Eindexamen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Schaakprogramma's, De vergeetcurve, Hitte-eiland, Rubik's Race, Warmtepompen, Inkomsten uit apps.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1 loopt tot vraag 19. Van 18 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (5), exponentiële groei (4) en combinatoriek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken4, 9, 11-12, 185
Exponentiële groei5-6, 16-174
Combinatoriek1, 14-153
Lineaire verbanden2-32
Veranderingen en afgeleide7, 192
Machtsverbanden8, 132

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over combinatoriek (17% van de vragen, gemiddeld 8%) en machtsverbanden (11% van de vragen, gemiddeld 5%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Schaakprogramma's

Het schaakspel is een eeuwenoud bordspel waarbij twee spelers om en om een schaakstuk mogen verzetten. Hierbij heeft de ene speler witte schaakstukken en de andere zwarte schaakstukken. De speler met de witte stukken begint. De spelregels van het schaakspel zijn relatief eenvoudig. Toch lukt het al eeuwen niet om een winnende strategie te vinden.

In deze opgave laten we de spelregels verder buiten beschouwing.

De opeenvolging van zetten tijdens een schaakspel noemen we het spelverloop. Een belangrijke oorzaak waardoor een winnende strategie nog niet is gevonden, is het grote aantal verschillende spelverlopen dat voor kan komen. De Amerikaanse wiskundige Claude Shannon beschreef dit in 1950 als eerste in zijn publicatie 'Programming a Computer for Playing Chess'.

In zijn publicatie deed Shannon een ruwe schatting van het aantal mogelijke spelverlopen met 10 zetten. Bij deze schatting nam hij aan dat iedere keer dat een speler een schaakstuk verzet er 30 mogelijke spelverlopen ontstaan. De schatting van Shannon bleek veel te hoog. Als bijvoorbeeld wit en zwart beide 5 keer een schaakstuk verzetten, zijn er in werkelijkheid $6,93 \cdot 10^{13}$ verschillende spelverlopen mogelijk met deze 10 zetten.

Vraag 1 2 punten

Onderzoek hoeveel keer zo groot de schatting voor het aantal mogelijke spelverlopen met 10 zetten is als het werkelijke aantal spelverlopen. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • De schatting voor het aantal mogelijke spelverlopen na 10 zetten is gelijk aan $30^{10}$
  • Het antwoord: ($\frac{30^{10}}{6,93 \cdot 10^{13}} = 8,52...$, dus) 8,5 (keer zo groot)

Al jaren wordt er ook tegen schaakprogramma's geschaakt. Maar zelfs een schaakprogramma kan niet alle mogelijke spelverlopen tot aan het eind van het spel doorrekenen. Daarom rekenen schaakprogramma's een aantal zetten vooruit en beslissen op basis daarvan steeds wat de beste zet is.

Hoe goed een schaakprogramma is in het berekenen van de beste zetten en hoeveel zetten het vooruit kan rekenen bepaalt de speelsterkte van het schaakprogramma. De speelsterkte wordt uitgedrukt in een geheel getal.

In de periode 1985-1995 nam de speelsterkte van het sterkste schaakprogramma lineair toe. Zie figuur 1.

Het bedrijf IBM haalde in 1996 het nieuws met het inmiddels legendarische schaakprogramma Deep Blue. Dit schaakprogramma had in dat jaar een speelsterkte van 2853 en had daarmee volgens kenners jaren voorsprong op andere schaakprogramma's.

Vraag 2 4 punten

Bereken met behulp van figuur 1 in welk jaar een speelsterkte van 2853 verwacht had kunnen worden als de genoemde lineaire groei zich ook na 1995 voortzette.

Lijngrafiek van de speelsterkte van 1-1-1985 tot 1-1-1995, bij benadering een rechte lijn van ongeveer 1900 naar 2400. Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord
  • Het aflezen van twee punten, bijvoorbeeld (1989, 2150) en (1995, 2390)
  • De jaarlijkse toename van de speelsterkte is dus $\frac{2390 - 2150}{6} = 40$
  • Het inzicht dat de vergelijking $2390 + 40t = 2853$ (met $t = 0$ op 1 januari 1995) moet worden opgelost
  • Dit geeft $t = 11,57...$ dus in 2006

of

  • Het aflezen van twee punten, bijvoorbeeld (1989, 2150) en (1995, 2390)
  • De jaarlijkse toename van de speelsterkte is dus $\frac{2390 - 2150}{6} = 40$
  • Vanaf 1-1-1995 moet de speelsterkte nog met $(2853 - 2390) = 463$ toenemen. Om dat te halen is $\frac{463}{40}$ jaar nodig
  • $\frac{463}{40} = 11,57...$ dus in 2006

Opmerking

Bij het aflezen van de speelsterktes is een marge van 5 toegestaan.

Een ander bekend schaakprogramma is Stockfish. Dit had op 1 januari 2009 een speelsterkte van 3097. Door constante verbeteringen aan Stockfish nam de speelsterkte daarna (bij benadering) lineair toe met 39 per jaar.

Begin 2010 kwam de Vlaamse programmeur Robert Houdart met het schaakprogramma Houdini. Dit was op dat moment het sterkste schaakprogramma ter wereld. Houdart bleef in de jaren erna verbeteringen aan zijn schaakprogramma aanbrengen, waardoor de speelsterkte in de eerste jaren toenam volgens de formule:

R_H = 92{,}1 \cdot \log(t + 1) + 3190

Hierin is $R_H$ de speelsterkte van Houdini en $t$ de tijd in jaren met $t = 0$ op 1 januari 2010.

De speelsterkte van Houdini nam in de jaren na 2010 langzamer toe dan die van Stockfish. Daardoor was Stockfish na enkele jaren weer het betere schaakprogramma.

Vraag 3 4 punten

Bereken hoelang na het uitkomen van Houdini de speelsterkte van Stockfish weer gelijk was aan die van Houdini. Geef je antwoord in gehele maanden.

Bekijk het antwoord
  • De speelsterkte van Stockfish op 1 januari 2010 was $(3097 + 39 =) 3136$
  • De speelsterkte van Stockfish is dus $(R_S =) 3136 + 39t$ (met $R_S$ de speelsterkte en $t$ de tijd in jaren met $t = 0$ op 1 januari 2010)
  • Beschrijven hoe de vergelijking $3136 + 39t = 92{,}1 \cdot \log(t + 1) + 3190$ kan worden opgelost
  • Dit geeft $t = 2,73...$, dus na 33 maanden (of 2 jaar en 9 maanden)

Door een slimme nieuwe techniek slaagde Houdart erin de speelsterkte van zijn schaakprogramma enorm te verbeteren. Hierdoor was op 1 januari 2016 de speelsterkte van Houdini 121 punten hoger dan op basis van de formule voor $R_H$ verwacht mocht worden. Daarna nam de speelsterkte weer veel langzamer toe tot 3433 op 1 januari 2019. Deze ontwikkeling is schematisch weergegeven in figuur 2.

Met behulp van bovenstaande gegevens kan voor het deel van de grafiek vanaf 2016 een formule worden opgesteld van de vorm $R = a \cdot \log(t + 1) + c$ met $t$ de tijd in jaren met $t = 0$ op 1 januari 2016.

Vraag 4 4 punten

Stel deze formule op. Geef $a$ in één decimaal en $c$ als een geheel getal.

Lijngrafiek van de speelsterkte van Houdini van 1-1-2010 tot 1-1-2020, met een sprong van 121 punten op 1-1-2016 en een stippellijn bij 3433 op 1-1-2019. Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord
  • De verwachte speelsterkte van Houdini in 2016 volgens de formule $R_H$ is 3268
  • De werkelijke speelsterkte in 2016 is dus $3268 + 121 = 3389$. Daaruit volgt dat $c = 3389$
  • Invullen van de waarden $t = 3$ en $R = 3433$ geeft de vergelijking $a \cdot \log(4) + 3389 = 3433$
  • Oplossen van deze vergelijking geeft $a = 73,1$

Opmerking

Als een kandidaat rekent met een niet afgeronde waarde voor de speelsterkte met als antwoord ($c = 3389$ en) $a = 73,4$ hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

De vergeetcurve

De Duitse psycholoog Hermann Ebbinghaus deed eind 19e eeuw veel onderzoek naar het geheugen. Hij ontdekte dat mensen nieuwe informatie goed kunnen onthouden, maar dat ze informatie ook weer snel vergeten als ze er verder niets meer mee doen.

Zijn onderzoek resulteerde in de zogeheten vergeetcurve van Ebbinghaus. In de figuur is de vergeetcurve weergegeven.

In de figuur is bijvoorbeeld af te lezen dat 1 uur na het leren van nieuwe informatie nog maar 44% van die nieuw geleerde informatie onthouden is.

De horizontale as heeft een bijzondere schaalverdeling: een 'hokje' stelt niet steeds evenveel tijd voor. Hierdoor suggereert de grafiek in de figuur dat er bij benadering sprake zou zijn van exponentiële afname van het percentage informatie dat onthouden is. Op internet circuleren dan ook artikelen die beweren dat de vergeetcurve volgens een exponentiële afname verloopt. Dit is echter niet waar.

Vraag 5 2 punten

Toon met behulp van een berekening aan dat er volgens de gegevens in de figuur geen sprake kan zijn van exponentiële afname.

Lijngrafiek van het percentage informatie dat onthouden is tegen de verstreken tijd, van meteen tot 31 dagen, met de punten 58%, 44%, 36%, 33%, 28%, 25% en 21%. Bekijk in Opgaven, pagina 6

Bekijk het antwoord

Een aanpak als:

  • In de eerste 20 minuten is de groeifactor 0,58, dus de groeifactor per uur zou dan gelijk moeten zijn aan $0,58^3$
  • $0,58^3 = 0,195...$ en dit komt niet overeen met (factor) 0,44 (die uit de 44% in figuur 1 volgt, dus (volgens de gegevens) kan er geen sprake zijn van exponentiële afname)

Tegenwoordig wordt ook wel gebruikgemaakt van de formule:

P = \frac{31{,}7}{t^{0{,}127}} \text{, met } t > 0

Hierin is $P$ het percentage informatie dat onthouden is en $t$ het aantal dagen dat verstreken is sinds het leren van de informatie.

Vraag 6 4 punten

Bereken met behulp van de formule voor $P$ na hoeveel gehele minuten iemand de helft van de nieuw geleerde informatie weer is vergeten.

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking $\frac{31{,}7}{t^{0{,}127}} = 50$ moet worden opgelost
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
  • Dit geeft $t = 0,0276...$
  • Het antwoord: ($0,0276... \cdot 24 \cdot 60 = 39,8...$, dus na) 40 (minuten)

Volgens de formule voor $P$ is de snelheid waarmee je informatie vergeet op het moment dat er een uur verstreken is, vele malen groter dan op het moment dat er een week verstreken is.

Vraag 7 4 punten

Bereken met behulp van de formule van de afgeleide van $P$ hoeveel keer zo groot. Geef je antwoord in gehelen.

Bekijk het antwoord
  • De formule voor $P$ is te schrijven als $P = 31{,}7t^{-0{,}127}$
  • $P'(t) = -0{,}127 \cdot 31{,}7t^{-1{,}127} (= -4{,}0259t^{-1{,}127})$
  • $P'(\frac{1}{24}) = -144{,}6...$ (per dag) en $P'(7) = -0{,}4491...$ (per dag)
  • Het antwoord: ($\frac{-144{,}6...}{-0{,}4491...} = 322,...$, dus) 322 (keer zo groot)

of

  • $P'(t) = \frac{0 \cdot t^{0{,}127} - 31{,}7 \cdot 0{,}127 \cdot t^{-0{,}873}}{(t^{0{,}127})^2}$
  • $P'(\frac{1}{24}) = -144{,}6...$ (per dag) en $P'(7) = -0{,}4491...$ (per dag)
  • Het antwoord: ($\frac{-144{,}6...}{-0{,}4491...} = 322,...$, dus) 322 (keer zo groot)

Opmerkingen

  • Voor het eerste antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
  • Als in het eerste antwoordelement van het tweede antwoordalternatief de quotiëntregel niet is gebruikt, hiervoor 0 scorepunten toekennen.

Hitte-eiland

Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast waardoor het in steden, vooral in warme perioden, warmer wordt dan in de nabije omgeving. Een stad waar de temperatuur hoger is dan de temperatuur in de nabije omgeving van die stad wordt een hitte-eiland genoemd. Dat er verschil in temperatuur ontstaat, wordt het stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Algemeen geldt: hoe groter een stad, hoe groter het temperatuurverschil als gevolg van het stedelijk hitte-eiland effect. Hierbij wordt het inwonersaantal van een stad als maat voor de grootte van een stad gebruikt.

In figuur 1 is op een kaart het stedelijk hitte-eiland effect in de Randstad weergegeven. De lichte vlekken op kaart die door het RIVM is uitgegeven, geven de hitte-eilanden weer.

In het voorjaar van 2013 werd in het Duitse tijdschrift Meteorologische Zeitschrift een onderzoek naar hitte-eilanden in Europa gepubliceerd. Volgens dit onderzoek geldt voor Europese steden:

V_{\max} = 2{,}01 \cdot \log(P) - 4{,}06

(formule 1)

Hierin is $P$ het inwonersaantal van de stad en $V_{\max}$ het grootst mogelijke verschil tussen de temperatuur van een hitte-eiland en de (lagere) temperatuur in de nabije omgeving van dat hitte-eiland in graden Celsius.

Tijdens een hittegolf in de zomer van 2019 meldden diverse media dat het in sommige steden in Nederland 'wel 13 graden Celsius warmer' zou kunnen worden dan in hun nabije omgeving.

Vraag 8 3 punten

Bereken hoeveel inwoners een stad volgens formule 1 zou moeten hebben om een temperatuurverschil van 13 graden Celsius mogelijk te maken en leg daarmee uit waarom zo'n groot verschil in Nederland niet reëel is.

Kaart van de Randstad met het stedelijk hitte-eiland effect, weergegeven als lichte vlekken. Bekijk in Opgaven, pagina 8

Bekijk het antwoord
  • Beschrijven hoe de vergelijking $2{,}01 \cdot \log(P) - 4{,}06 = 13$ kan worden opgelost
  • Dit geeft ($P = 307\,299\,737,...$ dus) 307 299 737 (of 307 miljoen) (inwoners)
  • Dit is veel meer dan het aantal inwoners van Nederland (, dus zeker veel meer dan het aantal inwoners van een stad in Nederland, dus zo'n groot temperatuurverschil is in Nederland niet reëel)

Het inwonersaantal is niet de enige factor die meespeelt bij het stedelijk hitte-eiland effect. Twee andere belangrijke factoren zijn de bewolking en de wind. Door deze factoren zal het werkelijke verschil tussen de temperatuur van een hitte-eiland en de temperatuur in de nabije omgeving meestal kleiner zijn dan $V_{\max}$. Er geldt:

V = V_{\max} \cdot C \cdot W

(formule 2)

Hierin is $V$ het verschil tussen de temperatuur van een hitte-eiland en de temperatuur in de nabije omgeving van dat hitte-eiland in graden Celsius, $C$ de bewolkingsfactor en $W$ de windfactor.

In figuur 2 is geschetst hoe de mate van bewolking $N$ en de bewolkingsfactor $C$ samenhangen. Hierbij betekent $N = 0$ dat het onbewolkt is en $N = 8$ dat er sprake is van volledige bewolking.

We bekijken de situatie dat op een dag de mate van bewolking toeneemt en de windfactor constant blijft. Als dan de temperatuur in de nabije omgeving constant blijft, daalt de temperatuur in de stad.

Vraag 9 3 punten

Beredeneer met behulp van figuur 2 en formule 2 dat dit juist is.

Dalende grafiek van de bewolkingsfactor C tegen de mate van bewolking N, van N = 0 tot N = 8. Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord
  • (De grafiek van $C$ is dalend (voor $N = 0$ tot en met $N = 8$), dus) als de mate van bewolking toeneemt, neemt $C$ af
  • $W$ is constant en $V_{\max}$ is constant, dus neemt $V$ ook af als $C$ afneemt
  • Als $V$ afneemt, wordt het verschil met de temperatuur in de nabije omgeving kleiner en (de temperatuur in de nabije omgeving blijft ook constant,) dus daalt de temperatuur in de stad

Hoe harder het waait, hoe kleiner het temperatuurverschil als gevolg van het stedelijk hitte-eiland effect. Hierbij heeft wind in kleine steden een grotere remmende werking op het temperatuurverschil als gevolg van het stedelijk hitte-eiland effect dan in grote steden. De onderzoekers spreken daarom over de windlimiet. Dat is de maximale windsnelheid waarbij er nog sprake is van het stedelijk hitte-eiland effect. Volgens de onderzoekers geldt:

L = (0{,}567 \cdot \log(P) - 0{,}513)^2

(formule 3)

Hierin is $P$ het inwonersaantal van de stad en $L$ de windlimiet in m/s.

Berlijn is de grootste stad van Duitsland. In 2018 had Berlijn 3 600 000 inwoners. Hamburg, de tweede stad van Duitsland, had toen 1 830 700 inwoners. De windlimiet voor Berlijn was toen groter dan de windlimiet voor Hamburg.

Vraag 10 3 punten

Bereken hoeveel procent groter. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • De windlimiet voor Berlijn is 10,26... en voor Hamburg is de windlimiet 9,22...
  • Het gevraagde percentage is $\frac{10,26... - 9,22...}{9,22...} \cdot 100$ (%)
  • Het antwoord: 11,3(%)

Voor de in figuur 2 weergegeven samenhang tussen de mate van bewolking $N$ en de bewolkingsfactor $C$ geldt de formule:

C = 0{,}65 + 0{,}35 \cdot \sin\left(\frac{1}{8}\pi(N + 4)\right)

(formule 4)

Voor de windfactor $W$ stelden de onderzoekers de volgende formule op:

W = 0{,}5 + 0{,}5 \cdot \sin\left(\pi\left(\frac{1}{L} \cdot v + 0{,}5\right)\right)

(formule 5)

Hierin is $v$ de windsnelheid in m/s en $L$ weer de windlimiet in m/s.

De warmste dag in de zomer van 2019 was 24 juli. In de nabije omgeving van Eindhoven was het die dag 36,4 graden Celsius bij een windsnelheid van 3 m/s en een mate van bewolking van 3. Eindhoven had toen 230 000 inwoners.

Vraag 11 5 punten

Bereken met behulp van de vijf gegeven formules de maximum temperatuur in Eindhoven op 24 juli 2019. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • $V_{\max} = (2{,}01 \cdot \log(230\,000) - 4{,}06 =) 6{,}71...$ en $L = ((0{,}567 \cdot \log(230\,000) - 0{,}513)^2 =) 6{,}38...$
  • $W = (0{,}5 + 0{,}5 \cdot \sin(\pi(\frac{1}{6{,}38...} \cdot 3 + 0{,}5)) =) 0{,}547...$
  • $C = (0{,}65 + 0{,}35 \cdot \sin(\frac{1}{8}\pi(3 + 4)) =) 0{,}783...$
  • $V = (6{,}71... \cdot 0{,}783... \cdot 0{,}547... =) 2{,}88...$
  • Het antwoord: ($36{,}4 + 2{,}88... = 39{,}28...$ dus maximaal) 39,3 (graden Celsius)

Opmerking

Als een kandidaat het eindantwoord naar beneden afrondt naar 39,2 (graden Celsius) hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Rubik's Race

De Rubiks kubus is een puzzel in de vorm van een kubus die zelf weer kubusvormige blokjes bevat. De meest bekende Rubiks kubus is de kubus die je ziet op foto 1.

Er bestaan ook andere Rubiks kubussen. Zie foto 2.

In deze opgave wordt het getal $n$ gebruikt voor het kubusnummer. Op foto 2 zie je kubusnummers 2, 4 en 5.

Het aantal blokjes $A$ van kubusnummer $n$ kan worden berekend met een formule van de vorm:

A(n) = p \cdot (n - 1)^2 + q

(formule 1)

Alleen aan de buitenkant van een Rubiks kubus zitten blokjes. Zo bevat de kleinste Rubiks kubus met kubusnummer 2 (zie foto 2), 8 blokjes en de kubus met kubusnummer 3 bevat 26 blokjes (zie foto 1).

Vraag 12 3 punten

Bepaal met behulp van bovenstaande gegevens de waarden van $p$ en $q$. Licht je antwoord toe.

Foto 1 toont een Rubiks kubus; foto 2 toont drie kubussen met kubusnummers 2, 4 en 5. Bekijk in Opgaven, pagina 11

Bekijk het antwoord
  • ($p \cdot (2-1)^2 + q = 8$ en $p \cdot (3-1)^2 + q = 26$, dus) er moet gelden $p + q = 8$ en $4p + q = 26$
  • Door middel van gericht proberen: $6 + 2 = 8$ en $4 \cdot 6 + 2 = 26$
  • Het antwoord: $p = 6$ en $q = 2$

of

  • ($p \cdot (2-1)^2 + q = 8$ en $p \cdot (3-1)^2 + q = 26$, dus) er moet gelden $q = 8 - p$ en $q = 26 - 4p$
  • De vergelijking $8 - p = 26 - 4p$ moet worden opgelost
  • Oplossen van deze vergelijking geeft $p = 6$ en dus $q = 2$

De formule voor $A(n)$ kan ook geschreven worden in de vorm:

A(n) = 6n^2 - 12n + 8

(formule 2)

Vraag 13 3 punten

Bereken vanaf welke $n$ een kubus meer dan 250 blokjes bevat.

Bekijk het antwoord
  • Beschrijven hoe de elementen van de rij $A(n) = 6n^2 - 12n + 8$ berekend kunnen worden
  • $A(7) = 218$ en $A(8) = 296$
  • Het antwoord: (vanaf) $n = 8$

of

  • Beschrijven hoe de vergelijking $6n^2 - 12n + 8 = 250$ kan worden opgelost
  • Dit geeft $n = 7,4...$
  • Het antwoord: (vanaf) $n = 8$

Opmerking

Als een kandidaat formule 1 en de in het vorige onderdeel bepaalde waarden van p en q gebruikt, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Rubik's Race is een spel voor twee spelers dat is geïnspireerd op de Rubiks kubus. Het spel bevat tegels in zes verschillende kleuren. Elke speler heeft vier tegels van elke kleur en een speelveld met vijfentwintig vakjes. De speelvelden van de spelers zitten aan elkaar vast en kunnen daarom niet gedraaid worden. Zie foto 3.

Aan het begin van het spel plaatst elke speler zijn vierentwintig tegels op het eigen speelveld. Eén van de vijfentwintig vakjes blijft dus leeg. Het maakt niet uit welk vakje dat is. Zo ontstaat bij elke speler een kleurenpatroon met één leeg vakje. Zie foto 3.

Vraag 14 4 punten

Bereken hoeveel verschillende kleurenpatronen er voor een speler mogelijk zijn. Geef je antwoord in de vorm $a \cdot 10^{16}$ met $a$ in twee decimalen.

Foto 3 toont het speelbord van Rubik's Race met een leeg vakje aangegeven. Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord
  • De eerste kleur kan op $\binom{25}{4}$ manieren op het speelveld worden geplaatst
  • De overige vijf kleuren kunnen vervolgens op $\binom{21}{4}$, $\binom{17}{4}$, $\binom{13}{4}$, $\binom{9}{4}$ en $\binom{5}{4}$ manieren op het speelveld worden geplaatst (en voor het lege vakje blijft dan één plaats over)
  • Berekend moet worden: $\binom{25}{4} \cdot \binom{21}{4} \cdot \binom{17}{4} \cdot \binom{13}{4} \cdot \binom{9}{4} \cdot \binom{5}{4} (\cdot 1)$
  • Het antwoord: $8{,}12 \cdot 10^{16}$ (kleurenpatronen)

of

  • Er zijn 25 mogelijkheden voor het lege vakje en de eerste kleur kan vervolgens op $\binom{24}{4}$ manieren op het speelveld worden geplaatst
  • De overige vijf kleuren kunnen vervolgens op $\binom{20}{4}$, $\binom{16}{4}$, $\binom{12}{4}$, $\binom{8}{4}$ (en $\binom{4}{4}$) manieren op het speelveld worden geplaatst
  • Berekend moet worden: $25 \cdot \binom{24}{4} \cdot \binom{20}{4} \cdot \binom{16}{4} \cdot \binom{12}{4} \cdot \binom{8}{4} (\cdot \binom{4}{4})$
  • Het antwoord: $8{,}12 \cdot 10^{16}$ (kleurenpatronen)

of

  • Ervan uitgaande dat elke steen uniek is, kan het kiezen van een leeg vakje en het plaatsen van de 24 stenen op de overige 24 vakjes op het speelveld op $25! (= 1{,}551... \cdot 10^{25})$ manieren
  • Er zijn zes verschillende kleuren en vier stenen van elke kleur. Hierdoor leveren per kleur $4! (= 24)$ manieren hetzelfde resultaat
  • Berekend moet worden: $\frac{25!}{4! \cdot 4! \cdot 4! \cdot 4! \cdot 4! \cdot 4!}$
  • Het antwoord: $8{,}12 \cdot 10^{16}$ (kleurenpatronen)

De spelers verschuiven vervolgens tijdens het spel met behulp van het lege vakje hun tegels, totdat er in het midden een gegeven kleurenpatroon ontstaat. Degene die dit het snelst doet, is de winnaar. Op foto 4 zie je een kleurenpatroon en daarnaast de speelvelden met in het midden precies hetzelfde kleurenpatroon.

Elke speler heeft tegels in zes verschillende kleuren. Van elke kleur heeft hij vier tegels. De spelers maken daarmee een kleurenpatroon van negen tegels, zoals in foto 4 te zien is.

In totaal zijn er met zes kleuren $6^9$ verschillende kleurenpatronen van 9 tegels mogelijk. Er is bekend dat 68 676 van deze kleurenpatronen zes of meer tegels van dezelfde kleur bevatten. In het kleurenpatroon dat de speler kan maken, zitten echter nooit meer dan vier tegels van dezelfde kleur.

Vraag 15 5 punten

Bereken hoeveel procent van alle mogelijke kleurenpatronen van 9 tegels een speler kan maken. Geef je antwoord in één decimaal.

Foto 4 toont links een kleurenpatroon van negen tegels en rechts twee speelvelden met in het midden hetzelfde patroon. Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord
  • Het inzicht dat het aantal mogelijkheden dat niet door een speler gemaakt kan worden wordt gevormd door het aantal mogelijkheden voor zes of meer tegels van dezelfde kleur plus het aantal mogelijkheden met vijf tegels van dezelfde kleur
  • Voor vijf tegels van één kleur zijn er $6 \cdot \binom{9}{5}$ (= 756) mogelijkheden
  • Voor de overige vier tegels in een andere kleur zijn er dan $5^4$ (= 625) mogelijkheden
  • Het aantal mogelijkheden dat door een speler gemaakt kan worden is $6^9 - 756 \cdot 625 - 68\,676$ (= 9 536 520)
  • Het antwoord: ($\frac{9\,536\,520}{6^9} \cdot 100 = 94{,}62...$, dus) 94,6 (%)

Warmtepompen

In 2019 werd een deel van de aardgasvrije woningen in Nederland verwarmd met behulp van een warmtepomp. Een warmtepomp is een duurzaam alternatief voor een cv-ketel op gas. Warmtepompen zijn met een grote opmars bezig. Zie figuur 1.

Eind 1994 waren er 1700 warmtepompen geïnstalleerd in Nederlandse woningen. Dit aantal nam bij benadering exponentieel toe tot 412 000 geïnstalleerde warmtepompen eind 2019.

Vraag 16 3 punten

Bereken met behulp van deze gegevens met hoeveel procent per jaar het aantal geïnstalleerde warmtepompen in de periode 1994-2019 toenam. Geef je antwoord in één decimaal.

Figuur 1 toont met stippen het totaal aantal geïnstalleerde warmtepompen van 1994 tot 2019, met een exponentiële grafiek erdoorheen. Bekijk in Opgaven, pagina 14

Bekijk het antwoord
  • De (groei)factor (per 25 jaar is) $\frac{412\,000}{1700}$ (= 242,...)
  • De (groei)factor per jaar is $\left(\frac{412\,000}{1700}\right)^{\frac{1}{25}}$
  • $\left(\frac{412\,000}{1\,700}\right)^{\frac{1}{25}} = 1{,}2455...$, dus) 24,6 (%)

Opmerkingen

  • Als gerekend wordt met $(412\,000 - 1700)^{\frac{1}{25}}$, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
  • Als gerekend wordt met $\frac{242,...}{25}$, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

De grafiek in figuur 1 kan worden benaderd met de formule:

W = 1700 \cdot e^{0{,}22t}

Hierin is $W$ het totaal aantal geïnstalleerde warmtepompen en $t$ de tijd in gehele jaren met $t = 0$ aan het eind van 1994.

Veronderstel dat de formule voor $W$ ook na 2019 geldt.

Vraag 17 4 punten

Bereken in welk jaar de jaarlijkse toename aan geïnstalleerde warmtepompen voor het eerst groter is dan 200 000.

Bekijk het antwoord
  • $W(28) = 804\,827,...$; $W(29) = 1\,002\,877,...$ en $W(30) = 1\,249\,661,...$
  • $W(29) - W(28) = 198\,049,...$ ($< 200\,000$)
  • $W(30) - W(29) = 246\,784,...$ ($> 200\,000$)
  • Het antwoord: in 2024

of

  • Er moet gelden: $W(t) - W(t-1) > 200\,000$
  • De vergelijking $1700 \cdot e^{0{,}22t} - 1700 \cdot e^{0{,}22(t-1)} = 200\,000$ moet worden opgelost
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
  • Dit geeft $t = 29,04...$, dus in 2024

Opmerking

In het eerste antwoordalternatief moeten het tweede en derde antwoordelement expliciet genoemd zijn.

In het vervolg van de opgave bekijken we warmtepompen die aan een buitenmuur gemonteerd worden. Zie figuur 2.

Een nadeel van warmtepompen is het geluid dat ze maken. Voor warmtepompen die gemonteerd zijn zoals in de situatie in figuur 2, kan het geluidsniveau op een bepaalde afstand van de warmtepomp worden benaderd met de formule:

L = L_{\max} - 10 \cdot \log(\pi r^2) \text{ met } r > 0{,}8

Hierin is $L$ het geluidsniveau in dB (decibel) van de warmtepomp dat op $r$ meter afstand van de warmtepomp wordt waargenomen en $L_{\max}$ is het maximale geluidsniveau van de warmtepomp in dB.

Vanwege mogelijke geluidsoverlast is wettelijk vastgelegd dat het geluidsniveau van een warmtepomp tussen 19:00 uur en 7:00 uur hoogstens 40 decibel mag bedragen op de dichtstbijzijnde grens met de buren.

Peter wil een warmtepomp aan een buitenmuur monteren in een situatie zoals in figuur 2 waarbij hij aan de wettelijke eis wil voldoen. Het maximale geluidsniveau van de warmtepomp is 53 dB.

Vraag 18 3 punten

Bereken in gehele decimeters de minimale afstand tussen de warmtepomp en de dichtstbijzijnde grens met de buren waarbij aan de wettelijke eis wordt voldaan.

Figuur 2 toont een huis met een warmtepomp aan de buitenmuur en de afstand r tot een persoon op het terrein. Bekijk in Opgaven, pagina 15

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking $53 - 10 \cdot \log(\pi r^2) = 40$ moet worden opgelost
  • Beschrijven hoe de vergelijking $53 - 10 \cdot \log(\pi r^2) = 40$ kan worden opgelost
  • (Dit geeft $r = 2,52...$, dus minimaal) 26 (dm)

Als je bij een warmtepomp vandaan loopt, neemt het geluidsniveau in het begin relatief sterk af, maar vervolgens steeds minder. Een daling van het geluidsniveau met minder dan 1 dB per meter kan het menselijk oor niet waarnemen.

Vraag 19 5 punten

Bereken met behulp van de formule van de afgeleide van $L$ vanaf welke afstand, het menselijk oor de daling van het geluidsniveau niet meer kan waarnemen. Geef je antwoord in meters in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • $\frac{dL}{dr} = -10 \cdot \frac{1}{\pi r^2 \cdot \ln(10)} \cdot 2\pi r \left(= \frac{-20}{r \cdot \ln(10)}\right)$
  • De vergelijking $-10 \cdot \frac{1}{\pi r^2 \cdot \ln(10)} \cdot 2\pi r = -1$ moet worden opgelost
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
  • (Dit geeft $r = 8{,}68...$, dus) 8,7 (m)

of

  • ($\log(\pi r^2) = \log(\pi) + \log(r^2) = \log(\pi) + 2\log(r)$, dus) $L = L_{\max} - 10 \cdot \log(\pi) - 20 \cdot \log(r)$
  • $\frac{dL}{dr} = -20 \cdot \frac{1}{r \cdot \ln(10)} \left(= \frac{-20}{r \cdot \ln(10)}\right)$
  • De vergelijking $-20 \cdot \frac{1}{r \cdot \ln(10)} = -1$ moet worden opgelost
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
  • (Dit geeft $r = 8{,}68...$, dus) 8,7 (m)

Opmerkingen

  • Voor het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
  • Als in het eerste antwoordelement van het eerste antwoordalternatief de kettingregel niet is gebruikt, hiervoor 0 scorepunten toekennen.

Inkomsten uit apps

Al jaren groeit het gebruik van smartphones. Tegelijkertijd wordt er door bedrijven die apps voor smartphones ontwikkelen meer en meer verdiend aan de verkoop van die apps.

Toen de smartphone net in opmars was, werd er voornamelijk verdiend aan spelletjes voor op je smartphone. Newzoo, een bedrijf dat de spelletjesmarkt analyseert, voorspelde in 2017 in hun "Global Mobile Market Report" dat de inkomsten uit overige apps, dat zijn apps die geen spelletjes zijn, flink zouden gaan toenemen. Zie de figuur.

In het jaar 2017 waren de totale wereldwijde inkomsten uit de verkoop van alle apps – dus van spelletjes en overige apps samen – gelijk aan 56,4 miljard dollar. Hiervan was 10,3 miljard dollar uit overige apps. Newzoo voorspelde dat de totale inkomsten zouden toenemen tot 85 miljard dollar in het jaar 2020, waarvan 20 miljard dollar uit overige apps.

Newzoo gebruikte twee lineaire modellen voor deze voorspellingen. Newzoo ging er namelijk vanuit dat de totale inkomsten lineair zouden toenemen, maar ook dat het percentage inkomsten uit overige apps ten opzichte van de totale inkomsten lineair zou toenemen.

Veronderstel dat de modellen van Newzoo ook na 2020 zijn blijven gelden. In 2020 waren de inkomsten uit de verkoop van spelletjes gelijk aan 65 miljard dollar en uit de verkoop van overige apps 20 miljard dollar.

Vraag 20 7 punten

Onderzoek vanaf welk jaar de inkomsten uit de verkoop van overige apps minstens 65 miljard dollar zullen zijn.

Gestapeld staafdiagram van de totale inkomsten uit apps in 2017 tot 2020, met per jaar het deel spelletjes en het deel overige apps. Bekijk in Opgaven, pagina 16

Bekijk het antwoord
  • De totale inkomsten nemen jaarlijks $\frac{85 - 56{,}4}{3} = 9{,}53...$ (miljard dollar) toe
  • In 2017 was het percentage van de inkomsten uit overige apps $(\frac{10{,}3}{56{,}4} \cdot 100 =) 18{,}26...$ en in 2020 $(\frac{20}{85} \cdot 100 =) 23{,}52...$
  • Het percentage van de inkomsten uit overige apps neemt jaarlijks $(\frac{23{,}52... - 18{,}26...}{3} =) 1{,}75...$ toe
  • De berekeningen van de getallen uit onderstaande tabel
jaartotale inkomsten (miljard dollar)percentage uit overige appsinkomsten uit overige apps (miljard dollar)
…
2028161,26...37,57...60,5...(< 65)
2029170,839,33...67,1...(> 65)
  • Het antwoord: (dus vanaf het jaar) 2029

of

  • De totale inkomsten nemen jaarlijks $\frac{85 - 56{,}4}{3} = 9{,}53...$ (miljard dollar) toe
  • In 2017 was het percentage van de inkomsten uit overige apps $(\frac{10{,}3}{56{,}4} \cdot 100 =) 18{,}26...$ en in 2020 $(\frac{20}{85} \cdot 100 =) 23{,}52...$
  • Het percentage van de inkomsten uit overige apps neemt jaarlijks $(\frac{23{,}52... - 18{,}26...}{3} =) 1{,}75...$ toe
  • De totale inkomsten zijn gelijk aan $56{,}4 + 9{,}53... \cdot t$ (miljard dollar) en het percentage van de inkomsten uit overige apps is gelijk aan $18{,}26... + 1{,}75... \cdot t$ (, met $t = 0$ het jaar 2017)
  • De inkomsten uit overige apps zijn dan gelijk aan $\frac{18{,}26... + 1{,}75... \cdot t}{100} \cdot (56{,}4 + 9{,}53... \cdot t)$ (miljard dollar)
  • Beschrijven hoe de vergelijking $\frac{18{,}26... + 1{,}75... \cdot t}{100} \cdot (56{,}4 + 9{,}53... \cdot t) = 65$ kan worden opgelost
  • Het antwoord: ($t = 11{,}6...$, dus vanaf het jaar) 2029

Opmerking

In het eerste antwoordalternatief voor het vierde antwoordelement voor elk van de kolommen 2, 3 of 4 in de tabel 0 of 1 scorepunten toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens wiskunde A vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1 loopt tot vraag 19. Van 18 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (5), exponentiële groei (4) en combinatoriek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1024-a-26-1-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.