Eindexamen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Jongleren, Plastic, Rendementen, Temperatuursverwachting.
Het centraal examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (8), formules en grafieken (5) en veranderingen en afgeleide (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Exponentiële groei | 6-10, 14-16 | 8 |
| Formules en grafieken | 2-3, 19-21 | 5 |
| Veranderingen en afgeleide | 4-5, 11, 17 | 4 |
| Statistiek | 12-13, 18 | 3 |
| Combinatoriek | 1 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over exponentiële groei (38% van de vragen, gemiddeld 22%) en statistiek (14% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over formules en grafieken (24% van de vragen, gemiddeld 34%) en lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 7%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Jongleren
Bij jongleren gaat het om het in de lucht gooien, in de lucht houden en opvangen van voorwerpen. Deze voorwerpen blijven tijdens het jongleren van hand naar hand en in de lucht rondgaan. Zie de foto.
foto figuur
Op de foto zie je de Amerikaanse jongleur James Reid jongleren met drie verschillende, nogal vreemde voorwerpen: een bowlingbal, een mes en een speelgoedkip. Meestal wordt er echter met ballen, kegels en ringen gejongleerd. In de figuur zie je een typisch pakket voor jongleurs, bestaande uit drie identieke ringen, drie identieke ballen en drie identieke kegels.
Een jongleur kiest uit het pakket drie voorwerpen om mee te jongleren. Hij zou bijvoorbeeld een bal (B), een kegel (K) en een ring (R) kunnen kiezen. Dit noteren we met BKR.
Vraag 1 3 punten
Noteer op dezelfde manier alle overige mogelijkheden om drie voorwerpen uit het pakket te kiezen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een kandidaat ook verschillende volgordes heeft uitgeschreven (bijvoorbeeld RKK, KRK en KKR in plaats van alleen RKK), hiervoor
1 scorepunt in mindering brengen.
De rest van deze opgave gaat over jongleren met minimaal drie ballen, door één jongleur, waarbij de jongleur altijd twee handen gebruikt. Hiervoor bestaat een verband tussen een aantal variabelen, gegeven door de formule van Shannon:
2 · (V + H ) = B · ( L + H )
Hierin is:
- V de vluchttijd, dat is de tijd die een bal in de lucht is tussen het gegooid en weer opgevangen worden (in seconden);
- H de handtijd, dat is de tijd die een bal in één van de handen is tussen het vangen en het gooien van de bal (in seconden);
- L de leegtijd, dat is de tijd dat een hand leeg is tussen het gooien van een bal en het vangen van de volgende bal (in seconden);
- B het aantal ballen dat je gebruikt.
De formule van Shannon geldt alleen als alle ballen op dezelfde manier van de ene naar de andere hand worden gegooid, dus even snel en even hoog.
Vraag 2 3 punten
Beredeneer met behulp van de formule van Shannon dat bij jongleren met drie ballen de vluchttijd langer zal zijn dan de leegtijd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- B = 3 geeft 2V + 2 H = 3L + 3H (1)
- Dan moet (omdat 2H < 3H ) 2V > 3L (1)
- Dus V > L (ofwel de vluchttijd is langer dan de leegtijd) (1)
2V
- BL De formule van Shannon kan worden herleid tot: H = B−2
Vraag 3 4 punten
Geef deze herleiding.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (Uit 2 · (V + H ) = B · ( L + H ) volgt) 2V + 2 H = BL + BH (1)
- Dit geeft 2 H − BH = BL − 2V (1)
- Dus H (2 − B ) = BL − 2V (1)
- En hieruit volgt H = (= ) (1)
Als je met steeds meer ballen wilt jongleren, waarbij je die ballen telkens even lang in de lucht wilt houden en je handen steeds even lang leeg wilt houden, moet je de ballen steeds sneller door je handen laten gaan. De handtijd moet dan dus steeds korter worden. Dit kun je aantonen met de afgeleide van H. dH 2 L
- 2V De afgeleide is: = dB ( B
- 2) 2
Vraag 4 3 punten
Toon aan dat deze formule voor de afgeleide juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als bij het differentiëren de quotiëntregel niet is gebruikt, mogen voor het eerste antwoordelement geen scorepunten worden toegekend.
Volgens de formule van Shannon geldt dat bij drie of meer ballen L altijd kleiner is dan V. dH
Vraag 5 3 punten
Toon met behulp van de afgeleide aan dat de handtijd afneemt als dB het aantal ballen toeneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- L < V dus de teller is negatief (1)
- De noemer is (een kwadraat ongelijk aan 0 en dus) positief (1)
- De afgeleide is dus negatief, dus H daalt (1)
Plastic
In de periode 1977
- 2002 is de jaarlijkse plasticproductie bij benadering exponentieel toegenomen. De jaarlijkse productie is in deze periode van
25 jaar vier keer zo groot geworden.
Vraag 6 3 punten
Bereken de jaarlijkse procentuele toename in de periode 1977
- 2002. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
Opmerking
4 , voor deze vraag maximaal 1 scorepunt Als gerekend wordt met 25 toekennen.
De toenemende plasticproductie zorgt voor een toenemende hoeveelheid plastic afval. In 2015 kwam er 250 miljoen ton plastic afval vrij en men gaat ervan uit dat de hoeveelheid plastic afval die jaarlijks vrijkomt met 4,1% per jaar zal toenemen. Tegelijkertijd wordt er een steeds groter percentage plastic afval gerecycled. In 1990 werd 2% van de vrijgekomen hoeveelheid plastic gerecycled. De jaren erna nam dit percentage lineair toe met 0,7% per jaar tot 11,8% in 2004.
Wanneer deze trend in recycling ook na 2004 doorzet, zal in 2050 een substantieel deel van het plastic afval dat in dat jaar vrijkomt gerecycled worden.
Vraag 7 3 punten
Bereken hoeveel miljoen ton plastic afval in 2050 in dat geval gerecycled zal worden. Geef je antwoord in gehele miljoenen tonnen.
Bekijk het antwoord
- In 2050 is het recyclepercentage 2 + 60 · 0, 7 = 44 (of 11,8 + 46 · 0, 7 = 44 )(%) (1)
- De hoeveelheid vrijgekomen plastic afval in 2050 is 250 ·1, 04135 (= 1020, 27...) (1)
- Het antwoord: (0, 44 · 250 ·1, 04135 =) 449 (miljoen ton) (1)
Voor de voorspelling voor de jaren na 2015 van de totale hoeveelheid vrijgekomen plastic afval had men de volgende uitgangspunten:
- Tot en met 2014 was er in totaal 6050 miljoen ton plastic afval vrijgekomen.
- In 2015 kwam daar 250 miljoen ton bij.
- Na 2015 nam de hoeveelheid jaarlijks vrijgekomen plastic afval met 4,1% per jaar toe.
Op basis hiervan voorspelde men dat er tot en met 2018 in totaal (op honderden miljoenen ton afgerond) 7100 miljoen ton plastic afval vrij zou komen.
Vraag 8 3 punten
Geef uitsluitend met behulp van bovenstaande uitgangspunten deze voorspelde hoeveelheid in gehele miljoenen tonnen nauwkeurig.
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer een kandidaat gebruikmaakt van de somformule voor een meetkundige rij, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als bij de beantwoording van deze vraag dezelfde foutieve groeifactor is gebruikt als bij de beantwoording van vraag 7, hiervoor bij deze vraag geen scorepunten in mindering brengen.
Met behulp van de genoemde uitgangspunten is het mogelijk om een formule op te stellen voor de totale hoeveelheid vrijgekomen plastic afval tot en met een bepaald jaar. Bij het opstellen van deze formule wordt onder andere gebruikgemaakt van de somformule voor meetkundige rijen. Deze luidt:
1
- r t +1 S (t ) = u0 · 1− r Hierin is:
- S (t ) de hoeveelheid plastic afval in miljoenen tonnen die sinds 2015 vrijgekomen is;
- t de tijd in jaren met t = 0 in 2015;
- u0 de hoeveelheid vrijgekomen plastic afval in miljoenen tonnen in 2015;
- r de groeifactor waarmee de hoeveelheid vrijgekomen plastic afval jaarlijks toeneemt.
De totale hoeveelheid plastic afval T in miljoenen tonnen die sinds het bestaan van plastic is vrijgekomen wordt gegeven door de formule: T = 6348 ·1,041t
- 48 Hierin is t de tijd in jaren met t = 0 in 2015. De gehele getallen in de formule zijn afgeronde waarden.
Vraag 9 4 punten
Laat zien hoe deze formule met behulp van S (t ) kan worden opgesteld.
Bekijk het antwoord
- Voor T geldt T = 6050 + 250 · (1)
- Dit geeft T = 6050 − 6097, 56... · (1 − 1, 041t +1 ) (1)
- Hieruit volgt T = 6050 − 6097, 56... · (1 − 1, 041 ·1, 041t ) (1)
- Dit geeft T = 6050 − 6097, 56... + 6097,56... ·1, 041 ·1, 041 en dit geeft T = 6348 ·1, 041t − 48 (1)
In onderstaande figuur wordt voor de periode 1950
- 2050 weergegeven hoeveel plastic afval er is vrijgekomen sinds plastic bestaat. Verder is weergegeven hoeveel plastic afval er sindsdien in het milieu terecht is gekomen. Hierin zijn de delen van de grafieken na 2015 voorspellingen. figuur
De grafiek voor de hoeveelheid plastic afval in het milieu kan beschreven worden met de formule:
13 825 W=
1 + 1,82 · e −0,071t Hierin is W de hoeveelheid plastic afval in het milieu en t is weer de tijd in jaren met t = 0 het jaar 2015.
Vraag 10 3 punten
Bereken in welk jaar de hoeveelheid plastic afval in het milieu voor het eerst minder zal zijn dan de helft van de hoeveelheid vrijgekomen plastic afval.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- t = 32 geeft 11 640,… respectievelijk 11 458,… en t = 33 geeft
11 768,… respectievelijk 11 929,… (1)
Opmerkingen
- Als de kandidaat rekent met nauwkeuriger waarden in de formule van T, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- Voor het antwoord 2047 geen scorepunten in mindering brengen.
In de figuur valt te zien dat men ervan uitgaat dat de toename van de hoeveelheid plastic afval in het milieu af zal nemen. Met behulp van de formule van W kan worden aangetoond dat de hoeveelheid plastic afval die jaarlijks in het milieu terechtkomt eerst nog zal blijven toenemen, maar uiteindelijk ook weer gaat afnemen.
Vraag 11 4 punten
Onderzoek in welk jaar het meeste plastic afval in het milieu terecht zal komen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Er moet worden bepaald voor welke t W (t )
- W (t
- 1) maximaal is (1)
- Het inzicht dat moet worden bepaald voor welke t maximaal is (1) dt
- De afgeleide van 1,82e −0,071t is 1,82e −0,071t ·
- 0, 071 (1) −0,071t dW −13 825 ·1,82e · −0, 071
- = (of een vergelijkbare vorm) (1) dt (
1 + 1,82e −0,071t 2 ) dW
- is maximaal voor t = 8, 43... dus in het jaar 2024 (1) dt
Opmerkingen
- Als de kandidaat gebruikmaakt van de numerieke afgeleide, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
- Voor het antwoord 2023 geen scorepunten in mindering brengen.
Rendementen
De waarde van individuele aandelen op de Amsterdamse beurs is aan fluctuaties onderhevig. Hierdoor kan ook de totale beurswaarde, dat is de totale waarde van alle aandelen die op de Amsterdamse beurs genoteerd staan, flinke schommelingen vertonen. Dit zie je bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van de totale beurswaarde in de eerste drie kwartalen van 2008. In figuur 1 zijn zowel de absolute als de relatieve maandelijkse toenamen van de totale beurswaarde voor de eerste drie kwartalen van
2008 weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
In figuur 1 valt bijvoorbeeld af te lezen dat de totale beurswaarde in januari 2008 maar liefst 73 miljard euro lager was dan in december 2007, wat overeenkwam met een daling van 14%.
De totale beurswaarde daalde in het eerste kwartaal van 2008 met
90 miljard euro. Ondanks een licht herstel in april en mei was de totale beurswaarde na het tweede kwartaal nog verder gedaald ten opzichte van de totale beurswaarde in december 2007.
Vraag 12 3 punten
Bereken de daling van de totale beurswaarde in het eerste halfjaar van 2008. Geef je antwoord in gehele miljarden euro’s.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het aflezen is telkens een marge van 2 (miljard euro) toegestaan.
In het derde kwartaal van 2008 daalde de totale beurswaarde nog verder.
Vraag 13 4 punten
Bereken deze daling ten opzichte van het eind van het tweede kwartaal van 2008 met behulp van de procentuele toenames en afnames in figuur 1. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het aflezen is telkens een marge van 0,5(%) toegestaan.
In het algemeen spreekt men bij het beleggen in aandelen op de beurs over het werkelijke rendement van de waarde van een aandeel. Hieronder verstaat men de waardeverandering in een periode in procenten. In de praktijk worden aandelen continu verhandeld en kunnen rendementen voortdurend variëren. Daarom gebruikt men in de economie ook wel het zogeheten continue rendement als benadering voor het werkelijke rendement. Het continue rendement is gedefinieerd als:
C = 100 · ln(1 + 0,01R) (met R > −100 ) Hierin is R het werkelijke rendement in een periode en C het bijbehorende continue rendement in dezelfde periode, beide in procenten.
De waarde van een aandeel stijgt in een dag van € 25,- naar € 26,-.
Vraag 14 3 punten
Bereken het verschil tussen het werkelijke en het continue rendement op deze dag. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord –0,1(%) geen scorepunten in mindering brengen.
In de formule C = 100 · ln(1 + 0,01R) is C uitgedrukt in R. Maar als er met continue rendementen gerekend wordt, wil men ook terug kunnen rekenen naar het werkelijke rendement. Daarvoor is een formule waarin R wordt uitgedrukt in C handiger.
Vraag 15 4 punten
Herleid de formule C = 100 · ln(1 + 0,01R) tot een formule van de vorm R = u · ev·C + w .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (Uit C = 100 · ln(1 + 0, 01R ) volgt) ln(1 + 0, 01R) = 100 (1)
- Hieruit volgt 1 + 0, 01R = e100 (1)
- Dit geeft 0, 01R = e − 1 (of 100 + R = 100 · e ) 100 100 (1)
- De gevraagde formule voor R is R = 100 · e −100 (1)
Behalve voor R = 0 valt het continue rendement altijd lager uit dan het werkelijke rendement. In figuur 2 wordt dit grafisch zichtbaar gemaakt door de lijn met vergelijking C = R en de grafiek van C = 100 · ln(1 + 0,01R) in één figuur weer te geven.
[figuur 2: zie het originele examen]
In figuur 2 valt te zien dat C en R voor waarden dicht bij 0 nagenoeg gelijk zijn, maar voor waarden die steeds verder van 0 liggen steeds meer verschillen.
Er zijn aandelen waarvan de waarde sterk stijgt of daalt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een aandeel voor het eerst op de beurs verhandeld wordt of als een bedrijf failliet dreigt te gaan. Voor deze aandelen is het mogelijk dat het verschil tussen het werkelijke en het continue rendement bijvoorbeeld meer dan 1% is. Zo kun je in figuur 2 aflezen dat R en C voor R = 40 ongeveer 6% verschillen (namelijk
40
- 33, 6... ).
Vraag 16 4 punten
Bereken met behulp van de formule voor C voor welke waarden van R het verschil tussen R en C meer dan 1% is. Geef je antwoord in gehelen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als een kandidaat alleen het antwoord R ≥ 15 (of alleen ( −100 <) R ≤ −14 ) geeft, voor deze vraag maximaal 3 scorepunten toekennen.
Dat C en R voor steeds groter wordende positieve waarden van R steeds meer verschillen, volgt onder andere uit het feit dat de helling van de lijn met vergelijking C = R gelijk is aan 1, terwijl de helling van de grafiek van
C voor alle positieve waarden van R kleiner dan 1 is. dC
Vraag 17 4 punten
Toon met behulp van de afgeleide aan dat de helling van de grafiek dR van C voor alle positieve waarden van R kleiner is dan 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- = 100 · · 0, 01 ( = ) (2) dR 1 + 0, 01R 1 + 0, 01R dC
- Een schets van (1) dR
- De grafiek van de afgeleide ligt altijd onder de horizontale lijn op hoogte 1, dus de afgeleide is (voor R > 0 ) altijd kleiner dan 1 (, dus de helling van de grafiek van C is voor R > 0 kleiner dan 1) (1p)
Opmerkingen
- Als bij het differentiëren de kettingregel niet is gebruikt, mogen voor het eerste antwoordelement geen scorepunten worden toegekend.
- Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
Temperatuursverwachting
Tegenwoordig kun je op veel plaatsen de verwachte temperatuur vinden. Zo ook op de website van het KNMI. Het KNMI kan aan de hand van weerkaarten de temperatuur voor een aantal dagen voorspellen.
Op 21 januari 2018 heeft het KNMI een grafiek gemaakt van de verwachte temperatuur van 22 januari tot en met 5 februari van dat jaar. In figuur 1 zie je een stukje van deze grafiek. Figuur 1 staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 1: zie het originele examen]
Ook zie je in deze figuur twee stippellijnen. Deze lijnen geven het gemiddelde van de minimumtemperatuur en het gemiddelde van de maximumtemperatuur voor de periode 1981
- 2010 weer. Als de temperatuur tussen deze twee stippellijnen in zit, noemen we de temperatuur normaal voor de tijd van het jaar.
In figuur 1 is te zien dat het volgens de verwachting in de week van
22 januari 2018 behoorlijk warm zou worden voor de tijd van het jaar.
Vraag 18 3 punten
Bereken met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage hoeveel procent van de tijd het volgens de verwachting in de week van 22 januari 2018 warmer zou zijn dan normaal. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het aflezen is per meting een marge van 1 mm toegestaan.
In figuur 1 is de gemiddelde minimumtemperatuur 0,4 °C en de gemiddelde maximumtemperatuur 6,0 °C. Als de temperatuur normaal is voor de tijd van het jaar, dan zal deze dus schommelen tussen die twee waarden. Je krijgt dan een grafiek zoals in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Deze grafiek geeft het verwachte temperatuurverloop aan in de week van
22 januari als de temperatuur normaal is voor de tijd van het jaar. We noemen dit de modelgrafiek voor 22 tot 29 januari.
Je kunt deze grafiek modelleren met een sinusoïde van de volgende vorm: TJ = d + a sin(b(t
- c )) In deze formule is TJ de temperatuur in °C in de week van 22 januari en t de tijd in dagen met t = 0 op 22 januari om 00:00 uur.
In het model nemen we aan dat de laagste temperatuur zich steeds voordoet om 03:00 uur en de hoogste temperatuur steeds om 15:00 uur.
Vraag 19 4 punten
Stel een formule op voor TJ .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De evenwichtsstand is = 3, 2 en de amplitude is 6 − 3, 2 = 2,8 (1)
- De periode is één dag, dus b = = 2π ( = 6, 28... ) (1)
- Als de minimumtemperatuur bereikt wordt om 03:00 uur, dan stijgt de grafiek (een kwart periode later) om 09:00 uur door de evenwichtsstand (1)
- Dat is bij t = 24 9 = 0,375 , dus een formule is TJ = 3, 2 + 2,8sin(2π(t − 0,375)) (of TJ = 3, 2 + 2,8sin(6, 28...(t − 0,375)) ) (1)
De gemiddelde minimum- en maximumtemperaturen zijn echter niet altijd constant. In het voorjaar bijvoorbeeld, zullen deze temperaturen stijgen. Zie de tabel.
tabel
1 april 1 mei gemiddeld minimum 5,3 9,2 gemiddeld maximum 14,2 18,1
Als we aannemen dat de gemiddelde minimum- en maximumtemperatuur tussen 1 april en 1 mei lineair toenemen, dan is het met behulp van deze tabel nu ook mogelijk een modelgrafiek te maken voor de gehele maand april. We gaan er hierbij van uit dat de minimumtemperatuur steeds bereikt wordt om 03:00 uur en de maximumtemperatuur steeds om 15:00 uur.
De formule van deze modelgrafiek is: TA = 0,13t + 9,75 + 4, 45sin(2π(t
- 0,375)) met TA de verwachte temperatuur in °C in april en t de tijd in dagen met t = 0 op 1 april om 00:00 uur.
Vraag 20 3 punten
Laat met een berekening zien hoe je de getallen 0,13 en 9,75 kunt afleiden uit de gegevens.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het gemiddelde op 1 april is = 9, 75 (en dit is het begingetal) (1) 2 9, 2 + 18,1
Volgens het model is de temperatuur om 21:00 ’s avonds precies gelijk aan de gemiddelde temperatuur op die dag. Dat wordt de theoretische dagtemperatuur genoemd. Het KNMI meet ook gedurende de dag steeds de temperatuur en berekent met behulp van deze meetwaarden de werkelijke (gemiddelde) dagtemperatuur. Het verschil tussen de werkelijke dagtemperatuur en de theoretische dagtemperatuur wordt de temperatuuranomalie1) genoemd.
Bijvoorbeeld: Volgens de formule van TA is de theoretische dagtemperatuur op 5 april 2018 gelijk aan 10,4 °C. Op 5 april 2018 was de werkelijke dagtemperatuur 5,9 °C. De temperatuuranomalie is dan 5,9
- 10, 4 =
- 4,5 °C.
noot 1 In werkelijkheid is de bepaling van de temperatuuranomalie complexer, maar in deze opgave gaan we uit van een sterk vereenvoudigd model.
In figuur 3 staat de grafiek van de temperatuuranomalie voor de eerste
28 dagen van april 2018. Deze grafiek staat vergroot op de uitwerkbijlage.
[figuur 3: zie het originele examen]
Op 29 april 2018 was de werkelijke dagtemperatuur 9,2 °C. Op 30 april
2018 was dit 9,5 °C.
Vraag 21 4 punten
Bereken de temperatuuranomalieën van de laatste twee dagen van april
2018 en teken deze er in de grafiek op de uitwerkbijlage bij.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het tekenen van de staafjes in de grafiek is een marge van 1 mm toegestaan.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-3/vw-1024-a-21-3-o
Andere examens wiskunde A vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3?
Het centraal examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3 telt 21 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (8), formules en grafieken (5) en veranderingen en afgeleide (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-3/vw-1024-a-21-3-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.