Eindexamen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Continu Vakantie Onderzoek, Lengtegroei bij jongens, (beide in cm), Wetmatige beweging, De bankenformule.
Het centraal examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2 loopt tot vraag 20. Van 19 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (5), formules en grafieken (4) en lineaire verbanden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Exponentiële groei | 6, 17-20 | 5 |
| Formules en grafieken | 10-11, 15-16 | 4 |
| Lineaire verbanden | 1-2, 5 | 3 |
| Veranderingen en afgeleide | 7-9 | 3 |
| Statistiek | 3-4 | 2 |
| Combinatoriek | 12, 14 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over lineaire verbanden (16% van de vragen, gemiddeld 6%) en statistiek (11% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over formules en grafieken (21% van de vragen, gemiddeld 34%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Continu Vakantie Onderzoek
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doet sinds 1990 jaarlijks onderzoek naar het vakantiegedrag van Nederlanders. Dit onderzoek wordt het Continu Vakantie Onderzoek (CVO) genoemd. Bij dit onderzoek gaat het CBS niet uit van alle Nederlanders. Mensen die niet op vakantie kunnen doordat ze bijvoorbeeld in een instelling zitten, doen niet mee in het onderzoek. De onderzochte populatie wordt de CVO- populatie genoemd. Deze is dus kleiner dan de hele Nederlandse populatie.
Uit het CVO blijkt dat 80,7% van de CVO-populatie in 2016 ten minste één keer op vakantie is geweest. Deze 80,7% ging maar liefst 35,5 miljoen keer op vakantie: een gemiddelde van 2,78 vakanties per persoon. Met behulp van deze gegevens is de omvang van de CVO-populatie in 2016 te berekenen.
Vraag 1 3 punten
Bereken de omvang van de CVO-populatie in 2016. Geef je antwoord in gehele duizendtallen.
Bekijk het antwoord
- Het aantal personen dat op vakantie gaat, is (= 12, 76...) miljoen (1)
- De gehele CVO-populatie is miljoen (1)
- Het antwoord: 15 824 000 (1)
In het vervolg van deze opgave zullen we de CVO-populatie gewoon ‘Nederlanders’ noemen. Uit het CVO blijkt dat het aantal vakanties naar het buitenland in de loop van de jaren behoorlijk veranderd is. In figuur 1 is het verloop van het aantal buitenlandse vakanties weergegeven.
figuur 1 aantal buitenlandse vakanties
19 000 aantal (x1000)
18 000
17 000
16 000
15 000
14 000
13 000
12 000
11 000
10 000 0 92
94
96
98
00
02
04
06
08
10
12
14 90 19
19
19
19
20
20
20
20
20
20
20
20 19
jaar
In figuur 1 is bovendien de trendlijn voor het verloop van het aantal buitenlandse vakanties met een stippellijn in de periode tot en met 2001 weergegeven.
Hoewel het CVO pas sinds 1990 plaatsvindt, is er, gebruikmakend van de trendlijn tot en met 2001, toch een uitspraak te doen over het aantal buitenlandse vakanties in de periode voorafgaand aan 1990.
Vraag 2 4 punten
Bereken met behulp van lineair extrapoleren het aantal buitenlandse vakanties in 1985.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De richtingscoëfficiënt van de trendlijn is (= 300) (1p)
2001
- 1990
- (Met de formule van de trendlijn A= 300 ⋅ t + 11100 met A het aantal buitenlandvakanties in duizendtallen en t de tijd in jaren met t = 0 in het jaar 1990:) de waarde in 1985 is (300 ⋅ −5 + 11100 =) 9600 (1p)
Opmerkingen
- Bij het aflezen is een marge van 100 (×1000) toegestaan.
- Voor een aanpak gebaseerd op het verlengen van de grafiek, geen scorepunten toekennen.
In figuur 1 is te zien dat de lineaire trend die er tot en met 2001 was, eindigt. In 2002 is er een forse toename. Die is te verklaren doordat het CBS sinds 2002 één of meer overnachtingen bij familie in het buitenland ook als een vakantie telt, terwijl dat in de jaren ervoor niet het geval was.
In figuur 2 is nogmaals het aantal buitenlandse vakanties weergegeven. Verder is ook het verloop van het totaal aantal vakanties (in binnen- en buitenland samen) weergegeven. Bovendien is voor beide een model opgesteld en weergegeven. Die modellen komen pas na de volgende vraag aan de orde.
figuur 2 aantal vakanties in binnen- en buitenland
40 000 aantal (x1000)
35 000
30 000
25 000
20 000
15 000
10 000
0 92
94
96
98
00
02
04
06
08
10
12
14 90 19
19
19
19
20
20
20
20
20
20
20
20 19
jaar Legenda: totaal aantal vakanties model totaal aantal vakanties aantal vakanties buitenland model aantal vakanties buitenland
Vraag 3 3 punten
Onderzoek met behulp van de werkelijke aantallen in figuur 2 of het percentage buitenlandse vakanties als percentage van het totaal aantal vakanties in de periode 2002–2016 is toe- of afgenomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het aantal buitenlandse vakanties was in 2002 en 2016 respectievelijk
16 750 en 17 800 (duizend) en het totaal aantal vakanties was in beide jaren (ongeveer) 35 500 (duizend) (1)
- Het aantal buitenlandse vakanties was in 2002 en 2016 respectievelijk
16 750 en 17 800 (duizend) en het totaal aantal vakanties was in beide jaren (ongeveer) 35 500 (duizend) (1)
- In 2002 was het aantal buitenlandse vakanties minder dan de helft van het totaal aantal vakanties en in 2016 was dat meer dan de helft (1p)
- Het aantal buitenlandse vakanties was in 2002 en 2016 respectievelijk
16 750 en 17 800 (duizend) en het totaal aantal vakanties was in beide jaren (ongeveer) 35 500 (duizend) (1)
- De percentages: 16 750 47,1...(%) en 17
35 500 ⋅100 = 800
35 500 ⋅100 = 50,1...(%) (1)
Opmerking Bij het aflezen is een marge van 500(duizend) toegestaan.
Bij de modellen in figuur 2 horen de volgende formules:
B = −10,1t ² + 587t + 10 200 en T = −20,3t ² + 951t + 24 800 In dit model is B het aantal buitenlandse vakanties per jaar, T het totaal aantal vakanties per jaar en t de tijd in jaren met t = 0 in het jaar 1990.
B en T zijn beide in duizenden.
Volgens bovenstaand model had het aantal binnenlandse vakanties ook een maximum.
Vraag 4 4 punten
Bereken in welk jaar dat was.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het aantal binnenlandse vakanties is gelijk aan T − B (1)
- T −B= −20,3t ² + 951t + 24 800 − (−10,1t ² + 587t + 10 200) (= −10, 2t 2 + 364t + 14 600) (1)
- Beschrijven hoe de t-waarde bij het maximum van T − B kan worden bepaald (1)
- Het antwoord: ( t = 17,8... , dus in het jaar) 2008 (1)
Het CBS onderzoekt ook hoe lang mensen op vakantie gaan. Hoewel Nederlanders steeds vaker op vakantie gaan, worden deze vakanties steeds korter.
Een model dat het aantal vakanties per jaar en de lengte van deze vakanties beschrijft, is:
A = 0,0136t + 2, 43 en L = −0,024t + 9,3 In dit model is A het gemiddelde aantal vakanties per jaar per Nederlander, L de gemiddelde lengte van een vakantie in dagen, en t is weer de tijd in jaren met t = 0 in het jaar 1990.
Volgens dit laatste model blijft het aantal dagen per jaar dat een Nederlander gemiddeld op vakantie gaat, de rest van deze eeuw stijgen.
Vraag 5 4 punten
Bereken vanaf welk jaar een Nederlander gemiddeld minstens 25 dagen op vakantie gaat per jaar.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een kandidaat gerekend heeft met 24,5 dagen vakantie per jaar, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Lengtegroei bij jongens
In deze opgave bekijken we de (gemiddelde) lengte van Nederlandse jongens tot 21 jaar. Met ‘lengte’ wordt in de hele opgave de gemiddelde lengte bedoeld. We gebruiken in deze opgave een veelgebruikt model uit de kindergeneeskunde, het zogenaamde KKP-model. In dit model bestaat de lengte uit drie componenten L1, L2 en L3. Bij elkaar opgeteld geven deze drie componenten de lengte van Nederlandse jongens. In figuur 1 staan de drie componenten L1, L2 en L3 en is ook de som van de drie getekend.
[figuur 1: zie het originele examen]
200 lengte (in cm) L1 + L2 + L3 180
160
140
120
100 L2
80 L1
60
40
20 L3
0
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 leeftijd (in jaren)
In het eerste half jaar is de bijdrage van de componenten L2 en L3 voor de lengte verwaarloosbaar en is L1 alleen een goede benadering voor de lengte. De formule voor L1 is:
L1 = 76, 4
- 19, 4 · 0,9704w met L1 in cm en w de leeftijd in weken
De formule die hoort bij L1 heeft een grenswaarde.
Vraag 6 4 punten
Bereken na hoeveel weken de waarde van L1 10 cm van deze grenswaarde verwijderd is. Geef je antwoord in gehele weken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De grenswaarde is 76,4 (cm) (1)
- De vergelijking 76, 4 − 19, 4 ⋅ 0,9704 w =66, 4 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: ( w = 22, 0... , dus: na) 22 (weken) (1)
Vraag 7 3 punten
Bereken met behulp van de afgeleide van L1 de groeisnelheid in cm/week van een jongen een half jaar na zijn geboorte, dus als w = 26 . Geef je antwoord in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- L1′ = −19, 4 ⋅ ln(0,9704) ⋅ 0,9704 w (= 0,582... ⋅ 0,9704 w ) (1)
- L1′ (26) = 0, 266... (1)
- Het antwoord: 0,27 (cm/week) (1)
Na het eerste halfjaar is de bijdrage van de component L2 niet meer te verwaarlozen. De formule voor L2 is:
L2 = −0, 235t 2 + 9,5t
- 4,7 met L2 in cm en t de leeftijd in jaren Deze formule speelt verderop in deze opgave nog een rol.
De component L3 is de extra lengte als gevolg van de groeispurt die jongens in de pubertijd ondergaan. De formule voor L3 is: 16,1 L3 = met L3 in cm en t de leeftijd in jaren
1 + e16,4−1,2t Voor de afgeleide van L3 geldt: 19,32 · e16,4−1,2t L3′ = (1 + e ) 2 16,4−1,2t
Vraag 8 3 punten
Toon aan dat de bovenstaande formule van de afgeleide juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- • De afgeleide van e16,4−1,2t is −1,2 ⋅ e16,4−1,2t (1) ( ) (of −2 • L=′ 16,1 ⋅ −1 ⋅ −1, 2 ⋅ e16,4−1,2t ⋅ 1 + e16,4−1,2t 3 L′= (1 + e16,4−1,2t ) ⋅ 0 − 16,1⋅ −1, 2 ⋅ e 16,4−1,2t ) (1) 3 (1 + e ) 16,4−1,2t 2 16,4−1,2t 19,32 ⋅ e • Dit herleiden tot: L3′ = (1) ( ) 2 1 + e16,4−1,2t (3)
Met behulp van de afgeleide van L3 kun je op elk moment in de pubertijd berekenen hoe groot de extra groeisnelheid als gevolg van die groeispurt is.
Vraag 9 3 punten
Bereken met behulp van die afgeleide hoe groot de extra groeisnelheid in cm/jaar maximaal is. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het maximum van L3′ moet worden berekend (1)
- Beschrijven hoe het maximum van L3′ kan worden berekend (1)
- Het antwoord: 4,8 (cm/jaar) (1)
De som van L1, L2 en L3 levert de lengte L van een jongen. L kan met de volgende formule beschreven worden: 16,1 L = −19, 4 · 0, 2096t −0, 235t 2 + 9,5t + 71,7 +
1 + e16,4−1,2t Hierbij is L in cm en t de leeftijd in jaren.
Vraag 10 4 punten
Laat zien hoe deze formule met behulp van de drie genoemde componenten kan worden opgesteld.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- • De variabele w in L1 vertalen in de variabele t in jaren: w = 52t dus L1 ( w) = L1 (52t ) = 76, 4 − 19, 4 ⋅ 0,970452t (1) ( ) t • L1 = 76, 4 − 19, 4 ⋅ 0,970452 ≈ 76, 4 − 19, 4 ⋅ 0, 2096t (1) • Dus L1 += L2 ( ( 76, 4 − 19, 4 ⋅ 0, 2096 ) + ( −0, 235t + 9,5t − 4, 7 ) t (2) = 76, 4 − 4, 7 − 19, 4 ⋅ 0, 2096t − 0, 235t 2 + 9,5t ) = 71, 7 − 19, 4 ⋅ 0, 2096t − 0, 235t 2 + 9,5t (1) 16,1 • L (= −19, 4 ⋅ 0, 2096t − 0, 235t 2 + 9,5t + 71, 7 + L1 + L2 + L3 ) = (1) 1 + e16,4−1,2t (4)
(beide in cm)
215,00 205,00 0,3 195,00 185,00 0,2 175,00 165,00 0,1 155,00 145,00 0 135,00 125,00 −0,1 115,00 105,00 −0,2 95,00 85,00 −0,3 75,00 65,00 −0,4 0
1 3 5 7 9 11 13 15 17 19 21 lengte (in jaren) Legenda: werkelijkheid model afwijking
In figuur 2 is af te lezen bij welke leeftijd de absolute afwijking van de berekende gemiddelde lengte met de KKP-formule ten opzichte van de echte groeigegevens het grootst is. De figuur staat ook, vergroot, op de uitwerkbijlage.
Vraag 11 5 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage bij welke leeftijd die afwijking relatief het grootst is. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Voor de afgelezen afwijkingen mag 0,02 cm worden afgeweken; voor de afgelezen lengtes mag 2 cm worden afgeweken.
- Voor het derde antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als een kandidaat zijn redenering baseert op (minimaal) twee waarnemingen bij andere leeftijden dan 1 en 13 jaar, ten hoogste
3 scorepunten voor deze vraag toekennen.
Wetmatige beweging
Ruim 50 jaar geleden maakte de kunstenaar figuur 1 Peter Struycken het werk ‘Wetmatige beweging’. Dit kunstwerk is opgebouwd uit 625 zwarte vormen: vierkanten en andere rechthoeken, die met een bepaalde regelmaat verdeeld zijn over een wit vlak. Zie figuur 1.
Elk van de 625 zwarte vormen is gemaakt op basis van een 3×3-rooster van 9 vierkanten. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- het middelste vierkant in zo’n 3×3-rooster is altijd zwart;
- een vorm bestaat uit 1, 2, 3, 4, 6 of 9 zwarte vierkanten;
- een vorm is een rechthoek (en kan dus ook een vierkant zijn). Zie figuur 2 voor vier voorbeelden.
[figuur 2: zie het originele examen]
De twee vierkante vormen in figuur 2 worden als verschillende vormen opgevat, omdat ze op verschillende plaatsen in het 3×3-rooster staan.
Vraag 12 5 punten
Bereken hoeveel verschillende vormen de kunstenaar op deze manier kan maken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Er is 1 vorm bestaande uit 1 vierkant en er is 1 vorm bestaande uit 9 vierkanten en er zijn 4 vormen bestaande uit 4 vierkanten (1p)
- Er zijn 4 vormen bestaande uit 2 vierkanten (1p)
- Er zijn 2 vormen bestaande uit 3 vierkanten (1p)
In deze opgave gaan we ervan uit dat de hokjes in het 3×3-rooster allemaal 1 cm bij 1 cm zijn.
Om de totale oppervlakte te berekenen van de 625 gebruikte zwarte vormen, verdelen we het werk in 9 delen. Zie de uitwerkbijlage. In elk deel komt slechts één type vorm voor.
- Het middelste deel bestaat uit één vorm met oppervlakte 4 cm2.
- Er zijn 4 delen die elk uit 12 dezelfde vormen bestaan.
- Er zijn 4 driehoekige delen met elk evenveel vormen.
Vraag 13 4 punten
Bereken de totale oppervlakte in cm2 van de 625 gebruikte zwarte vormen door uitsluitend gebruik te maken van bovenstaande gegevens en de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als uitsluitend en herkenbaar gewerkt is met de later in de opgave genoemde formules voor O(n) , voor deze vraag geen scorepunten toekennen.
In het midden van het kunstwerk staat dus één vorm met oppervlakte
4 cm2. Dat is tevens de enige vorm met oppervlakte 4 cm2 die in het kunstwerk voorkomt. Je kunt het kunstwerk opgebouwd zien vanuit het midden door vanuit dat midden naar de rand van het kunstwerk te ‘lopen’. Je komt dan steeds een volgende zogeheten schil tegen, een rechthoekige rand van vormen. Zie ook figuur 3. Vanuit het midden is het werk opgebouwd uit 12 schillen.
In het vervolg van deze opgave bekijken we delen van dit kunstwerk, waarbij het aantal schillen variabel is. Het aantal schillen noemen we n. Voor het originele kunstwerk geldt dus n = 12 .
Met bijvoorbeeld n = 2 krijgen we het deel van het figuur 3 kunstwerk zoals in figuur 3. In figuur 3 zie je ook de 2 verschillende schillen plus de middenvorm met oppervlakte 4 cm2.
In figuur 3 zijn in totaal 24 vormen rondom de vorm met oppervlakte 4 cm2 in het midden gerangschikt. Deze 24 vormen zijn als volgt onderverdeeld:
− vier keer , vier keer , vier keer en vier keer ;
- twee keer , twee keer , twee keer en twee keer .
Stel je voor dat je deze 24 vormen weghaalt van hun huidige posities en ze daarna willekeurig over de zo vrijgekomen posities gaat herverdelen zonder de vormen te draaien. De middenvorm met oppervlakte 4 cm2 blijft daarbij dus op zijn plaats.
Vraag 14 4 punten
Bereken hoeveel verschillende figuren je zo kunt krijgen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De 24 vormen kunnen op 24! manieren geplaatst worden (als de 24 vormen als allemaal van elkaar verschillend beschouwd worden) (1) 24!
- Herhaald gebruik van dezelfde vormen leidt tot: (2) ( 4!) ⋅ ( 2!)4 4
Opmerking Voor het tweede antwoordelement in het tweede antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
De totale oppervlakte in cm2 van de gebruikte vormen bij n schillen noemen we O(n) . Voor O (n) is een formule opgesteld:
(1) O (n) = 1 · 4 + n · (2 + 2 + 6 + 6) + 12 n · (1 + 2n
- 1) · (1 + 3 + 3 + 9) Deze formule is te herschrijven als: (2) O ( n) = (4n + 2) 2
Vraag 15 3 punten
Laat zien dat beide formules (1) en (2) te herleiden zijn tot dezelfde formule.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 ⋅ n ⋅ (1 + 2n − 1) = 2 n2 (1)
- 4 16n + 16n 2 Formule (1) kan als volgt herschreven worden: O(n) =+ (1)
- Formule (2) kan als volgt herschreven worden: O ( n) = 2 ( 4n + 2 ) = ( 16n 2 + 16n + 4 =+ 4 16n + 16n 2 ) (1)
Formule (2) is een directe formule. We kunnen deze formule ook gebruiken om een recursieve formule op te stellen voor O(n) . Zo’n formule heeft de vorm: O (n + 1) = O( n) + an + b met O (0) = 4
Vraag 16 4 punten
Bereken de waarden van a en b.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven en de uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Een aanpak op basis van voorbeeldwaarden: • O(1)= 4 + b (1) • O(1) = 36 dus b = 32 (1) • O(2)= O(1) + a ⋅1 + b= 36 + a + 32 (1) • O(2) = 100 dus a = 32 (1) of een aanpak als: • O(n + 1)= (4(n + 1) + 2) 2 = (4n + 6) 2 = 16n 2 + 48n + 36 (1) 2 (2) • O(n + 1) − O(n= ) 16n + 48n + 36 − (16n + 16n + 4) (1) • Dit geeft O(n + 1) − O(n)= 32n + 32 (1) • O(n + 1)= O(n) + 32n + 32 (dus a = 32 en b = 32 ) (1) (4)
De bankenformule
Binnen de economie spelen rentepercentages en de bijbehorende verdubbelingstijden een grote rol. De verdubbelingstijd is de tijd die nodig is om een bedrag te verdubbelen.
In de praktijk wordt er binnen de economie vaak gebruikgemaakt van vuistregels om bij een gegeven rentepercentage de verdubbelingstijd te schatten.
Twee voorbeelden van zo’n vuistregel zijn de zogeheten 72-regel en de zogeheten bankenformule: 72
- volgens de 72-regel geldt: T = ; p 70
- volgens de bankenformule geldt: T = . p In beide vuistregels is p het rentepercentage per jaar en is T de verdubbelingstijd in jaren.
Een bank biedt een spaarrekening met een rente van 1,00% per jaar aan. Met behulp van de bankenformule kan geschat worden welke verdubbelingstijd hierbij geldt. Om met de 72-regel tot dezelfde verdubbelingstijd te komen, zou er een iets hoger rentepercentage moeten gelden.
Vraag 17 3 punten
Bereken dit percentage. Geef je antwoord in twee decimalen.
Bekijk het antwoord
- De schatting van de verdubbelingstijd (met de bankenformule): 70 (jaar) (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking = 70 kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: 1,03 (%) (1)
De schatting van de verdubbelingstijd volgens de 72-regel valt altijd hoger uit dan de schatting volgens de bankenformule. Hoe hoger het rentepercentage echter is, hoe kleiner het verschil in verdubbelingstijd wordt tussen beide vuistregels.
Vraag 18 3 punten
Bereken vanaf welk rentepercentage de schattingen ten hoogste een maand van elkaar verschillen.
Bekijk het antwoord
- Het verschil tussen de twee schattingen is − (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking − = kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: (vanaf een rentepercentage van) 24(%) (1)
Het werkelijke verband tussen p en T is (1 + 0,01 p )T = 2 .
Van de twee genoemde vuistregels wijkt de schatting volgens de bankenformule bij lage rentepercentages het minst af van de werkelijke verdubbelingstijd.
Bij een rentepercentage van 1,10% per jaar is het verschil tussen de schatting van de verdubbelingstijd volgens de bankenformule en de werkelijke verdubbelingstijd slechts enkele maanden.
Vraag 19 4 punten
Bereken dit verschil. Geef je antwoord in gehele maanden.
Bekijk het antwoord
- Schatting van de verdubbelingstijd (met de bankenformule): 70 = 63, 63... (jaar) (1)
- Beschrijven hoe de vergelijking 1, 011t = 2 (of b ⋅1, 011t = 2 ⋅ b , met voor b een zelfgekozen getallenvoorbeeld) kan worden opgelost (1)
- De werkelijke verdubbelingstijd is 63,35… (jaar) (1)
- Het antwoord: (het verschil is 63, 63... − 63,35... = 0, 27... jaar, dus) 3 (maanden) (1)
De schatting volgens de 72-regel en de schatting volgens de bankenformule worden beide gegeven door een formule van de vorm p · T = c met c = 72 bij de 72-regel en c = 70 bij de bankenformule. Deze waarden voor c zijn onder andere zo gekozen om het rekenwerk te vergemakkelijken. Door in de formule p · T = c met een andere waarde van c te rekenen, kan er een nauwkeurigere schatting van de verdubbelingstijd gegeven worden.
Hiervoor bekijken we nogmaals het werkelijke verband tussen p en T. Dit verband kan ook geschreven worden als:
( ) ln (1 + 0,01 p )T = ln(2)
Bij economen is bovendien bekend dat
- voor de gangbare waarden van p die in de economie gelden
- de volgende benadering gebruikt mag worden: ln(1 + 0,01 p ) ≈ 0,01 p
( ) Met behulp van het verband ln (1 + 0,01 p )T = ln(2) en de aanname ln(1 + 0,01 p ) = 0,01 p kan nu een nauwkeurigere waarde van c berekend worden.
Vraag 20 4 punten
( ) Onderzoek met behulp van ln (1 + 0,01 p )T = ln(2) en ln(1 + 0,01 p ) = 0,01 p of deze nauwkeurigere waarde hoger of lager is dan de gekozen waarde c = 70 in de bankenformule.
Bekijk het antwoord
- ( ) (Uit ln (1 + 0, 01 p )T = ln(2) volgt) T ⋅ ln(1 + 0, 01 p ) = ln(2) (1)
- (Uit ln(1 + 0, 01 p ) = 0, 01 p volgt dan) T ⋅ 0, 01 p = ln(2) (1)
- Dit geeft T ⋅ p ( = 100 ⋅ ln(2) ) = 69,3... (dus c = 69,3... ) (1)
- De nauwkeurigere waarde van c is lager (dan 70) (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-19-2-o
Andere examens wiskunde A vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2 loopt tot vraag 20. Van 19 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (5), formules en grafieken (4) en lineaire verbanden (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-19-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.