Eindexamen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Muzikale schelp, Veilig ontsnappen, Uraniumkubus, Verwarmde inlegzolen, Vloeibare telescoop, Beugel.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), elektriciteit (4) en geluid en trillingen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling8-136
Elektriciteit14, 16-184
Geluid en trillingen1-33
Krachten7, 22-233
Astrofysica19-213
Beweging4-52
Energie en arbeid61
Grootheden en eenheden151

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over straling (26% van de vragen, gemiddeld 18%). Minder over warmte (0% van de vragen, gemiddeld 8%) en energie en arbeid (4% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Muzikale schelp

Wetenschappers hebben een schelp gevonden van 18 duizend jaar oud die vermoedelijk als blaasinstrument is gebruikt. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Een ervaren muzikant slaagde erin om diverse tonen op de schelp te spelen. Van een van die tonen is een oscillogram gemaakt. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 1 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 2 de laagste frequentie van deze toon. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 455 Hz (met een marge van 2 Hz)

voorbeeld van een antwoord: Er worden 9 trillingen gemaakt in 19,8 ms. Hieruit volgt:

1 (1) f = = = 455 Hz. T (19,8 ·10−3 / 9)

benodigde tijd (1)

Tijdens het spelen ontstaan staande golven in de schelp. De schelp kan voor de grondtoon worden opgevat als een (spiraalvormige) luchtkolom met twee buiken B bij de open uiteinden en een knoop K in het midden. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

De grondtoon van de schelp heeft een frequentie van 2,8·102 Hz. De omgevingstemperatuur is 20 °C.

Vraag 2 3 punten

Bereken de lengte van de luchtkolom.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: l = 0, 61 m

voorbeeld van een antwoord: v 343 Er geldt: v = f λ → λ = = = 1, 225 m. f 2,8 ·102 Bij de grondtoon is de afstand tussen twee buiken gelijk aan een halve golflengte, dus l = 12 λ = 0, 61 m.

De muzikant maakt de opening aan het uiteinde van de schelp dicht en hoort een andere grondtoon.

Vraag 3 3 punten

Leg uit met behulp van een schets met knopen (K) en buiken (B) of deze grondtoon hoger of lager is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De buis heeft nu een open en een gesloten uiteinde met een buik en een knoop:

De golflengte van de grondtoon is daardoor langer geworden. Dat betekent dat (bij gelijkblijvende geluidssnelheid) de frequentie is afgenomen/de toon lager is geworden.

Veilig ontsnappen

Als er brand uitbreekt in een windmolen tijdens het onderhoud, moeten monteurs de windmolen zo snel mogelijk kunnen verlaten.

[figuur 1: zie het originele examen]

Daarom zijn er twee belangrijke ontwerpeisen:

I. De windmolen moet via de buitenkant verlaten kunnen worden. II. Het landen op de grond moet met een veilige vertraging gebeuren.

Basejumpen is een manier om te ontsnappen. Basejumpen is parachutespringen van lage hoogte, zoals van een gebouw. Na een korte vrije val opent de parachute. In figuur 2 zijn vier diagrammen weergegeven waarin de afgelegde afstand s is uitgezet tegen de tijd t.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 4 1 punt

Welk diagram komt het best overeen met het (s,t)-diagram van een basejump?

  1. A diagram I
  2. B diagram II
  3. C diagram III
  4. D diagram IV

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Tijdens een test van een basejump is een (v,t)-grafiek gemaakt van afsprong tot landing. Zie figuur 3. De test was van een hoogte van 36 m.

[figuur 3: zie het originele examen]

Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage. Een menselijk lichaam kan veilig blootgesteld worden aan een versnelling van maximaal 60 m s─2 direct na het openen van de parachute.

Vraag 5 3 punten

Toon met een bepaling aan of de maximale versnelling direct na het openen van de parachute aan deze veiligheidseis voldoet. Laat in de figuur zien hoe je aan je antwoord komt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: amax = 35, 6 ms −2 (met een marge van 12, 0 ms −2 )

voorbeeld van een antwoord:

Uit de raaklijn aan de grafiek vlak na het openen van de parachute volgt: Δv 16, 0 a= = = 35, 6 m s −2 . Dat is lager dan de veiligheidseis. Δt 1,90

  • 1, 45

Een basejump kan gevaarlijk zijn. Daarom is er ook een systeem ontwikkeld om met een constante snelheid af te dalen aan een staalkabel. Om deze snelheid constant te houden, wordt er continu geremd door een remsysteem met een remschijf. Dit remsysteem is boven in de windmolen bevestigd. Zie figuur 4.

[figuur 4: zie het originele examen]

Aan het remsysteem is een aantal aanvullende ontwerpeisen gesteld:

III. Er moet 280 kg (twee monteurs met uitrusting samen) aan één kabel kunnen afdalen. IV Tijdens gebruik mag de temperatuur van de remschijf door wrijvingswarmte maximaal 600 °C worden bij een omgevingstemperatuur van 50 °C. V. Het systeem kan gebruikt worden tot 150 m hoogte.

Het systeem gebruikt een remschijf die tijdens de afdaling wrijving ondervindt en opwarmt. De remschijf mag tijdens gebruik niet oververhit raken, want dan verliest hij zijn werking. De remschijf is gemaakt van ijzer. Tijdens de afdaling wordt 85% van de wrijvingswarmte opgenomen door de remschijf.

Vraag 6 5 punten

Bereken de minimale massa van de remschijf. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: m = 1,4 kg

voorbeeld van een antwoord: Voor de warmte die in de remschijf wordt opgenomen geldt: Q = η Ez = η mgh = 0,85 · 280 · 9,81·150 = 3,50 ·105 J. Voor de massa van de remschijf geldt: Q 3, 50 ·105 Binas: m = = = 1, 4 kg. cΔ T 0, 46 ·103 · (600

  • 50) Q 3,50 ·105 Sciencedata: m = = = 1, 4 kg. cΔ T 0, 449 ·103 · (600
  • 50)

Bij een veilige landing mag de vertraging niet groter zijn dan 10 m s–2. Een monteur met gereedschap heeft een massa van 140 kg. Tijdens de landing wordt deze massa over een afstand van 20 cm afgeremd doordat de monteur de knieën buigt.

Vraag 7 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de maximale resulterende kracht tijdens een veilige landing.
  • Bereken met de wet van arbeid en kinetische energie de maximale snelheid waarmee het systeem de monteur veilig kan laten landen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Fres = 1, 4 ·103 N v = 2, 0 ms −1

voorbeeld van een antwoord:

  • Tijdens een veilige landing is de maximale resulterende kracht op de monteur gelijk aan Fres = ma = 140 ·10 = 1, 4 ·103 N.
  • Er geldt:

2 Fres s 2 ·1, 4 ·103 · 0, 20 Ek = W → 12 mv 2 = Fres s → v = = = 2, 0 m s −1. m 140

Uraniumkubus

In 2013 werd een kubus van uranium met een mysterieus briefje afgeleverd bij de Universiteit van Maryland. Zie figuren 1 en 2. Op het briefje stond ‘Afkomstig uit een kernreactor die Hitler probeerde te bouwen.’

figuur 1 figuur 2

De universiteit kreeg meer identieke blokjes. Om te achterhalen of de stelling op het briefje waar was, zijn onderzoekers later verschillende metingen gaan uitvoeren. De onderzoekers wilden nagaan:

  • of het blokje uit puur uranium (uraan) bestaat.
  • of er in dit blokje kernsplijting heeft plaatsgevonden.
  • of dit blokje uranium rond 1945 geproduceerd kan zijn.

De massa van de massieve kubus is 2,27 kg en de zijden hebben een lengte van 5,08 cm.

Vraag 8 3 punten

Ga met een berekening na of de kubus uit puur uranium (uraan) bestaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het volume van de kubus is gelijk aan V = (5, 08 ·10−2 )3 = 1,31 ·10−4 m3 . De dichtheid van de kubus is daarmee gelijk aan m 2, 27 ρ= = −4 = 17,3 ·103 kg m −3 . De dichtheid van puur uraan is V 1,31 ·10

19 ·103 kg m −3 (Binas tabel 8, Sciencedata tabel 8.1), dus de kubus bestaat niet volledig uit uraan.

Als uranium in een kernreactor gebruikt wordt, vindt een proces genaamd kernsplijting plaats. Bij deze kernsplijting ontstaat onder andere het radioactieve Cs-137. De onderzoekers willen dus weten of er Cs-137 in de kubus aanwezig is.

Als Cs-137 vervalt, komt daarbij ook gammastraling vrij.

Vraag 9 3 punten

Geef de volledige vergelijking van de vervalreactie van Cs-137.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

137 137 (0)

55 Cs → 56 Ba + −1 e + γ

De gammafotonen die vrijkomen bij verval van Cs-137 hebben een golflengte van 1,875 ·10−12 m .

Om te bepalen of er Cs-137 in de kubus aanwezig is, hebben de onderzoekers gemeten hoeveel gammafotonen de kubus uitzendt bij verschillende foton-energieën. Het resultaat hiervan staat in figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

Hun conclusie na het bestuderen van figuur 3 was dat er geen Cs-137 aanwezig is in de kubus.

Vraag 10 3 punten

Toon dat aan met een berekening en figuur 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de energie van de gammafotonen geldt: c 2,998 ·108

E = hf = h = 6, 626 ·10−34 −12 = 1, 059 ·10−13 J. Dit komt overeen λ 1,875 ·10 1, 059 ·10−13 met een foton-energie van −19 = 661 ·103 eV = 661 keV. Bij deze 1, 602 ·10 foton-energie is er geen piek zichtbaar in het diagram van figuur 3.

De afwezigheid van Cs-137 in de kubus heeft twee mogelijke verklaringen: I Alle Cs-137-atomen zijn vervallen sinds de mogelijke productie in 1945. II De kubus is niet gebruikt voor kernsplijting.

Vraag 11 2 punten

Leg uit waarom verklaring I niet kan kloppen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Cs-137 heeft een halveringstijd van 30 jaar. Sinds 1945 zijn dus pas een paar halveringstijden verstreken en niet genoeg om alle Cs-137 te laten vervallen.

Omdat er van nature een kleine hoeveelheid U-234 aanwezig is in uranium, konden de onderzoekers dit gebruiken om de leeftijd van de kubus te bepalen. Dat deden ze door het verloop van de hoeveelheid U-234 en het vervalproduct Th-230 sinds de productie van het uraniumblokje te modelleren. Het model gaat ervan uit dat Th-230 alleen afkomstig is vanuit het verval van U-234. In figuur 4 is het resultaat te zien. Op de verticale as staat de verhouding tussen het aantal kernen van Th-230 en van U-234. Op de horizontale as staat de tijd sinds de productie van het uraniumblokje.

[figuur 4: zie het originele examen]

Voor het model zijn de onderzoekers uitgegaan van de volgende aannames:

1 U-234 is instabiel.

2 Bij de productie van het blokje was de hoeveelheid Th-230 verwaarloosbaar.

3 De halveringstijd van Th-230 is kleiner dan die van U-234.

Op de uitwerkbijlage staat een tabel met enkele waarnemingen over de grafiek in figuur 4. Bij elke waarneming hoort een van de aannames (1, 2 of 3).

Vraag 12 1 punt

Vul in de tabel op de uitwerkbijlage bij iedere waarneming het nummer in van de aanname die erbij past.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

waarneming aanname De lijn begint in de oorsprong. (2) De lijn stijgt. (1) De maximale waarde is kleiner dan 1,0. (3)

Om te bepalen of de uraniumkubus in 1945 is geproduceerd, werd ingezoomd op de eerste honderd jaar in het diagram. Zie figuur 5.

[figuur 5: zie het originele examen]

Om de vraag te beantwoorden of het blokje uit 1945 dateert, hebben de onderzoekers in 2020 de hoeveelheid Th-230-atomen bepaald. Hierbij gingen ze uit van de volgende gegevens:

− 0,0055% van de massa van het blokje bestaat uit U-234-atomen.

  • Het aantal U-234-atomen in het blokje blijft gedurende de eerste

100 jaar bij benadering gelijk.

Het blokje heeft een massa van 2, 27 kg.

Vraag 13 5 punten

Bepaal het aantal Th-230-atomen dat de onderzoekers volgens het model zouden meten als de kubus echt in 1945 is geproduceerd. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: NTh-230 = 6,5 ·1016

voorbeeld van een antwoord: 0, 0055 De massa van de U-234-atomen is · 2, 27 = 1, 25 ·10−4 kg. 100 1, 25 ·10−4 Het aantal U-234-atomen is dan N U

  • 234 = −27 = 3, 22 ·1020.

234 ·1, 6 6 ·10 N Th

  • 230 20,3 ·10−5 De verhouding na 75 jaar is = . N U
  • 234 (1) Het aantal Th-230-atomen is dan NTh −230 = 20,3 ·10−5 · 3, 22 ·1020 = 6, 5 ·1016.

Verwarmde inlegzolen

Verwarmde inlegzolen zijn elektrisch verwarmde zolen die bij koud weer in wandelschoenen gebruikt worden tegen koude voeten. Zie figuur 1. In de figuur zijn vier plekken aangegeven met I, II, III en IV.

[figuur 1: zie het originele examen]

In figuren 2 en 3 is het temperatuurverloop gegeven van de binnenkant van de voet tot buiten de schoenzool. In figuur 2 is het elektrisch verwarmingselement uitgeschakeld. Als de inlegzool ingeschakeld is, wordt na verloop van tijd een nieuw evenwicht bereikt. Zie figuur 3. Alle warmte die de inlegzool produceert, verdwijnt dan door geleiding via de zool naar buiten.

De plekken I, II, III en IV staan op de horizontale as aangegeven. Het materiaal van de inlegzool en schoenzool is in beide situaties hetzelfde.

figuur 2 figuur 3

Op de uitwerkbijlage staan vier uitspraken waarin de situatie met uitgeschakelde inlegzool vergeleken wordt met de situatie met ingeschakelde inlegzool.

Vraag 14 3 punten

Geef per uitspraak met een kruisje aan of deze juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • juist onjuist Het temperatuurverschil tussen de binnenkant van de voet (I) en de buitenkant van de schoenzool (IV) is in X beide situaties gelijk. Het temperatuurverschil tussen de inlegzool (II) en de buitenkant van de schoenzool (IV) is in beide X situaties gelijk. De warmtestroom tussen de rand van de inlegzool (III) en de buitenkant van de schoenzool (IV) is groter X als de verwarming is uitgeschakeld. Als de verwarming is ingeschakeld, is er geen warmtestroom tussen de binnenkant van de voet (I) X en de inlegzool (II). indien vier antwoorden juist (3) indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien één of geen antwoord juist (0) (3)

Maryam maakt zelf verwarmde inlegzolen. Ze wil dat de binnenkant van ° ° de schoenzool minimaal 30 C is als het onder de schoenzool −5 C is. Een wandelschoenzool is gemaakt van rubber en heeft een dikte van 1,8 cm. Maryam heeft een schatting gemaakt van de oppervlakte van de inlegzool. Ze heeft hiermee berekend dat het vermogen per inlegzool 5 W moet zijn.

Vraag 15 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de oppervlakte van de inlegzool die Maryam geschat heeft.
  • Leg uit of Maryam een realistische waarde geschat heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: A = 0, 02 m2

voorbeeld van een antwoord: ΔT (35)

  • Er geldt: P = λ A → 5 = 0,15 · A · −2 → A = 0, 02 m 2 . d 1,8 ·10
  • Dit komt overeen met een inlegzool van 0,1 m breed en 0,2 m lang. Dat is een realistische schatting die past bij een schoenzool.

ΔT

Maryam gebruikt carbontape als elektrische weerstand. Deze tape zet elektrische energie om in warmte. Het materiaal waar de tape van gemaakt is, heeft een soortelijke weerstand van 1,65 ·10−4 Ωm. Ze heeft de keuze tussen tape van 15 mm breed en tape van 32 mm breed. De tape is 0,6 mm dik. Ze wil voor haar ontwerp dat een stuk tape van 30 cm een weerstand van 5,5 Ω heeft.

Vraag 16 3 punten

Toon met een berekening aan of Maryam voor de smalle of de brede tape moet kiezen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit de soortelijke weerstand volgt: RA 5, 5 · A ρ= → 1, 65 ·10−4 = → A = 9, 0 ·10−6 m 2 . l 0, 30

A 9, 0 ·10−6 Voor de breedte van de tape geldt: b = = = 1,5 ·10−2 m. Ze moet d 0, 6 ·10−3 dus de smalle tape kiezen.

Maryam gebruikt twee dezelfde stukken tape om een schakeling te maken voor een schoenzool. Ze kan deze twee stukken draad op twee verschillende manieren aansluiten op de batterij. Zie figuur 4.

[figuur 4: zie het originele examen]

Op de uitwerkbijlage staan zinnen over deze schakelingen.

Vraag 17 3 punten

Omcirkel in iedere zin het juiste antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

In schakeling 1 zijn de twee weerstanden serie geschakeld. In schakeling 2 zijn de twee weerstanden parallel geschakeld.

De vervangingsweerstand van schakeling 1 is groter dan de vervangingsweerstand van schakeling 2.

De stroomsterkte die bij gelijke spanning loopt in schakeling 1 is kleiner dan de stroomsterkte in schakeling 2.

Het elektrisch vermogen van schakeling 1 is bij een gelijke spanning kleiner dan het elektrisch vermogen van schakeling 2.

Per zool gebruikt ze een batterij van 3,7 V met een capaciteit van 3,4 Ah. Het vermogen van een inlegzool is 5,0 W. Maryam wil dat de inlegzool minstens 2,0 uur te gebruiken is met deze batterij.

Vraag 18 3 punten

Toon met een berekening aan of de batterij voldoende capaciteit heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

methode 1 P 5, 0 Er loopt een stroomsterkte I = = = 1, 35 A. U 3, 7 3, 4 Dus voor de tijd geldt: t = = 2, 5 h. 1, 35 Dit is langer dan de gestelde tijd van 2,0 h.

  • completeren van de berekening en consequente conclusie (1p)

of

methode 2 Om aan de gestelde eis te voldoen is er voor de zool een batterij nodig met een energie-inhoud van E = Pt = 5, 0 · 2, 0 = 10 Wh.

E 10 Wh Dit komt overeen met een capaciteit van = = 2, 7Ah. U 3, 7 V Dit is minder dan de echte capaciteit van de batterij, dus de batterij heeft voldoende capaciteit.

Vloeibare telescoop

Met een telescoop kan elektromagnetische straling uit het heelal worden bestudeerd. Om geen last van absorptie van de atmosfeer te hebben, had de NASA ooit het plan om een telescoop op de maan te bouwen.

De telescoop zou bestaan uit een grote bak vloeistof die ronddraait. Hierdoor ontstaat een hol vloeistofoppervlak dat in een telescoop als spiegel gebruikt kan worden. In figuur 1 staat een zijaanzicht van de bak wanneer die stil staat. In figuur 2 staat een zijaanzicht van de bak wanneer die draait.

figuur 1 figuur 2

De NASA heeft deze telescoop nooit gebouwd, maar studenten doen er wel onderzoek naar. De studenten experimenteren met een draaiende waterbak. Zie figuur 3 en het bovenaanzicht in figuur 4. Deze doorzichtige waterbak is heel smal en laat zo een dwarsdoorsnede van de vloeistof zien. Op de waterbak zijn twee punten I en II gemarkeerd. Punt II zit twee keer zo ver van de draaias als punt I.

figuur 3 figuur 4

Vraag 19 2 punten

Omcirkel op de uitwerkbijlage in iedere tabel het juiste antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De baansnelheid v van het water is op plek I ten opzichte van plek II: twee keer zo klein De benodigde middelpuntzoekende kracht is op plek I ten opzichte van plek II: twee keer zo klein per goed antwoord (1) (2)

De studenten onderzoeken het verband tussen de baansnelheid v (zie figuur 4) en de hoek α die het water maakt met de horizontaal tijdens het draaien. Ze kijken daarbij naar het wateroppervlak in punt I en ze variëren de omlooptijd T van de bak. Ze meten de waarde van hoek α bij verschillende T. Zie figuur 5. Punt I staat hierin aangegeven.

[figuur 5: zie het originele examen]

In figuur 6 staan alle resultaten van de studenten.

[figuur 6: zie het originele examen]

Punt I bevindt zich op 6,0 cm afstand van de draai-as. Figuren 5 en 6 staan ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 20 4 punten

Bepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage bij welke baansnelheid v figuur 5 is gemaakt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 0, 42 m s −1

voorbeeld van een antwoord: Uit figuur 5 volgt dat hoek α gelijk is aan 30 graden. Uit figuur 6 blijkt dat de omlooptijd 0,90 s is. Dan geldt voor de baansnelheid: 2πr 2π · 6, 0 · 10 −2 v= = = 0, 42 m s −1. T 0,90

In het NASA-plan lezen de studenten over het volgende verband tussen hoek α en de baansnelheid v : v2 tan α = (1) rg

Hierin is:

  • v de baansnelheid van de vloeistof in een deel van de spiegel −1 (in ms );
  • r de baanstraal van het punt op de spiegel (in m);
  • g de valversnelling (in ms−2 ).

Om op de maan dezelfde spiegel te maken als op de aarde is een andere baansnelheid nodig voor punt I op de spiegel. Bob denkt dat er op de maan een kleinere baansnelheid nodig is. Roel denkt dat er op de maan juist een grotere baansnelheid nodig is.

Vraag 21 2 punten

Leg uit met behulp van formule (1) wie er gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Op de maan is de valversnelling g kleiner. (Hoek α en straal r blijven constant, dus) uit formule (1) volgt dat v kleiner moet zijn. Bob heeft gelijk.

Beugel

Met een beugel kan de stand van tanden aangepast worden. Langs de tanden wordt een draad gespannen die via een slotje tegen de tanden drukt. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Op de uitwerkbijlage is een kaak met een beugel schematisch weergegeven.

De spankracht Fspan in de draad zorgt voor een kracht Ftand op tand P. Hierdoor beweegt tand P langzaam in de richting van Ftand. Hoek α wordt dan kleiner. Tijdens het verplaatsen van tand P wordt Fspan in de draad gelijk gehouden door de draad steeds iets verder in te korten.

Op het moment dat de beugel geplaatst wordt is Ftand = 13 N.

Vraag 22 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal de grootte van de spankracht Fspan met behulp van een constructie op de uitwerkbijlage. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Geef aan of kracht Ftand op de tand groter wordt, kleiner wordt of gelijk blijft als de tand naar binnen beweegt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Fs = 28 N (met een marge van 3 N)

voorbeeld van een antwoord: −

Uit de grootte van Ftand volgt voor de schaal: 1,0 cm Α 5,7 N . Uit de lengte van de pijl Fs volgt Fs = 4,9 · 5,7 = 28 N.

  • Kracht Ftand op de tand wordt kleiner met het naar binnen bewegen van de tand.

Een beugel wordt ook gebruikt om de stand van de kaak aan te passen. Om ervoor te zorgen dat de boven- en onderkaak goed op elkaar aansluiten, worden de boven- en onderkaak door elastiekjes met elkaar verbonden. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Door een elastiekje wordt een kracht Felastiek uitgeoefend op de onderkaak. Op de uitwerkbijlage is deze kracht getekend. Het elastiekje zorgt voor een moment zodat de kaak na verloop van tijd een stukje om draaipunt D gaat draaien.

Na het aanbrengen van het elastiekje oefent het een moment uit. De kaak oefent een tegengesteld moment uit van 37 · 10 −3 N m. Er is momentenevenwicht. Er kan uit verschillende elastiekjes worden gekozen. In de tabel in figuur 3 is voor vier elastiekjes de spankracht gegeven die ze op de kaak kunnen uitoefenen.

[figuur 3: zie het originele examen] elastiekje F (N)

1 0,8

2 1,2

3 1,4

4 1,8

Figuur 2 staat op ware grootte op de uitwerkbijlage.

Vraag 23 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de arm van kracht Felastiek.
  • Bepaal met behulp van de figuur 3 welk elastiekje gebruikt moet worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: −

De lengte van de arm is 2,1 cm. Hieruit volgt voor het moment: F1r1 = F2 r2 → 37 ·10−3 = F2 · 2,1 ·10−2 → F2 = 1,8 N. Hiervoor is elastiekje 4 nodig.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-25-2-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), elektriciteit (4) en geluid en trillingen (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2025, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-25-2-c).

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.