ⋅10−3 = 1, 49 ⋅10−7 m3 . = Invullen geeft: m = ρV = 1, 49 ⋅10−7 ⋅ 7,8 ⋅103 = 1, 2 ⋅10−3 kg.

De frequentie van de grondtoon van het metaalplaatje wordt gegeven vd door: fg = c . λ2 Hierin is:

  • fg de frequentie in Hz;
  • v de geluidssnelheid in het materiaal van het metaalplaatje in m s−1;
  • d de dikte van het metaalplaatje in m;
  • λ de lengte van het metaalplaatje in m;
  • c een constante, met een waarde van 0,162.

Vraag 20 3 punten

Toon aan dat de constante c geen eenheid heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: [v ][ d ] . Hieruit volgt dat  f g  [ λ ]2 s −1 m 2  fg  [c ]  =  =   = [c] = 1. [λ ]2 [v ][ d ] m s−1m

Vraag 21 3 punten

Bereken de frequentie van de grondtoon van deze mondharp.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 57 Hz (Binas) of f = 65 Hz (Sciencedata)

voorbeeld van een antwoord: methode 1 Binas vd Voor de frequentie van de grondtoon geldt: f g = c . λ2 = 5,1 ⋅103 m s −1;= Hierin is c = 0,162; vstaal d 0,50 ⋅10−3 m; = λ 8,5 ⋅10−2 m. vd 5,1 ⋅103 ⋅ 0,50 ⋅10−3 Invullen geeft f g = 0,162 ⋅ c 2 = 57 Hz. = λ (8,5 ⋅10−2 ) 2

of

methode 2 Sciencedata vd Voor de frequentie van de grondtoon geldt: f g = c . λ2 Hierin is c = 0,162; vstaal = 5790 m s −1;= d 0,50 ⋅10−3 m; = λ 8,5 ⋅10−2 m. vd 5790 ⋅ 0,50 ⋅10−3 Invullen geeft f g = 0,162 ⋅ c 2 = 65 Hz. = λ (8,5 ⋅10−2 ) 2

vd

Naast de grondtoon produceert een mondharp ook boventonen.

Vraag 22 2 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de plaats van de knopen K en buiken B aan op het metaalplaatje als dit plaatje trilt met de eerste boventoon.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • knoop uiterst links en buik uiterst rechts (1)
  • juiste verdeling en volgorde van knopen en buiken (1)

Een mondharp figuur 4A figuur 4B gebruikt de mondholte en keelholte als klankkast. Deze holtes vormen samen een luchtkolom met een open en een gesloten uiteinde. Door de lengte van deze luchtkolom te veranderen, verandert de klank van de toon, omdat verschillende tonen versterkt worden. Zie figuur 4A en 4B. In figuur 4A is de keelholte open. In figuur 4B staat de mondholte niet meer in verbinding met de keelholte.

Vraag 23 2 punten

Leg uit welke situatie (figuur 4A of 4B) geschikt is voor het versterken van een zo laag mogelijke toon.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: v De laagst mogelijke toon heeft een langere golflengte, want f = . λ (In beide holtes past 0,25 λ.) In beide holtes is de geluidssnelheid hetzelfde, dus de laagste toon heeft de langste golflengte en dus de langste klankkast. De figuur 4A zal dus de lagere toon laten horen.

v

De lengte van de mond- en keelholte tot aan de stembanden is 17 cm. Deze lengte is gelijk aan een kwart van de golflengte. De temperatuur van de lucht in de mond en de keel is 313 K.

Vraag 24 3 punten

Bereken de frequentie van de laagste toon die dan versterkt wordt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

f 5, 2 ⋅102 Hz uitkomst: =

voorbeeld van een antwoord: De klankkast is 17 cm lang, dus 0,25 λ = 0,17 m. Hieruit volgt dat λ = 0,68 m. De geluidsnelheid bij 313 K is 354 m s− 1 (Binas) of 355 m s-1 (Sciencedata). v 354 De frequentie van de laagste toon is dan f= = = 5, 2 ⋅102 Hz. λ 0, 68

Wereldrecord Usain Bolt

Tijdens de wereldkampioenschappen van 2009 in Berlijn liep Usain Bolt een nieuw wereldrecord op de 100 m sprint. Medewerkers van de Internationale Atletiek Federatie (IAF) hebben bij deze race niet alleen de eindtijd gemeten, maar ook de tijd na 20 m, 40 m, 60 m, en 80 m. De metingen zijn uitgezet in een (t,x)-diagram), zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 25 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 1 de gemiddelde snelheid van Usain Bolt over deze race.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 10 m s− 1

voorbeeld van een antwoord: Er geldt: s = vt = waarbij s 100= m en t 9, 6 s. Invullen geeft: 100= v ⋅ 9, 6 100 zodat=v = 10, 42 m = s −1 10 m s −1. 9, 6

Het team van de IAF beweerde dat Usain Bolt tijdens zijn race een snelheid haalde van bijna 45 km h−1.

Vraag 26 4 punten

Leg met behulp van figuur 1 uit of deze bewering klopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bolt haalt zijn maximale snelheid vanaf 40 m. De snelheid is daar

100

  • 40 60 v= = = 12, 24 m s −1 = 12, 24 ⋅ 3, 6 = 44 km h −1. 9, 6
  • 4, 7 4,9 Dit is bijna 45 km h− 1.

∆x

Usain Bolt legde de eerste 20 m af in 2,86 s. Hij had na dit interval een snelheid van 10 m s−1. De metingen toonden aan dat Bolt in dit interval niet eenparig versnelde vanaf stilstand. Usain Bolt heeft een massa van 93 kg.

Vraag 27 3 punten

Bereken het (gemiddelde) vermogen dat Usain Bolt minstens moest leveren om een snelheid van 10 m s−1 te halen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: P = 1, 6 ⋅103 W

voorbeeld van een antwoord: Bolt heeft na 2,86 s een Ek =12 mv 2 =12 ⋅ 93 ⋅102 =4, 65 ⋅103 J. Het vermogen dat hij hiervoor moet leveren is dan ∆Ek 4, 65 ⋅103 P = = = 1, 6 ⋅103 W. t 2,86

∆Ek

Tijdens de start zetten figuur 2 sprinters zich schuin naar voren af. Alleen de horizontale component van de afzetkracht wordt gebruikt om de atleet te versnellen over de baan. In de biomechanica wordt de verhouding van de horizontale component ten opzichte van de totale afzetkracht de efficiëntie genoemd. In figuur 2 is de totale afzetkracht met een vectorpijl weergegeven. Deze figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage.

Vraag 28 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de efficiëntie van Bolt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 0,84

voorbeeld van een antwoord:

De horizontale component van de vector van de afzetkracht is 3,2 cm lang; 3, 2 de vector van de afzetkracht is 3,8 cm. De efficiënte is dan = 0,84. 3,8

Usain Bolt deed ook mee in de estafetteploeg. Hierbij moet alleen de eerste sprinter vanuit stilstand vertrekken. De overige sprinters mogen al snelheid maken voor ze aan hun 100 m beginnen. Bij de estafette vertrok Usain Bolt niet als eerste. Op de uitwerkbijlage is figuur 1 nogmaals weergegeven.

Vraag 29 2 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel tijdswinst Usain Bolt maximaal kan behalen door niet vanuit stilstand te vertrekken. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 1,5 s (met een marge van 0,2 s)

voorbeeld van een antwoord: Als Usain Bolt niet vanuit stilstand hoeft te vertrekken, kan hij het met een snelheid die hij vanaf 40 m en verder heeft, beginnen. De grafiek in figuur 1 vanaf 40 m kan dan doorgetrokken worden tot x = 0. Het snijpunt met de t-as geeft de tijdwinst. Dit is 1,5 sec.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1023-a-21-3-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3?

Het centraal examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), geluid en trillingen (6) en energie en arbeid (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2021, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1023-a-21-3-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.