Eindexamen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Knab, Blikstapelingen, Kaarten schudden, Zeepbellen, Schildpadden.
Het centraal examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over veranderingen en afgeleide (5), combinatoriek (5) en machtsverbanden (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Veranderingen en afgeleide | 3, 9, 12, 15, 17 | 5 |
| Combinatoriek | 5-8, 10 | 5 |
| Machtsverbanden | 14, 18-21 | 5 |
| Exponentiële groei | 2, 4, 11, 13 | 4 |
| Formules en grafieken | 1, 16 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over machtsverbanden (24% van de vragen, gemiddeld 4%) en combinatoriek (24% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over formules en grafieken (10% van de vragen, gemiddeld 34%) en lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 7%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Knab
Knab is een tamelijk nieuwe bank, gestart in 2012 als onderdeel van Aegon. In het begin groeide Knab maar langzaam: eind 2013 had de bank nog maar 4500 klanten. Daarom besloot de bank in 2014 de zaken anders aan te pakken. Dit leverde direct resultaat op, want het aantal klanten is in
2014 tien keer zo groot geworden. Zie de figuur. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur
aantal 50000 klanten 45000
40000
35000
30000
25000
20000
15000
10000
5000
0
1 4 7 10 13 16 19 22 25 28 31 34 37 40 43 46 49 52 weeknummer
In de figuur zijn door middel van staven de aantallen klanten om de drie weken weergegeven. Bovendien is de grafiek getekend van een exponentieel model dat de werkelijke aantallen goed benadert. Het exponentiële model wordt gegeven door de formule: N = 4500 · e0,0463·t Hierin is t de tijd in weken sinds het begin van 2014 met t = 0 in week 1 en N het aantal klanten.
In week 43 lijkt het verschil tussen het aantal klanten volgens het model en het werkelijke aantal klanten het grootst.
Vraag 1 3 punten
Bereken dit verschil in week 43. Je kunt hierbij gebruikmaken van de figuur op de uitwerkbijlage. Rond je antwoord af op honderdtallen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij elke afgelezen waarde is een afleesmarge van 500 toegestaan.
Zoals gezegd is het aantal klanten in het jaar 2014 vertienvoudigd. Dat lijkt inderdaad precies een jaar geduurd te hebben.
Vraag 2 3 punten
Bereken met behulp van de formule het gehele aantal weken dat in het model nodig is voor een vertienvoudiging.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking e0,0463⋅t = 10 kan worden opgelost (1)
- Dit geeft t = 49, 7... (1)
- Het antwoord: 50 (weken) (1)
De snelheid waarmee het aantal klanten per week groeit, kun je benaderen door de helling van de grafiek op het betreffende tijdstip te bepalen.
Vraag 3 4 punten
Benader met behulp van de grafiek in de figuur op de uitwerkbijlage de snelheid waarmee het aantal klanten per week groeit in week 31 van 2014. Rond je antwoord af op honderdtallen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Ten gevolge van tekenen en aflezen mag de gevraagde benadering maximaal 200 afwijken van de hierboven gegeven waarde.
- Als bij de beantwoording van deze vraag geen gebruik is gemaakt van de grafiek in de figuur (op de uitwerkbijlage), voor deze vraag geen scorepunten toekennen.
Je kunt de formule N = 4500 · e0,0463·t zó herschrijven, dat bij een gegeven aantal klanten berekend wordt in welke week dat aantal bereikt wordt. Dat verband is van de vorm: t = a · ln(b · N )
Vraag 4 3 punten
Bereken a en b. Rond de waarde van a af op twee decimalen en de waarde van b op vijf decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- ⋅t • e0,0463 = =1 ⋅ N ( 0, 00022... ⋅ N ) 4500 1 • 0,0463 = ⋅ t ln( 4500 1 ⋅ N) (1) • t= 1 ⋅ ln( 1 ⋅ N )= 0,0463 4500 21, 60... ⋅ ln(0, 00022... ⋅ N ) dus de gevraagde waarde van a is 21,60 en de gevraagde waarde van b is 0,00022 (1) (3)
Blikstapelingen
foto Bij het spel blikgooien krijgt de speler één of meer ballen waarmee hij of zij moet proberen zoveel mogelijk blikken 1 van een toren af te gooien. Zo’n toren is altijd op dezelfde manier opgebouwd: op de onderste laag staat 2 3 een aantal blikken en op de lagen erboven steeds één minder. Op de foto zie je een toren met zes blikken. 4 5 6
We nemen in deze opgave aan dat, als een bal de toren raakt, de onderste laag in zijn geheel blijft staan. Neem aan dat een geraakt blik ook werkelijk van de toren afvalt en nooit “mooi” op een lager gelegen laag terechtkomt en ook dat blikken niet blijven staan als één of meer blikken eronder wegvallen.
Lars gooit één bal naar een toren met zes blikken, zoals op de foto. Na zijn worp blijft de onderste laag van drie blikken staan. Er zijn nu vijf mogelijkheden voor de overgebleven toren. Drie van deze mogelijkheden zijn in figuur 1a, 1b en 1c schematisch getekend.
figuur 1a figuur 1b figuur 1c
Vraag 5 2 punten
Teken de andere twee mogelijkheden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Per vergeten of foutieve mogelijkheid 1 scorepunt in mindering brengen.
We gaan in deze opgave deze situatie wat theoretischer bekijken. We tellen het aantal mogelijke stapelingen van blikken op een onderste laag van n blikken. Hierbij staat vanaf de tweede laag ieder blik steeds boven op twee onderliggende blikken. We nemen steeds aan dat er één keer gegooid is en dat de hele onderste laag is blijven staan.
Voor n = 1 is er maar één blik, dus is er ook één mogelijke stapeling. Voor n = 2 zijn er twee mogelijke stapelingen. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Je kunt nu met een redenering nagaan dat het aantal mogelijke stapelingen voor n = 3 gelijk is aan 5. Deze redenering gaat als volgt:
- Er is één manier met 3 blikken op de onderste laag en 0 blikken op de tweede laag.
- Er zijn twee manieren met 3 blikken op de onderste laag en 1 blik op de tweede laag.
- Er is één manier met 3 blikken op de onderste laag en 2 blikken op de tweede laag (figuur 1b).
- Er is één manier met 3 blikken op de onderste laag, 2 blikken op de tweede laag en 1 blik op de derde laag (figuur 1a). Dat is samen 1 + 2 + 1 + 1 = 5 mogelijkheden.
Voor n = 4 is het aantal mogelijke stapelingen gelijk aan 14.
Vraag 6 4 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het vermelden of tekenen van de stapeling met alleen 4 blikken op de onderste laag en het vermelden of tekenen van de drie mogelijke stapelingen met in totaal 5 blikken (1p)
- Het vermelden of tekenen van de drie mogelijke stapelingen met in totaal 6 blikken (1p)
- Het vermelden of tekenen van de drie mogelijke stapelingen met in totaal 7 blikken (1p)
- Het vermelden of tekenen van de twee mogelijke stapelingen met in totaal 8 blikken, het vermelden of tekenen van de mogelijke stapeling met in totaal 9 blikken en het vermelden of tekenen van de mogelijke stapeling met in totaal 10 blikken (dus in totaal 1 + 3 + 3 + 3 + 2 + 1 + 1 =14 mogelijke stapelingen) (1p)
De Belgische wiskundige Charles Catalan ontdekte in de 19e eeuw de volgende formule: Cn = C0 · Cn−1 + C1 · Cn−2 + C2 · Cn−3 + ... + Cn−2 · C1 + Cn−1 · C0 met C0 = 1 Hierin is Cn het aantal mogelijke stapelingen met n blikken op de onderste laag.
Vraag 7 3 punten
Bereken met behulp van bovenstaande formule C5 .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Er geldt: C5 = C0 ⋅ C4 + C1 ⋅ C3 + C2 ⋅ C2 + C3 ⋅ C1 + C4 ⋅ C0 (1)
- C5 = 1 ⋅14 + 1 ⋅ 5 + 2 ⋅ 2 + 5 ⋅1 + 14 ⋅1 (1)
- Het antwoord: C5 = 42 (1)
Voor deze rij getallen, de zogenaamde Catalan-getallen, bestaat geen directe formule. Wel bestaat er een formule die voor grote waarden van n de Catalan-getallen benadert. Deze formule is Bn = 0,564 · e1,386·n · n −1,5 , waarbij Bn een benadering is van het ne Catalan-getal ( Cn ).
De getallen voor Bn worden snel groter. Hoe snel dit gaat, is te berekenen met behulp van de afgeleide van Bn . Er geldt (bij benadering):
Bn' = 0,782 · e1,386·n · n −1,5
- 0,846 · e1,386·n · n −2,5
Vraag 8 4 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat de productregel niet of niet juist heeft toegepast, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.
Vanaf een bepaald aantal blikken zal het aantal mogelijke stapelingen met meer dan 500 000 toenemen als de onderste laag met één blik toeneemt.
Vraag 9 3 punten
Onderzoek met behulp van de afgeleide van Bn vanaf welk aantal blikken op de onderste laag dit is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking 0, 782 ⋅ e1,386⋅n ⋅ n −1,5 − 0,846 ⋅ e1,386⋅n ⋅ n −2,5 = 500 000 kan worden opgelost (1)
- Dit geeft n = 12, Κ (1)
- Dus (vanaf) 13 (blikken) (1)
Kaarten schudden
Na het schudden begint een kaartspel meestal met het gelijk verdelen van de kaarten onder een aantal spelers. Neem aan dat bij een bepaald spel
16 verschillende kaarten gelijk verdeeld worden onder vier spelers A, B, C en D. Spelers A, B, C en D krijgen ieder dus vier kaarten.
We bekijken een stapel kaarten bestaand uit 16 verschillende kaarten. Deze kaarten kunnen op circa 2,1 ·1013 verschillende volgordes liggen.
Het aantal volgordes waarin de kaarten kunnen liggen, is veel groter dan het aantal mogelijkheden om de kaarten onder de vier spelers A, B, C en
D te verdelen.
Vraag 10 4 punten
Bereken hoeveel keer zo groot dit aantal is. Rond af op tienduizendtallen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Iedere mogelijke volgorde van de kaarten die elke speler krijgt resulteert in dezelfde verdeling van kaarten (1p)
- Voor elke speler bestaan er 4! van zulke volgordes (1p)
- Er zijn dus voor iedere verdeling (4!) 4 verschillende mogelijkheden (1p)
In 1992 publiceerden de Amerikaanse foto wiskundigen Bayer en Diaconis een artikel over het schudden van kaarten. Voor dit artikel hadden zij de meest gebruikte manier van schudden onderzocht, de zogeheten Riffle Shuffle (zie de foto).
Zij kwamen tot de conclusie dat het met deze schudtechniek niet mogelijk is een stapel kaarten écht willekeurig te maken, zoals bijvoorbeeld een computer dat wel kan. Voor het spelen van een kaartspel is het goed genoeg als de kaarten “voldoende willekeurig” geschud zijn.
Bayer en Diaconis ontdekten tijdens hun onderzoek dat het aantal keren dat een stapel kaarten minstens geschud moet worden om als “voldoende willekeurig” bestempeld te worden, kan worden benaderd met de formule:
A = 1,5 · 2 log(n) In deze formule is A het aantal keren dat een stapel van n kaarten minstens geschud moet worden om als “voldoende willekeurig” bestempeld te worden. A wordt naar boven afgerond op een geheel getal.
Het kaartspel jokeren wordt gespeeld met twee sets van 52 speelkaarten, aangevuld met in totaal 4 zogeheten jokers.
Vraag 11 2 punten
Bereken hoe vaak de kaarten bij jokeren minstens geschud moeten worden volgens de formule van Bayer en Diaconis.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- A= 1,5 ⋅ 2 log(108) = 10,1... (1)
- (Er moet dus) 11 keer (worden geschud) (1)
Als het aantal te schudden kaarten toeneemt, neemt ook het aantal keren dat er minstens geschud moet worden toe. Dit aantal neemt echter steeds dA langzamer toe. Je kunt dit zien aan de afgeleide . dn dA
Vraag 12 4 punten
Stel de formule op van de afgeleide en beredeneer aan de hand van dn deze formule, dus zonder getallen in te vullen of een schets te maken, dat
A afnemend stijgend is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De afgeleide van 2 log(n) is (1)
- = (of een gelijkwaardige uitdrukking) (1)
- n is positief, dus is positief en dus is A stijgend (1)
- n staat in de noemer, dus als n groter wordt neemt af en dus is dn A afnemend stijgend (1)
In de meeste casino’s kun je het spel blackjack spelen. Dat wordt over het algemeen gespeeld met vier spellen kaarten (totaal 208 kaarten). Het aantal keer dat zo’n groot aantal kaarten minstens geschud moet worden is helemaal niet zo groot: volgens de formule van Bayer en Diaconis slechts 12 keer. Dat is maar drie keer schudden meer dan bij één spel kaarten.
Volgens de formule van Bayer en Diaconis geldt in het algemeen: als het aantal kaarten vier keer zo groot wordt, hoeft er maar drie keer extra geschud te worden.
Vraag 13 4 punten
Toon dit aan met behulp van de formule voor A en de rekenregels voor logaritmen zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Als x het aantal kaarten in eerste instantie is, dan is het nieuwe aantal 4x (1)
- 1,5 ⋅ 2 log(4 x) = 1,5 ⋅ ( 2 log(4) + 2 log( x)) (1)
- 1,5 ⋅ ( 2 log(4) + 2 log( x)) = 1,5 ⋅ (2 + 2 log( x)) (1)
- 1,5 ⋅ (2 + log( x)) =3 + 1,5 ⋅ log( x) (en dat is inderdaad 3 meer dan bij x) (1)
Zeepbellen
Op de foto zie je een dubbele zeepbel: twee bolvormige zeepbellen die aan elkaar vastzitten. Beide zeepbellen zijn een deel van een bol. Het scheidingsvlies tussen deze zeepbellen is ook een deel van een bol. Men heeft ontdekt dat voor elke dubbele zeepbel de volgende formule geldt:
1 1 1 =
- c b a In deze formule is a de straal van de grootste zeepbel, b de straal van de kleinste zeepbel en c de straal van het bolvormige scheidingsvlies. In de figuur is dit schematisch weergegeven.
foto figuur
a b c
De dubbele zeepbel op de foto bestaat uit een zeepbel met een straal van 2,5 cm en een zeepbel met een straal van 4 cm.
Vraag 14 3 punten
Bereken met behulp van bovenstaande formule de straal van het scheidingsvlies. Rond je antwoord af op hele millimeters.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Invullen in de formule geeft = − (= 0,15) (1)
- Hieruit volgt= 1 ( 6, 66...) (of beschrijven hoe de vergelijking kan c 0,15 = worden opgelost) (1)
- De gevraagde straal is 67 (mm) (of 6,7 cm) (1)
Neem nu aan dat de grootste zeepbel een vaste straal heeft van 3 cm (dus a = 3 ). We vragen ons af wat er gebeurt als de straal van de kleinste zeepbel steeds kleiner wordt: wordt het scheidingsvlies dan steeds platter of steeds boller? Met andere woorden: neemt c toe of af?
Vraag 15 4 punten
Beredeneer aan de hand van bovenstaande formule of c toeneemt of afneemt als de straal van de kleinste zeepbel steeds kleiner wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De formule = − (1)
- Als b afneemt, neemt toe (1)
- (Dan neemt ook − toe,) dus neemt toe (1)
- Als toeneemt, neemt c af (1)
Als de stralen a en b bekend zijn, kun je c snel en rechtstreeks berekenen
1 1 1 ab door de formule =
- te herleiden tot c = . c b a a −b
Vraag 16 3 punten
Geef deze herleiding.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- = − = − (1)
- = (1)
- Dit geeft = ab ), dus c = (of c(a − b) = (1)
Het antwoord op de vraag of het scheidingsvlies steeds platter of boller wordt als de kleinste zeepbel steeds kleiner wordt, kunnen we ook vinden met behulp van de afgeleide van c.
We nemen opnieuw een grootste zeepbel met een vaste straal van 3 cm. ab 3b De formule c = wordt dan c = met 0 < b < 3 . a−b 3−b dc 3b
Vraag 17 5 punten
Stel de afgeleide van c = op en beredeneer aan de hand van de db 3−b formule van deze afgeleide of c toeneemt of afneemt als de straal van de kleinste zeepbel kleiner wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Een schets van de grafiek van de afgeleide (1p)
- Een toelichting waaruit blijkt dat de afgeleide (voor elke relevante waarde van b) positief is en c dus stijgend is (1p)
Schildpadden
Sommige mensen hebben een schildpad als huisdier. Bepaalde soorten houden onder natuurlijke omstandigheden een winterslaap. De eigenaar kan ervoor kiezen om zijn schildpad ook in winterslaap te laten gaan, omdat hij anders de hele winter extra licht en warmte moet geven aan zijn huisdier. Een schildpad moet een gezond gewicht hebben bij het begin van zijn winterslaap, anders is er een kans dat hij het niet overleeft. Om vast te stellen of de schildpad een gezond gewicht heeft, wordt vaak de Jackson Ratio gebruikt. G De Jackson Ratio R wordt berekend met de formule R = . L3 Hierin is G het gewicht van de schildpad in gram en L de lengte van het schild van de schildpad in cm. Voor de Griekse landschildpad geldt de volgende vuistregel: een schildpad kan veilig aan een winterslaap beginnen als zijn Jackson Ratio tussen 0,18 en 0,22 ligt.
Jesse heeft een Griekse landschildpad met een schildlengte van 15 cm en wil hem een winterslaap laten houden.
Vraag 18 3 punten
Bereken in hele grammen nauwkeurig tussen welke waarden zijn gewicht dan mag liggen volgens de vuistregel.
Bekijk het antwoord
- 0,18 < < 0, 22 (1)
- Beschrijven hoe deze ongelijkheid kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: G moet liggen tussen 607 en 743 (of: vanaf 608 tot en met 742) (gram) (1)
De lengte van het schild moet recht gemeten worden, bijvoorbeeld door de schildpad met ingetrokken kop tussen een schuifmaat te zetten (zie foto 1). Veronderstel dat iemand toch de lengte over het schild heen meet (zie foto 2).
foto 1 foto 2
Vraag 19 3 punten
Beredeneer of een schildpad door op die manier te meten een grotere of een kleinere Jackson Ratio krijgt dan hij in werkelijkheid heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De lengte wordt groter (dan bij een correcte meting) (1)
- (Het gewicht verandert niet, dus de teller in de formule voor R blijft gelijk en) de noemer wordt groter (1)
- Dus de schildpad krijgt een kleinere Jackson Ratio (dan hij in werkelijkheid heeft) (1)
Op een Engelse website staat het volgende: als je het gewicht meet in Engelse ponden (lbs) en de schildlengte in inches, kun je de Jackson W Ratio berekenen met de formule R = c · 3 . l Hierin is W het gewicht in Engelse ponden en l de schildlengte in inches.
1 Engels pond (lb) ≈ 454 gram en 1 inch = 2,54 cm. De Jackson Ratio moet dan ook weer dezelfde waarde opleveren.
Vraag 20 3 punten
Bereken de waarde van c in deze formule. Rond je antwoord af op één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking 2,543 Als de kandidaat gerekend heeft met c = voor deze vraag geen 454 scorepunten toekennen.
Een andere manier om te bepalen of een Griekse landschildpad veilig aan een winterslaap kan beginnen, is met behulp van de grafiek in onderstaande figuur. De grafiek geeft het gewicht van gezonde schildpadden als functie van de schildlengte. Als een schildpad met zijn lengte en gewicht in de buurt van deze grafiek zit, is het veilig om hem in winterslaap te laten gaan. figuur 4000 G (in grammen) 3500
3000
2500
2000
1500
1000
500
0
10 12 14 16 18 20 22 24 26 L (in cm) We vragen ons af of de grafiek van de figuur bij benadering overeenstemt met de eerder genoemde vuistregel. Om dit te onderzoeken kunnen we in de figuur de grafieken tekenen van de onder- en de bovengrens die horen bij de eerder genoemde vuistregel en vervolgens het gebied dat hoort bij die vuistregel in de figuur aangeven. De figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 21 6 punten
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage het gebied aan waarin een schildpad zich volgens de vuistregel met zijn schildlengte en gewicht moet bevinden om veilig aan een winterslaap te kunnen beginnen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- G • Voor de ondergrens geldt = 0,18 (1) L3 G • Voor de bovengrens geldt 3 = 0, 22 (1) L • Dit geeft G = 0,18 L en G = 0, 22 L3 voor de onder- respectievelijk de 3 bovengrens (1) • Het tekenen van de grafiek die hoort bij de ondergrens in de figuur (1) • Het tekenen van de grafiek die hoort bij de bovengrens in de figuur (1) • Het arceren van het bedoelde gebied (zie de figuur hieronder) (1) of G • Voor de ondergrens geldt = 0,18 (1) L3 G • Voor de bovengrens geldt 3 = 0, 22 (1) L • Het berekenen van minstens drie bij elkaar behorende waarden van G G en L bij 3 = 0,18 waarvan minstens één voor een waarde van L ≥ 24 (1) L • Het berekenen van minstens drie bij elkaar behorende waarden van G G en L bij 3 = 0, 22 waarvan minstens één voor een waarde van L ≥ 24 (1) L • Het tekenen van de bijbehorende punten voor onder- en bovengrens in de figuur en deze verbinden met een vloeiende lijn (1) • Het arceren van het bedoelde gebied (zie de figuur hieronder) (1) (6)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-18-2-o
Andere examens wiskunde A vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over veranderingen en afgeleide (5), combinatoriek (5) en machtsverbanden (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-18-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.