Eindexamen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Straling tijdens vliegen, Ruimtepuin, Kreukelzone, Ocarina, Koffiepercolator.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (4), krachten (4) en energie en arbeid (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling1-44
Krachten7, 9, 11-124
Energie en arbeid8, 13-154
Geluid en trillingen16-194
Elektriciteit10, 20, 233
Warmte21-22, 243
Astrofysica5-62

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over energie en arbeid (17% van de vragen, gemiddeld 10%). Minder over beweging (0% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Straling tijdens vliegen

Hoog in de atmosfeer ontstaan snelle neutronen en gammastraling door kosmische straling. Hoe hoger iemand zich in de atmosfeer bevindt, hoe groter de schadelijke invloed van deze straling is. Studenten hebben daarom onderzoek gedaan naar de ontvangen dosis als gevolg van snelle neutronen en gammastraling tijdens een vlucht in een vliegtuig.

De wand van een vliegtuig is gemaakt van aluminium met een dikte van 2,2 mm. De gammastraling heeft een frequentie van 2,4·1020 Hz.

Vraag 1 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de energie van een foton van deze gammastraling in MeV.
  • Leg met Binas-tabel 28F of Sciencedata-tabel 5.9 uit of de wand van een vliegtuig veel bescherming biedt tegen deze straling.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Ef = 0, 99 (MeV)

voorbeeld van een antwoord:

  • Voor de fotonenergie geldt: Ef = hf = 6, 63 · 10 −34 · 2, 4 · 10 20 = 1, 59 · 10 −13 J. Dit komt overeen met Ef = 0, 99 · 106 eV = 0,99 MeV.
  • De halveringsdikte van aluminium voor gammastraling met een fotonenergie van 0,99 MeV is ongeveer 4,2 cm. Dit is veel groter dan de dikte van de wand van een vliegtuig. De meeste gammastraling zal de aluminium wand passeren, de wand biedt dus niet veel bescherming.

Net als gammastraling hebben de snelle neutronen ioniserende eigenschappen. Om snelle neutronen te detecteren wordt een zogenaamde bubbeldetector gebruikt. Dit is een doorzichtige buis gevuld met vloeistof. Als deze vloeistof wordt geraakt door snelle neutronen ontstaan er bellen in de vloeistof. Deze bellen blijven aanwezig tot de bellendetector gereset wordt. Zie figuren 1 en 2.

figuur 1 figuur 2

Om de bubbeldetector vóór de vlucht te testen, hebben de studenten hem naast een bron met Americium-241 en Beryllium-9 gelegd. Am-241 is een alfastraler.

Vraag 2 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie van Am-241.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

95 Am → 93 Np + 2 He (+ γ)

241 237 (4)

Beryllium-9 neemt een alfadeeltje op. Hierbij ontstaan een nieuw deeltje en een snel neutron. Op de uitwerkbijlage staat een deel van deze reactie weergegeven.

Vraag 3 3 punten

Maak de vergelijking op de uitwerkbijlage af.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • atoomnummer van Beryllium correct (1)
  • massagetal en ‘atoomnummer’ van het neutron correct (1)
  • voor de dochterkern een consequente berekening van het atoomnummer en consequente notatie (1)

Snelle neutronen zijn in staat om door de wand van een vliegtuig te dringen. De studenten hebben de bubbeldetector meegenomen tijdens de vlucht om de ontvangen dosis als gevolg van de snelle neutronen te bepalen. Een tweede, identieke bubbeldetector is ter controle achtergebleven op de grond. Beide detectoren zijn direct na de vlucht geanalyseerd. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

In de technische gegevens van de gebruikte bubbeldetectoren staat:

Bij een neutronenergie van 1 MeV ontstaan 3 bubbels per 5,0 ·10−8 Gy ontvangen stralingsdosis.

Vraag 4 4 punten

Bepaal met behulp van figuur 3 de extra opgelopen equivalente dosis door neutronen tijdens de vlucht. Ga hierbij uit van neutronen met een energie van 1 MeV.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking In Sciencedata moet de stralingsweegfactor uit het diagram bepaald worden binnen het bereik 19 ≤ wR ≤ 21.

Ruimtepuin

Versleten satellieten en brokstukken van gebotste satellieten vliegen als ruimtepuin rond de aarde. In 2018 heeft een kunstenaar geprobeerd om mensen bewust te maken van dit ruimtepuin, dat vanaf de aarde onzichtbaar is. Hij heeft met lasers vanaf de grond de positie van ruimtepuin op hoogtes tussen 2,0·105 m en 2,0·107 m aangeduid. Zie een artist’s impression in figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

In 2009 vond de eerste botsing tussen twee satellieten plaats. Door deze botsing ontstonden veel brokstukken die nu nog om de aarde cirkelen. De baansnelheid van een van de satellieten in zijn cirkelbaan voor de botsing was 7,75·103 m s−1.

Vraag 5 5 punten

Toon met een berekening aan of deze botsing plaatsvond op een hoogte die de kunstenaar met de lichten heeft aangeduid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor een satelliet in een cirkelbaan om de aarde geldt: mv 2 mM Fmpz = Fg → =G 2 r r Hieruit volgt voor de baanstraal: GM 6, 674 ·10−11 · 5,972 ·1024 v= → 7, 75 ·103 = → r = 6, 636 ·106 m. r r En voor de hoogte boven het aardoppervlak: h = r

  • RA = 6, 636 ·106
  • 6,371 ·106 = 0, 265 ·106 m. Dit ligt binnen de grenzen die de kunstenaar heeft aangeduid.

Om botsingen te voorkomen wordt figuur 2 tegenwoordig al vóór de lancering van nieuwe satellieten nagedacht over het opruimen ervan aan het einde van de levensduur. Een mogelijke oplossing voor een geostationaire satelliet is om hem aan het einde van zijn leven naar een speciale baan om de aarde te brengen: de kerkhofbaan. Zie figuur 2. Deze figuur is schematisch en niet op schaal.

Voor de overgang van de geostationaire baan naar de kerkhofbaan moet 7,0 MJ arbeid worden verricht. Deze arbeid wordt geleverd door een stuwraket die brandstof verbrandt met een rendement van 64%. De brandstof die wordt gebruikt, heeft een stookwaarde van 19,4∙106 J kg−1. De orde van grootte van de massa van een kleine satelliet is 100 kg.

Vraag 6 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken hoeveel kilogram brandstof nodig is om de satelliet in de kerkhofbaan te krijgen.
  • Leg uit op basis van deze hoeveelheid of dit een haalbare mogelijkheid is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: m = 0,56 (kg)

voorbeeld van een antwoord:

  • Uit het rendement volgt voor de totaal benodigde (chemische) energie:

E E 7, 0 ·106 η = nuttig → Ein = nuttig = = 1, 09 ·107 J. Ein η 0, 64 Dus:

E 1, 09 ·107 Ech = rm m → m = ch = = 0,56 kg. rm 19, 4 ·106

  • De massa van de brandstof is laag ten opzichte van de massa van de satelliet, dus het is een haalbare mogelijkheid.

Enuttig

Voor brokstukken die zijn ontstaan na een botsing, is een kerkhofbaan sowieso geen oplossing. Een voorstel is om dit ruimtepuin op te ruimen door bestraling met zeer krachtige lasers vanaf de aarde.

Door de bestraling met lasers neemt de snelheid van een brokstuk een beetje af. Hierdoor komt het dichter bij de aarde en zal het uiteindelijk door een snelle toename van temperatuur verdampen.

Vraag 7 1 punt

Welke kracht is de directe oorzaak voor deze snelle toename van temperatuur?

  1. A gravitatiekracht
  2. B luchtweerstandskracht
  3. C middelpuntzoekende kracht
  4. D zwaartekracht

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

De lasers verrichten arbeid en remmen hierdoor een brokstuk af. Dergelijke opruimacties zijn al gemodelleerd door wetenschappers, maar zouden de lasers van de kunstenaar ook krachtig genoeg zijn om een brokstuk voldoende af te remmen? De arbeid die deze lasers samen per seconde verrichten op het brokstuk is 1·102 J. De snelheid van dit brokstuk (m = 2 kg) moet worden verlaagd van 7,6∙103 m s−1 naar 7,5∙103 m s−1. De lasers raken het brokstuk in totaal

1 minuut.

Vraag 8 4 punten

Leg met behulp van een berekening uit of deze lasers in dat geval genoeg arbeid verrichten om het brokstuk voldoende af te remmen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de verandering in kinetische energie van het brokstuk geldt: ΔEk = 12 mvv2

  • 12 mvn2 = 12 · 2 · ((7, 6 ·103 ) 2
  • (7,5 ·103 ) 2 ) = 1,51 ·106 J. Voor de totale arbeid die de lasers samen leveren, geldt: W = Pt = 1 ·102 · 6 ·101 = 6 ·103 J. Deze lasers verrichten dus niet genoeg arbeid.

Kreukelzone

Inzittenden van een auto worden tijdens een botsing onder andere beschermd door kreukelzones. Jeroen wil het effect van een kreukelzone tijdens een botsing onderzoeken door een karretje van een helling te laten rijden en tegen een zelfgemaakte krachtsensor te laten botsen. Met een afstandssensor bepaalt hij de plaats van het karretje op de baan tijdens een botsproef. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Deel 1: de krachtsensor Jeroen wil controleren wat de krachtsensor aangeeft voor krachten tot

25 N. Jeroen heeft 25 gewichten van 50 gram. Om tot 25 N te kunnen controleren gebruikt Jeroen een hefboom met draaipunt D waarmee hij met een staafje op de krachtsensor op tafel drukt. Hij kan hier twee verschillende opstellingen ( I of II) voor gebruiken. Zie figuur 2. De massa van de hefboom en het staafje mogen verwaarloosd worden.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 9 3 punten

Leg met de hefboomwet uit welke opstelling (I of II) Jeroen moet gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Jeroen moet een grotere kracht op de krachtsensor uitoefenen dan de zwaartekracht op de 25 gewichten samen. Volgens de hefboomwet moet de arm van de kracht op de gewichten dan langer zijn dan de arm van de kracht op de krachtmeter. Opstelling II voldoet hieraan.

Opmerking Als voor de beredenering gebruik is gemaakt van een berekening waarin een fout is gemaakt: maximaal 2 scorepunten toekennen.

De krachtsensor zelf bestaat uit een figuur 3 serieschakeling van een krachtgevoelige weerstand R1 en een ohmse weerstand R2 van 5,6 kΩ. De weerstand van R1 verandert als er een grotere of kleinere kracht op wordt uitgeoefend.

De spanningsbron levert 5,0 V. Zie figuur 3.

Jeroen heeft het verband tussen de spanning over R2 (de zogenaamde sensorspanning Usensor) en de kracht F op de sensor bepaald. Dit is weergegeven in figuur 4.

[figuur 4: zie het originele examen]

Vraag 10 4 punten

Bepaal de grootte van de krachtgevoelige weerstand R1 bij een kracht van

15 N.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: R1 = 3, 7 ·103 Ω

voorbeeld van een antwoord: Bij een kracht van 15 N is Usensor gelijk aan 3,0 V. Er geldt: U 3, 0 I R1 = I R 2 = sensor = = 5,36 ·10−4 A. R2 5, 6 ·10 3

U R1 = 5, 0

  • 3, 0 = 2, 0 V. U 2, 0 R1 = 1 = −4 = 3, 7 ·103 Ω. I1 5,36 ·10

Als er geen kracht op de krachtsensor werkt, geeft deze sensor toch al een beginspanning U0 die groter is dan 0 V.

Vraag 11 2 punten

Omcirkel op de uitwerkbijlage in elke zin het juiste antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Als de krachtgevoelige weerstand R1 toeneemt, neemt de spanning over deze weerstand R1 toe. De sensorspanning Usensor over weerstand R2 neemt dan af. Om de sensorspanning Usensor op 0 V uit te laten komen moet de krachtgevoelige weerstand R1 oneindig groot worden.

Deel 2: de botsproef Als het karretje in rust tegen de sensor staat, constateert Jeroen dat de krachtsensor al een bepaalde spanning UA geeft die groter is dan U0. Hij concludeert dat dat komt doordat het karretje op een helling staat. Zie figuur 5. De rolweerstandskracht wordt verwaarloosd.

[figuur 5: zie het originele examen]

Het karretje heeft een massa van 0,26 kg. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage. De zwaartekracht Fz is op schaal ingetekend. In deze situatie is de kracht F op de sensor even groot als de component van Fz parallel aan de helling.

Vraag 12 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Construeer in de figuur op de uitwerkbijlage deze component van Fz.
  • Bepaal de grootte van UA met behulp van figuur 4.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: UA = 0,5 V

voorbeeld van een antwoord:

–

Voor de zwaartekracht geldt: Fz = mg = 0, 26 · 9,81 = 2,55 N. Uit de lengte van de vector Fz kan de schaal bepaald worden:

1 cm Α 0,5 N. Uit de lengte van de vector F volgt: F = 0,6 N. De bijpassende waarde voor UA kan bepaald worden uit het diagram: UA = 0,5 V

Jeroen test de opstelling. Hij laat het karretje (m = 0, 26 kg) van de helling rijden en tegen de krachtsensor botsen. Van deze test maakt hij een (x,t)-diagram. Dit (x,t)-diagram staat op de uitwerkbijlage.

Vraag 13 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de maximale kinetische energie van het karretje tijdens deze test. Geef in de figuur aan hoe je aan je antwoord komt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Ek = 0, 29 J ( 0, 20 J ≤ Ek ≤ 0,36 J )

voorbeeld van een antwoord:

De snelheid vlak voor de eerste botsing is te bepalen met een raaklijn aan de grafiek op t = 0,70 s. Δx 0, 70 Hieruit volgt: v = = = 1, 49 m s −1. Δt raaklijn 0,82

  • 0,35 Voor de kinetische energie geldt: Ek = 12 mv 2 = 12 · 0, 26 ·1, 49 2 = 0, 29 J.

Vervolgens voert Jeroen vanaf andere hoogtes twee vergelijkbare botsproeven uit. Hij laat het karretje naar beneden rijden en tegen de krachtsensor botsen. Eén keer botst het karretje direct tegen de sensor. Daarna botst het met een vervormbaar luciferdoosje als kreukelzone tussen het karretje en de krachtsensor. Zie figuur 6. De massa van het luciferdoosje is verwaarloosbaar.

[figuur 6: zie het originele examen]

Van beide botsproeven maakt Jeroen een (F, x)-diagram. Hierin is x de plek van het karretje op de baan. Deze diagrammen staan vereenvoudigd op de uitwerkbijlage. De oppervlakte onder iedere grafiek is de arbeid die de krachtsensor heeft verricht om het karretje af te remmen. Jeroen constateert dat de kreukelzone tijdens de botsing een deel van de energie van het karretje heeft geabsorbeerd. Beide botsingen vinden met dezelfde snelheid plaats.

Vraag 14 3 punten

Bepaal met behulp van de diagrammen op de uitwerkbijlage de energie die de kreukelzone tijdens de botsing heeft geabsorbeerd. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: E = 0,110 J (met een marge van 0,002 J)

voorbeeld van een antwoord: Zonder kreukelzone heeft de sensor een arbeid verricht van (0,502

  • 0, 480) · 24, 0 = 0, 264 J. 2 Met kreukelzone heeft de sensor een arbeid verricht van (0,508
  • 0, 480) ·11, 0 = 0,154 J. 2 De kreukelzone heeft 0, 264
  • 0,154 = 0,110 J energie geabsorbeerd.

Opmerking Als een kandidaat voor de botsing zonder kreukelzone de (foutieve) uitkomst gebruikt van vraag 13: dit niet aanrekenen.

Jeroen trekt naar aanleiding van zijn onderzoek een aantal conclusies over grootheden die kunnen veranderen door het gebruik van een kreukelzone. Deze conclusies staan op de uitwerkbijlage.

Vraag 15 2 punten

Geef per conclusie met een kruisje aan of deze juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Conclusie Jeroen juist onjuist De afgelegde afstand is tijdens een botsing met kreukelzone groter dan tijdens een botsing met X hetzelfde snelheidsverschil zonder kreukelzone. De tijdsduur van een botsing met kreukelzone is even lang als de tijdsduur van een botsing met hetzelfde X snelheidsverschil zonder kreukelzone. De maximale kracht op het karretje is tijdens een botsing met kreukelzone gelijk aan de maximale X kracht op het karretje tijdens een botsing met hetzelfde snelheidsverschil zonder kreukelzone. indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (2)

Ocarina

Een ocarina is een blaasinstrument dat bestaat uit een romp en een hals. De ocarina wordt aangeblazen door de hals. In de romp zitten diverse gaten die tijdens het spelen met de vingers kunnen worden afgesloten om verschillende tonen te maken. Zie figuren 1 en 2.

figuur 1 figuur 2

Met de ocarina wordt een toon gespeeld. In figuur 3 staat het oscillogram van deze toon.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 16 2 punten

Bepaal met behulp van figuur 3 de frequentie van deze toon. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 6,3 ·102 Hz (met een marge van 0,1 ·102 Hz )

voorbeeld van een antwoord: Er zijn 17 trillingen in 27 ms. Hieruit volgt:

1 (1) f = = = 6,3 ·102 Hz. T 27 ·10−3 17

1 benodigde tijd

Een ocarina produceert op een bijzondere manier geluid: hij werkt als een massa-veersysteem. In figuur 4 is een vereenvoudigd model van dit systeem van de ocarina uit figuur 1 weergegeven.

[figuur 4: zie het originele examen]

De lucht in de hals heeft een massa (m). Deze massa wordt als constant beschouwd. De lucht in de hals trilt op en neer. Door de op- en neergaande beweging van de luchtmassa in de hals, werkt de lucht in de romp als een soort veer met veerconstante C die samengedrukt en uitgerekt wordt.

De ocarina brengt een bepaalde toon voort met een trillingstijd van 2,5∙10‒3 s. De lucht in de hals van de ocarina in figuur 1 heeft een volume van 1,9∙10‒5 m3.

Vraag 17 3 punten

Bereken de grootte van de veerconstante C die uit het model volgt. Noteer het antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: C = 1,5 ·102 N m −1

voorbeeld van een antwoord: Voor de massa van de lucht in de hals geldt: m = ρV = 1, 29 ·1,9 ·10−5 = 2, 45 ·10−5 kg. Hieruit volgt: m 2, 45 ·10−5 T = 2π → 2,5 ·10−3 = 2π → C = 1,5 ·102 N m −1.

Voor de ocarina geldt dat de golflengte van het geluid altijd even groot als of groter dan de lengte van het instrument zal zijn.

Vraag 18 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Maak met behulp van figuur 2 een beredeneerde schatting van de frequentie die deze ocarina produceert als de golflengte gelijk is aan de lengte van het instrument.
  • Beredeneer of dit de hoogste of de laagste frequentie is die deze ocarina kan produceren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 2 ·103 Hz

voorbeeld van een antwoord:

  • Het instrument in figuur 2 heeft ongeveer dezelfde lengte als een hand, dus λ = λ = 15 cm. Hieruit volgt: v 343 f = = = 2 ·103 Hz. λ 0,15
  • De golflengte kan ook groter zijn dan de lengte van het instrument. Uit v = λ f volgt dat (bij gelijke geluidssnelheid) een grotere golflengte een lagere frequentie oplevert. Het is dus de hoogste toon die de ocarina kan produceren.

Voor de trillingstijd T van een toon die een ocarina produceert, geldt:

Vd T =k· (1) A

Hierin is:

  • A de totale oppervlakte van de (niet-afgesloten) gaten;
  • d de wanddikte van de ocarina;
  • V het volume van de romp;
  • k een constante.

Een ocarina wordt gemaakt van klei. Nadat de klei is gedroogd, wordt de ocarina verder afgebakken in een oven. Tijdens het afbakken wordt het volume van de romp van de ocarina iets kleiner en wordt de toon van de ocarina anders dan wanneer deze volumeverandering niet zou plaatsvinden. De wanddikte blijft bij benadering constant. Om na het bakken de juiste toonhoogte te krijgen, moet men een gat kleiner maken met klei of groter slijpen.

Vraag 19 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Beredeneer met behulp van formule (1) of de toon van een ocarina door de volumeverandering tijdens het afbakken hoger of lager wordt.
  • Beredeneer of na het bakken een gat groter of kleiner moet worden gemaakt om de oorspronkelijke toonhoogte terug te krijgen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

− Uit de formule (1) volgt dat bij het afnemen van V de trillingstijd T 1 afneemt. Uit f = volgt dat f toeneemt. De toon wordt dus hoger. T

  • Om T gelijk te houden als V afneemt, moet A kleiner worden. Een gat moet dus kleiner gemaakt worden na het bakken.

Koffiepercolator

Een percolator is een apparaat dat in figuur 1 één keer een grote hoeveelheid koffie kan zetten en kan warmhouden.

Een percolator wordt met een verlengsnoer aangesloten op een stopcontact. Zie figuur 1.

Wanneer het verlengsnoer bij gebruik niet volledig is afgerold, ontstaat er brandgevaar bij overbelasting. Op het verlengsnoer is aangegeven hoeveel stroom er maximaal door de kabel mag lopen wanneer hij opgerold of afgerold wordt gebruikt. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Het vermogen van de koffiepercolator is tijdens het koffiezetten 1,5 kW. De koffiepercolator werkt op 230 V.

Vraag 20 3 punten

Toon met een berekening aan of het snoer moet worden afgerold voor gebruik.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de stroomsterkte door de percolator geldt: P 1,5 ·103 I= = = 6,5 A. U 230 Deze stroom is hoger dan de 4,4 A die door het opgerolde verlengsnoer mag, dus het verlengsnoer moet afgerold worden.

In figuur 3 is het (T,t)-diagram weergegeven van de koffie in een percolator.

[figuur 3: zie het originele examen]

Tijdens fase I wordt de koffie gezet. Er wordt koffie gezet met 3,0 L water. De stofeigenschappen van koffie zijn gelijk aan die van water. Gedurende het koffiezetten is het vermogen van de koffiepercolator 1,5 kW.

Vraag 21 4 punten

Bepaal met behulp van figuur 3 het rendement van het verwarmen van het water in de koffiepercolator tijdens fase I. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: η = 0, 44 ( = 44%) (met een marge van 3%)

voorbeeld van een antwoord: Voor de warmte die de koffie heeft opgenomen, geldt: Q = cmΔT = 4,18 ·103 · 3, 0 · (94

  • 15) = 9,91 ·105 J. Voor de elektrische energie die de percolator heeft opgenomen, geldt:

E = Pt = 1,5 ·103 · 25 · 60 = 2, 25 ·106 J. Voor het rendement volgt:

E Q 9,91 ·105 η = nuttig = = = 0, 44 (= 44%). Ein Ee 2, 25 ·106

  • gebruik van E = Pt (1) Enuttig

De percolator staat warmte af aan de omgeving. Het energieverlies per seconde aan de omgeving wordt Pverlies genoemd. Zodra de koffie een temperatuur van 94 °C heeft bereikt is hij klaar en schakelt het apparaat over op een lager elektrisch vermogen om de koffie warm te houden. Dit is fase II in figuur 3. Op de uitwerkbijlage staat een tabel over figuur 3.

Vraag 22 2 punten

Geef in de tabel voor drie tijdstippen met een kruisje aan of Pelektrisch groter is dan, even groot is als of kleiner is dan Pverlies.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Pelektrisch > Pelektrisch = Pelektrisch < Pverlies Pverlies Pverlies Op t = 10 min X geldt: Op t = 100 min X geldt: Op t = 500 min X geldt: indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (2)

De verwarming van de percolator bestaat uit drie weerstanden R1, R2 en R3. In figuur 4 is het schakelschema weergegeven van het systeem dat gebruikt wordt.

[figuur 4: zie het originele examen]

Gedurende fase I is een groot vermogen ingeschakeld om te verwarmen. Gedurende fase II is een klein vermogen ingeschakeld om warm te houden. Het omschakelen van fase I naar fase II gebeurt door een (temperatuurgestuurde) schakelaar S.

Vraag 23 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg met behulp van de stroomsterkte uit of voor een groot elektrisch vermogen een grote of kleine totale weerstand nodig is.
  • Geef aan of de schakelaar tijdens fase I open of gesloten moet zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Voor een groot elektrisch vermogen is een grote stroomsterkte nodig. Voor een grote stroomsterkte moet de totale weerstand klein zijn.
  • (Om tijdens fase I een kleine totale weerstand/grote stroomsterkte te krijgen moet de vervangingsweerstand van R2, R3 en S zo klein mogelijk zijn.) Schakelaar S moet gesloten zijn tijdens fase I.

Opmerking Als voor de uitleg gebruik is gemaakt van een berekening waarin een fout is gemaakt: maximaal 2 scorepunten toekennen.

De ketel van deze percolator is gemaakt van enkelwandig massief roestvrij staal. De fabrikant levert ook een percolator met een dubbele wand van roestvrij staal. De holle ruimte tussen de binnenwand en de buitenwand is vacuüm gemaakt.

Vraag 24 1 punt

Geef aan welke vorm van warmtetransport naar de buitenlucht wel volledig wordt tegengehouden door een holle wand met vacuüm, maar niet door een massieve wand van roestvrij staal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als (ook) straling of stroming is genoemd: geen scorepunt toekennen

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-22-2-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (4), krachten (4) en energie en arbeid (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2022, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-22-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.