Eindexamen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Energiebehoefte van vogels, Golven in de Nieuw-Zeelandse economie, De slimste mens, Bandenspanning en aquaplaning, Myopie, Amnesty-monument.
Het centraal examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1 loopt tot vraag 22. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), exponentiële groei (4) en machtsverbanden (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Formules en grafieken | 1, 7, 13, 15-16, 18-22 | 10 |
| Exponentiële groei | 6, 8-9, 14 | 4 |
| Machtsverbanden | 2, 4-5 | 3 |
| Combinatoriek | 11-12 | 2 |
| Veranderingen en afgeleide | 3 | 1 |
| Lineaire verbanden | 17 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over formules en grafieken (48% van de vragen, gemiddeld 32%) en machtsverbanden (14% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over veranderingen en afgeleide (5% van de vragen, gemiddeld 15%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Energiebehoefte van vogels
Vogels hebben voor al hun normale activiteiten elke dag een bepaalde hoeveelheid energie nodig. In de figuur is deze dagelijkse energiebehoefte $E$ (in kilojoule, kJ) voor een aantal vogels uitgezet tegen het lichaamsgewicht $G$ (in gram). Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
De stippellijn in de figuur geeft bij benadering het verband tussen $E$ en $G$ weer.
De duif heeft in vergelijking met de meeste andere vogels voor zijn gewicht veel energie nodig.
Vraag 1 3 punten
Bereken hoeveel procent de dagelijkse energiebehoefte van een duif meer is dan de dagelijkse energiebehoefte die volgens de stippellijn bij zijn lichaamsgewicht hoort. Geef je antwoord in hele procenten.
Dubbel-logaritmische grafiek van E (kJ) tegen G (g) met een stippellijn en punten voor diverse vogelsoorten, waaronder de duif. Bekijk in Opgaven, pagina 4
Bekijk het antwoord
- De waarde volgens de stippellijn is 170 (kJ)
- De werkelijke waarde is 230 (kJ)
- Het antwoord: $\frac{230-170}{170}\cdot 100 = 35{,}2\ldots$, dus 35(%)
Opmerking: Bij het aflezen in de grafiek is zowel bij de waarde volgens de stippellijn als bij de werkelijke waarde een marge van 10 kJ toegestaan.
Het verband tussen $E$ en $G$ volgens de stippellijn wordt gegeven door de formule:
E = 5{,}0 \cdot G^{0{,}75}
Hierin is $E$ in kJ en $G$ in gram.
Vraag 2 3 punten
Bereken aan de hand van deze formule het gewicht van een vogel die dagelijks 1000 kJ energie nodig heeft. Geef je antwoord in hele grammen.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking $5{,}0 \cdot G^{0{,}75} = 1000$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: (G =)1170 (g)
Vogels met een groter lichaamsgewicht hebben volgens de formule ook een grotere dagelijkse energiebehoefte.
Vraag 3 3 punten
Beredeneer aan de hand van een formule van de afgeleide van $E$, zonder getallen in te vullen of een schets te maken, of de dagelijkse energiebehoefte toenemend of afnemend stijgend is.
Bekijk het antwoord
- $\frac{dE}{dG} = 5{,}0 \cdot 0{,}75 \cdot G^{-0{,}25}$ (= $3{,}75 \cdot G^{-0{,}25}$)
- Hieruit volgt $\frac{dE}{dG} = \frac{3{,}75}{G^{0{,}25}}$, dus als $G$ toeneemt, neemt $\frac{dE}{dG}$ af (dus $\frac{dE}{dG}$ is dalend)
- Dus $E$ is afnemend stijgend
Je kunt de formule $E = 5{,}0 \cdot G^{0{,}75}$ herleiden tot de vorm
\ln(E) = a + b \cdot \ln(G)
Vraag 4 4 punten
Geef deze herleiding en geef daarbij de waarden van $a$ en $b$ in twee decimalen.
Bekijk het antwoord
- $\ln(E) = \ln(5{,}0 \cdot G^{0{,}75})$
- $\ln(E) = \ln(5{,}0) + \ln(G^{0{,}75})$
- $\ln(E) = \ln(5{,}0) + 0{,}75 \cdot \ln(G)$
- $\ln(E) = 1{,}61 + 0{,}75 \cdot \ln(G)$ (dus $a = 1{,}61$ en $b = 0{,}75$)
De stippellijn die in de figuur het verband aangeeft tussen $E$ en $G$ gaat over vogels die normale activiteiten verrichten zoals vliegen, voedsel zoeken, enzovoort. Vogels die niet deze activiteiten verrichten, verbruiken veel minder energie. De minimale dagelijkse energiebehoefte noemen we $M$.
We nemen aan dat de minimale dagelijkse energiebehoefte $M$ steeds 40% is van de normale dagelijkse energiebehoefte $E$. Ook de grafiek die bij benadering het verband weergeeft tussen $M$ en het lichaamsgewicht $G$ wordt in de figuur een rechte lijn.
Vraag 5 4 punten
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de grafiek die bij benadering het verband weergeeft tussen $M$ en $G$. Licht je werkwijze toe.
Lege kopie van de E-G-figuur (dubbel-logaritmisch) om de grafiek van M tegen G in te tekenen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1
Bekijk het antwoord
- $M = 2{,}0 \cdot G^{0{,}75}$
- De coördinaten van een punt bijvoorbeeld $(1000, 356)$
- De coördinaten van een tweede punt bijvoorbeeld $(10\,000, 2000)$
- Het tekenen van de gevraagde lijn
of
- $M = 2{,}0 \cdot G^{0{,}75}$
- De coördinaten van een punt bijvoorbeeld $(10\,000, 2000)$
- De gevraagde lijn loopt evenwijdig aan de getekende lijn
- Het tekenen van de gevraagde lijn
of
- Bij bijvoorbeeld $G = 1000$ is $E = 889$
- (40% van 889 is 356 dus) het punt $(1000, 356)$ ligt op de gevraagde lijn
- De gevraagde lijn loopt evenwijdig aan de getekende lijn
- Het tekenen van de gevraagde lijn
of
- Bij bijvoorbeeld $G = 1000$ is $E = 889$
- (40% van 889 is 356 dus) het punt $(1000, 356)$ ligt op de gevraagde lijn
- Bij bijvoorbeeld $G = 10\,000$ is $E = 5000$ en $M = 2000$ dus het punt $(10\,000, 2000)$ ligt op de gevraagde lijn
- Het tekenen van de gevraagde lijn
of
- De coördinaten van een punt op de stippellijn aflezen, bijvoorbeeld $(1000, 900)$
- (40% van 900 is 360 dus) het punt $(1000, 360)$ ligt op de gevraagde lijn
- Bijvoorbeeld aflezen dat het punt $(10\,000, 5000)$ ook op de stippellijn ligt, dus het punt $(10\,000, 2000)$ ligt op de gevraagde lijn
- Het tekenen van de gevraagde lijn
Opmerking: Bij het aflezen van de waarden in de grafiek is een marge van 5% toegestaan.
Golven in de Nieuw-Zeelandse economie
De economische historicus Keith Rankin modelleerde in 1998 de schommelingen in de ontwikkeling van de economie van Nieuw-Zeeland op basis van drie periodieke processen oftewel cycli. Hij ging ervan uit dat de zogeheten voorraadcyclus, investeringscyclus en prijzencyclus de economische groei beïnvloeden. Hij baseerde zijn onderzoek op historische gegevens over de economie in de periode 1948–1998.
In figuur 1 zijn de invloeden van de drie cycli afzonderlijk weergegeven. Hierbij is de invloed in procenten per jaar ten opzichte van een jaar eerder uitgezet tegen de tijd.
Het valt in figuur 1 op dat de periodes van de drie cycli nogal van elkaar verschillen. Zo duurt de cyclus met de langste periode vele malen langer dan de cyclus met de kortste periode.
Vraag 6 2 punten
Bepaal met behulp van figuur 1 hoeveel keer zo lang. Geef je antwoord in gehelen.
Drie periodieke cycli (voorraadcyclus, investeringscyclus en prijzencyclus) van de jaarlijkse procentuele economische groei tegen de tijd, van 1 september 1948 tot 1 juli 2005. Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
- De periodes van de voorraadcyclus en de prijzencyclus moeten met elkaar vergeleken worden
- In 1 periode van de prijzencyclus passen 19 periodes van de voorraadcyclus, dus de cyclus met de langste periode is 19 keer zo lang
Opmerking: Als een kandidaat bij het tweede antwoordelement erop uitkomt dat in 1 periode van de prijzencyclus 20 periodes van de voorraadcyclus passen, met als conclusie dat de cyclus met de langste periode 20 keer zo lang is, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
De invloed van de voorraadcyclus kan worden beschreven met de formule:
V(t) = 0{,}8 + \sin\left(2{,}445\,(t - 0{,}024)\right)
Hierin is $V$ de (voorspelde) economische groei door de voorraadcyclus in procenten per jaar ten opzichte van het voorgaande jaar en $t$ de tijd in jaren met $t = 0$ op 1 januari 1948.
In figuur 1 kun je zien dat de voorraadcyclus op 1 september 1948 zorgde voor een maximale economische groei van 1,8% ten opzichte van het jaar ervoor. Verder geldt dat de minimale economische groei die veroorzaakt wordt door de voorraadcyclus gelijk is aan -0,2% ten opzichte van het jaar ervoor. De voorraadcyclus heeft een periode van 2,57 jaar.
Vraag 7 3 punten
Licht toe hoe de formule voor $V$ uit deze gegevens volgt.
Bekijk het antwoord
- Formule van de vorm $V(t) = a + b\sin(c(t - d))$, met $(a =) \frac{1{,}8+(-0{,}2)}{2} = 0{,}8$ en $(b =) 1{,}8 - 0{,}8 = 1$
- $\frac{2\pi}{2{,}57} = 2{,}4448\ldots$ (dus $c = 2{,}445$)
- $\frac{8}{12} - \frac{1}{4} \cdot 2{,}57 = 0{,}0241\ldots$ (dus $d = 0{,}024$)
De formule voor $V$ geeft de economische groei door de voorraadcyclus in procenten per jaar ten opzichte van het voorgaande jaar, zoals eerder aangegeven. Zo betekent $V(74) \approx -0{,}17$ bijvoorbeeld dat op 1 januari 2022 de voorraadcyclus zorgt voor (ongeveer) $-0{,}17\%$ economische groei ten opzichte van 1 januari 2021. Er was dus sprake van negatieve economische groei.
Op 1 januari 2023 was de economische groei door de voorraadcyclus ten opzichte van 1 januari 2022 weer positief.
Vraag 8 4 punten
Bereken de totale economische groei door de voorraadcyclus op 1 januari 2023 ten opzichte van 1 januari 2021. Geef je antwoord in procenten in één decimaal.
Bekijk het antwoord
- $V(75) = 1{,}69\ldots$ (%)
- De groeifactoren $0{,}9983$ en $1{,}0169\ldots$
- $0{,}9983 \cdot 1{,}0169\ldots = 1{,}0152\ldots$
- Het antwoord: $1{,}5$ (%)
De investeringscyclus en de prijzencyclus uit figuur 1 kunnen beschreven worden met de formules:
I(t) = 1{,}6 + 1{,}6\sin\left(0{,}604\,(t - 2{,}933)\right)
P(t) = \sin\left(0{,}126\,(t + 5{,}083)\right)
Hierin is $I$ de economische groei door de investeringscyclus in procenten per jaar ten opzichte van het voorgaande jaar, $P$ de economische groei door de prijzencyclus in procenten per jaar ten opzichte van het voorgaande jaar en $t$ de tijd in jaren met $t = 0$ op 1 januari 1948.
In 1998 vergeleek Rankin een theoretisch patroon op basis van de som van de drie cycli met de werkelijke economische groei in de periode 1978–1998. Zie figuur 2.
Ondanks de verschillen tussen het theoretische patroon en het werkelijke patroon, vond Rankin dat er voldoende overeenkomsten waren om voorspellingen te doen. Hij voorspelde bijvoorbeeld dat na een periode van flinke groei in de jaren vóór 2008, de groei daarna sterk zou afnemen. Deze voorspelling bleek uit te komen.
Het theoretische patroon van Rankin ontstaat door de invloeden van de drie cycli bij elkaar op te tellen. Volgens dit patroon zal de economische groei ergens in de periode 2025–2035 negatief zijn. Er is dan sprake van krimp.
In de periode 2025–2035 is er een jaar waarin de krimp maximaal is.
Vraag 9 4 punten
Bereken deze maximale krimp. Geef je antwoord in procenten per jaar in twee decimalen.
Werkelijke economische groei (zwart) en de som van de drie cycli (grijs) van maart 1978 tot maart 2008. Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
- Het patroon laat zich beschrijven door $V + I + P$ (of $0{,}8 + \sin(2{,}445(t - 0{,}024)) + 1{,}6 + 1{,}6\sin(0{,}604(t - 2{,}933)) + \sin(0{,}126(t + 5{,}083))$)
- Er is maximale krimp als $V + I + P$ minimaal is
- Beschrijven hoe het (juiste) minimum (tussen $t = 77$ en $t = 87$) gevonden kan worden
- Het antwoord: $(-)1{,}06$ (procent per jaar)
De slimste mens
‘De slimste mens’ is een televisiequiz. In elke aflevering van deze quiz strijden drie kandidaten tegen elkaar. In verschillende rondes moet geprobeerd worden zoveel mogelijk seconden te verdienen door juiste antwoorden te geven. De kandidaat die aan het einde de meeste seconden heeft, is 'De slimste van de dag'.
Van deze quiz worden per jaar twee seizoenen uitgezonden, één in de zomer en één in de winter. Elk seizoen bevat 30 of 35 afleveringen. Alleen het 11e seizoen bevatte slechts 5 afleveringen.
In de zomer van 2020 werd het 17e seizoen uitgezonden. De 30e aflevering van dit seizoen was de 500e aflevering van deze quiz.
Vraag 10 3 punten
Bereken hoeveel van de seizoenen vóór dit 17e seizoen uit 35 afleveringen bestonden.
Bekijk het antwoord
- Er zijn 15 seizoenen met in totaal $(500 - 30 - 5 =) 465$ afleveringen geweest
- 15 seizoenen met elk 30 afleveringen levert $(15 \cdot 30 =) 450$ afleveringen
- Het antwoord: $\left(\frac{465 - 450}{5} =\right) 3$ (seizoenen met 35 afleveringen)
of
- Stel het aantal seizoenen met 35 afleveringen gelijk aan $x$, dan is het aantal seizoenen met 30 afleveringen (tot en met het 16e seizoen) gelijk aan $15 - x$
- De vergelijking $35x + 30(15 - x) + 5 = 470$ moet worden opgelost
- Het antwoord: 3 (seizoenen met 35 afleveringen)
Bij de eerste ronde van de quiz start iedere kandidaat met 60 seconden. In deze ronde kunnen vijf keer 10 seconden worden verdiend. Een mogelijke stand na de eerste ronde is: kandidaat A heeft 70 seconden, kandidaat B heeft 80 seconden en kandidaat C heeft 70 seconden. In totaal zijn er dan 40 seconden verdiend in deze ronde.
Vraag 11 4 punten
Bereken hoeveel verschillende standen er na de eerste ronde mogelijk zijn als er in deze ronde in totaal 40 seconden worden verdiend.
Bekijk het antwoord
- Mogelijke verdelingen van de seconden na deze ronde zijn: 100/60/60, 90/70/60, 80/80/60 en 80/70/70
- Voor de verdeling 100/60/60 zijn $\binom{3}{1} = 3$ mogelijkheden
- Voor de verdeling 80/80/60 zijn $\binom{3}{1} = 3$ mogelijkheden
- Voor de verdeling 80/70/70 zijn $\binom{3}{1} = 3$ mogelijkheden
- Voor de verdeling 90/70/60 zijn $(3!) = 6$ mogelijkheden
- (In totaal zijn er) $(3 + 3 + 3 + 6 =) 15$ (verschillende standen mogelijk)
Opmerking: Als bij het eerste en het tweede antwoordelement een van de verdelingen 100/60/60, 80/80/60 of 80/70/70 ontbreekt, voor deze opgave maximaal 3 scorepunten toekennen.
In de tweede ronde worden er door drie bekende Nederlanders vragen aan de kandidaten gesteld. Een bekende Nederlander mag in meerdere afleveringen een vraag stellen. In een seizoen met 30 afleveringen is voor elke aflevering een ander drietal bekende Nederlanders nodig.
Vraag 12 3 punten
Onderzoek hoeveel bekende Nederlanders er minimaal nodig zijn om in elk van de 30 afleveringen een ander drietal te kunnen vormen.
Bekijk het antwoord
- Het inzicht dat het aantal drietallen berekend kan worden met een combinatie van de vorm $\binom{n}{3}$
- In ieder geval gegeven: $\binom{6}{3} = 20$ en $\binom{7}{3} = 35$
- Het antwoord: 7 (bekende Nederlanders)
Opmerking: Als niet gewerkt is met combinaties, voor deze vraag maximaal één scorepunt toekennen.
Bandenspanning en aquaplaning
Vliegtuigen die landen op een zeer natte landingsbaan, kunnen te maken krijgen met aquaplaning. Hierbij vormt zich een laagje water tussen de vliegtuigband en de landingsbaan, waardoor het vliegtuig gaat glijden en onbestuurbaar wordt. Het risico op aquaplaning neemt toe bij een te lage bandenspanning.
Om de minimale snelheid te berekenen waarbij aquaplaning kan optreden bij vliegtuigen gebruikt men de formule van Horne:
S_{\text{vliegtuig}} = 63{,}5 \cdot \sqrt{P}
(formule 1)
Hierin is $S_{\text{vliegtuig}}$ de laagste snelheid van een vliegtuig in km/uur waarbij aquaplaning kan optreden en $P$ de bandenspanning van de banden in bar.
Vraag 13 3 punten
Bereken in één decimaal de minimale bandenspanning die een vliegtuig met een landingssnelheid van 223 km/uur moet hebben, om bij een landing op een zeer natte landingsbaan géén last te krijgen van aquaplaning.
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking $223 = 63{,}5 \cdot \sqrt{P}$ kan worden opgelost
- Dat geeft $P = 12{,}3\ldots$ (bar)
- Het antwoord: (minimaal) $12{,}4$ (bar)
Het is voor de veiligheid dus van groot belang dat de bandenspanning van vliegtuigbanden voldoende hoog blijft. Gemiddeld verliezen banden 2% aan spanning per dag. De bandenspanning mag maximaal 5% lager zijn dan de aanbevolen bandenspanning. Banden worden vaak iets harder opgepompt dan aanbevolen.
We gaan ervan uit dat de bandenspanning elke ochtend gecontroleerd wordt en dat de vliegtuigband weer wordt opgepompt op de dag voordat de bandenspanning te laag zal zijn.
Vraag 14 4 punten
Bereken na hoeveel dagen een vliegtuigband met een 4% hogere bandenspanning dan aanbevolen, weer opgepompt moet worden.
Bekijk het antwoord
- De groeifactor per dag is 0,98
- Voor de aanbevolen bandenspanning $P$ geldt $P = 104 \cdot 0{,}98^t$ en het inzicht dat $P$ niet lager mag zijn dan 95
- $t = 4$ geeft $P = 95{,}9\ldots$
- $t = 5$ geeft $P = 94{,}0\ldots$ dus (na) 4 (dagen)
of
- De groeifactor per dag is 0,98
- Het inzicht dat de vergelijking $104 \cdot 0{,}98^t = 95$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: (dit geeft $t = 4{,}4\ldots$, dus) (na) 4 (dagen)
Opmerkingen
- In het eerste antwoordalternatief moet het derde antwoordelement expliciet genoemd worden.
- Als een kandidaat via een zelf gekozen getallenvoorbeeld op een vergelijking equivalent aan de vergelijking uit het tweede antwoordelement komt, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Ook bij auto's kan aquaplaning optreden. Bij personenauto's is de laagste snelheid waarbij aquaplaning kan ontstaan afhankelijk van hoe zwaar de auto is beladen. De mate van belading heeft invloed op de verhouding $V$ tussen de lengte $l$ en de breedte $b$ van het contactoppervlak van de band met de weg. Zie figuur 1.
Voor de verhouding $V$ geldt:
V = \frac{b}{l}
(formule 2)
Voor personenauto's geldt een aangepaste variant van de formule van Horne. Deze formule luidt:
S_{\text{auto}} = 55{,}5 \cdot \sqrt{\frac{P}{V}}
(formule 3)
In deze formule is $S_{\text{auto}}$ de laagste snelheid in km/uur van een auto waarbij aquaplaning kan ontstaan, $P$ de bandenspanning in bar en $V$ de verhouding uit formule 2.
Bij een zwaar beladen auto is $l$ in verhouding tot $b$ groter dan bij een licht beladen auto.
Vraag 15 3 punten
Beredeneer met behulp van formules 2 en 3 of de laagste snelheid waarbij aquaplaning bij een zwaar beladen auto kan ontstaan hoger of juist lager is dan bij een licht beladen auto met dezelfde bandenspanning.
Twee wielen naast elkaar: links een licht beladen auto, rechts een zwaar beladen auto, met de lengte l en breedte b van het contactoppervlak aangegeven. Bekijk in Opgaven, pagina 12
Bekijk het antwoord
- (Voor een zwaar beladen auto is $l$ naar verhouding groter ten opzichte van $b$ dan bij een licht beladen auto dus) $V$ is voor een zwaar beladen auto kleiner dan voor een licht beladen auto
- Als $V$ kleiner is, dan is $\sqrt{\frac{P}{V}}$ (bij constante $P$) groter
- Als $\sqrt{\frac{P}{V}}$ groter is, dan is $S_{\text{auto}} = 55{,}5 \cdot \sqrt{\frac{P}{V}}$ ook groter (, dus bij een zwaar beladen auto is de laagste snelheid waarbij aquaplaning kan optreden hoger dan bij een licht beladen auto)
De zwaarte van de belading van een auto heeft – behalve invloed op de mate van aquaplaning – meer effecten. Bij een zwaar beladen auto slijten de banden sneller. Bovendien neemt het rijcomfort af, doordat de banden meer geluid maken tijdens het rijden. Sommige bandenfabrikanten adviseren daarom het $V$-getal (de $V$ uit formule 2) niet kleiner te laten worden dan 1,05.
In figuur 2 is voor een standaard testband het verband weergegeven tussen het gewicht dat één band draagt en het $V$-getal.
In figuur 2 is ook een trendlijn getekend. Deze trendlijn gaat door de punten $(0{,}9;\ 507)$ en $(1{,}4;\ 214)$.
Een bepaald type personenauto weegt 1200 kg. Neem aan dat voor het verband tussen het $V$-getal en het gewicht per band de trendlijn uit de figuur van toepassing is. Ga er verder van uit dat het gewicht van de auto met lading gelijkmatig verdeeld is over de autobanden.
Vraag 16 4 punten
Stel een formule op voor de trendlijn en bereken hiermee hoeveel gehele kilogrammen de totale lading van deze auto maximaal mag zijn zodat het $V$-getal minimaal 1,05 is.
Puntenwolk en trendlijn van het gewicht per band (in kg) tegen het V-getal, met de trendlijn doorgetrokken tot V = 1,4. Bekijk in Opgaven, pagina 13
Bekijk het antwoord
- De richtingscoëfficiënt van de trendlijn is $\frac{507 - 214}{0{,}9 - 1{,}4} = -586$
- $(507 + 0{,}9 \cdot 586 = 1034{,}4$, dus) een formule voor het gewicht per band is $G = -586V + 1034{,}4$
- Het gewicht per band mag maximaal $(-586 \cdot 1{,}05 + 1034{,}4 =) 419{,}1$ (kg) zijn
- Het antwoord: $(4 \cdot 419{,}1 - 1200 = 476{,}4$, dus) 476 (kg)
Myopie
Myopie is een veelvoorkomende oogafwijking die beter bekend staat als bijziendheid. Iemand die lijdt aan myopie ziet objecten dichtbij scherp, terwijl objecten verder weg wazig zijn.
Myopie onder kinderen is enorm toegenomen, met name doordat kinderen met hun ogen steeds vaker dicht bij schermen van tablets en telefoons zitten. Naar aanleiding van een onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) waarschuwde de Nederlandse Vereniging van Optiekbedrijven in 2018 dat als dit gedrag zo blijft, het percentage Nederlanders met myopie flink zou stijgen: van 20% in 2018 naar 50% in 2050.
In 2018 waren er 17,2 miljoen Nederlanders. Men neemt aan dat het aantal inwoners van Nederland tot 2050 exponentieel zal toenemen met 0,36% per jaar.
Neem aan dat de voorspelling van de Nederlandse Vereniging voor Optiekbedrijven uitkomt en dat het aantal Nederlanders met myopie tussen 2018 en 2050 elk jaar met hetzelfde aantal toeneemt.
Vraag 17 3 punten
Bereken hoeveel Nederlanders die lijden aan myopie er tussen 2018 en 2050 jaarlijks gemiddeld bijkomen. Geef je antwoord in een geheel aantal duizendtallen.
Bekijk het antwoord
- Het aantal inwoners van Nederland zal in 2050 gelijk zijn aan $17{,}2 \cdot 1{,}0036^{32} = 19{,}2\ldots$ (miljoen)
- 20% van 17,2 (miljoen) is 3,44 (miljoen) en 50% van 19,2... (miljoen) is 9,64... (miljoen)
- $\left(\frac{9{,}64\ldots - 3{,}44\ldots}{32} \cdot 1000\,000\right)$, dus een toename van 194 000 (per jaar)
Er bestaan meerdere vormen van myopie. In het vervolg van deze opgave gaat het alleen over as-myopie. Bij iemand met deze vorm van myopie heeft de oogbol een grotere as-lengte dan bij iemand met normaal zicht. De as-lengte is de afstand van de pupil tot aan de achterkant van het netvlies. Zie figuur 1.
De grafieken in figuur 2 komen uit het onderzoek van het Erasmus MC. In figuur 2 staat de gemiddelde as-lengte bij jongens en meisjes van verschillende leeftijden.
Figuur 2 is gebaseerd op meetwaarden op vier leeftijden: 5, 10, 15 en 20 jaar. De onderzoekers hebben de as-lengtes bij de tussenliggende leeftijden geschat door de meetpunten te verbinden.
Het is ook mogelijk om de as-lengtes bij de tussenliggende leeftijden te schatten door een formule op te stellen die goed bij de vier meetwaarden past. Voor de jongens luidt deze formule:
J = 0{,}5646 \cdot \ln(t - 4) + 21{,}7
Hierin is $J$ de gemiddelde as-lengte bij jongens in millimeters en $t$ de leeftijd in jaren.
Vraag 18 3 punten
Bereken voor jongens met een leeftijd van 7 jaar en 3 maanden het verschil tussen de schatting in figuur 2 en de schatting volgens de formule. Geef je antwoord in millimeters in één decimaal.
Gemiddelde aslengte van de oogbol (in mm) bij jongens en meisjes op de leeftijden 5, 10, 15 en 20 jaar, met de meetpunten verbonden. Bekijk in Opgaven, pagina 16
Bekijk het antwoord
- Volgens de grafiek is de as-lengte bij jongens van 7 jaar en 3 maanden gelijk aan $21{,}8 + \left(\frac{22{,}8 - 21{,}8}{5}\right) \cdot 2{,}25 = 22{,}25$ (mm)
- Volgens de formule is de as-lengte bij jongens van 7 jaar en 3 maanden gelijk aan $22{,}36\ldots$ (mm)
- Het verschil is dus $0{,}1$ (mm)
Opmerking: Als een kandidaat bij het eerste antwoordelement 22,25 heeft verkregen door de waarde af te lezen uit de grafiek, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
De grafiek voor de meisjes is te benaderen met de formule:
M = 0{,}7112 \cdot \ln(t - 4) + 21{,}9
Hierin is $M$ de gemiddelde as-lengte bij meisjes in millimeters en $t$ de leeftijd in jaren.
Bij kinderen die aan myopie lijden, wordt regelmatig gecontroleerd of en hoeveel de as-lengte van het oog is toegenomen. Eventueel kunnen er dan voorzorgsmaatregelen genomen worden om verdere verslechtering van het zicht tegen te gaan.
Volgens een deskundige is het oog stabiel als de snelheid waarmee de as-lengte toeneemt, minder dan 0,05 mm per jaar is. Verdere controles zijn dan niet meer nodig. Volgens de formules voor $J$ en $M$ is dat bij jongens eerder het geval dan bij meisjes.
Vraag 19 4 punten
Bereken met behulp van de formules voor $J$ en $M$ hoeveel jaar eerder het oog stabiel is bij jongens. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
- Het inzicht dat de toenamesnelheid van de aslengte gegeven wordt door de formule van de afgeleide
- De afgeleiden zijn $\frac{dJ}{dt} = \frac{0{,}5646}{t - 4}$ en $\frac{dM}{dt} = \frac{0{,}7112}{t - 4}$
- Beschrijven hoe de vergelijkingen $\frac{0{,}5646}{t - 4} = 0{,}05$ en $\frac{0{,}7112}{t - 4} = 0{,}05$ kunnen worden opgelost
- Dat geeft respectievelijk $t = 15{,}292$ en $t = 18{,}224$, dus 2,9 (jaar) eerder
of
- Het inzicht dat de toenamesnelheid van de aslengte gegeven wordt door de formule van de afgeleide
- Beschrijven hoe met de GR de vergelijkingen $\frac{dJ}{dt} = 0{,}05$ en $\frac{dM}{dt} = 0{,}05$ kunnen worden opgelost
- Dat geeft respectievelijk $t = 15{,}292$ en $t = 18{,}224$, dus 2,9 (jaar) eerder
Opmerking: Voor het tweede antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Op basis van het onderzoek van het Erasmus MC is van een bepaalde groep kinderen met myopie bekend dat ze een grote kans hebben om als volwassene te maken te krijgen met ernstige myopie. Deze groep kinderen heeft gemiddeld op 6-jarige leeftijd een as-lengte van 23,4 mm. Vier jaar later is deze lengte toegenomen tot 24,4 mm.
In deze groep kinderen zijn de gegevens van jongens en meisjes samen genomen, dus de formules voor $J$ en $M$ kunnen niet meer gebruikt worden. We nemen nu aan dat de as-lengte van deze groep benaderd kan worden met een formule van de vorm
A = p \cdot \ln(t - 4) + q
Hierin is $A$ de as-lengte in millimeter en $t$ de leeftijd in jaren.
Met behulp van de gegevens voor een 6-jarige met een as-lengte van 23,4 mm volgt hieruit na afronding op drie decimalen:
q = 23{,}4 - 0{,}693\,p \qquad \text{(formule 1)}
Vraag 20 2 punten
Toon dit aan.
Bekijk het antwoord
- ($t = 6$ en $A = 23{,}4$ geeft) de vergelijking $p \cdot \ln(6 - 4) + q = 23{,}4$
- Hieruit volgt $0{,}6931\ldots p + q = 23{,}4$ en dit geeft $q = 23{,}4 - 0{,}6931\ldots p$ (dus na afronding op drie decimalen geldt dan $q = 23{,}4 - 0{,}693\,p$)
Met behulp van de gegevens voor een 10-jarige met een as-lengte van 24,4 mm geldt na afronding op drie decimalen:
q = 24{,}4 - 1{,}792\,p \qquad \text{(formule 2)}
Met behulp van formules (1) en (2) kunnen de waarden van $p$ en $q$ bepaald worden zodat de formule voor $A$ opgesteld kan worden. Op twee decimalen afgerond geldt $p = 0{,}91$ en $q = 22{,}77$.
Vraag 21 3 punten
Bereken de waarden voor $p$ en $q$ in drie decimalen.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking $23{,}4 - 0{,}693\,p = 24{,}4 - 1{,}792\,p$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: $p = 0{,}910$ en $q = 22{,}769$
Als de as-lengte groter is dan 26 mm, spreekt men van ernstige myopie.
Vraag 22 3 punten
Bereken op welke leeftijd de kinderen in de genoemde groep gemiddeld last krijgen van ernstige myopie. Geef je antwoord in een geheel aantal jaren.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking $0{,}91 \cdot \ln(t - 4) + 22{,}77 = 26$ moet worden opgelost
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost
- Het antwoord: (de oplossing van de vergelijking is $t = 38{,}7\ldots$, dus) op 38-jarige leeftijd
Amnesty-monument
In het Oranjepark in Vlaardingen staat het Amnesty-monument, ontworpen door Joop van Dorp en Cor Maarleveld. Zie de foto.
Het monument bestaat uit een gedenksteen omringd door metalen buizen die met cement gevuld zijn. Deze opgave gaat over die buizen.
In de figuur staat een bovenaanzicht van het monument, met een aantal van deze buizen. Hierin is te zien dat de buizen op de rand van een vierkant staan, waarbij er bij het hoekpunt rechtsonder (op de foto rechtsvoor) een kleine opening is, omdat daar geen buizen zijn geplaatst.
De buizen zijn allemaal even dik, maar hebben verschillende lengtes. De rechter buis in de onderste rij uit de figuur is de kleinste buis en die is 30 cm hoog. Vanaf hier met de klok mee is elke buis steeds hetzelfde aantal centimeters hoger dan de buis daarvoor. De langste buis heeft een hoogte van 270 cm.
De hoeveelheid cement die in een buis gaat, is evenredig met de hoogte van die buis. Voor de kleinste buis, met een hoogte van 30 cm, is 6030 cm$^3$ cement nodig.
Vraag 23 6 punten
Bereken hoeveel liter cement er in totaal nodig is om de buizen van dit monument volledig te vullen. Geef je antwoord in gehele liters.
Bovenaanzicht van het monument: buizen op de rand van een vierkant, met 8 buizen aan de bovenkant, 6 aan de rechterkant, 8 aan de linkerkant en 6 aan de onderkant. De rechter buis is 270 cm hoog en de buis in de onderste rij 30 cm. Bekijk in Opgaven, pagina 18
Bekijk het antwoord
- Het kunstwerk bestaat uit 25 buizen
- Elke buis is $\frac{270 - 30}{24} = 10$ (cm) langer dan de vorige
- Beschrijven hoe de totale lengte van de buizen berekend kan worden (bijvoorbeeld $30 + 40 + \ldots + 260 + 270$ of $\sum_{k=0}^{24}(30 + 10k)$)
- Dit geeft $3750$ (cm)
- Elke centimeter buis is gevuld met $\frac{6030}{30} = 201$ (cm$^3$) cement
- De benodigde hoeveelheid cement is $201 \cdot 3750 = 753\,750$ (cm$^3$), dus (ongeveer) 754 (liter)
of
- Het kunstwerk bestaat uit 25 buizen
- Elke centimeter buis is gevuld met $\frac{6030}{30} = 201$ (cm$^3$) cement
- De langste buis bevat dus $201 \cdot 270 = 54\,270$ (cm$^3$) cement
- Elke buis bevat $\frac{54\,270 - 6030}{24} = 2010$ (cm$^3$) meer cement dan de vorige
- Beschrijven hoe de totale hoeveelheid cement berekend kan worden (bijvoorbeeld $6030 + 8040 + \ldots + 54\,270$ of $\sum_{k=0}^{24}(6030 + 2010k)$)
- Dit geeft $753\,750$ (cm$^3$), dus (ongeveer) 754 (liter)
of
- Het kunstwerk bestaat uit 25 buizen
- De gemiddelde hoogte van de buizen is $\frac{30 + 270}{2} = 150$ (cm)
- Voor 150 cm is $\left(\frac{150}{30}\right) = 5$ keer zo veel cement nodig als voor 30 cm
- Dit geeft $5 \cdot 6030 = 30\,150$ (cm$^3$) cement
- In totaal is er $25 \cdot 30\,150 = 753\,750$ (cm$^3$) cement nodig, dus (ongeveer) 754 (liter)
of
- Het kunstwerk bestaat uit 25 buizen
- Voor 270 cm is $\left(\frac{270}{30}\right) = 9$ keer zo veel cement nodig als voor 30 cm
- Dit geeft $9 \cdot 6030 = 54\,270$ (cm$^3$) cement
- Er is gemiddeld $\frac{6030 + 54\,270}{2} = 30\,150$ (cm$^3$) cement per buis nodig
- In totaal is er $25 \cdot 30\,150 = 753\,750$ (cm$^3$) cement nodig, dus (ongeveer) 754 (liter)
Opmerking: Voor het tweede antwoordelement van het derde antwoordalternatief en voor het vierde antwoordelement van het vierde antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens wiskunde A vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1 loopt tot vraag 22. Van 21 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (10), exponentiële groei (4) en machtsverbanden (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-1/vw-1024-a-25-1-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.