Eindexamen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Clickertraining, Girafkevers, Koffie, Naar de tandarts, In de baarmoeder, De fruitvlieg als proefdier, Hormoonklieren werken samen, Stamcellen, Kweekvlees, De mannenpoli, Nierfalen, Waterpokken, Luipaardgekko.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1 telt 53 vragen. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (11), voortplanting (10) en zenuwstelsel en hormonen (8). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Bloedsomloop15, 31-34, 42-4711
Voortplanting11, 13, 19-22, 26, 39-4110
Zenuwstelsel en hormonen2, 14, 17, 27-30, 518
Afweer16, 35, 48-505
Erfelijkheid24-25, 52-534
Gedrag1, 3-43
Planten en fotosynthese6, 9-103
Voeding en vertering18, 37-383
Ecologie7-82
Cellen12, 362
Evolutie51
DNA en eiwitsynthese231

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over bloedsomloop (21% van de vragen, gemiddeld 7%) en voortplanting (19% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over voeding en vertering (6% van de vragen, gemiddeld 13%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Clickertraining

Een clicker is een doosje met een metalen plaatje dat een click-geluid maakt. Hondentrainers gebruiken deze clicker bij het trainen van honden. Eerst leert de hond dat er na de click altijd een beloning volgt. Daarna leert hij bijvoorbeeld om te gaan zitten. Zodra de hond gaat zitten hoort hij een click en weet hij dat er een beloning volgt.

Vraag 1 1 punt

Door de training leert de hond. Hoe heet het type leergedrag dat de hond vertoont tijdens de training met een clicker?

  1. A conditionering
  2. B gewenning
  3. C inprenten
  4. D trial-and-error
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 2 1 punt

In welk deel van het centraal zenuwstelsel vindt de bewustwording plaats bij het horen van de click?

  1. A grote hersenen
  2. B kleine hersenen
  3. C hersenstam
  4. D ruggenmerg
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 3 1 punt

De hondentrainer geeft de hond die gaat zitten een beloning. Wat is de uitwendige prikkel voor de hondentrainer om de beloning aan de hond te geven?

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat “licht” noteert het scorepunt toekennen.

Girafkevers

Girafkevers zijn insecten met een zeer lange nek. De mannetjes hebben een langere en krachtigere nek dan de vrouwtjes. In de paartijd tonen de mannetjes hun krachtige nek om andere mannetjes te verjagen. Een vrouwtje dat in de buurt is, houdt de mannetjes in de gaten. Zij zal met het sterkste mannetje paren.

Na het paren vouwt het vrouwtje een blad, door in de bladnerf te bijten. Daarna rolt zij het blad op en legt ze een ei in het opgerolde blad. Het mannetje blijft in de buurt om andere insecten te verjagen. Als het ei is ingepakt, bijt het vrouwtje de bladsteel door. Hierdoor valt het blad met het ei erin op de bodem. Wanneer de larve uit het ei komt, voedt deze zich met het blad.

Vraag 4 2 punten

Op de uitwerkbijlage staat een tabel met beschrijvingen van sociaal gedrag van girafkevers. Schrijf in de tabel bij elke beschrijving welk type sociaal gedrag erbij hoort.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de juist ingevulde tabel: beschrijving van sociaal gedrag type sociaal gedrag In de paartijd tonen de mannetjes hun krachtige dreiggedrag/ nek om andere mannetjes te verjagen. imponeergedrag/ territoriumgedrag Het vrouwtje rolt het blad op en legt een ei in het broedzorg opgerolde blad. per juist ingevulde rij (1) (2)

Vraag 5 1 punt

De lange nek van de girafkever is waarschijnlijk ontstaan door een langdurig proces van mutatie, natuurlijke selectie en seksuele selectie. Wat is de naam van dit proces?

Bekijk het antwoord
  • evolutie(theorie) (1)

Vraag 6 1 punt

Een girafkever-vrouwtje bijt in de bladnerf waarna het blad opgerold kan worden. De nerf geeft stevigheid aan het blad. In de nerf zitten de houtvaten en bastvaten. Welke stoffen worden in deze twee typen vaten getransporteerd? Schrijf je antwoord zo op: houtvaten transporteren water met: …………………………... bastvaten transporteren water met: ……………………………

Bekijk het antwoord

Opmerking Alleen 1 scorepunt toekennen wanneer bij beide typen vaten de stoffen juist zijn benoemd.

Vraag 7 1 punt

Het opgerolde blad beschermt het ei. Leg uit waartegen het opgerolde blad het ei beschermt.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − tegen predatie − tegen beschadiging − tegen uitdroging − tegen weersinvloeden (1)

Vraag 8 2 punten

De larven van de girafkever voeden zich eerst met het blad. Daarna voeden ze zich met de wortels van dezelfde plant. De larven zijn een prooi voor vogels die de larven uit de grond pikken. Maak een voedselketen aan de hand van deze beschrijving.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

de juiste voedselketen:

plant (blad / wortel) larve (van girafkever) vogel

Koffie

Koffie wordt gemaakt van heet water en gemalen koffiebonen. Koffiebonen zijn zaden van de koffieplant die zijn gedroogd en gebrand. Koffie bevat cafeïne. De cafeïne heeft een opwekkend effect.

De bloemen van een koffieplant hebben opvallende, witgekleurde kroonbladeren. Diep in de bloem zitten nectarklieren. Elke bloem bevat mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen. Na de bevruchting ontstaan er vruchten met elk twee zaden die na acht maanden rijp zijn. In die acht maanden verkleuren de vruchten van groen naar rood.

Vraag 9 1 punt

In de tekst staan een aantal kenmerken van de koffieplant. Twee van deze kenmerken wijzen erop dat de koffieplant wordt bestoven door insecten. Schrijf deze twee kenmerken op.

Bekijk het antwoord

Opmerking Alleen 1 scorepunt toekennen wanneer beide kenmerken juist zijn benoemd.

Vraag 10 1 punt

Het stuifmeel van een insectenbestuiver is verschillend van het stuifmeel van een windbestuiver. Benoem een eigenschap van het stuifmeel van een windbestuiver.

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer een kandidaat noteert dat een windbestuiver veel stuifmeel maakt, het scorepunt niet toekennen.

Vraag 11 1 punt

In welk deel van de bloem ontstaan de stuifmeelkorrels?

  1. A in de helmknop
  2. B in de stempel
  3. C in het vruchtbeginsel
  4. D in het zaadbeginsel
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 12 1 punt

Hoe heet het deel van de plantencel dat zorgt voor de rode kleur van de vruchten?

Bekijk het antwoord
  • kleurstofkorrel(s) / plastide(n) (1)

Vraag 13 1 punt

Koffieplanten worden vermeerderd door van één moederplant meerdere takken te knippen en te stekken. Deze takken krijgen dan wortels en groeien uit tot nieuwe koffieplanten. Na een aantal jaren kunnen van die nieuwe planten weer koffiezaden geoogst worden. Op de uitwerkbijlage staan twee uitspraken over deze manier van vermeerdering. Kruis bij elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Alleen voor een volledig juist ingevulde tabel het scorepunt toekennen.

Vraag 14 2 punten

Koffie bevat het stimulerende middel cafeïne. Wie regelmatig te veel cafeïne binnenkrijgt, kan last krijgen van rusteloosheid waardoor het moeilijk is om in slaap te vallen. In de tabel staat het gehalte cafeïne van een aantal dranken weergegeven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een juiste berekening: cafeïne in drie kopjes espressokoffie: 3 × 65 = 195 mg cafeïne in twee kopjes thee: 2 × 30 = 60 mg cafeïne in één glas cola: 18 mg totaal: 195 + 60 + 18 = 273 mg cafeïne

Uit de uitleg moet blijken dat Bert geen slaapproblemen krijgt, want hij krijgt minder dan 300 mg cafeïne binnen.

Opmerking Bij een antwoord zonder onderbouwing op basis van de berekening, het tweede scorepunt niet toekennen.

product mg cafeïne per kopje / glas filterkoffie 85 espressokoffie 65 instantkoffie 60 thee 30 cola 18

Bert zal slaapproblemen krijgen als hij op een dag meer dan 300 mg cafeïne binnenkrijgt. Hij drinkt ’s ochtends drie kopjes espresso, ’s middags twee kopjes thee en ’s avonds een glas cola. Zal Bert volgens de informatie slaapproblemen krijgen? Leg je antwoord uit met een berekening.

Vraag 15 2 punten

Er wordt een ander onderzoek gedaan naar het effect van drank met cafeïne op de hoogte van de bloeddruk. Schrijf een werkplan voor dit onderzoek.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij het eerste deelscorepunt in plaats van drank een voedingsmiddel noteert, dit niet fout rekenen.

Naar de tandarts

Tandbederf begint met gaatjes in tanden en kiezen. Kleine gaatjes kunnen na uitboren van het tandbeen worden gerepareerd met een vulling. Bij een dieper gat in een kies of een tand kan een ontsteking in de holte van het tandbeen ontstaan. Zo’n ontsteking moet eerst door de tandarts worden gestopt. De tandarts boort dan door het tandbeen en maakt de tandholte leeg. De tandholte wordt dan ontsmet en daarna opgevuld met een grotere vulling.

Vraag 16 1 punt

De tandholte wordt ontsmet en daardoor stopt de ontsteking. Waardoor wordt de ontsteking veroorzaakt?

Bekijk het antwoord
  • (door) bacteriën (1)

Vraag 17 1 punt

Bij diepe gaatjes boort de tandarts door het tandbeen en maakt de tandholte leeg. Bij de behandeling worden zenuwen geraakt. Waar bevinden zich de zenuwen?

  1. A alleen in het tandbeen
  2. B alleen in de tandholte
  3. C in beide
  4. D in geen van beide
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 18 1 punt

De tandarts behandelt een beginnend gaatje met fluoride. Fluoride verstevigt de buitenste laag van de tand. Hoe heet de buitenste laag van de tand?

Bekijk het antwoord
  • het (tand)glazuur (1)

In de baarmoeder

In de afbeelding zie je veranderingen van het baarmoederslijmvlies in een periode van 6 weken (42 dagen).

Vraag 19 1 punt

Tijdens de menstruatie wordt het baarmoederslijmvlies afgebroken. Wat is de functie van het baarmoederslijmvlies?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord: − er vindt innesteling (van een bevruchte eicel) plaats − geeft voeding aan een ingenestelde eicel/embryo (1)

Vraag 20 1 punt

Kun je uit de afbeelding opmaken of er bevruchting heeft plaatsgevonden? Leg je antwoord uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Ja, met een uitleg waaruit blijkt dat het baarmoederslijmvlies dik blijft / niet afgestoten wordt. (1)

Vraag 21 1 punt

Op de uitwerkbijlage staan drie afbeeldingen van gebeurtenissen in het voortplantingsstelsel van de vrouw. Omcirkel de juiste letter uit de informatie bij elke afbeelding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de juist ingevulde tabel: gebeurtenis in het voortplantingsstelsel van de vrouw P Q R volledig juist ingevulde tabel (1) (1)

Vraag 22 1 punt

Met welke letter is in de afbeelding het deel aangegeven waar tijdens de menstruatie het baarmoederslijmvlies het lichaam verlaat?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (1)

De fruitvlieg als proefdier

Thomas is laborant. Hij werkt met fruitvliegjes die hij gebruikt voor onderzoek naar allerlei erfelijke eigenschappen. Het is een geschikt proefdier, omdat Thomas in korte tijd veel generaties fruitvliegjes kan kweken. Een fruitvlieg heeft acht chromosomen in elke lichaamscel.

Vraag 23 1 punt

Thomas bestraalt enkele fruitvliegjes met röntgenstraling. Daardoor verandert het DNA in de geslachtscellen van deze fruitvliegjes. Hoe wordt deze verandering van DNA genoemd?

  1. A evolutie
  2. B mutatie
  3. C reductie
  4. D selectie
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 24 1 punt

Hoe wordt het stukje DNA genoemd dat de informatie voor één erfelijke eigenschap bevat?

Bekijk het antwoord
  • gen / allel (1)

Vraag 25 1 punt

Een fruitvlieg heeft XX- of XY-geslachtschromosomen, die op dezelfde manier het geslacht beïnvloeden als bij de mens. De eigenschap ‘oogkleur’ ligt op het X-chromosoom. Op het Y-chromosoom is de eigenschap ‘oogkleur’ niet aanwezig. Een mannetje heeft rode ogen. Zit het stukje DNA voor rode ogen in zijn spermacellen?

  1. A Ja, in alle spermacellen.
  2. B Ja, in 50% van de spermacellen.
  3. C Nee, in geen van de spermacellen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 26 1 punt

In de afbeelding zie je hoe een fruitvlieg zich ontwikkelt van een bevrucht ei tot een volwassen fruitvlieg.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (1)

Hormoonklieren werken samen

Twee hormoonklieren zijn de hypofyse en de schildklier. De hypofyse maakt het hormoon TSH. TSH beïnvloedt de schildklier. De schildklier maakt schildklierhormoon, dat de verbranding in de cellen van het lichaam stimuleert.

In de afbeelding zie je de omtrek van het lichaam van een mens waarin vijf plekken zijn aangegeven met een letter.

Vraag 27 2 punten

Welke letter geeft de plek aan waar de hypofyse zich bevindt? En welke letter geeft de plek aan waar de schildklier zich bevindt? Schrijf je antwoord zo op: hypofyse: letter ..... schildklier: letter ……

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • hypofyse: letter P (1)
  • schildklier: letter Q (1)

Vraag 28 1 punt

Hormonen worden naar alle delen van het lichaam vervoerd. Hoe heet het orgaanstelsel dat hiervoor zorgt?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking: Als de kandidaat “bloedsomloop” noteert, het scorepunt niet toekennen.

Vraag 29 2 punten

Het schildklierhormoon beïnvloedt de verbranding in de cellen van het lichaam. Dit proces is weergegeven in het volgende schema.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • plaats (1): zuurstof (1)
  • plaats (2): water (1)

glucose + …(1)… energie + koolstofdioxide + …(2)…

Wat moet er op de plaatsen (1) en (2) worden ingevuld? Schrijf je antwoord zo op: plaats (1): …………………………… plaats (2): ……………………………

Vraag 30 2 punten

In het schema zie je hoe het hormoon TSH de werking van de schildklier beïnvloedt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • als er meer TSH is, wordt er meer schildklierhormoon aangemaakt. (1)
  • (meer schildklierhormoon) leidt tot meer verbranding (waarbij koolstofdioxide ontstaat). (1)

Stamcellen

Stamcellen in het beenmerg delen zich de hele tijd, waardoor nieuwe bloeddeeltjes ontstaan. In de afbeelding zijn de bloeddeeltjes die uit stamcellen ontstaan met een letter aangegeven. Nieuwe witte bloedcellen komen via de bloedsomloop bij lymfeklieren terecht waar ze zich verder ontwikkelen.

Vraag 31 2 punten

Op de uitwerkbijlage staat een tabel met functies van de drie bloeddeeltjes. Noteer bij elke functie de letter van het bloeddeeltje in de afbeelding dat erbij hoort.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de juist ingevulde tabel: functie letter bestrijden van ziekteverwekkers Q laten stollen van het bloed R vervoeren van zuurstof P indien drie letters juist ingevuld (2) indien twee letters juist ingevuld (1) indien minder dan twee letters juist ingevuld (0) (2)

Vraag 32 1 punt

Een witte bloedcel die bij de dijbeenader in het bloed is gekomen, stroomt naar het hart. Hoe heet het bloedvat waardoor deze witte bloedcel het hart binnenkomt?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (onderste) holle ader (1)

Vraag 33 1 punt

Witte bloedcellen kunnen vanuit haarvaten in het weefselvloeistof terechtkomen. Dat stroomt via de lymfevaten weer richting het hart. Deze lymfevloeistof kan maar in één richting stromen. Hierover wordt door Julia en Finn een uitspraak gedaan. Julia zegt dat kleppen in de lymfevaten ervoor zorgen dat lymfevloeistof in de goede richting stroomt. Finn zegt dat het pompen van het hart ervoor zorgt dat lymfevloeistof in de goede richting stroomt. Wie heeft gelijk?

  1. A Geen van beiden heeft gelijk.
  2. B Alleen Julia heeft gelijk.
  3. C Alleen Finn heeft gelijk.
  4. D Julia heeft gelijk en Finn heeft gelijk.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 34 1 punt

Welke bloeddeeltjes zijn in de lymfevloeistof aanwezig?

  1. A alleen de witte bloedcellen
  2. B alleen de witte bloedcellen en de rode bloedcellen
  3. C de witte bloedcellen, de rode bloedcellen en de bloedplaatjes

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 35 1 punt

Witte bloedcellen kunnen bepaalde delen van lichaamsvreemde stoffen herkennen. Hoe heten deze herkenbare delen van lichaamsvreemde stoffen?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • antigen(en)/antigeen (1)

Kweekvlees

Een wetenschapper heeft ontdekt hoe je vlees kunt kweken, zonder dat daarbij dieren gedood hoeven te worden. Hij legt uit hoe dat gaat: “We hebben een paar cellen uit spierweefsel van een koe genomen. In het laboratorium laten we deze cellen vermenigvuldigen met behulp van voedingsstoffen en zuurstof. Als deze losse cellen dicht bij elkaar onder de juiste omstandigheden delen, vormen ze spierweefsel. Wat anders gebeurt in de koe, doen wij nu in het laboratorium.”

Vraag 36 1 punt

Liam en Sophie praten over de cellen die kweekvlees maken. Liam zegt dat de chromosomen van deze cellen los in het cytoplasma liggen. Sophie zegt dat deze cellen een celwand hebben. Wie heeft gelijk?

  1. A Geen van beiden heeft gelijk.
  2. B Liam heeft gelijk.
  3. C Sophie heeft gelijk.
  4. D Liam heeft gelijk en Sophie heeft gelijk.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Liam en Sophie vergelijken de voedingswaarde van een hamburger van kweekvlees met die van een vegetarische hamburger. In de tabel hieronder zie je de voedingswaarden van de twee hamburgers, per 100 gram.

hamburger, hamburger, kweekvlees vegetarisch eiwitten (g) 16,8 17,7 koolhydraten (g) 2,2 9,4 vetten (g) 18,0 8,0 vezels (g) 0,6 3,2 water (g) 61,0 61,5

Vraag 37 1 punt

Liam zegt dat de vegetarische hamburger gezonder is dan de hamburger uit kweekvlees. Geef een argument dat zijn bewering ondersteunt op basis van de informatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het argument “de vegetarische hamburger bevat meer koolhydraten/water”, het scorepunt niet toekennen.

Vraag 38 1 punt

Welke van de voedingsstoffen uit de voedingswaarden-tabel wordt door maagsap verteerd?

  1. A eiwitten
  2. B koolhydraten
  3. C vetten
  4. D vezels

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

De mannenpoli

Hans en zijn partner Karlijn gaan naar de mannenpoli in het ziekenhuis, omdat hij onder andere klachten ondervindt tijdens het vrijen. Als Hans een erectie krijgt, trekt zijn penis krom. Tijdens het onderzoek zegt de arts dat hij littekenweefsel in de penis voelt. Littekenweefsel is dikker dan normaal weefsel. Hij besluit een echo te maken om vast te stellen waar het littekenweefsel zich precies bevindt. Gedurende het bezoek aan de mannenpoli stellen Hans en Karlijn ook vragen over anticonceptiemethoden.

Vraag 39 2 punten

Op de uitwerkbijlage staan twee functies van organen omschreven die horen bij het mannelijk voortplantingsstelsel. Geef bij elke functie de letter en de naam van het bijbehorende orgaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de juist ingevulde tabel: omschrijving van de functie letter naam van het orgaan slaat zaadcellen tijdelijk op T bijbal voegt vocht toe aan zaadcellen Q zaadblaasje(s) per juist ingevulde rij (1) (2)

Vraag 40 1 punt

Hans vertelt de arts dat hij ook moeite heeft met plassen. De arts stelt vast dat het littekenweefsel zich in de buurt van de urinebuis bevindt. Verklaar waardoor het littekenweefsel ervoor zorgt dat Hans moeilijker kan plassen.

Bekijk het antwoord
  • Uit de uitleg moet blijken dat het littekenweefsel de urinebuis dichtdrukt / smaller maakt, waardoor er minder ruimte is (om de urine naar buiten te laten stromen). (1)

Vraag 41 1 punt

Hans en Karlijn willen geen kinderen meer. Op de poli stellen ze vragen over sterilisatie. Na het gesprek over de sterilisatie bespreken Hans en Karlijn wat er verandert aan de zaadlozing. Hans zegt dat er na de operatie geen zaadcellen meer gemaakt worden waardoor hij onvruchtbaar is. Karlijn zegt dat er na de operatie geen testosteron meer gemaakt wordt waardoor Hans onvruchtbaar is. Wie heeft gelijk?

  1. A Geen van beiden heeft gelijk.
  2. B Alleen Hans heeft gelijk.
  3. C Alleen Karlijn heeft gelijk.
  4. D Hans heeft gelijk en Karlijn heeft gelijk.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Nierfalen

Als nieren minder goed functioneren, worden afvalstoffen niet goed uit het bloed gefilterd. Dit wordt nierfalen genoemd. Diabetes of een hoge bloeddruk kunnen een oorzaak zijn van nierfalen.

Vraag 42 1 punt

In welke delen van een nier wordt het bloed gefilterd?

  1. A in het nierbekken en het niermerg
  2. B in het nierbekken en de nierschors
  3. C in de nierschors en het niermerg
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 43 1 punt

Hoe heet het orgaanstelsel waar de nieren bij horen?

Bekijk het antwoord
  • uitscheidingsstelsel (1)

Vraag 44 1 punt

Bij patiënten met ernstig nierfalen is nierdialyse nodig. Nierdialyse wordt gedaan met een machine: de kunstnier. Het bloed wordt door de kunstnier gepompt en daar gefilterd. Tijdens een nierdialyse wordt ureum verwijderd. In welk orgaan ontstaat ureum?

  1. A darm
  2. B lever
  3. C maag
  4. D nier
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 45 2 punten

In een huisartsenpraktijk zijn 369 ouderen met diabetes en hoge bloeddruk onderzocht en bij een aantal is nierfalen vastgesteld. Van de ouderen met nierfalen is bepaald in welke mate hun nieren nog goed kunnen filteren. Deze gegevens staan in de grafiek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 6 + 12 + 16 + 30 = 64 (ouderen in klasse 3) (1)
  • 64 : 369 = 0,17 × 100 = 17% (17,3%) (1)

Hoeveel procent van alle onderzochte ouderen in deze huisartsenpraktijk heeft nierfalen klasse 3? Leg je antwoord uit met een berekening.

Bij mensen met nierfalen worden water en ureum niet goed uit het bloed gehaald.

Vraag 46 1 punt

Noem nog een andere stof die uit het bloed gefilterd moet worden door de nieren.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste andere stof: − (overtollige) zouten − (onwerkzaam gemaakte) schadelijke stoffen − (restanten van) medicijnen/alcohol/drugs − hormonen (1)

Vraag 47 1 punt

Mensen met ernstig nierfalen mogen niet te veel vloeistof drinken, meestal maar 750 mL per dag. Wanneer deze mensen meer vloeistof drinken stijgt de bloeddruk. Leg uit hoe de bloeddruk stijgt bij deze mensen.

Bekijk het antwoord
  • Uit de uitleg moet blijken dat de bloeddruk stijgt doordat er te veel vocht in de bloedvaten achterblijft / vocht niet uit het bloed kan worden verwijderd. (1)

Waterpokken

Waterpokken is een kinderziekte die door een virus wordt veroorzaakt. Het virus verspreidt zich via de lucht. De kinderen krijgen koorts en rode bultjes, vaak over het hele lichaam. De bultjes kunnen jeukende blaasjes worden, waarvan het vocht besmettelijk is. Sam gaat naar de crèche. Het blijkt dat een ander kind waterpokken heeft. Twee weken later heeft Sam ook de eerste verschijnselen van waterpokken.

Vraag 48 1 punt

Kun je Sam antibiotica geven om de waterpokken te bestrijden? Leg je antwoord uit.

Bekijk het antwoord
  • Nee, met een uitleg waaruit blijkt dat waterpokken worden veroorzaakt door een virus / dat antibiotica alleen bacteriën bestrijden. (1)

Vraag 49 1 punt

Sam’s moeder zegt dat je niet aan de blaasjes moet krabben. Door te krabben wordt de jeuk alleen maar erger. Het krabben zorgt ook voor kleine wondjes. Noem nog een andere reden waarom het beter is om niet te krabben aan de blaasjes.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste reden: − door te krabben is er kans op littekens − het vocht in de blaasjes is besmettelijk − door te krabben is de kans op andere infecties groter (1)

Vraag 50 1 punt

Nadat Sam is genezen van de waterpokken, is Sam immuun voor deze ziekte. Is er bij Sam sprake van actieve immunisatie of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Bekijk het antwoord
  • Actieve immunisatie, met een uitleg waaruit blijkt dat Sam de ziekte heeft gehad. / dat het lichaam zelf antistoffen aangemaakt heeft. (1)

Luipaardgekko

De luipaardgekko is een reptiel dat in Azië voorkomt, en in Nederland worden ze als huisdier gehouden. Het dier heeft een brede kop met grote ogen. Het lichaam is plat en heeft een lengte van ongeveer 20 centimeter inclusief staart. Een luipaardgekko jaagt ’s nachts op kleine dieren. De ogen zijn grijsgroen van kleur en hebben een spleetachtige, verticale pupil. Jonge luipaardgekko’s hebben een gele lichaamskleur met donkergrijze tot zwarte banden op de rug, die verandert naarmate ze ouder worden in bruingeel met vlekken. Dit is de kleur die in het wild voorkomt en wordt wildkleur genoemd. Wildkleur wordt veroorzaakt door een dominant gen. In gevangenschap worden soms luipaardgekko’s geboren met een wit-grijze kleur. Deze kleur wordt blizzard genoemd. Een luipaardgekko heeft 38 chromosomen in de lichaamscellen.

Vraag 51 1 punt

Als een luipaardgekko gaat jagen verandert de pupil-opening. Wordt de pupil-opening groter of kleiner? Leg je antwoord uit.

Bekijk het antwoord
  • (De pupil-opening wordt) groter, met een uitleg waaruit blijkt dat er zoveel mogelijk licht op het netvlies / in het oog moet komen (omdat de luipaardgekko ’s nachts jaagt). (1)

Vraag 52 2 punten

Twee wildkleur-luipaardgekko’s worden gekruist. Uit deze kruising blijkt dat een deel van de nakomelingen de kleur blizzard heeft. Op de uitwerkbijlage staat een kruisingsschema. Vul het kruisingsschema in. Bepaal de kans op een nakomeling met de kleur blizzard.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

genotype zaadcellen

Vraag 53 1 punt

Hoeveel chromosomen bevat een zaadcel van een luipaardgekko?

Bekijk het antwoord
  • 19 (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Biologie 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vmbo-gl/documenten/cse-1/gt-0191-a-24-1-o

Andere examens biologie vmbo-gl/tl

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1 telt 53 vragen. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (11), voortplanting (10) en zenuwstelsel en hormonen (8).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vmbo-gl/documenten/cse-1/gt-0191-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen biologie vmbo-gl/tl 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.