Eindexamen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Te veel stukjes, Het lengen en korten van de dagen, Krediet, Steeds meer foto’s, Energieverbruik bij mensen en dieren, Cilinderpuzzel.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 22. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), exponentiële groei (6) en combinatoriek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken3-8, 18, 228
Exponentiële groei9-12, 15-166
Combinatoriek1-2, 143
Machtsverbanden19-213
Veranderingen en afgeleide171

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over machtsverbanden (14% van de vragen, gemiddeld 4%) en exponentiële groei (29% van de vragen, gemiddeld 22%). Minder over veranderingen en afgeleide (5% van de vragen, gemiddeld 15%) en lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 7%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Te veel stukjes

Het aantal stukjes dat op de doos van een legpuzzel staat, is een rond getal zoals 500, 1000 of 1500. Vaak bestaat een puzzel echter uit méér stukjes dan er op de doos vermeld staat.

In een video onderzoekt komiek en wiskundige Matt Parker hoe dit zit. Hij kijkt naar puzzels waarvan de stukjes een rechthoekig rooster vormen met

k kolommen en r rijen.

We nemen in deze opgave aan dat k groter is dan r. De roosterverhouding k is dan altijd groter dan 1. r

We bekijken eerst een puzzel met 200 stukjes. Zo’n puzzel kan bestaan uit 100 kolommen en 2 rijen. De roosterverhouding is in dit geval 100 . 2

Vraag 1 2 punten

Geef alle andere theoretisch mogelijke roosterverhoudingen voor een puzzel met precies 200 stukjes.

Bekijk het antwoord
  • De roosterverhoudingen zijn: 200 ( =200) , (100 ( =50)) , 50 4 ( =12,5) , 1 2 40 ( =8), 5 25 ( =3,125) 8 , 20 ( 10 = 2) (2)

Opmerkingen: − Voor iedere vergeten of onjuiste verhouding 1 scorepunt in mindering brengen,

− Als gerekend wordt met r k in plaats van met k r en met de correcte gegevens dan hiervoor1 scorepunt in mindering brengen.

Een andere puzzel bestaat uit 204 stukjes. De mogelijke afmetingen (k x r) voor deze puzzel zijn: 204 x 1, 102 x 2, 68 x 3, 51 x 4, 34 x 6 en 17 x 12.

De hoogte van ieder stukje in deze puzzel is 1,04 keer zo groot als de breedte b van dat stukje. De inkepingen en uitsteeksels van een puzzelstukje worden (in deze opgave) buiten beschouwing gelaten. Zie de figuur.

figuur
figuur

De puzzel van 204 stukjes is 49 cm breed en 36 cm hoog.

Vraag 2 3 punten

Bereken met behulp van bovenstaande gegevens het aantal rijen en kolommen van deze puzzel.

Bekijk het antwoord
  • Het berekenen van de roosterverhouding van de puzzel 49/36 ( = 1,36... ) (1)
  • Het inzicht dat de verhouding van k en r ongeveer gelijk moet zijn aan 1,36... ⋅ 1,04 = 1,41... (1)
  • 17 12 = 1,41... dus r = 12 en k = 17 (17 ×12) (1)

of

  • Proberen van 17 ×12 . De verhouding 49 17 = 2,88... (dit is de breedte van

het stukje.) (met b de breedte van een puzzelstukje) (1)

  • De hoogte is dan 2,88... ⋅ 1,04 = 2,99... (1)
  • 36/(2,88... =) 12,4... dus de afmeting 17 ×12 klopt (1)

Perfecte puzzels zijn puzzels die voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Het aantal stukjes waaruit de puzzel bestaat is precies gelijk aan het aantal stukjes vermeld op de doos.
  • De hoogte van de stukjes is gelijk aan de breedte van de stukjes.

Matt Parker bedacht een maat om te beoordelen in hoeverre een puzzel afwijkt van een perfecte puzzel. Hij noemde dit de badness rating. De volgende formule beschrijft deze badness rating:

B = s ⋅ 1,005ⁿ

  • B is de badness rating.
  • s is de berekende verhouding tussen de hoogte en breedte van een puzzelstukje, met s ≥. 1
  • n is het verschil tussen het werkelijke aantal stukjes en het aantal stukjes op de doos, met n ≥ 0 .

Vraag 3 2 punten

Bereken de badness rating van een perfecte puzzel.

Bekijk het antwoord
  • (Voor een perfecte puzzel geldt) n = 0 (1)
  • (Voor een vierkant stukje geldt) s =1, dus B = (1 1,005 ⋅ ⁰ = ) 1 (1)

We bekijken nu een puzzel van 39 kolommen en 27 rijen met s = 1,002 . Deze puzzel heeft een badness rating van 1,3052.

Vraag 4 4 punten

Bereken het aantal stukjes dat op de doos staat, door gebruik te maken van de badness rating.

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking 1,3052 = 1,002 ⋅ 1,005ⁿ moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • De oplossing: n = 53,0... (1)
  • Het antwoord: (27 ⋅ 39 − 53 ) = 1000 (stukjes) (1)

of

  • 39 ⋅ 27 = 1053 (1)
  • De aanname dat er op de doos 1000 stukjes staat (1)
  • n = (1053 −1000 =) 53 (1)
  • B = 1,002 ⋅ 1,005⁵³ = 1,30517... (en dit komt overeen met de gegeven badness rating) op de doos staat 1000 (stukjes) (1)

Matt vermoedt dat fabrikanten alleen puzzels maken met de laagst mogelijke badness rating. Hij onderzoekt dit vermoeden met een puzzel van 80 bij 60 cm met op de doos ‘1500 stukjes’. Voor alle mogelijke roosterverhoudingen berekent hij voor deze puzzel de badness rating. De laagste badness rating die hij vindt is B = 1,1127 . Vervolgens gaat hij de puzzelstukjes tellen. De puzzel blijkt uit 45 kolommen x 34 rijen te bestaan.

Vraag 5 4 punten

Onderzoek of de laagst mogelijke badness rating die Matt vond ook echt de laagst mogelijke badness rating is.

Bekijk het antwoord
  • Het berekenen van de lengte en breedte van een puzzelstukje: 80 ( =1,77...) en 60 ( =1,76...) (1)

45 34

  • s = 1,77.../1,76... = 1,007... (1)
  • B = 1,007... ⋅ 1,005 ⋅ − ^45 34¹⁵⁰⁰( = 1,1700... ) (1)
  • Het antwoord: (1,1700… is groter dan 1,1127, dus) het is niet de laagst mogelijke badness rating (1)

of

  • De vergelijking 1,1127 = ⋅ s 1,005^45 34^ ⋅ ⁻¹⁵⁰⁰ moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • s = 0,958... (1)
  • s is in deze situatie kleiner dan 1 en dat kan niet, dus het is niet de laagst mogelijke badness rating (1)

Het lengen en korten van de dagen

In de zomer zijn de periodes met daglicht langer dan in de winter. De kortste periode met daglicht is rond 21 december. Na deze zogenoemde kortste dag worden de periodes met daglicht weer langer; dit verschijnsel noemt men het lengen van de dagen. Vooral in de maanden februari en maart is dit verschijnsel goed merkbaar. Een soortgelijk effect geldt voor het korten van de dagen. Dit is het korter worden van de periode met daglicht na de langste dag rond 21 juni. In het najaar is het korten van de dagen duidelijk merkbaar. In de figuur zie je hoe het lengen en korten van de dagen over een jaar varieert in de stad Amsterdam.

De periode tussen zonsopgang en zonsondergang noemt men daglengte.

figuur
figuur

Voor de grafiek in de figuur geldt de volgende formule:

Δ L = 4,7sin 0,017214 ( t + 0,189356 )

Hierin is L Δ het aantal minuten waarmee de daglengte is veranderd ten opzichte van de dag ervoor en t de tijd in dagen met t = 0 op 1 januari. Begin januari is het lengen van de dagen in Amsterdam nauwelijks merkbaar.

Vraag 6 3 punten

Bereken hoeveel langer de daglengte op 3 januari is dan op 31 december. Geef je antwoord in hele seconden.

Bekijk het antwoord
  • Het inzicht dat Δ L (0) +Δ L (1) +Δ L (2) berekend moeten worden (1)
  • Dit geeft (0,884... + 0,963... +1,043... =) 2,89... (minuten) (1)
  • Het antwoord: 174 (seconden) (of 2 minuten en 54 seconden) (1)

Opmerking

Als een kandidaat in de uitwerking geen optelling gebruikt, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

In de figuur kun je zien dat er periodes zijn waarin de daglengte tussen twee opeenvolgende dagen meer dan 4 minuten verschilt.

Vraag 7 5 punten

Bereken hoeveel dagen per jaar dit het geval is.

Bekijk het antwoord
  • Het maken van een geschikte tabel met in ieder geval de waarden: t = 48; Δ L = 3,9... en t = 49; Δ= L 4,0... t = 112; Δ L = 4,0... en t = 113; Δ L = 3,9... t = 230; Δ L =− 3,9... en t = 231; Δ=− L 4,0... t = 294; Δ L =− 4,0... en t = 295; Δ L =− 3,9... (4)
  • Het antwoord: 128 (dagen) (1)

of

  • De vergelijking 4,7sin(0,017214 t + 0,189356) = 4 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe de oplossingen t = 48,1... (dagnummer 49) en t = 112,3... (dagnummer 112) gevonden kunnen worden (1)
  • De vergelijking 4,7sin(0,017214 t + 0,189356) =− moet worden 4 opgelost (1)
  • Beschrijven hoe de oplossingen t = 230,6... (dagnummer 231) en t = 294,8... (dagnummer (294) gevonden kunnen worden (1)
  • Het antwoord: 128 (dagen) (1)

Opmerkingen: − Bij het eerste antwoordalternatief voor elke ontbrekende of foute regel in het eerste antwoordelement 1 scorepunt in mindering brengen. − Als een kandidaat bij het eerste of tweede antwoordalternatief uitgaat van Δ> L 4 (of Δ<−) en vervolgens (vanwege symmetrie) het L 4 gevonden antwoord verdubbelt, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

− Als een kandidaat bij het eerste of tweede antwoordalternatief uitgaat van alleen Δ> L 4 (of alleen Δ<−) en daardoor op het antwoord 64 L 4 dagen komt, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.

In Amsterdam is de minimale daglengte 7 uur en 39 minuten en de maximale daglengte 16 uur en 45 minuten. De daglengte L kan dan worden benaderd met een formule van de vorm:

L = a + b sin(c t ( − d ) )

Hierin is L de daglengte in minuten en t de tijd in dagen met t = 0 op 1 januari.

De waarden van a en b kunnen worden berekend met behulp van de minimale en maximale daglengte, terwijl voor de waarden van c en d de formule en de grafiek van L Δ nodig zijn.

Vraag 8 6 punten

Bereken mogelijke waarden van a, b, c en d. Geef a, b en d in gehelen en geef c in zes decimalen.

Bekijk het antwoord
  • (7:39 uur komt overeen met 459 minuten en 16:45 uur komt overeen

met 1005 minuten, dus) a ( = 459 +1005 ) = 732 (1)

2

  • b = ( 1005 − 732) = 273 (1)
  • (De periode van L is gelijk aan die van L Δ, dus) c =(_2π/365 =)0,017214 (1)
  • Het inzicht dat bij het maximum (of minimum) van L geldt dat Δ L = 0 (1)
  • Beschrijven hoe de bijbehorende waarde t = 171,5... (of de bij het minimum behorende waarde t = 354,0... ) gevonden kan worden (1)
  • Dus d = 171 −¹₄ ⋅ 365 = 80 (of d = 172 −¹₄ ⋅ 365 = 81 )

(of d = 354 +¹₄ ⋅ 365 = 445 ) (1)

of

  • (7:39 uur komt overeen met 459 minuten en 16:45 uur komt overeen

met 1005 minuten, dus) a ( = 459 +1005 ) = 732 (1)

2

  • b = ( 1005 − 732) = 273 (1)
  • (De periode van L is gelijk aan die van L Δ, dus) c =(_2π/365 =)0,017214 (1)
  • Het inzicht dat d gelijk is aan de t-waarde waarvoor L Δ maximaal is (1)
  • Beschrijven hoe deze waarde van t gevonden kan worden (1)
  • Het antwoord: d = 80 (of d = 81 ) (1)

Opmerking

Als met een jaarlengte van 365,25 of 366 dagen is gerekend, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Krediet

Als je een nieuwe auto koopt, is het mogelijk om een lening af te sluiten bij de autoverkoper. Op de website van een autoverkoper staat het volgende te lezen:

Hoe werkt het?

U leent het aankoopbedrag of een deel daarvan. Dat betaalt u vervolgens, vermeerderd met rente, in vaste maandbedragen terug in een vooraf overeengekomen looptijd. De vaste maandbedragen kunt u zelf gemakkelijk afstemmen op uw budget door voor een kortere of langere looptijd te kiezen. U heeft de keuze uit een looptijd van zes tot zestig maanden. De rente per maand blijft gedurende de hele looptijd gelijk.

De autoverkoper rekent een rente van 0,7% per maand. Deze rente wordt berekend over het bedrag van de lening dat nog niet is terugbetaald (de schuld).

Een rente van 0,7% per maand lijkt niet zo hoog. Om een betere indruk van de hoogte van deze rente te krijgen, kun je dit rentepercentage omrekenen naar een rentepercentage per jaar.

Vraag 9 3 punten

Bereken het rentepercentage per jaar bij een maandelijkse rente van 0,7%. Geef je antwoord in 1 decimaal.

Bekijk het antwoord
  • Bij een rente van 0,7% hoort een groeifactor van 1,007 (1)
  • 1,007¹² = 1,087... (1)
  • Het antwoord: 8,7(%) (per jaar) (1)

De volgende formule geeft het verband tussen de schuld en de betalingen per maand.

X_t = b/0,007 + X₀ − b/0,007 ⋅ (1 + 0,007)t (formule 1)

Hierin is X_t het bedrag van schuld in maand t, b het bedrag dat de klant per maand moet betalen, X₀ het bedrag van de schuld op t = 0 en t de tijd in maanden.

De heer Kliphuis koopt bij de autoverkoper een auto en overweegt het volledige bedrag van € 16 000 te lenen. Als hij kiest voor een looptijd van 36 maanden, betaalt hij maandelijks € 500. Na 36 maanden zou dan bijna het geleende bedrag terugbetaald zijn. Er zou dan echter nog een bedrag overblijven dat kleiner is dan de € 500 die hij maandelijks zou betalen. Dit bedrag noemen we de restschuld. De restschuld van Kliphuis zou afgerond € 177 zijn.

Vraag 10 2 punten

Bereken deze restschuld in centen nauwkeurig.

Bekijk het antwoord
  • Het invullen van t = 36, b = 500 en X ₀= 16 000 in de formule (1)
  • Dit geeft X₃₆ = 176,97 (1)

Kliphuis overweegt ook om bij de aankoop van deze auto meteen € 6000 te betalen. Hij zou dan maar € 10 000 lenen. Hij zou dan weer voor een looptijd van 36 maanden kiezen, waarin hij het geleende bedrag van € 10 000 volledig zou aflossen.

Als Kliphuis vooraf € 6000 betaalt en de rest leent, zou hij in totaal minder betalen dan wanneer hij het hele aankoopbedrag leent.

Vraag 11 5 punten

Bereken hoeveel Kliphuis nu minder betaalt. Geef je antwoord in hele euro’s.

Bekijk het antwoord
  • In de eerste situatie betaalt Kliphuis in totaal 36 ⋅ 500 +177 = 18177 (euro) (1)
  • De vergelijking b/0,007 + 10 000 − b/0,007 ⋅ 1,007³⁶ = 0 moet worden

opgelost (1)

  • Beschrijven hoe de oplossing b = 315,21…, dus 315,21 (euro) per maand kan worden gevonden (1)
  • In de tweede situatie betaalt Kliphuis in totaal 6000 + 36 ⋅ 315,21 = 17 347,56 (euro) (afgerond 17 348 (euro)) (1)
  • Kliphuis betaalt (18177 −17 348 =) 829 (euro) (minder) (1)

Opmerking

Als in de tweede situatie gerekend is met de onafgeronde waarde van b, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Mevrouw Wielink koopt ook een auto bij de autoverkoper. Zij leent het volledige bedrag namelijk € 25 000. Ze wil bij een bepaalde looptijd, bijvoorbeeld 24 of 36 maanden, snel het bedrag kunnen berekenen dat ze per maand moet betalen. De rente bedraagt ook nu 0,7% per maand en er is geen restschuld.

Bovenstaande gegevens invullen in formule 1 geeft de vergelijking:

0 = b/0,007 + 25 000 − b/0,007 ⋅ 1,007T

Hierin is b het bedrag dat Wielink per maand moet betalen en T de looptijd in maanden.

Deze vergelijking is te herleiden tot b = 175 ⋅ 1,007T 1,007T − 1

Vraag 12 4 punten

Geef deze herleiding.

Bekijk het antwoord
  • b/0,007 ⋅ 1,007T − b/0,007 = 25 000 ⋅ 1,007T (1)
  • b ⋅ 1,007/0,007 T − 1/0,007 = 25 000 ⋅ 1,007T (1)
  • b ⋅ 1,007T − 1 = 25 000 ⋅ 1,007T (1)

0,007

  • b = 25 000 ⋅ 1,007T (en hieruit volgt b = 175 ⋅ 1,007T ) (1)

1,007T − 1 1,007T − 1 0,007

of

  • b/0,007 ⋅ 1,007T − b/0,007 = 25 000 ⋅ 1,007T (1)
  • b/0,007 _ ⋅ (_1,007T − ₁)₌ 25 000 ⋅ 1,007T (1)
  • _b_ ⋅ (_1,007T − ₁)₌ 0,007 ⋅ 25 000 ⋅ 1,007T (1)
  • b = 0,007 ⋅ 25000 ⋅ 1,007T (en hieruit volgt b = 175 ⋅ 1,007T ) (1)

1,007T − 1 1,007T − 1

Mevrouw Vogelaar koopt een auto bij dezelfde verkoper, er wordt dus ook nu een rente van 0,7% per maand gerekend.

Zij leent een bedrag van € 20 000. Elke maand betaalt zij € 490. Bovenstaande gegevens invullen in formule 1 geeft de volgende formule: X _t= 70 000 − 50 000 ⋅ 1,007t (formule 2)

Hierin is X_t het bedrag van de schuld in maand t en is t de tijd in maanden.

Natuurlijk wordt de schuld elke maand kleiner. Dit kun je ook aantonen met behulp van de afgeleide van formule 2.

Vraag 13 3 punten

Beredeneer aan de hand van afgeleide d X_t van formule 2, zonder d t getallen in te vullen of een schets te maken, dat de schuld steeds kleiner wordt.

Bekijk het antwoord

d

  • X/d t t= ln(1,007) ⋅ − 50 000 ⋅ 1,007 t( =− 348,7... ⋅ 1,007 t) (1)
  • ln(1,007) ⋅ − 50 000 ( =− 348,7...) (is negatief en 1,007t is altijd positief) (1)
  • De afgeleide is altijd negatief, dus de grafiek van X_t is dalend en dus wordt schuld steeds kleiner (1)

Steeds meer foto’s

In het Amerikaanse tijdschrift Wired stond een artikel over de fotograaf Young Sam Kim. Deze kunstenaar vindt dat grote steden over de hele wereld er hetzelfde uit beginnen te zien en onderzoekt met behulp van collages van zijn foto’s het beeld van steden.

foto
foto

Bovenstaande fotocollage is gemaakt met verschillende foto’s. Deze collage bestaat uit twee stadsgezichten over de hele breedte, één aan de bovenkant (ondersteboven) en één aan de onderkant. Daaroverheen zijn vier straatbeelden met mensen geplakt, en ten slotte zijn er vier boomtoppen boven de straatbeelden in de collage opgenomen.

Het wisselen en combineren van de foto’s is voor de fotograaf een belangrijk onderdeel van zijn werk. Je kan een collage zoals bovenstaande op vele manieren maken.

We gaan uit van de volgende aannames:

  • Voor de stadsgezichten kiest de fotograaf uit een serie van tien geschikte foto’s twee verschillende foto’s uit.
  • De vier straatbeelden kunnen onderling verwisseld worden.
  • De breedste boomtop kan alleen boven het straatbeeld met de breedste boom.
  • De overige drie boomtoppen kunnen onderling verwisseld worden maar moeten wel boven een boom in het straatbeeld komen.

Vraag 14 4 punten

Bereken hoeveel verschillende collages er mogelijk zijn.

Bekijk het antwoord
  • Aantal manieren voor de foto’s van de stadsgezichten is 10 9 ⋅ ( = 90 ) (1)
  • Aantal manieren voor de foto’s van de straatbeelden is 4! ( = 24 ) (1)
  • Aantal manieren voor de foto’s van de boomtoppen is 3! ( = 6 ) (1)
  • Dus er zijn (90 ⋅ 24 ⋅ 6 =) 12 960 verschillende collages mogelijk (1)

Een journalist van Wired heeft uitgezocht hoeveel foto’s hij zelf gemaakt heeft in zijn carrière. De journalist heeft daarbij het totale aantal foto’s uitgezet tegen de tijd. Hierbij is t = 0 op 1 januari 2000.

Zie de figuur.

figuur
figuur

Het totale aantal foto’s is te benaderen met de volgende formule: N = 261 + 67,3 ⋅ e^0,373 t

Hierin is de (op gehelen) afgeronde waarde van N het totaal aantal foto's, en t de tijd in jaren, met t = 0 op 1 januari 2000.

Vraag 15 3 punten

Bepaal in welk jaar volgens deze formule het totale aantal foto's de grens van 200 000 passeerde.

Bekijk het antwoord
  • Beschrijven hoe de vergelijking 261 +67,3 ⋅ e^0,373t = 200 000 kan worden opgelost (1)
  • De oplossing t = 21,... (1)
  • Dus in 2021 (1)

De afgeleide van N kun je noteren in de vorm:

d d N t = c ⋅ e^0,373t met afgerond op één decimaal c = 25,1 .

Vraag 16 2 punten

Bereken c in drie decimalen.

Bekijk het antwoord
  • ( c =) 0,373 ⋅ 67,3 (1)
  • Het antwoord: 25,103 (1)

Met de afgeleide van de formule van N kun je het aantal foto's in een jaar benaderen. Je krijgt een goede benadering voor dit aantal als je in de afgeleide rekent met 1 juli van het betreffende jaar.

Vraag 17 4 punten

Bereken hoeveel procent de benadering met de afgeleide van de formule voor N op 1 juli 2015 afwijkt van het aantal foto's dat de journalist volgens de formule voor N in 2015 heeft gemaakt. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • Het aantal in 2015 gemaakte foto's is N ( 16 ) − N ( 15 ) = ( 26 557 −18 370 =) 8187 (1)
  • De benadering met de afgeleide is N' (15,5) = 8139 (1)
  • De procentuele afwijking is 8139 (−)/8187 8187 ⋅ 100% ( =0,56...) (1)
  • Het antwoord: (−) 0,6 (%) (1)

Opmerkingen: − Als een kandidaat in de formule voor d N/d t gerekend heeft met een nauwkeuriger waarde dan 25,1, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

− Als een kandidaat rekent met de niet afgeronde waarden voor N, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Energieverbruik bij mensen en dieren

Mensen en dieren gebruiken energie om zich te verplaatsen. In figuur 1 is de minimale hoeveelheid energie die mensen en dieren verbruiken om zich te verplaatsen, weergegeven in relatie tot het lichaamsgewicht.

Langs de verticale as staat het minimale energieverbruik in Joules per meter per kilogram ( J / ( m ⋅ kg )) . Langs de horizontale as staat het gewicht in kilogrammen. Bij beide assen wordt gebruikgemaakt van een logaritmische schaalverdeling.

figuur 1
figuur 1

In figuur 1 is voor een zwemmer en voor een ijsschaatser met een stip het minimale energieverbruik weergegeven terwijl ze zich verplaatsen.

Vraag 18 2 punten

Leg uit met behulp van figuur 1, zonder verdere berekeningen, wie van de twee het hoogste minimale energieverbruik heeft bij een verplaatsing over dezelfde afstand.

Bekijk het antwoord
  • De stippen liggen recht boven elkaar (of zwemmer en de ijsschaatser hebben hetzelfde gewicht) (1)
  • De stip van de zwemmer ligt boven die van de ijsschaatser, dus de zwemmer (heeft het hoogste minimale energieverbruik bij verplaatsing over dezelfde afstand) (1)

In figuur 1 staan ook de gegevens van de duif en het jachtluipaard met een stip aangegeven. Volgens de figuur is het minimale energieverbruik in joules per meter per kilogram voor de duif en het jachtluipaard even groot. Het jachtluipaard is echter zwaarder.

Vraag 19 3 punten

Bereken met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel keer zo zwaar het jachtluipaard is dan de duif. Geef je antwoord in gehelen.

uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
  • Aflezen gewicht duif: 10⁻ ^0,4 (= 0,251… kg) (1)
  • Aflezen gewicht jachtluipaard: 10 ^1,7(=63,095…kg) (1)
  • Dus ( 10^1,7 =) 126 keer zo zwaar (1)

10⁻^0,4

Opmerking

Bij het aflezen mag een marge van 0,1 worden gehanteerd

Ook zijn er in figuur 1 drie lijnen getekend: één voor de vogels, één voor de vissen en één voor de loopdieren.

Voor de lijn van de vogels geldt:

log( E _v) =− 0,254 ⋅ log( m _v) + 0,74 (formule 1)

Hierin is m_v het lichaamsgewicht in kilogrammen en E_v het minimale energieverbruik in joules per meter per kilogram dat nodig is om zich te kunnen verplaatsen.

De slechtvalk is een vogel die veel op prooidieren in de buurt van het nest jaagt en gemiddeld 980 gram weegt.

Vraag 20 3 punten

Bereken hoeveel energie een slechtvalk minimaal verbruikt als deze een afstand van 4 kilometer aflegt. Geef je antwoord in gehele joules.

Bekijk het antwoord
  • Het berekenen van log( E _v) =− ( 0,254 ⋅ log(0,980) + 0,74 =) 0,742... (1)
  • E _v(₌ 10 ^0,742...)₌ 5,523... ( J / ( kg ⋅ m ) ) (1)
  • Totale (minimale) energieverbruik: E_v = 0,742... ⋅ 0,980 ⋅ 4000 = 21653( J) (1)

Formule 1 is te herleiden tot:

E_v = a ⋅ m_v⁻^0,254 (formule 2) Afgerond op één decimaal geldt a = 5,5 .

Vraag 21 4 punten

Geef de herleiding van formule 1 naar formule 2 en geef hierbij a in drie decimalen.

Bekijk het antwoord
  • E_v = 10⁻ 0,254 log( ⋅ m_v + ) 0,74 (1)
  • E_v = 10⁻ 0,254 log( ⋅ m_v⁾ ⋅ 10^0,74 (1)
  • E_v ₌(₁₀^log(m_v⁾)⁻ ^0,254 ⋅ 10 0,74 (1)
  • E_v = 5,495 ⋅ m_v⁻ ^0,254 (dus de gevraagde waarde van a = 5,495 ) (1)

of

  • log( E _v) = log( m_v⁻ ^0,254) + 0,74 (1)
  • log( E _v) = log( m_v⁻ ^0,254) + log(10^0,74 ) (1)
  • log( E _v) = log(10^0,74 ⋅ m_v⁻ ^0,254) (1)
  • E_v = 5,495 ⋅ m_v⁻ ^0,245 (dus de gevraagde waarde van a = 5,495 ) (1)

Voor het totale minimale energieverbruik T_v in joules voor vogels geldt de formule:

T_v = 5,5 ⋅ m_v ^0,746 ⋅ d (formule 3)

Hierin is T_vhet totale minimale energieverbruik in joules, m_v het lichaamsgewicht in kilogrammen en d de afgelegde afstand in meters. Bij een gelijkblijvende afstand d en een toenemende m_v ziet de schets van de grafiek van T_v eruit als een van de schetsen in figuur 2.

figuur 2
figuur 2
grafiek van Tv  eruit als een van de schetsen in figuur 2.
grafiek van Tv eruit als een van de schetsen in figuur 2.
grafiek van Tv  eruit als een van de schetsen in figuur 2.
grafiek van Tv eruit als een van de schetsen in figuur 2.

A B C

Vraag 22 2 punten

Licht toe welke van de drie schetsen (A, B of C) in figuur 2 hoort bij de grafiek van T_v.

Bekijk het antwoord
  • De exponent is 0,746 (ligt tussen 0 en 1), dus afnemend stijgend (en d is constant) (1)
  • Dus figuur C (1)

of

  • Een uitleg waaruit blijkt dat een kandidaat een getal voor d neemt en vervolgens de grafiek plot op zijn GR (1)
  • Dus figuur C (1)

Opmerking

As er geen juiste toelichting wordt gegeven voor deze vraag geen scorepunten toekennen.

Cilinderpuzzel

Let op: de laatste vraag van dit examen staat op de volgende pagina.

De cilinderpuzzel (zie foto 1) is een puzzel foto 1 waarbij schuifjes in verschillende kleuren verplaatst kunnen worden.

De cilinderpuzzel bestaat uit zes ringen met daarop elk acht vakjes. Er zijn 48 vakjes, waarvan er 47 bezet zijn door een schuifje. Er is dus één leeg vakje.

Er zijn 7 verschillende kleuren schuifjes: 12 rode, 6 blauwe, 6 gele, 6 groene, 6 oranje, 6 witte en 5 zwarte.

foto 1
foto 1

Schuifjes kunnen als volgt verplaatst worden:

  • Een schuifje direct onder of boven het lege vakje kan in het lege vakje geschoven worden (zie foto 2). Het schuifje en het lege vakje wisselen dan van plek.
  • Een hele ring kan gedraaid worden. Dan schuiven de 8 schuifjes (of 7 schuifjes en het lege vakje) allemaal één plek op, zonder dat de onderlinge volgorde wijzigt (zie foto 3).

Het is niet mogelijk om een schuifje in horizontale richting in het lege vakje te schuiven.

foto 2 foto 3
foto 2 foto 3
foto 3
foto 3

Door een aantal verplaatsingen te combineren, kan elk schuifje in elk vakje terechtkomen.

De puzzel is opgelost als aan twee voorwaarden voldaan is (zie foto 1):

1 De zwarte schuifjes zitten boven elkaar met daarboven het lege vakje.

2 De andere kleuren hebben 6 schuifjes van dezelfde kleur boven elkaar.

De cilinderpuzzel kent verschillende oplossingen. Het aantal mogelijke manieren waarop de schuifjes verdeeld kunnen worden over de vakjes, is veel groter dan het aantal oplossingen van de cilinderpuzzel.

Vraag 23 7 punten

Onderzoek hoeveel keer zo groot het aantal mogelijke manieren is ten opzichte van het aantal oplossingen.

Bekijk het antwoord
  • (Het aantal oplossingen is gelijk aan het aantal manieren waarop 2 rode schuifjes en van elke kleur 1 schuifje over de eerste ring verdeeld kunnen worden.) Het aantal mogelijkheden om de 2 rode schuifjes te verdelen over de eerste ring is, als er geen rekening gehouden is met het feit dat het een ring is, gelijk aan 8 (1)

2

  • De overige 6 kleuren verdelen geeft 6 ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 5 4 3 2 1( =720) mogelijkheden (1)
  • (De ring heeft geen beginpunt, dus is) het aantal oplossingen: ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 8 6 5 4 3 2 1 2 ( = 2520) (1)

8

  • De 12 rode schuifjes verdelen over de 48 vakjes: 48 (1)

12

  • Voor de overige schuifjes zijn de mogelijkheden respectievelijk: 36 , 6 30 , 24 , 18 , 12 en 6 (en het ene vakje dat dan nog over is, 6 6 6 6 5 is automatisch het lege vakje) (1)
  • Het aantal mogelijkheden om het aantal schuifjes te verdelen (omdat de ring geen beginpunt heeft): 48 36 30 24 18 12 6 ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 12 6 6 6 6 6 = 5 ( 1,3... ⋅ 10³⁵ ) (1)

8 48 36 30 24 18 12 6 ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 12 6 6 6 6 6 5

  • ( 8/2520 = 5,53... ⋅ 10³¹, geeft) het

antwoord: 6 ⋅ 10³¹ (of nauwkeuriger) (1)

of

  • Het inzicht dat het de puzzel op te vatten is als een rooster 6 bij 8 en dus buiten beschouwing te laten dat de puzzel een cilinder is (1)
  • (Het aantal oplossingen is gelijk aan het aantal manieren waarop 2 rode schuifjes en verder van elke kleur 1 schuifje over de eerste ring verdeeld kunnen worden.) Het aantal mogelijkheden om de 2 rode schuifjes te verdelen over de eerste ring is 8 (1)

2

  • Het aantal oplossingen is 8 ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 2 6 5 4 3 2 1( = 20160) (of 8! 2 ) (1)
  • De 12 rode schuifjes verdelen over de 48 vakjes: 48 (1)

12

  • Voor de overige schuifjes zijn de mogelijkheden respectievelijk: 36 , 6 30 , 24 , 18 , 12 en 6 (en het ene vakje dat dan nog over is, 6 6 6 6 5 is automatisch het lege vakje) (1)
  • Het aantal mogelijkheden om het aantal schuifjes te verdelen: 48 ⋅ 36 ⋅ 30 ⋅ 24 ⋅ 18 ⋅ 12 ⋅ 6 ( =1,1... ⋅ 10₃₆ ) (1)

12 6 6 6 6 6 5 48 36 30 24 18 12 6 ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅

  • ( 12 6 6 6 6 6 = 5 5,53... ⋅ 10³¹ , geeft) het ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ 8 6 5 4 3 2 1 2

antwoord: 6 ⋅ 10³¹ (of nauwkeuriger) (1)

of

  • Het inzicht dat de puzzel is op te vatten als een rooster van 6 bij 8 en dus buiten beschouwing te laten dat de puzzel een cilinder is (1)
  • (Het aantal oplossingen is gelijk aan het aantal manieren waarop 2 rode schuifjes en verder van elke kleur 1 schuifje over de eerste ring verdeeld kunnen worden.) Het aantal mogelijkheden om de 2 rode schuifjes te verdelen over de eerste ring is 8! 2 (1)
  • Rekening houdend met het feit dat het om een ring gaat, is het aantal mogelijkheden gelijk aan 8! ( 2 ⋅ 8 = 2520) (1)
  • Het aantal manieren om 48 verschillende objecten (schuifjes + lege vakje) te verdelen over 48 vakjes is 48! (1)
  • De schuifjes zijn in werkelijkheid niet allemaal verschillend dus is het 48! aantal mogelijkheden (1)

12! 6! 6! 6! 6! 6! 5! ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅

  • Rekening houdend met het feit dat het om een ring gaat, is het aantal 48!

mogelijkheden gelijk aan 12! 6! 6! 6! 6! 6! 5! ( ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ =1,3... ⋅ 10³⁵ ) (1)

8 48!

12! 6! 6! 6! 6! 6! 5! ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅ ⋅

  • ( 8/8! = 5,53... ⋅ 10³¹) het antwoord 6 ⋅ 10³¹(of

2 ⋅ 8 nauwkeuriger) (1)

Opmerking

Als een kandidaat op de plekken, waarbij in het eerste en tweede antwoordalternatief met combinaties gewerkt moet worden, werkt met permutaties, dan maximaal 5 scorepunten toekennen voor deze opgave.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens wiskunde A vwo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 22. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), exponentiële groei (6) en combinatoriek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-a-26-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.