Eindexamen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Koper−67, Buisisolatie, Hyperloop, PWM, Proxima b, s p s p p s p s.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), elektriciteit (5) en warmte (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling1-66
Elektriciteit7, 19-225
Warmte8-125
Beweging13-15, 184
Astrofysica23-264
Krachten16-172

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over warmte (19% van de vragen, gemiddeld 7%) en astrofysica (15% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over geluid en trillingen (0% van de vragen, gemiddeld 14%) en energie en arbeid (0% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Koper−67

Koper-67 (Cu-67) is een geschikte isotoop voor radiotherapie. De halveringstijd van 62 uur is lang genoeg om de stof te laten ophopen in tumorweefsel en dit van binnenuit te bestralen. Het Cu-67 zendt β-straling en γ-straling uit.

Vraag 1 3 punten

Geef de vergelijking van de vervalreactie van Cu-67.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

67 67 0 (0)

29 Cu → 30 Zn + −1 e + 0 γ

Cu-67 kan zowel voor beeldvorming van tumorweefsel als voor behandeling ervan worden gebruikt.

Vraag 2 2 punten

Leg dit uit.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De γ-straling heeft een groot doordringend vermogen waardoor de straling gemakkelijk het lichaam kan verlaten. De straling is daarmee geschikt voor beeldvorming. De β- en/of γ-straling heeft/hebben ioniserend vermogen en is/zijn daarmee geschikt om het tumorweefsel te behandelen.

Cu-67 moet worden geproduceerd. figuur 1 Bij een bepaalde methode worden kernen van zink-70 (Zn-70) beschoten met 71 I x protonen. Als een proton doordringt in een kern Zn-70 ontstaat een nieuwe kern x. In 70 Zn figuur 1 wordt deze reactie weergegeven met pijl I. Deze nieuwe kern x valt direct 69 A daarna uiteen in twee deeltjes. Eén van II 68 die deeltjes is Cu-67. Deze reactie wordt weergegeven met pijl II.

67 Cu

Vraag 3 2 punten

Leg met behulp van figuur 1 uit welk ander deeltje vrijkomt bij deze tweede 66 reactie.

28 29 30 31 32 De kans dat deze reactie lukt is afhankelijk van de kinetische energie van Z de afgeschoten protonen. Dit is weergegeven in figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bij de reactie komt een deeltje vrij bestaande uit 4 nucleonen waarvan

2 protonen. Dit komt overeen met 42 He (of α).

Opmerking Aan het antwoord: 42 He of α zonder uitleg: geen scorepunten toekennen.

[figuur 2: zie het originele examen]

kans

0 5 10 15 20 25 30 35 40 protonenergie (MeV)

Vraag 4 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur de snelheid die de protonen moeten hebben om de kans op succes zo groot mogelijk te maken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

v 5, 4 ⋅107 m s −1 uitkomst:=

voorbeeld van een bepaling: De kans is het grootste bij een kinetische energie van

15 MeV = 15 ⋅1, 60 ⋅10−13 =2, 40 ⋅10−12 J. Voor de snelheid geldt:

2 Ek 2 ⋅ 2, 40 ⋅10−12 v = = −27 = 5, 4 ⋅107 m s −1. m 1, 67 ⋅10

Een tweede methode om Cu-67 te maken is door zink-68 (Zn-68) te beschieten met zeer snelle protonen uit een protonenversneller. Bij deze botsing wordt door het snelle proton een ander proton uit de Zn-68 kern gestoten. Uit de oorspronkelijke Zn-68 kern is dan een proton verdwenen. Deze reactie heeft maar een heel kleine kans van slagen. Er moeten veel protonen worden afgeschoten op het zink om af en toe een koperkern te laten ontstaan.

Voor een bepaalde medische behandeling zijn 3,2·1015 kernen Cu-67 nodig. De protonenversneller levert een protonen-stroomsterkte van

43 μA. Als het verval van Cu-67 wordt verwaarloosd zou het 70 uur duren om genoeg kernen te produceren voor de behandeling.

Vraag 5 3 punten

Bereken hoeveel protonen er gemiddeld afgeschoten moeten worden om één Cu-67 deeltje te produceren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: n = 2,1 ⋅104

voorbeeld van een berekening: De protonen-stroomsterkte is 43 µA = 43 ⋅10−6 Cs −1. Dat komt neer op

43 ⋅10−6 =−19 2, 69 ⋅1014 protonen per seconde. 1, 60 ⋅10 Voor de productie zijn 2, 69 ⋅1014 ⋅ (70 ⋅ 3600) = 6, 77 ⋅1019 protonen afgeschoten per 3, 2 ⋅1015 koperkernen. Dat is 2,1 ⋅104 protonen per koperkern.

Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met de significantie.

In figuur 3 staat het aantal koperkernen uitgezet tegen de tijd. Lijn I geeft de productie van koperkernen weer, zonder rekening te houden met het verval van de koperkernen. Lijn II geeft het werkelijk aantal aanwezige koperkernen als functie van de tijd.

[figuur 3: zie het originele examen] I 7•1015 aantal kernen Cu 6•1015

5•1015

4•1015 II

3•1015

2•1015

1•1015

0

0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 t (uur)

Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 6 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef op de uitwerkbijlage aan hoe lang de productie van 3,2·1015 koperkernen voor één behandeling in de praktijk duurt.
  • Bepaal met de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel koperkernen vervallen tijdens de productie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

antwoord:

  • t = 130 uur (met een marge van 4 uur)
  • Binnen de marge aflezen van de grafiek op n = 3,2·1015 (1p)

voorbeeld van een bepaling:

  • Het aantal kernen dat tijdens de productie vervallen is, is het verschil in aantal kernen tussen lijn I en lijn II op t = 130 uur. Hiervoor geldt: Δ n = 6, 0 ⋅1015
  • 3, 2 ⋅1015 = 2,8 ⋅1015 kernen .

Buisisolatie

Richard wil de verwarmingsbuizen figuur 1 in zijn huis gaan isoleren. Hij maakt een testopstelling om te meten hoe groot het effect van buisisolatie kan zijn. Hij vult een stuk koperen verwarmingsbuis met water. In het water hangt hij twee weerstanden om het water te verwarmen. Deze zijn aangesloten op een regelbare spanningsbron. Hij sluit de buis af met een kurk met een thermometer. Zie figuur 1.

Richard gebruikt twee parallel geschakelde weerstanden. Iedere weerstand heeft een opschrift: “27 Ω, max. 20 W”. Voor het door een weerstand opgenomen vermogen geldt:

U2 P= R

Vraag 7 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leid deze formule af met behulp van formules uit het tabellenboek.
  • Bereken de spanning die nodig is om de weerstanden te laten werken op het maximale vermogen volgens de opschriften.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Ubron = 23 V

voorbeeld van een antwoord:

  • Er geldt: P = UI en U = IR. U  U2 Hieruit volgt: P= U ⋅   . (En dus P = .) R R
  • inzicht dat daaruit volgt dat P= U ⋅   (1) R voorbeeld van een berekening:
    • Door de parallelschakeling staat over iedere weerstand een spanning gelijk aan de bronspanning. Voor deze spanning over een weerstand geldt: U2 U2 P= → 20 = → U = 20 ⋅ 27 = 23 V. R (27)

De buis bevat 26 g water van 18 °C. Het water in de figuur 2 verwarmingsbuizen in huis is 75 °C. thermometer Veronderstel dat er geen energieverlies is.

Vraag 8 4 punten

Bereken de tijd die minimaal nodig is om het water in de proefopstelling te verwarmen tot 75 °C wanneer de twee weerstanden werken op het maximale vermogen volgens de opschriften.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

t 1,5 ⋅102 s uitkomst: =

voorbeeld van een berekening: Voor de warmte die aan het water wordt toegevoerd geldt: Q= cm∆T= 4,18 ⋅103 ⋅ 26 ⋅10−3 ⋅ (75

  • 18)= 6,19 ⋅103 J. Voor de benodigde tijd geldt dan: Q = Pt → 6,19 ⋅103 = (2 ⋅ 20)t → t = 1,5 ⋅102 s.

De thermometer zit bovenin de buis. Alleen boven de weerstanden is er sprake van warmtetransport door stroming. Richard heeft de weerstanden niet helemaal onderin de buis geplaatst. Zie figuur 2.

Vraag 9 1 punt

Geef een natuurkundige reden waarom de thermometer al R1 R2 eerder een temperatuur van 75°C aangeeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Het antwoord moet (impliciet) verwijzen naar de hogere plaatsing van de weerstanden.

In werkelijkheid is er wel energieverlies. Richard stelt de spanning zo in dat de eindtemperatuur van 75 °C precies wordt behaald en zet zijn metingen vervolgens uit in een diagram. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen] 80 T (°C) t3 70

60 t2 50

40

30

20 t1

10

0

0 150 300 450 600 750 900 t (s)

In de grafiek zijn drie tijdstippen t1, t2 en t3 aangegeven. Aan de buis wordt een constant elektrisch vermogen Pelektrisch toegevoerd. Op de uitwerkbijlage staat een tabel. Het energieverlies per seconde aan de omgeving wordt Pverlies genoemd.

Vraag 10 2 punten

Geef in de tabel op de uitwerkbijlage voor ieder tijdstip t1, t2 en t3 met een kruisje aan of Pelektrisch groter is dan, even groot is als of kleiner is dan Pverlies.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • antwoord: tijdstip Pelektrisch > Pverlies Pelektrisch = Pverlies Pelektrisch < Pverlies t1 X t2 X t3 X indien drie regels juist (2) indien twee regels juist (1) indien één of geen regel juist (0) (2)

Richard constateert dat de verwarmingsbuizen in zijn huis niet van koper maar van ijzer zijn. Hij vraagt zich af of dit verschil maakt voor het warmteverlies bij gelijk temperatuurverschil.

Voor de warmtestroom door de wand van een buis geldt:

ΔT P = λA d

Vraag 11 2 punten

Leg met behulp van de formule uit of de warmtestroom bij een koperen buis groter is dan, kleiner is dan of gelijk is aan de warmtestroom bij een identiek gevormde ijzeren buis.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De warmtegeleidingscoëfficiënt λ van koper is veel groter dan die van ijzer. (Alle overige variabelen zijn constant.) Uit de formule volgt dat de warmtestroom P voor koper groter is dan voor ijzer.

Richard isoleert de dunne wand van de buis met een isolatielaag. Zie figuur 4. In figuur 5 staat een overzicht van de technische gegevens van de isolatielaag.

figuur 4 figuur 5

Technische gegevens Materiaal PE schuim Isolatiedikte 13 mm Warmtegeleidings- 0,038 W m−1K−1 coëfficiënt

Zonder isolatie is het energieverlies per seconde (Pverlies) gelijk aan 27 W. De isolatie zorgt voor een kleiner energieverlies per seconde. Het temperatuurverschil over de isolatie is 57 ºC. Het temperatuurverschil over de buis is verwaarloosbaar. Richard bepaalt dat de oppervlakte van de isolatie 4,9·10−2 m2 is.

Vraag 12 3 punten

Bereken de factor waarmee Pverlies verkleind wordt door het gebruik van de buisisolatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: n = 3,3

voorbeeld van een berekening: De warmtestroom door de wand van de geïsoleerde buis is gelijk aan ∆T (57) P= λ A = 0, 038 ⋅ 4,9 ⋅10−2 ⋅ = 8, 2 W. d 13 ⋅10−3 Zonder isolatie is deze warmtestroom 27 W. 27 Pverlies is dus = 3,3 keer zo klein geworden door het gebruik van 8, 2 buisisolatie.

∆T

  • gebruik van P = λ A met λ = 0, 038 W m −1 K −1 (1) d Pverlies ongeïsoleerd

Opmerking Wanneer de kandidaat aangeeft dat Pverlies met een factor 0,30 vergroot wordt: dit goed rekenen.

Hyperloop

Een hyperloop is een figuur 1 toekomstontwerp voor snel transport over lange afstanden. Hierbij reizen passagiers in een zogenaamde ‘pod’ met hoge snelheid door een buis. Zie figuur 1.

Om de ontwikkeling van de hyperloop te stimuleren is er een ontwerpwedstrijd uitgeschreven voor bedrijven en universiteiten. Voor deze wedstrijd zijn veel deelontwerpen bedacht en getest om diverse deelproblemen van de hyperloop op te lossen. Een deel van de testen is eerst gemodelleerd. Zo is van een pod die getest moet worden met een vereenvoudigd model een (v,t)-diagram gemaakt. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] 140 v (m s-1) 120

100

80

60

40

I II III 20

0

0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 t (s)

In deel I wordt de pod met een motor versneld, in deel II is de motor uitgeschakeld en in deel III wordt de pod door de motor afgeremd.

Vraag 13 2 punten

Leg met behulp van figuur 2 uit of in het model rekening is gehouden met wrijving.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: In deel II is geen motor in gebruik, maar de snelheid vermindert wel. (Er is een resulterende kracht.) Dus er is wel sprake van wrijving.

Opmerking Als een kandidaat uitgaat van een redenering op basis van deel I of deel III: geen scorepunten toekennen.

Om pod-ontwerpen te testen is een testtraject gebouwd. Dat testtraject is 1,7 km lang.

Vraag 14 3 punten

Toon met behulp van figuur 2 aan of het traject lang genoeg is voor de test met de pod uit het model.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De totale afstand die de pod aflegt wordt gegeven door de oppervlakte onder de grafiek. Hiervoor geldt:  125 + 120  s = ( 12 ⋅125 ⋅ 4, 0 ) +  ⋅ (12, 0

  • 4, 0)  + ( 12 ⋅120 ⋅ (18, 0
  • 12, 0) ) = I  2 II III

1, 6 ⋅103 m. Het testtraject is dus lang genoeg.

Voor de luchtweerstandskracht geldt:

Fw = k · ρ · v 2

Hierin is:

  • k een constante;
  • ρ de dichtheid van de lucht;
  • v de snelheid van de pod.

En voor het gebruikte motorvermogen:

Pmotor = Fw · v

De pod moet aangedreven gaan worden door een motor met hetzelfde motorvermogen als een gewone treinmotor. Een trein haalt daarmee een snelheid van 1, 2 ·102 km h −1 . De pod moet een snelheid halen van 1, 2 ·103 km h −1. Dit kan door de dichtheid van de lucht in de buis aan te passen. Constante k wordt gelijk beschouwd voor trein en pod.

Vraag 15 2 punten

Op de uitwerkbijlage staan twee tabellen. Omcirkel in iedere tabel het juiste antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • antwoorden: − 1·102 keer zo groot − 1·103 keer zo klein zijn per goed antwoord (1) (2)

Sommige ontwerpers gaan uit van een pod figuur 3 op wielen. Bij hoge snelheid breken wielen als de middelpuntzoekende kracht in het wiel te groot wordt. De ontwerpers gebruiken een model van een wiel om in een simulatie te A = 15 cm2 spaak testen of hun wielontwerp sterk genoeg is. In het model wordt het wiel voorgesteld als een ring van 10 kg met 4 spaken. Iedere spaak is van aluminium en heeft een doorsnede met 2 een oppervlakte van 15 cm . Zie figuur 3.

In de simulatie is aan iedere spaak een kwart figuur 4 van de totale massa van de ring bevestigd. 2,5 kg Zie schematisch in figuur 4. Deze massa’s krijgen een baansnelheid van 1, 2 ·103 km h −1 22,5 cm

en beschrijven een cirkelbaan met een straal 2,5 kg

2,5 kg

van 22,5 cm. De zwaartekracht wordt verwaarloosd.

Vraag 16 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Toon aan dat bij 1, 2 ·103 km h −1 de middelpuntzoekende kracht op één 2,5 kg massa gelijk is aan 1, 2 ·106 N.
  • Toon aan of de spaak sterk genoeg is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • De baansnelheid van een massa aan de rand van het wiel is 1, 2 ⋅103 km h −1 = 3,33 ⋅102 m s −1. Voor de middelpuntzoekende kracht

( ) 2 mv 2,5 ⋅ 3,33 ⋅102 2 op één massa geldt: Fmpz = = = 1, 23 ⋅106 N. r 0, 225

F 1, 23 ⋅106

  • Er geldt: σ = = = 8, 2 ⋅108 N m −2 . −4

A 15 ⋅10 De treksterkte van aluminium is 0,4∙108 tot 0,5∙108 Pa (Binas tabel 8 of Sciencedata blz 40), dus de spaak is niet sterk genoeg.

mv 2

Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.

Andere ontwerpers hebben niet voor wielen gekozen, maar voor magneten die de pod boven de rails laten zweven en kleine schokken opvangen. Dit systeem met magneten werkt als een soort veer met veerconstante C. Een beladen pod ( m = 1,30 ·103 kg ) zweeft 4,0 cm boven de rail. Een lege pod ( m = 8,0 ·102 kg ) zweeft 7,0 cm boven de rail.

Vraag 17 3 punten

Bereken de veerconstante van dit systeem.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

= 1, 6 ⋅105 N m −1 uitkomst: C

voorbeeld van een berekening: Door de belading van 1,30 ⋅103

  • 0,80 ⋅103 = 0,50 ⋅103 kg zakt de pod 3,0 cm.

F 0,50 ⋅103 ⋅ 9,81 Hieruit volgt: C = = −2 = 1, 6 ⋅105 N m −1. u 3, 0 ⋅10

Uiteindelijk kan de hyperloop worden ingezet om grote steden met elkaar te verbinden. In figuur 5 is op een kaart een voorgesteld traject van San Francisco naar Los Angeles weergegeven.

[figuur 5: zie het originele examen]

San Francisco

Los Angeles

0 100 200 km

De hyperloop moet met een gemiddelde snelheid van 1,2∙103 km h−1 gaan reizen. Nu duurt een treinreis tussen deze steden nog 6,0 uur. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 18 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de verwachte tijdwinst.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Δt = 5,5 h

voorbeeld van een bepaling: Het pod-traject van San Fransisco naar Los Angeles heeft op de kaart een lengte van ongeveer 6,0 cm. Uit de schaal volgt dat 1 cm gelijk staat aan

100 km, dus de afstand is 6,0 ∙ 102 km. De hyperloop legt deze afstand af in s 6, 0 ⋅102 t= = = 0,50 uur. v 1, 2 ⋅103 De tijdswinst is daarmee 6, 0

  • 0,50 =5,5 h.

Opmerking Er hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.

PWM

Mountainbikers gebruiken figuur 1 speciale lampen voor nachtritten. Zie figuur 1. Zo’n lamp werkt op een accu die een constante spanning levert van 8,4 V. In de fietslamp zit een led. De fietslamp heeft twee standen voor de lichtsterkte.

Daan onderzoekt hoe de lamp op verschillende sterktes kan branden, terwijl de spanning van de accu constant is.

Daan gebruikt eerst een schakeling zoals weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] + -

R1

1 R3 S

2 R2

U

Met schakelaar S kan Daan kiezen of weerstand R1 of weerstand R2 in serie wordt geschakeld met weerstand R3. Door dit omschakelen verandert de spanning U. De led wordt aangesloten op de spanning U. In stand 1 brandt de led feller dan in stand 2.

Vraag 19 3 punten

Leg uit of weerstand R1 groter of kleiner is dan weerstand R2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De led brandt fel als weerstand R1 is ingeschakeld en zwak als R2 is ingeschakeld. De spanning U is dus hoog over R1 en laag over R2. U U3 In de serieschakeling geldt: I1 =I 3 → = . R1 R3 Hieruit volgt dat in een serieschakeling over een grotere weerstand een hogere spanning staat. (Weerstand R3 is constant.) Weerstand R1 is dus groter dan weerstand R2.

Een nadeel van deze schakeling is dat er veel energie verloren gaat in de weerstanden. Daan wil weten hoeveel energie er verloren gaat in de weerstanden. Het elektrisch vermogen van de aangesloten led in één van de standen is 0,52 W. De spanningsbron van 8,4 V levert dan een stroomsterkte van 375 mA.

Vraag 20 3 punten

Bereken het elektrische rendement van deze schakeling in deze stand.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • uitkomst: η = 0,17 (= 17%) voorbeeld van een berekening: (Het nuttig vermogen is het vermogen dat de schakeling aan de led levert.) Voor het rendement van de schakeling geldt dus: Pnuttig Pnuttig 0,52 0,52 (3)

Op internet leest Daan over PWM (Pulse Width Modulation), een andere methode om leds te kunnen dimmen. Hierbij wordt de led met een hoge frequentie aan- en uitgeschakeld. In de gedimde stand brandt de led dan afwisselend op volle sterkte en helemaal niet. Het oog ervaart dat als een zwakker brandende led. Daan onderzoekt nu of zijn fietslamp gebruikmaakt van PWM. Hij maakt een proefopstelling met een lat aan een motor. Hij laat de lat in het donker ronddraaien. Vervolgens belicht hij de draaiende lat met de fietslamp en maakt daarvan een foto. Zie de schematische opstelling in figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen] t=0

draaiende lat

t = 20 ms

motor

fietslamp fototoestel

Daan maakt twee foto’s, één in iedere stand van de fietslamp. Figuur 4 is de foto waarop de led fel brandt (stand 1), figuur 5 is de foto waarop de led gedimd brandt (stand 2).

figuur 4 figuur 5

Voor beide foto’s is de beeldchip 20 ms belicht. De lat staat ‘uitgesmeerd’ op de foto’s doordat de lat verder draait in de tijd dat de foto gemaakt wordt.

Uit figuur 5 blijkt dat de led knippert in de gedimde stand 2. Figuur 5 staat vergroot op de uitwerkbijlage.

Vraag 21 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de frequentie waarmee de led knippert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f = 1, 2 ⋅103 Hz

voorbeeld van een bepaling: Uit figuur 5 blijkt dat de led 23 keer heeft geknipperd van ‘uit’ naar ‘aan’ en terug. Hieruit volgt:

20 ⋅10−3 1 (1) T= = 8, 70 ⋅10−4 s → f = = = 1, 2 ⋅103 Hz.

23 T 8, 70 ⋅10−4

totale tijd 1 aantal flitsen

  • inzicht dat T = en f = of f = (1) aantal flitsen T totale tijd

In figuur 6 staat een (P,t)-diagram van de accu van de fietslamp voor zowel een PWM-schakeling als een schakeling zoals in figuur 2. De led lijkt in beide gevallen even fel te branden.

[figuur 6: zie het originele examen] 5 P (W) PWM 4

serie 3

2

1

0

0 5 10 15 20 t (ms)

Daan denkt dat voor de PWM-schakeling minder energie nodig is dan voor de andere schakeling met twee weerstanden in serie. Figuur 6 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 22 2 punten

Leg met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage uit of dit waar is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De accu heeft aan de PWM-schakeling gedurende 1 periode een energie geleverd van E = Pt = 4, 7 ⋅ 3, 0 ⋅10−3 = 1, 4 ⋅10−2 J . In de andere schakeling heeft de accu in dezelfde tijd een energie geleverd van E = Pt = 3, 2 ⋅ 9, 0 ⋅10−3 = 2,9 ⋅10−2 J. (Daan heeft dus gelijk,) de PWM-schakeling heeft minder energie nodig.

Proxima b

Een exoplaneet is een planeet die draait om een andere ster dan de zon. Een nieuw ontdekte exoplaneet draait om de ster Proxima Centauri. De nieuw ontdekte exoplaneet is Proxima b genoemd. Proxima b is door onderzoekers ontdekt aan de hand van de beweging van de ster Proxima Centauri. Vanaf de aarde gezien lijkt deze ster heen en weer te bewegen. Figuur 1 geeft deze ‘schommeling’ in de tijd weer.

[figuur 1: zie het originele examen] u

0

0 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65 dagen na 1 januari 2016

Vraag 23 2 punten

Bepaal de periode van deze schommeling.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: T = 12 dagen met een marge van 1 dag

voorbeeld van een bepaling: Er zijn 3,5 omlopen geweest in 63,5

  • 22,5 = 41,0 dagen. Hieruit volgt voor 41, 0 de periode= T = 12 dagen. 3,5

s p s p p s p s

Z Z Z Z

I II III IV

Vraag 24 1 punt

In welke afbeelding zijn de banen en posities goed ten opzichte van elkaar en ten opzichte van zwaartepunt Z weergegeven?

  1. A afbeelding I
  2. B afbeelding II
  3. C afbeelding III
  4. D afbeelding IV

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Over Proxima Centauri en Proxima b zijn een aantal gegevens bekend. Zie de tabel in figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen] ster Proxima Centauri planeet Proxima b massa MCentauri = 0,123·Mzon Mb = 1,3·Maarde straal van het rCentauri = 0,141·rzon rb = 1,2·raarde hemellichaam temperatuur aan het

3042 K ± 117 K oppervlak afstand tot de aarde 4,22 lichtjaar afstand tot de ster 7,0·106 km

De kans op leven op een exoplaneet is groter als de valversnelling aan het oppervlak vergelijkbaar is met de valversnelling op aarde (gaarde).

Vraag 25 4 punten

Bereken de valversnelling op Proxima b uitgedrukt in gaarde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • uitkomst: g b = 0,90 g aarde voorbeeld van een berekening: methode 1 Voor de valversnelling g geldt: Fz = Fg . Hieruit volgt: 24 mM Mb −11 1,3 ⋅ 5,972 ⋅10 mg= G → g = b G = 6, 674 ⋅ 10 = 8,86 m s −2 . ( ) 2 2 (2) r rb 1, 2 ⋅ 6,371 ⋅106  8,86  (4)

De kleur van een ster hangt af van zijn temperatuur. Een ster zendt straling met veel golflengtes uit. In figuren 4 en 5 zijn twee diagrammen weergegeven; één voor de zon en één voor Proxima Centauri. In ieder diagram is de intensiteit van de uitgezonden straling uitgezet tegen de golflengte van die straling. De verticale schaalverdeling is niet gelijk in beide figuren.

figuur 4 figuur 5 blauw

blauw rood

rood

intensiteit intensiteit λmax λmax

500 1000 2000 3000 500 1000 2000 3000 golflengte (nm) golflengte (nm)

Vraag 26 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit welke figuur bij Proxima Centauri hoort. Vergelijk hiertoe de temperaturen aan het oppervlak van de zon en Proxima Centauri.
  • Leg uit of Proxima Centauri roder of blauwer is dan de zon.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Uit de wet van Wien volgt dat bij een grotere waarde van λmax een lagere temperatuur T hoort. Volgens Binas tabel 32B of Sciencedata 3.3d is de temperatuur van de zon 5,8∙103 K. Dit is hoger dan de temperatuur van Proxima Centauri. Figuur 5 hoort bij Proxima Centauri.
  • vergelijken T zon met TCentauri en consequente conclusie (1p)

In figuur 5 is af te lezen dat relatief meer rood licht dan blauw licht wordt uitgezonden. Dus Proxima Centauri is roder dan de zon.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Natuurkunde 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-19-2-o

Andere examens natuurkunde havo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), elektriciteit (5) en warmte (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde havo 2019, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-2/ha-1023-a-19-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde havo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.