Eindexamen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Temperatuurschalen, Zonkracht en beschermingsfactor, Touwtjespringen, Hoe ver is de horizon?, Hypotheek.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (7), formules en grafieken (6) en lineaire verbanden (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Exponentiële groei5, 7, 17-217
Formules en grafieken6, 8-9, 12-13, 166
Lineaire verbanden1-44
Combinatoriek10-112
Veranderingen en afgeleide14-152

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (19% van de vragen, gemiddeld 6%) en exponentiële groei (33% van de vragen, gemiddeld 22%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Temperatuurschalen

In Nederland drukken we temperaturen meestal uit in graden Celsius (°C), maar er bestaan veel meer temperatuurschalen. In deze opgave bekijken we een aantal van deze temperatuurschalen.

In de Verenigde Staten wordt de temperatuur uitgedrukt in graden Fahrenheit (°F). De Fahrenheitschaal is in 1724 ontwikkeld door de Duitser Gabriel Fahrenheit. Hij gebruikte bij het bedenken van deze schaal de volgende drie referentiepunten:

1 Hij maakte een mengsel van ijs, water en een bepaald soort zout. Dat was in die tijd de manier om een zo laag mogelijke temperatuur te verkrijgen. Die temperatuur noemde hij 0 °F.

2 Het vriespunt van water. Dat noemde hij 32 °F.

3 De lichaamstemperatuur van een gezond mens. Die noemde hij 96 °F.

In graden Celsius is de lichaamstemperatuur van een gezond mens gelijk aan 37 °C en is het vriespunt van water 0 °C. Zowel de Celsiusschaal als de Fahrenheitschaal is lineair. En ook het verband tussen de temperatuur in graden Celsius en die in graden Fahrenheit is lineair.

Vraag 1 4 punten

Bereken met behulp van de bovenstaande referentiepunten de temperatuur in °C van het ijsmengsel dat Fahrenheit gebruikte.

Bekijk het antwoord
  • 32 °F komt overeen met 0 °C en 96 °F komt overeen met 37 °C (1)
  • Bij een stijging van 64 °F hoort dus een stijging van 37 °C (1)
  • 0 °F komt dus overeen met 0 − 12 ⋅ 37 °C (1)
  • Het antwoord: −18,5 (°C) (1)

De metingen van Fahrenheit waren vrij onnauwkeurig en daarmee was zijn temperatuurschaal dat ook. Inmiddels is de Fahrenheitschaal nauwkeuriger vastgesteld en geldt tussen graden Celsius (C) en graden 5 Fahrenheit (F) het volgende verband: C = ( F

  • 32) . 9

Vraag 2 3 punten

Bereken bij welke temperatuur beide temperatuurschalen dezelfde temperatuur aangeven.

Bekijk het antwoord
  • • Er geldt dan C = F (1) 5 (5) • Beschrijven hoe de vergelijking= F ( F − 32) (of= C (C − 32) ) kan 9 (9) worden opgelost (1) • Het antwoord: bij −40 (°C of °F) (1) (3)

In de wetenschap werkt men meestal met de Kelvinschaal. Deze schaal is afgeleid van de Celsiusschaal, maar heeft een ander nulpunt, namelijk het zogenoemde absolute nulpunt. Dat is de laagst mogelijke temperatuur. In graden Celsius is dat −273,15 °C.

Er geldt: K = C + 273,15 met K in Kelvin. Door de twee bovenstaande formules te gebruiken, kun je een formule opstellen die de temperatuur in Kelvin uitdrukt in graden Fahrenheit. Deze formule heeft de vorm K = aF + b .

Vraag 3 3 punten

Bereken de waarden van a en b. Geef je antwoorden in twee decimalen.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een kandidaat deze vraag beantwoord heeft op basis van enkele concrete waarden, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

In de figuur zijn de grafieken getekend van verschillende temperatuurschalen: Celsius, Fahrenheit en Kelvin. Beide assen hebben een lineaire schaalverdeling. Op de horizontale as is echter geen schaalverdeling weergegeven: daar staan enkele natuurkundige verschijnselen die bij de betreffende temperaturen plaatsvinden. In de figuur is ook de grafiek getekend van de schaal van Rankine. Deze schaal is in de negentiende eeuw afgeleid van die van Fahrenheit, maar heeft, net als de Kelvinschaal, het absolute nulpunt als nulpunt. De grafieken die horen bij Fahrenheit en Rankine zijn evenwijdig.

figuur 800 Rankine 700

600

500 Kelvin 400 Fahrenheit 300

200 Celsius 100

0

-100

-200 temperatuur lichaams- ijsmengsel temperatuur -300 Fahrenheit -400 smeltpunt kookpunt -500 van water van water

Met behulp van deze grafieken en/of de voorgaande formules is het mogelijk om een verband op te stellen tussen de temperatuur in °C en die in graden Rankine (°Ra).

Dat verband heeft de vorm: C = pR + q met C de temperatuur in °C en R de temperatuur in °Ra.

Vraag 4 4 punten

Stel deze formule op. Licht je antwoord toe en geef de waarden van p en q in twee decimalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Aflezen: 490 °Ra (of een andere waarde in het interval [480, 500]) komt overeen met 0 °C (1) 273,15

Opmerking Bij het beantwoorden van deze vraag kan het gebruik van andere informatie uit de figuur of uit de tekst tot iets andere parameters leiden. Hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Zonkracht en beschermingsfactor

Op de verpakking van een zonnebrandcrème staat de volgende tabel:

tabel maximale tijd in de zon in uren en minuten (bij zonkracht 8) huidtype zonder crème met crème factor 20

1 zeer lichte huid 7,5 minuten 2 uur 30 minuten

2 lichte huid 12,5 minuten 4 uur 10 minuten

3 licht getinte huid 25 minuten 8 uur 20 minuten

4 getinte huid 37,5 minuten 12 uur 30 minuten

De beschermingsfactor van een zonnebrandcrème geeft aan met welke factor je de maximale tijd in de zon zonder crème moet vermenigvuldigen om de maximale tijd in de zon met crème te krijgen. Zo kun je in de tabel aflezen dat met huidtype 1 de maximale tijd in de zon zonder crème 7,5 minuten is. Met crème factor 20 is deze maximale tijd 20 maal zo lang.

Bovengenoemde tabel geldt voor zonkracht 8. De zonkracht is een maat voor de intensiteit van de zonnestraling. Zonkracht 8 is de maximale zonkracht die in Nederland voorkomt. Hoe lang iemand in de zon kan blijven, hangt niet alleen af van zijn huidtype en de zonnebrandcrème, maar ook van de zonkracht. Voor T, de maximale tijd in de zon zonder crème, wordt wel de volgende formule gebruikt: huidwaarde T= zonkracht Hierbij is T in minuten en heeft huidtype 1 huidwaarde 60, huidtype 2 huidwaarde 100, huidtype 3 huidwaarde 200 en huidtype 4 huidwaarde 300.

Er zijn zonnebrandcrèmes met beschermingsfactor 10, 15, 20, 30 en 50 beschikbaar.

Op een licht bewolkte dag in juni is de zonkracht 5. Iemand met huidtype 2 wil 4 uur in de zon kunnen blijven.

Vraag 5 3 punten

Bereken welke beschermingsfactor hij van bovenstaande beschikbare beschermingsfactoren minimaal nodig heeft in zijn zonnebrandcrème.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De benodigde factor is = 12 (1) 20
  • Het antwoord: (minimaal) factor 15 (1p)

In werkelijkheid is de zonkracht gedurende een dag nooit constant, maar varieert afhankelijk van de bewolking en het moment van de dag. In de figuur zie je de gemeten zonkracht op 5 september 2015 in Bilthoven. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.

figuur 4 zonkracht

3

2

1

0

7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 tijd (in uren)

De met lijntjes verbonden punten geven de metingen aan. In de figuur is ook een grafiek getekend die de maximaal mogelijke zonkracht geeft, dat wil zeggen de zonkracht bij onbewolkte hemel. Onderzoekers benaderen deze grafiek met een formule van de vorm: Z = a + b sin(c(t

  • d )) Hierin is Z de maximaal mogelijke zonkracht en t de tijd in uren.

Vraag 6 4 punten

Bepaal, met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage, de waarden van a, b, c en d in deze formule. Licht je antwoorden toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • a= = 2 (1)
  • b = 4 − 2 = 2 (of b= = 2) (1)
  • De periode is 12 (uur) dus= c (≈ 0,5 (of nauwkeuriger)) (1)
  • (Voor t = 10, 7 gaat de grafiek stijgend door de evenwichtsstand, dus) d = 10, 7 (met een marge van 0,1) (of nauwkeuriger) (1)

Op een bepaalde dag in augustus moet Marieke een lange tijd in de zon werken. Marieke heeft huidtype 1 en ze smeert zich altijd in met zonnebrandcrème factor 15. Je kunt nu berekenen dat Marieke maximaal

225 minuten in de zon kan blijven als de zonkracht constant 4 zou zijn.

Voor die dag in augustus is door een onderzoeker voor de maximaal mogelijke zonkracht Z de volgende formule opgesteld: Z = 2,65 + 2,65sin(0,50(t

  • 10,7)) Hierin is t de tijd in uren met 7,6 ≤ t ≤ 20,1. Neem aan dat de zon op deze dag de hele dag schijnt met de maximaal mogelijke kracht, dus volgens de formule.

Vraag 7 4 punten

Toon met behulp van deze formule aan dat Marieke met zonnebrandcrème factor 15 niet deze hele dag in de zon kan blijven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Beschrijven hoe de vergelijking 2, 65 + 2, 65sin(0,50(t − 10, 7)) = 4 opgelost kan worden (1)
  • t = 11, 7... en t = 15,9... (1)
  • Hieruit volgt dat de zonkracht op deze dag meer dan 4 uur lang 4 of hoger is (1)
  • Zelfs bij een constante zonkracht van 4 mag Marieke maar maximaal 225 minuten, dus minder dan 4 uur, in de zon blijven (dus Marieke kan niet deze hele dag in de zon blijven) (1)

Touwtjespringen

Op veel schoolpleinen van basisscholen zie je groepen kinderen touwtjespringen. Twee kinderen draaien een lang touw rond, terwijl andere kinderen één voor één al springend het draaiende touw binnengaan en weer uitgaan.

In de figuur is een model van het springtouw in een assenstelsel getekend. De doorgetrokken lijn is het springtouw in de laagste stand en de stippellijn is het springtouw in de hoogste stand. Het springtouw wordt door de draaiers vastgehouden in de punten A en B. Het springtouw raakt de grond precies midden tussen de draaiers in. We gaan er in dit model van uit dat het springtouw symmetrisch om de as AB heen draait.

figuur H 2

1

A B

O x -3 -2 -1 1 2 3

-1

De formule die hoort bij de doorgetrokken lijn in de figuur is:

H ( x) = e −0,31x + e0,31x

  • 2

Hierin is H ( x ) de hoogte (in meters) van het springtouw en x de ‘afstand’1) (in meters) gemeten vanaf het punt waar het springtouw de grond raakt. In dit model verwaarlozen we de dikte van het springtouw. Het model is symmetrisch ten opzichte van de H-as en de maximale hoogte van de stippellijn in de figuur is 1,54 meter.

Uit de gegevens volgt dat de draaiers ongeveer 5,5 meter van elkaar staan.

Vraag 8 4 punten

Bereken de afstand tussen de punten A en B. Geef je antwoord in hele centimeters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het inzicht dat de maximale hoogte tweemaal de hoogte is waarop het touw wordt vastgehouden (1)
  • Beschrijven hoe de vergelijking H ( x) = kan worden opgelost (1)
  • x = 2,746… (1)
  • Het antwoord: (2 ⋅ 2, 746... ≈) 5, 49 meter (of 549 (cm)) (1)

noot 1 Als x negatief is, betekent dit dat het bijbehorende punt op de doorgetrokken lijn ergens tussen A en het laagste punt van de doorgetrokken lijn ligt. Zie de figuur.

Bij een bepaald onderdeel van het spel moeten de kinderen rechtop onder het springtouw door rennen, zonder daarbij het touw te raken. Dat moeten ze zo dicht mogelijk bij een van de draaiers doen. Het is natuurlijk het handigst om het zo te doen dat je onder het touw door rent als het in de hoogste stand is.

Milan is 1,39 meter lang.

Vraag 9 4 punten

Onderzoek op welke afstand van de draaiers Milan minimaal moet rennen om het touw niet tegen zijn hoofd te krijgen. Geef je antwoord in hele centimeters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De hoogte van het touw in de hoogste stand is 1,54 − H ( x) (1)
  • De vergelijking 1,54 − H ( x) = 1,39 moet worden opgelost (1)
  • Het oplossen van de vergelijking geeft ( x = −1, 24... of) x = 1, 24... (1)
  • Het antwoord: (2, 75 − 1, 24... ≈)1,51 meter (of 151 (cm)) (1)

Bij het touwtjespringen kunnen verschillende spelletjes gespeeld worden. Een groep van tien kinderen speelt zo’n spel. Bij dit spel wordt deze groep als volgt verdeeld:

  • twee kinderen draaien met het touw, de zogenaamde draaiers;
  • de overige acht kinderen worden in twee gelijke teams verdeeld.

Vraag 10 4 punten

Bereken hoeveel verschillende verdelingen er op deze manier mogelijk zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De twee draaiers kunnen op   manieren worden gekozen (1)
  • De overige acht kinderen kunnen op   manieren in twee teams  4 worden verdeeld (1)
  • Dit geeft:   ⋅   = 3150 manieren (1)
  • (Omdat verwisseling van team 1 en team 2 geen andere verdeling 3150 oplevert:) het antwoord: ( ) = 1575 (1)

Bij dit spel gaan de kinderen van een team één voor één het springtouw binnen. Het eerste kind maakt dan één sprong. Zodra het eerste kind één sprong gemaakt heeft, komt het tweede kind het springtouw binnen en samen maken ze twee sprongen. Na deze twee sprongen komt het derde kind het springtouw binnen en met z’n drieën maken ze vier sprongen. Tot slot komt het vierde kind binnen en met z’n vieren springen ze dan zes keer. Direct na deze laatste sprongen verlaat het eerste kind het springtouw weer en kind 2, 3 en 4 volgen hem steeds met tussenpozen van drie sprongen. In totaal wordt er zo dus 22 keer gesprongen.

Op de uitwerkbijlage zie je een gedeeltelijk ingevuld schema bij dit spel.

Vraag 11 3 punten

Vul het schema op de uitwerkbijlage verder in en onderzoek hiermee welk kind de meeste sprongen maakt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het eerste antwoordelement dient bij het invullen van het schema voor elke fout of niet vermeld aantal een scorepunt in mindering gebracht te worden.

Hoe ver is de horizon?

Bij helder weer geldt: naarmate je hoger staat, kun je verder kijken. Maar is het ook zo dat je tweemaal zo ver kunt kijken als je tweemaal zo hoog staat? Dat onderzoeken we in deze opgave.

Daarvoor maken we een model: we beschouwen de aarde als een gladde bol. Zie de figuur.

figuur A x H

M

De ogen van een waarnemer staan in punt A en de waarnemer kan tot punt H kijken: zó ver reikt zijn horizon. Punt M is het middelpunt van de aarde. Lijnstuk MH is een straal van de aarde; MH = 6371 km. De lengte van lijnstuk MA is 6371 km plus de hoogte van A boven de grond. De hoogte van A boven de grond noemen we x (in kilometers). Driehoek AHM is rechthoekig. Met de stelling van Pythagoras AH 2 + HM 2 = AM 2 kunnen we nu de afstand AH (in kilometers) uitdrukken in x:

AH = 12742 x + x 2

Vraag 12 4 punten

Toon aan dat de formule voor AH juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • = 6371 + x AM (1)
  • AH 2= AM 2 − HM 2= (6371 + x) 2 − 63712 (1)
  • = 6371 + 2 ⋅ 6371 ⋅ x + x − 6371 AH (1)
  • De rest van de herleiding (1)

Wie de Domtoren in Utrecht beklimt, kan op 75 meter ooghoogte en op

90 meter ooghoogte naar buiten kijken.

Vraag 13 3 punten

Bereken hoeveel je op 90 meter ooghoogte verder kunt kijken dan op

75 meter ooghoogte. Geef je antwoord in gehele km nauwkeurig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Beschrijven hoe AH (0, 09)
    • AH (0, 075) berekend kan worden (1)

Dat je verder kunt kijken als je hoger staat, betekent dat AH toeneemt als x toeneemt. Uit de formule blijkt dat dit het geval is.

Vraag 14 2 punten

Beredeneer aan de hand van de formule van AH dat AH toeneemt als x toeneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Als x toeneemt, dan neemt ook 12 742x + x 2 toe (1)
  • Dan neemt ook de wortel uit 12 742x + x toe (en dus neemt AH ook toe) (1)

Ook door te differentiëren kun je aantonen dat AH toeneemt als x toeneemt. dAH

Vraag 15 5 punten

Bepaal de afgeleide en beredeneer aan de hand van de formule dx van deze afgeleide, dus zonder een schets of tekening van de grafiek van de afgeleide te maken, dat AH toeneemt als x toeneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een aanpak als: 1 dAH 1 −

  • = 2 (12 742 x + x 2 ) 2 ⋅ (12 742 + 2 x) (2) dx dAH 12 742 + 2 x

Opmerkingen:

  • Als de kettingregel niet gebruikt is bij deze vraag, ten hoogste

3 scorepunten toekennen.

  • Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Henk beweert dat, als je tweemaal zo hoog staat, je ook altijd tweemaal zo ver kunt kijken.

Vraag 16 3 punten

Onderzoek met behulp van de formule voor AH of Henk gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Als tweemaal zo hoog staan tot tweemaal zo ver kijken leidt, dan geldt: AH (2 x)= 2 ⋅ AH ( x) (1p)
  • (2 x) 2 2 12 742 x + x 2

12 742 ⋅ 2 x += (1)

  • Oplossen hiervan leidt niet tot positieve oplossingen dus Henk heeft geen gelijk (1p)

Opmerking Bij het eerste antwoordalternatief mogen bij het tweede antwoordelement uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

Hypotheek

In 2015 koopt Casper een nieuwe woning. Om die te kunnen betalen, sluit hij bij een bank een hypotheek af. Hij spreekt met de bank een periode af waarin hij de lening terugbetaalt, de looptijd van de hypotheek. Hierbij is het maandelijks te betalen bedrag gedurende de looptijd iedere maand hetzelfde. Dit bedrag bestaat voor een deel uit rente en voor een deel uit aflossing; deze aflossing is een terugbetaling van een gedeelte van het geleende bedrag.

De hoogte van de maandelijkse betaling wordt zó gekozen dat aan het eind van de looptijd de hypotheek precies is afgelost en alle rente is betaald.

De hypotheek van Casper is € 250 000. Bij zijn hypotheek is de rente gedurende de gehele looptijd van 30 jaar hetzelfde, namelijk 4,3% rente per jaar over het nog terug te betalen deel van het geleende bedrag. Voor de restschuld van Casper kan de volgende recursieve formule worden opgesteld: Rn = 1,0035 · Rn−1

  • B met R0 = 250000 In deze formule is Rn de restschuld (in euro’s) na n maanden en B het bedrag (in euro’s) dat hij per maand betaalt.

De maandelijkse groeifactor is in deze formule afgerond op 4 decimalen tot 1,0035.

Vraag 17 3 punten

Bereken deze maandelijkse groeifactor in 5 decimalen nauwkeurig.

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor per jaar is 1,043 (1)
  • De groeifactor per maand is gelijk aan 1, 04312 (1)
  • Dat is gelijk aan 1, 00351 (1)

Voor de hypotheek van Casper geldt B = 1225,10 . Volgens zijn hypotheekadviseur is het zo dat hij na 10 jaar meer dan 20% van zijn hypotheek heeft afgelost.

Vraag 18 4 punten

Onderzoek of de hypotheekadviseur gelijk heeft.

Bekijk het antwoord
  • 10 jaar is 120 maanden (1)
  • Beschrijven hoe R120 berekend kan worden (1)
  • R120 = 197 900,... (1)
  • Omdat ( 0,8 ⋅ 250 000 = ) 200 000 > 197 900,... (of: Omdat R120 ongeveer 79% van de hypotheek is,) is de conclusie dat de adviseur gelijk heeft (1)

Het bedrag dat Casper per maand betaalt, bestaat voor een deel uit rente (I) en voor een deel uit aflossing (F). Er geldt dus: B = I + F .

Aan het begin van de looptijd bestaat dit bedrag voor het grootste deel uit rente en slechts voor een klein deel uit aflossing, maar naarmate er meer afgelost wordt, neemt het rentedeel af en de aflossing toe. Voor de hypotheek van Casper is met B =1225,10 het verloop van I en F weergegeven in de figuur.

Voor Casper kan de figuur aflossing van zijn € 1.400,00 bedrag hypotheek benaderd (in €) worden met de € 1.200,00 formule € 1.000,00

F = 345, 24e0,0035n met n in maanden. € 800,00

Vraag 19 4 punten

Bereken na hoeveel € 600,00 maanden Casper voor het eerst meer € 400,00 aflossing dan rente betaalt. € 200,00

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Er moet gelden F > (=612,55) (1)
  • Het opstellen van de vergelijking 345, 24e0,0035n = 612,55 of de ongelijkheid 345, 24e0,0035n > 612,55 (1)
  • Beschrijven hoe de vergelijking 345, 24e = 612,55 opgelost kan worden (1)
  • Het antwoord: na 164 maanden (1)

€ 0,00

1 51 101 151 201 251 301 351 In het algemeen geldt looptijd (in maanden) voor het berekenen van het maandelijks te Legenda: rente (I) betalen bedrag B de aflossing (F) volgende formule: 0,01r

B = L·

1

  • (1 + 0,01r )
  • n In deze formule is L de hoogte van de lening, r het rentepercentage per maand en n de (resterende) looptijd van de lening in maanden.

Na 10 jaar bedraagt de restschuld van Casper nog € 198 396.1) Hij heeft op dat moment de mogelijkheid € 50 000 van zijn hypotheek af te lossen. Het nadeel is wel dat hij dan voor de resterende looptijd van 20 jaar een nieuwe lening moet afsluiten met 0,375% rente per maand.

Vraag 20 2 punten

Toon aan dat het bedrag dat hij per maand moet betalen, gelijk wordt aan € 938,83 als hij € 50 000 van zijn hypotheek aflost.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De restschuld na aflossing van € 50 000 is nog € 148 396 (1)
  • Het maandelijks te betalen bedrag wordt dan 0, 01 ⋅ 0,375 148 396 ⋅ B= 938,83 (euro) = (1)

Casper heeft nu twee mogelijkheden: I Hij verandert niets aan zijn hypotheek en blijft € 1225,10 per maand betalen. De € 50 000 zet hij op een lange-termijnspaarrekening waar hij 2,95% rente per jaar krijgt. II Hij lost met de € 50 000 zijn hypotheek voor een deel af en betaalt nog maar € 938,83 per maand. Het geld dat hij per maand minder uitgeeft, zet hij op de bank maar hij ontvangt hier geen rente over.

Vraag 21 5 punten

Onderzoek welke mogelijkheid voor Casper het gunstigst is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Mogelijkheid II: maandelijks bespaart hij aan aflossing 1225,10
    • 938,83 = 286, 27 (euro) vergeleken met mogelijkheid I (2)
  • De winst op sparen is dan: 50 000 ⋅1, 0295
    • 50 000 ≈ 39 432,84 (euro) (1)

Opmerking Bij het tweede antwoordalternatief mag bij het tweede antwoordelement voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1024-a-22-3-o

Andere examens wiskunde A vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3?

Het centraal examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (7), formules en grafieken (6) en lineaire verbanden (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1024-a-22-3-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.