Eindexamen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Dauwpunt, Skûtsjesilen, Waalbrug, Bonte vliegenvanger, Afname van de kindersterfte in Mali.
Het centraal examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 16 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (7), veranderingen en afgeleide (3) en exponentiële groei (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Formules en grafieken | 2-4, 10-12, 20 | 7 |
| Veranderingen en afgeleide | 9, 17, 21 | 3 |
| Exponentiële groei | 13, 18-19 | 3 |
| Rijen | 14-16 | 3 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over rijen (19% van de vragen, gemiddeld 4%) en formules en grafieken (44% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over combinatoriek (0% van de vragen, gemiddeld 9%) en lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 7%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Dauwpunt
Als je op een zomerse dag een glas limonade op tafel zet, dan kan het glas binnen de kortste keren aan de buitenkant nat zijn. Dat komt doordat waterdamp uit de lucht neerslaat op het glas. We noemen dat condens. Condens ontstaat als de temperatuur van het glas lager is dan het zogenaamde dauwpunt: de temperatuur waarbij waterdamp uit de lucht condenseert. Het dauwpunt Td in °C is afhankelijk van de luchttemperatuur en de luchtvochtigheid en kan worden berekend met formule 1: 237,7 · G 17, 27 · L R Td = , met G = + ln (formule 1) 17, 27
- G 237,7 + L 100 Hierin is L de luchttemperatuur in °C en R de (relatieve) luchtvochtigheid in % (met 0 < R ≤ 100 ).
Hoewel de eerste condens al eerder ontstaat, is de condens pas goed zichtbaar als de temperatuur van het glas minimaal 3 °C onder het dauwpunt ligt.
Op een dag is de luchttemperatuur 23 °C en de luchtvochtigheid 65%. Op tafel staat een glas limonade. Het glas heeft een temperatuur van 12 °C.
Vraag 1 3 punten
Onderzoek of er dan goed zichtbare condens op het glas ontstaat.
Bekijk het antwoord
- G= + ln (= 1,09…) (1)
- Td = (= 16,0…) (1)
- 16,0... − 12 = 4,0... (°C), dus er ontstaat zichtbare condens op het glas (1)
Er wordt vaak gezegd dat een hoge luchtvochtigheid oncomfortabel is. Amerikaans onderzoek toonde echter aan dat comfortgevoel niet alleen bepaald wordt door de luchtvochtigheid, maar ook door het dauwpunt. In de tabel wordt het verband tussen het dauwpunt en het comfortgevoel aangegeven. tabel dauwpunt (°C) comfortgevoel ≥ 26 ernstig onaangenaam
24 - < 26 zeer onaangenaam
21 - < 24 behoorlijk onaangenaam
18 - < 21 enigszins onaangenaam
16 - < 18 voor de meeste mensen acceptabel
13 - < 16 comfortabel
10 - < 13 zeer comfortabel < 10 aan de droge kant
De zomer van 2018 was in heel Europa erg warm. Bij een hoge luchttemperatuur is het dauwpunt ook hoog en dan wordt de luchttemperatuur dus als onaangenaam ervaren. In Nederland liep de temperatuur op tot 33 °C en in het zuiden van Spanje zelfs tot 46 °C.
In Nederland werd de maximumtemperatuur als zeer onaangenaam ervaren, terwijl in Spanje de veel hogere maximumtemperatuur dankzij een lage luchtvochtigheid als enigszins onaangenaam werd ervaren.
Vraag 2 5 punten
Bereken de minimale luchtvochtigheid in Nederland bij de maximumtemperatuur in de zomer van 2018. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De juiste substitutie van G in de formule voor het dauwpunt Td (1) 17, 27 · 33 R 237, 7 · + ln 237, 7 + 33 100
In de winter zetten de meeste mensen hun verwarming op 20 °C. Bij een vaste luchttemperatuur van 20 °C kan formule 1 herleid worden tot: 237,7 · (ln( R)
- 3, 265) Td = (formule 2) 20,535
- ln( R )
Vraag 3 4 punten
Laat deze herleiding zien.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- G= + ln (1)
- G= + ln( R) − ln(100) ( = 1,34... + ln( R) − ln(100) ) (1)
- G = ln( R) − 3, 2648... (1)
- Td = = (en dit geeft 17, 27 − (ln( R ) − 3, 2648...) 20,5348... − ln( R ) 237, 7 · (ln( R) − 3, 265) na afronden: Td = ) (1)
In de winter is de luchtvochtigheid in huis vaak aan de lage kant. Als de luchtvochtigheid lager is dan 30%, is dit schadelijk voor de gezondheid.
In een huiskamer met een luchttemperatuur van 20 °C blijkt het dauwpunt
3 °C te zijn.
Vraag 4 3 punten
Onderzoek met behulp van formule 2 of de luchtvochtigheid in deze huiskamer schadelijk is voor de gezondheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking = 3 kan worden 20,535 − ln( R) opgelost (1)
- De oplossing is R = 32, 4... (1)
- Het antwoord: ( 32, 4... > 30 , dus) nee, de relatieve luchtvochtigheid is niet schadelijk (1)
Skûtsjesilen
Elk jaar vindt in Friesland het skûtsjesilen plaats. Dit zijn zeilwedstrijden met oude vrachtschepen, skûtsjes genaamd. Er zijn twee organisaties die deze wedstrijden organiseren: de SKS1) en de IFKS2).
tabel Voor het jaarlijkse SKS-kampioenschap worden 11 wedstrijden gezeild, waaraan uitslag punten
14 skûtsjes meedoen. winnaar 0,9 Voor elke wedstrijd krijgen de skûtsjes punten 2e plaats 2 in volgorde van aankomst. De winnaar krijgt 3e plaats 3 0,9 punt. Nummer twee krijgt 2 punten, nummer drie krijgt 3 punten, enzovoort. … … Zie de tabel. 14e plaats 14
Na afloop van de 11 wedstrijden wordt voor elk skûtsje het slechtste resultaat geschrapt. De punten van de overige 10 wedstrijden worden per skûtsje bij elkaar opgeteld. Het skûtsje dat dan de minste punten heeft, is kampioen.
Vraag 5 3 punten
Onderzoek of het theoretisch mogelijk is dat elk skûtsje in de einduitslag een geheel aantal punten heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Skûtsjes die geen enkele wedstijd winnen, hebben altijd een geheel aantal punten (1)
- Een skûtsje dat 10 wedstrijden wint, heeft ook een geheel aantal punten (1)
- Maar dan moet dit skûtsje alle 11 wedstrijden winnen, zodat bij dit skûtsje 1 keer winst niet meetelt, anders heeft een van de andere skûtsjes geen geheel aantal punten, dus het is mogelijk (1)
noot 1 SKS = Sintrale Kommisie Skûtsjesilen noot 2 IFKS = Iepen Fryske Kampioenskippen Skûtsjesilen
De afmetingen van de deelnemende skûtsjes zijn niet identiek. Om er toch een eerlijke wedstrijd van te maken, wordt voor elk skûtsje het maximaal toegestane zeiloppervlak berekend.
In eerste instantie rekende de SKS met formule Amels, maar deze formule is in 2000 aangepast en opnieuw aangepast in 2016: S = 1,90 · L · ( B + 2 D ) (formule Amels) S = 2,15 · L · ( B + 2 D) (formule 2000) S = 2,15 · L · ( 23 B + 1, 25 + 2 D ) (formule 2016)
Hierin is S het maximaal toegestane zeiloppervlak in m2, L de lengte van het skûtsje, B de breedte en D de diepgang ( L, B en D in meters).
De invoering van formule 2000 had tot gevolg dat elk skûtsje hetzelfde percentage extra zeil mocht hebben.
Vraag 6 2 punten
Bereken het percentage extra zeil dat elk skûtsje van formule 2000 mag hebben ten opzichte van formule Amels. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- = 1,131... (of met behulp van een getallenvoorbeeld) (1)
- Het antwoord: 13(%) (1)
Een van de skûtsjes is 17,13 m lang en 3,57 m breed en mag volgens formule 2000 een maximaal zeiloppervlak van 160,2 m2 hebben.
Vraag 7 4 punten
Bereken hoeveel m2 zeiloppervlak dit skûtsje volgens formule 2016 meer mag hebben dan volgens formule 2000. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking 160, 2 = 2,15 ·17,13 · (3,57 + 2 D) kan worden opgelost (1)
- Dit geeft: D = 0,38... (m) (1)
- Invullen van de gegevens in formule 2016 geeft dan: S = 162, 4... (m2) (1)
- Het antwoord: (162, 4... − 160, 2 =) 2,2 (m2) (1)
Voor het IFKS-kampioenschap worden andere regels gehanteerd voor het maximaal toegestane zeiloppervlak. Hier wordt gebruikgemaakt van de volgende formule: S = (3, 2525
- 0,05 L) · L · B (formule IFKS) Hierin is S het maximaal toegestane zeiloppervlak in m2, L de lengte van het skûtsje en B de breedte (L en B in meters).
Voor een skûtsje met een breedte van 3,52 m en een diepgang van 0,42 m geeft formule 2016 van de SKS een zeiloppervlak dat 25 m 2 groter is dan het toegestane zeiloppervlak volgens formule IFKS.
Vraag 8 3 punten
Bereken de lengte van dit skûtsje. Geef je antwoord in meters en in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De vergelijking 2,15 · L · ( 23 · 3, 52 + 1, 25 + 2 · 0, 42) = (3, 2525 − 0, 05 L ) · L · 3, 52 + 25 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: L = 18,52 (m) (1)
Een skûtsje heeft altijd een lengte L tussen de 12 en 20 meter. Bij een vaste breedte van het skûtsje geldt: hoe langer het skûtsje, des te groter het maximaal toegestane zeiloppervlak. Dit is echter niet meteen duidelijk te zien in formule IFKS. Om dit aan te tonen kun je een vaste waarde voor B kiezen en daarna dS laten zien dat de afgeleide van formule IFKS positief is. dL dS
Vraag 9 5 punten
Kies een vaste waarde voor B, stel hiermee de afgeleide op en toon dL aan, zonder een schets te maken, dat voor een skûtsje de afgeleide van formule IFKS positief is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Voor L = 12 is = 2, 0525 en voor L = 20 is = 1, 2525 (1) dL dL dS dS
- Voor L = 12 is = 2, 0525 en voor L = 20 is = 1, 2525 (1) dL dL dS dS
Opmerkingen
- Voor het tweede antwoordelement van het tweede en het vierde antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als in het tweede en het vierde antwoordalternatief de productregel niet is gebruikt voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen. dS
- Als een kandidaat de uitkomsten van voor de gehele getallen 13 t/m dL dS
19 berekent en daaruit concludeert dat altijd positief is, voor deze dL vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
Waalbrug
De Waalbrug is een verkeersbrug die Nijmegen en Lent met elkaar verbindt. In figuur 1 is een schematische tekening van de Waalbrug weergegeven. Hierin zijn de rechthoekjes de pijlers van de brug en is de horizontale lijn het wegdek.
[figuur 1: zie het originele examen]
De Waalbrug heeft vijf bogen, waarvan er vier zich geheel onder het wegdek bevinden. De middelste boog, de zogenaamde hoofdboog, heeft een boven- en een onderrand. De onderrand komt tussen de punten A en
B boven het wegdek uit.
In figuur 1 is het wegdek als x-as genomen en gaat de y-as door de top van de hoofdboog. Voor de onderrand van de hoofdboog kan de volgende formule worden opgesteld: π y = −11 + 38,6 · sin ( x + 122 ) (formule 1) 244 Hierin zijn x en y in meters.
Vraag 10 3 punten
Bereken de afstand van het wegdek tussen de punten A en B. Geef je antwoord in gehele meters.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking −11 + 38, 6 · sin ( x + 122 ) = 0 kan 244 worden opgelost (1)
- Dit geeft x = 99,55... (en/of x = −99,55... ) (1)
- Het antwoord: 199 (m) (1)
De formule van de bovenrand wordt verkregen door formule 1 in verticale richting te herschalen met factor 1,17 en vervolgens met 1,87 omhoog te schuiven. Met behulp van de formules voor de boven- en de onderrand kan de verticale afstand tussen de boven- en de onderrand van de hoofdboog worden berekend.
Vraag 11 4 punten
Bereken de verticale afstand tussen de boven- en de onderrand bij het hoogste punt van de hoofdboog. Geef je antwoord in meters en in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Voor de afstand tussen de boven- en de onderrand geldt π π y = −11 + 45,162 · sin ( x + 122 )
- −11 + 38, 6 · sin ( x + 122 ) (1)
244 244
- Het antwoord: (de optie maximum geeft) 6,6 (m) (1) of
- Invullen van x = 0 in de formule voor de onderrand geeft voor de hoogte van de onderste boog 27,6 (1p)
- De hoogte van de bovenste boog is 27,6 ·1,17 + 1,87 (= 34,162) (2p)
Opmerking Voor het tweede antwoordelement van het laatste antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
De gehele lengte van het wegdek dat hoort bij de hoofdboog
- het stuk tussen de twee middelste pijlers
- bedraagt 244 meter. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Net als de hoofdboog bestaan de andere vier bogen uit een halve periode van een sinusfunctie. Voor de boog direct rechts van de hoofdboog kan een formule worden opgesteld van de vorm y = a + b · sin ( c( x
- d ) ) .
Hiervoor zijn de volgende gegevens van belang, zie figuur 2:
- De pijlers zijn 7 meter breed.
- De boog begint direct naast de pijler op 11 meter onder het wegdek.
- Het hoogste punt van de boog raakt het wegdek.
- Het wegdek dat boven de boog ligt, heeft een lengte van 95 m.
Vraag 12 4 punten
Stel de formule op voor de boog direct rechts van de hoofdboog.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een andere mogelijke waarde voor d is gegeven, bijvoorbeeld d =
- 61 of d = 319 , hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Bonte vliegenvanger
De bonte vliegenvanger is een trekvogel die in de lente en zomer in Nederland broedt en in Afrika overwintert. In Nederland nam het aantal bonte vliegenvangers aan het eind van de twintigste eeuw af. Daarna namen de aantallen weer toe. Zie de figuur. figuur
De aantallen worden gegeven als percentages, waarbij het aantal in 1990 op 100% gesteld is. De relatieve aantallen bonte vliegenvangers per jaar ten opzichte van 1990 zijn in de figuur weergegeven met stippen.
In de figuur is door middel van een stippellijn een kwadratische trendlijn getekend. Deze trendlijn bereikt een minimum van 81% in 1998 en is daarna stijgend. Ook na 2008 heeft deze trend zich doorgezet. De formule voor de trendlijn kan worden geschreven als: V = c · t 2 + 81 Hierin is V het aantal bonte vliegenvangers als percentage van het aantal in 1990, t de tijd in jaren met t = 0 in 1998 en c een constante.
In 2015 was het werkelijke aantal bonte vliegenvangers 50% hoger dan in 1990.
Vraag 13 4 punten
Bereken met behulp van de figuur de waarde van c in de formule en onderzoek vervolgens of het werkelijke aantal bonte vliegenvangers in
2015 in overeenstemming met de formule was.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (Bijvoorbeeld) in 2008 is t = 10 en V = 100 ; (10, 100) invullen geeft 100 = c ·10 2 + 81 (1)
- Beschrijven hoe de oplossing c = 0,19 kan worden gevonden (1)
- Invullen van t = 17 in V = 0,19 · t 2 + 81 geeft V = 135,91 (1)
- In 2015 was het aantal in werkelijkheid V = 150 en een passende conclusie (1)
Om de afname en de toename van het aantal bonte vliegenvangers te verklaren, gebruiken onderzoekers een model waarbij ze uitgaan van precies twee typen bonte vliegenvangers, type A en type B. De vogels van type A starten eerder met broeden dan die van type B. In de loop der jaren is er steeds vroeger veel voedsel beschikbaar voor de jonge vogels, waardoor er steeds meer vogels van type A en minder van type B komen.
Voor elk van de typen A en B nemen we het volgende aan:
- Het aantal volwassen vogels in (de lente van) jaar n + 1 is het aantal volwassen vogels uit jaar n dat de winter overleefd heeft plus het aantal jonge vogels dat er in jaar n bij gekomen is en die de winter overleefd hebben.
- Er zijn evenveel volwassen mannetjes als vrouwtjes. Deze vormen allemaal paartjes, elk paartje maakt een nest.
- Jonge vogels worden geboren in een nest. Ze zijn na een jaar volwassen of ze hebben de winter niet overleefd. Van beide typen overleeft 50% van de volwassen vogels de winter. Van type A vliegen gemiddeld 5,9 jongen per nest uit en van deze jongen overleeft 20% de winter. Voor type B is dit ongunstiger: er vliegen gemiddeld 5,0 jongen per nest uit en daarvan overleeft 18% de winter.
Met behulp van deze gegevens kan het volgende model opgesteld worden: An+1 = 1,09 · An met beginwaarde A0 Bn+1 = 0,95 · Bn met beginwaarde B0 Hierin is An het aantal volwassen vogels van type A en Bn het aantal volwassen vogels van type B in jaar n.
Vraag 14 4 punten
Leg uit hoe de formule Bn+1 = 0,95 · Bn volgt uit de gegevens.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Het aantal volwassen vogels van type B dat in jaar n + 1 de winter overleefd heeft, is 0,5 · Bn (1)
- Per nest vliegen 5 jongen uit, dit is 2,5 jong per volwassen vogel (1)
- Hiervan overleeft 18%, dus het aantal jongen dat in jaar n + 1 volwassen is geworden, is 2,5 · 0,18 · Bn (1)
- Totaal is dat Bn +1 = 0,5 · Bn + 2,5 · 0,18 · Bn = 0,95 · Bn (1)
In het verleden waren er veel meer volwassen vogels van type B. Neem aan dat in een zeker jaar het aantal volwassen vogels van type B vijf keer zo groot was als het aantal volwassen vogels van type A.
Vraag 15 3 punten
Bereken na hoeveel jaar het aantal volwassen vogels van type A dan voor het eerst groter is dan dat van type B.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De directe formules zijn An = 1, 09 n en Bn = 5 · 0, 95n (1p)
- Beschrijven hoe de vergelijking An = Bn kan worden opgelost (1p)
- De oplossing is n = 11,7... , dus na 12 jaar (1p)
In 1984 waren er 60 000 bonte vliegenvangers. Het totale aantal vogels N in jaar t, met t = 0 in 1984, kan worden benaderd met de volgende continue formule:
( N (t ) = 60 000 · a ·1,09t + b · 0,95t ) Hierin is a het beginaandeel van type A en b het beginaandeel van type B. Dus als er in jaar 0 bijvoorbeeld 20% van type A is en dus 80% van type B, dan is a = 0, 2 en b = 0,8 . In dat geval is er een minimumaantal bonte vliegenvangers in 1990.
We weten dat a en b samen 1 moeten zijn, dus a + b = 1 . Nu kunnen we de afgeleide van N(t), met t = 0 in 1984, als volgt benaderen:
( N' (t ) = 60 000 · a · 0,086 ·1,09t
- (1
- a) · 0,051 · 0,95t )
Vraag 16 2 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- • Het invullen van b = 1 − a in N (t ) geeft ( N (t ) = 60 000 · a ·1, 09t + (1 − a) · 0,95t ) (1) • N ′(t ) = 60 000 · ( a · ln(1, 09) ·1, 09 + (1 − a ) · ln(0,95) · 0,95 ) t t (en dit geeft bij benadering ( ) N ′(t ) = 60 000 · a · 0, 086 ·1, 09t − (1 − a ) · 0, 051 · 0,95t ) (1) (2)
We willen onderzoeken met welke waarden van a en b dit model zou kunnen passen bij de waargenomen trend van de aantallen bonte vliegenvangers in de figuur. We zien dat dan het totale aantal vogels minimaal moet zijn in 1998.
Vraag 17 3 punten
Onderzoek met behulp van de formule van de afgeleide bij welke beginverdeling van type A en type B het totale aantal vogels minimaal is in 1998. Geef de beginverdeling in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking ( Als gewerkt is met N ′(t ) = 60 000 · a · ln(1, 09) ·1, 09t + (1
- a ) · ln(0,95) · 0,95t ) uit vraag 16, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Afname van de kindersterfte in Mali
Een van de landen met de hoogste kindersterfte ter wereld is Mali in West-Afrika. De kindersterfte in een bepaald jaar is gedefinieerd als het percentage kinderen van onder de vijf jaar dat in dat jaar komt te overlijden. In deze opgave wordt met ‘kinderen’ steeds ‘kinderen onder de vijf jaar’ bedoeld.
In 1900 waren er wereldwijd naar schatting 33,1 miljoen kinderen, van wie er zo’n 12 miljoen in dat jaar kwamen te overlijden. In 2007 was het aantal kinderen met 380% gestegen ten opzichte van 1900, terwijl er in dat jaar 2,8 miljoen minder kinderen kwamen te overlijden dan in 1900.
Vraag 18 4 punten
Bereken hoeveel keer zo klein de kindersterfte in 2007 was als in 1900. Geef je antwoord als geheel getal.
Bekijk het antwoord
- In 1900 was de kindersterfte ·100 (= 36,2…) (1)
- In 2007 waren er 4,8 · 33,1 ( = 158,88 ) (miljoen kinderen) (1)
- In 2007 was de kindersterfte ·100 (= 5,7…) (1)
- De kindersterfte was in 2007 dus = 6 keer zo klein (of 1/6 keer 5, 7... zo groot) (1)
In Mali nam het aantal kinderen in de periode 1960-2015 flink toe. We gebruiken hiervoor het volgende model: K = 240 900 · e0,0203t (formule 1)
Hierin is K het aantal kinderen in Mali en t de tijd in jaren met t = 0 op
31 december 1960. Het aantal kinderen wordt net als de kindersterfte aan het einde van ieder jaar bepaald.
Vraag 19 3 punten
Bereken, zonder waarden voor K uit te rekenen, het percentage waarmee het aantal kinderen in Mali volgens formule 1 iedere 10 jaar toeneemt. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het antwoord: 22,5(%) (1) of
240 900 · e0,0203·(t +10)
- (1p)
240 900 · e0,0203·t
Het aantal kinderen S dat jaarlijks in Mali komt te overlijden kun je berekenen door het totale aantal kinderen in Mali te vermenigvuldigen met het deel van de kinderen dat komt te overlijden. Er geldt dus: S = 0, 01 · P · K (formule 2) Hierin is P het percentage kinderen dat jaarlijks komt te overlijden.
In 1960 was de kindersterfte in Mali 41,2%. In 2015 was dit percentage gedaald tot 11,4%. Neem aan dat de afname van dit percentage P in de periode 1960-2015 lineair is verlopen.
Formule 2 kan met behulp van deze gegevens worden herleid tot: S = (99 251
- 1305t ) · e0,0203t (formule 3)
In deze formule is S het aantal kinderen in Mali dat overlijdt in het jaar t, met t de tijd in jaren en t = 0 op 31 december 1960.
Vraag 20 3 punten
Leid formule 3 uit de gegevens af.
Bekijk het antwoord
- Voor P, het percentage kinderen dat sterft, geldt P = at + b met b = 41, 2 (1)
- a= (= −0,54...) (1)
- S = 0, 01· (−0,54... · t + 41, 2) · 240 900 · e0,0203t herleiden tot S = (99 251 − 1305t ) · e0,0203t (1)
figuur
In de figuur zie je de grafiek van S. In de grafiek is te zien dat het aantal kinderen dat jaarlijks in Mali overlijdt na 1960, dus vanaf t = 0 , eerst toenam en pas later begon af te nemen.
Vraag 21 4 punten
Stel de formule op van de afgeleide S' en toon met behulp van deze afgeleide aan dat volgens dit model de afname van het aantal kinderen dat jaarlijks in Mali overlijdt na 1990 steeds sneller gaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- S' = (709, 7953
- 26, 4915t ) · e0,0203t (of een gelijkwaardige uitdrukking) (2)
- Bij t = 30 is 709,7953
- 26, 4915t negatief (1)
- Voor alle t > 30 (na 1990) is 709,7953
- 26, 4915t steeds meer negatief en e0,0203t is altijd positief, dus de waarde van S' wordt steeds meer negatief (dus de afname van de kindersterfte S gaat steeds sneller) (1)
Opmerkingen
- Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als de product- en/of kettingregel niet is gebruikt, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-22-2-o
Andere examens wiskunde A vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 21. Van 16 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (7), veranderingen en afgeleide (3) en exponentiële groei (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-22-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.