Eindexamen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Goudplevieren, Kentekens, Verpakkingen, Groningse aardbevingen, aardbevingen ≥.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), veranderingen en afgeleide (4) en lineaire verbanden (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken2, 8, 10-11, 13, 17-198
Veranderingen en afgeleide4-5, 12, 164
Lineaire verbanden1, 32
Combinatoriek6-72
Rijen91
Statistiek141
Exponentiële groei151

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over formules en grafieken (42% van de vragen, gemiddeld 32%) en veranderingen en afgeleide (21% van de vragen, gemiddeld 14%). Minder over exponentiële groei (5% van de vragen, gemiddeld 24%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Goudplevieren

Een goudplevier (zie foto) is een vogel die niet in foto Nederland broedt, maar tijdens zijn trektochten wel in Nederland te vinden is. Er zijn grote verschillen in aantallen goudplevieren tussen de verschillende jaren. In figuur 1 zijn de aantallen goudplevieren in Nederland in de jaren 1975 tot en met 2012 weergegeven als zwarte stippen.

[figuur 1: zie het originele examen] Goudplevier

50 000 aantal

40 000

30 000

20 000

10 000

0 ’75 ’80 ’85 ’90 ’95 ’00 ’05 ’10 jaar

In figuur 1 is ook een kromme getekend die de trend aangeeft. We nemen aan dat vanaf 2003 deze trend een rechte lijn is en dat dit ook na 2012 zo blijft.

Vraag 1 4 punten

Bereken hoeveel goudplevieren er volgens de trendlijn zijn in 2020. Geef je antwoord in gehele duizendtallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen mag een marge van 1000 gehanteerd worden.

Tijdens hun verblijf in Nederland bouwen de goudplevieren een reserve op voor de komende trektochten. Hierdoor nemen ze toe in gewicht.

In figuur 2 zie je het resultaat van een onderzoek naar deze gewichtstoename: van een aantal op verschillende tijdstippen gevangen goudplevieren is het gewicht en/of de hoeveelheid vet bepaald. De open stippen horen bij waarnemingen in het najaar en de dichte stippen bij waarnemingen in het voorjaar. Ook zijn de trendlijnen getekend.

[figuur 2: zie het originele examen] 260 lichaamsgewicht (g) trend voorjaar 240 dag

220 0,6 g/ trend najaar 200

180

80 hoeveelheid vet (g) 70

60 trend najaar 50 /dag

40 0,6 g 30

20 trend voorjaar 10 0

0 10 20 30 40 50 60 dagen na het begin van gewichtstoename

Op grond van specifieke biologische kenmerken kunnen de onderzoekers bepalen wanneer de gewichtstoename van een goudplevier begint. Aan de hand van de trendlijnen in figuur 2 kun je onderzoeken of de volgende stellingen waar zijn. I In het voorjaar is de gemiddelde gewichtstoename per dag van een goudplevier ongeveer 2 keer zo groot als in het najaar. II De gewichtstoename in het voorjaar bestaat niet uit vet.

Vraag 2 4 punten

Onderzoek voor elk van beide stellingen of deze waar is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor zowel het eerste als het tweede antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Het vetpercentage van een vogel is de hoeveelheid lichaamsvet als percentage van het totale gewicht van de vogel. Met behulp van de trendlijnen in het voorjaar van zowel lichaamsgewicht als vethoeveelheid leiden de onderzoekers het volgende verband af: 1600 Pvoorjaar = 2,3 · t + 198 Hierbij is Pvoorjaar het vetpercentage van de vogel in het voorjaar en t de tijd in dagen na het begin van de gewichtstoename.

Vraag 3 5 punten

Laat zien, gebruikmakend van de punten (0, 198) en (20, 244), hoe deze formule is af te leiden uit de gegevens in de figuur.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het vierde antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

Vraag 4 3 punten

Beredeneer uitsluitend met behulp van de formule, zonder getallen in te vullen of een schets te maken, of het vetpercentage in het voorjaar toeneemt of juist afneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • In deze formule is de teller constant (en positief) (1)
  • De noemer wordt steeds groter bij toenemende t (1)
  • Dus de waarde van P wordt kleiner (dus het vetpercentage neemt af) (1)

Voor het vetpercentage in het najaar gaan we uit van de volgende formule:

2300 + 60t Pnajaar =

207 + 0,6t Hierin is Pnajaar het vetpercentage van de vogel in het najaar en t de tijd in dagen na het begin van de gewichtstoename.

Met behulp van de afgeleide van Pnajaar kan men onderzoeken of het vetpercentage Pnajaar afnemend stijgend is.

Vraag 5 6 punten

Stel de formule van de afgeleide van Pnajaar op en onderzoek daarmee of Pnajaar afnemend stijgend is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

dPnajaar 60 ⋅ (207 + 0, 6t )

  • (2300 + 60t ) ⋅ 0, 6
  • = (1) dt (207 + 0, 6t ) 2 dPnajaar 11 040
  • Dus Pnajaar is afnemend stijgend (1p)

of dPnajaar 60 ⋅ (207 + 0, 6t )

  • (2300 + 60t ) ⋅ 0, 6
  • = (1) dt (207 + 0, 6t ) 2 dPnajaar
  • Een schets van de grafiek van (1) dt dPnajaar

Kentekens

Tussen mei 2008 en februari 2013 werd foto voor personenauto’s de kentekenserie gebruikt die door de Rijksdienst voor het Wegverkeer sidecode 7 genoemd wordt. Op de foto staat een van de eerste kentekens uit deze serie.

De kentekens bestaan uit twee cijfers, gevolgd door drie letters en tenslotte nog één cijfer. Als we ervan uitgaan dat er geen beperkingen zijn aan de te gebruiken cijfers en letters, dan zijn er bijna 18 miljoen verschillende kentekens te maken met sidecode 7.

Vraag 6 3 punten

Bereken het aantal verschillende kentekens met sidecode 7. Geef je antwoord in gehele honderdduizendtallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord

1 scorepunt worden toegekend.

In deze opgave gaan we echter van de volgende beperkingen uit:

  • Een kenteken mag niet met 00 beginnen
  • De eerste letter is G, H, J, K, L, N, P, R, S, T, X of Z
  • Klinkers (A, E, I, O, U, Y) worden niet gebruikt
  • De letters C en Q worden niet gebruikt
  • Bepaalde drielettercombinaties (zoals NSB) kunnen als aanstootgevend worden gezien en als gevolg daarvan zijn 82 drielettercombinaties uitgesloten.

Een verslaggever van een autotijdschrift schrijft in een artikel dat door al deze beperkingen minder dan 20% van alle mogelijke kentekens uiteindelijk op een personenauto terecht zal komen.

Vraag 7 5 punten

Ga met een berekening na of de verslaggever gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat bij de berekening van het percentage is uitgegaan van zijn antwoord bij de eraan voorafgaande vraag (of van 17 576 000), hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Vanaf 1 maart 2013 werd voor kentekens de serie sidecode 8 gebruikt. Sidecode 8 bevat eerst een cijfer, dan drie letters en tenslotte twee cijfers. Sidecode 8 lijkt dus erg op sidecode 7 maar omdat er andere beperkingen gelden, zijn in totaal 1,46 miljoen kentekens beschikbaar voor personenauto’s.

In oktober 2013 vraagt de verslaggever zich af tot wanneer deze serie (ongeveer) mee zal gaan. Hij maakt zelf een grafiek met daarin de verkoop van nieuwe personenauto’s vanaf 2011. Ook maakt hij als bijpassend model een trendlijn met een afname van de verkoop van

375 nieuwe auto’s per maand.

figuur Autoverkoop januari 2011 - september 2013 70.000

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0 11

11

1

1 11

11

12

12

2

2 12

12

13

13

3

3 13 -1

-1

-1 l-1

l-1

l-1 rt -

rt-

rt - n-

n- p-

p-

n-

p- v-

v- ei

ei

ei ju

ju

ju ja

ja

ja se

no

se

no

se m

m

m m

m

m Legenda: autoverkoop trend

De formule die bij dit model hoort, is: An = −375n + 37 250

Hierbij is An het aantal verkochte nieuwe auto’s in maand n met n = 0 voor maart 2013, de eerste maand waarin sidecode 8 gebruikt wordt.

Het model geeft voor mei 2013 een hoger aantal verkochte nieuwe auto’s dan er volgens de grafiek werden verkocht.

Vraag 8 3 punten

Bereken hoeveel procent hoger de uitkomst van het model is. Geef je antwoord in gehele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het aflezen mag een marge van 1000 gehanteerd worden.

Er is ook een recursieve formule op te stellen bij dit model.

Vraag 9 3 punten

Stel deze recursieve formule op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het eerste antwoordelement mogen uitsluitend 0 of 2 twee scorepunten worden toegekend.

Verpakkingen

Om een verpakking in de vorm van een balk te maken, wordt een karton van 30x40 cm gebruikt. In de afbeeldingen hieronder zie je links een verpakking en rechts hoe de uitslag daarvan uit het karton geknipt wordt. Hierbij is h de hoogte, b de breedte en l de lengte van de verpakking in cm. De uitslag eindigt precies bij de randen van het karton. Zie de figuur.

figuur

30 cm

40 cm

h grondvlak l grondvlak l b h b

Van een bepaalde verpakking is de hoogte gelijk aan 3 cm.

Vraag 10 3 punten

Bepaal de lengte en breedte van deze verpakking en bereken daarmee vervolgens de inhoud van deze verpakking.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat gebruikmaakt van de formule die verderop in deze opgave gegeven wordt, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.

De formule voor de inhoud V in cm3 van de verpakking uitgedrukt in de hoogte h in cm is: V = 2h3

  • 70h2 + 600h

Vraag 11 4 punten

Toon, zonder getallenvoorbeelden, aan dat deze formule juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voor de breedte geldt: = b 30 − 2h (1)
  • Voor de lengte geldt: l = l 20 − h ) (of = (1)
  • V = (30 − 2h) ⋅ ⋅h (1)
  • Herleiden tot V =2h3 − 70h 2 + 600h (1)

Met behulp van deze formule is vast te stellen voor welke hoogte h (met h ≤ 15 ) de inhoud maximaal is.

Vraag 12 3 punten

Bereken met behulp van differentiëren bij welke hoogte de inhoud maximaal is. Geef je antwoord in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • V ' =6h 2 − 140h + 600 (1)
  • Beschrijven hoe de vergelijking V ' = 0 opgelost kan worden (1)
  • Dat geeft: h = 5, 7 (cm) (1)

Efficiëntie van een verpakking Bedrijven willen zo efficiënt mogelijk omgaan met verpakkingsmateriaal. Meestal is er een vaststaande inhoud en wil men dat de oppervlakte van de verpakking zo klein mogelijk wordt, maar je kunt het ook andersom bekijken: bij een bepaalde oppervlakte wil je een verpakking met zo groot mogelijke inhoud. De maximale inhoud krijg je als je een bol neemt, maar een bol als verpakkingsmateriaal is vaak niet handig.

Om de efficiëntie E van een verpakking met een inhoud V en een oppervlakte A te weten te komen, vergelijk je de inhoud V van die verpakking met de inhoud van een bol met diezelfde oppervlakte A.

Er geldt: inhoud V van verpakking met oppervlakte A formule 1: E= inhoud van bol met oppervlakte A

Voor een bol geldt het volgende: formule 2: Oppervlakte bol = 12,57 r 2 formule 3: Inhoud bol = 4,19r 3

In deze formules is r de straal van de bol.

Uitgaande van de formules 1, 2 en 3 geldt voor de efficiëntie van een verpakking de volgende formule: V E= ( 0,08 A ) 3 4,19

Vraag 13 4 punten

Toon met de formules 1, 2 en 3 aan dat deze laatste formule juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • E= = (1) inhoud van bol met oppervlakte A 4,19 0, 08 A 3 ( )

Groningse aardbevingen

In de provincie Groningen vinden, als gevolg van gasproductie, regelmatig aardbevingen plaats. In 2013 is daar grootschalig onderzoek naar gedaan. Zo werd er gekeken naar het verband tussen de gasproductie en aardbevingen. Enkele resultaten daarvan staan in figuur 1. Deze figuur staat ook, vergroot, op de uitwerkbijlage. Hier zie je bijvoorbeeld dat er in

1993 zeven aardbevingen zijn geweest en er in datzelfde jaar 42 miljard kubieke meter gas is geproduceerd.

[figuur 1: zie het originele examen]

60 60 gasproductie jaarlijks aantal aardbevingen in miljarden m3

50 50 per jaar

40 40

30 30

20 20

10 10

0 0 ’89 ’91 ’93 ’95 ’97 ’99 ’01 ’03 ’05 ’07 ’09 ’11 jaar Legenda: jaarlijks aantal aardbevingen jaarlijkse gasproductie

We bekijken de volgende drie beweringen:

1 De gasproductie en het aantal aardbevingen zijn over de gehele periode 2000-2011 procentueel evenveel gestegen.

2 Als na 2000 de gasproductie daalt, dan heeft dat altijd een jaar later ook een daling van het aantal aardbevingen tot gevolg.

3 In de periode 2005-2011 is de gemiddelde stijging per jaar van het aantal aardbevingen groter dan in de periode 1998-2004.

Vraag 14 5 punten

Geef van elke bewering aan of deze waar is of niet. Gebruik in je toelichting gegevens uit figuur 1 en gebruik daarbij eventueel de figuur op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als bewering 3 geverifieerd wordt op basis van een toelichting met behulp van de helling van twee lijnstukjes in de figuur, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

aardbevingen ≥

magnitude ≥ 1,5 100 ≥ 2,0

≥ 2,5

10 ≥ 3,0

≥ 3,5 1 tijd in maanden

t=0 t = 117 t = 220 (april 1994) (januari 2004) (augustus 2012)

t = 51 t = 183 (juli 1998) (juli 2009)

In het onderzoek werden alleen aardbevingen bekeken die schade zouden kunnen veroorzaken. Omdat aardbevingen met een magnitude van minder dan 1,5 geen schade aanrichten, zijn deze niet in figuur 2 opgenomen.

Vraag 15 3 punten

Bereken voor augustus 2012 hoeveel procent van het aantal aardbevingen van magnitude > 2,0 een magnitude van 2,5 of hoger heeft. Geef je antwoord in gehele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het aantal aardbevingen van magnitude ≥ 2,0 is 66 (of een ander geheel getal in het interval [64,68]) (1)
  • Het aantal aardbevingen van magnitude ≥ 2,5 is 22 (of een ander geheel getal in het interval [21,24]) (1)
  • Het antwoord: 33(%) (1)

Het feit dat de grafieken in figuur 2 evenwijdige rechte lijnen zijn, betekent dat het aantal aardbevingen van elke klasse exponentieel toeneemt met dezelfde groeifactor. Het totaal aantal aardbevingen A voor magnitudes > 1,5 is te beschrijven met de volgende formule:

A = 12 · e0,013t met t = 0 voor april 1994 en t in maanden.

Vraag 16 4 punten

Bereken door middel van differentiëren de waarde van de afgeleide van A voor t = 117. Geef je antwoord in één decimaal en leg uit wat de betekenis van deze waarde is in deze situatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als januari 2004 niet genoemd wordt, dan ten hoogste 3 scorepunten voor deze vraag toekennen.
  • Voor het derde antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

De formules van de overige lijnen in figuur 2 kunnen worden afgeleid van die voor de magnitudes > 1,5. Bekijk de grafiek voor de magnitudes > 2,0. Deze grafiek is 85 maanden later op dezelfde hoogte als de grafiek voor magnitudes > 1,5.

Hieronder staan vier formules. Een van de vier is juist voor de magnitudes > 2,0:

A A2,0 = 12 · e0,013(t +85) met t = 0 voor april 1994

B A2,0 = 12 · e0,013(t −85) met t = 0 voor april 1994

C A2,0 = 12 · e0,013t +85 met t = 0 voor april 1994

D A2,0 = 12 · e0,013t −85 met t = 0 voor april 1994

Vraag 17 3 punten

Beredeneer welke van de vier formules juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De grafiek van A2,0 moet door (85,12) gaan (1p)
  • Met behulp van berekeningen verifiëren dat formule B de formule is waar (85,12) aan voldoet (2p)

Opmerkingen

  • Voor het eerste antwoordalternatief mogen voor het eerste antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
  • Voor het tweede antwoordalternatief mogen voor het tweede antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

In een rapport van het Staatstoezicht op de Mijnen wordt geconstateerd dat er een duidelijk verband is tussen de magnitude en het percentage aardbevingen boven die magnitude. In figuur 3 is dat verband weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen] 100 percentage 90 aardbevingen 80 boven bepaalde magnitude (N) 70 60 50 40 30 20 10 0

0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 magnitude aardbeving op de schaal van Richter (M)

Zo is bijvoorbeeld af te lezen dat 10% van de aardbevingen een magnitude boven de 1,0 heeft. Bij deze grafiek hoort de volgende formule: N = 10a− M Hierbij is M de magnitude en N het percentage van de aardbevingen boven magnitude M.

Vraag 18 3 punten

Laat met een berekening zien dat geldt: a = 2 .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Voor M = 0 geldt N = 100 (1p)
  • a = 2 invullen leidt tot N = 102− M (1) 2−1
  • M = 1 hierin invullen leidt tot = N ( 10 = ) 10 (1p)
  • Dit komt overeen met het gegeven dat de grafiek door (1,0;10) gaat (1p)

Omgekeerd kun je je ook afvragen welke magnitude de (bijvoorbeeld) 20% zwaarste aardbevingen minstens hadden. Om vragen als deze te beantwoorden, is het handig de formule te herschrijven. De formule N = 102− M is te herleiden tot M = p + q · log(N ) .

Vraag 19 3 punten

Bereken p en q.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • log( N ) = log(102− M ) (1)
  • log( N )= 2 − M (1)
  • M = 2 − log( N ) (dus p = 2 en q = −1 ) (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1024-a-19-1-o

Andere examens wiskunde A vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), veranderingen en afgeleide (4) en lineaire verbanden (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1024-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.