Eindexamen economie havo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Zonder risico geen verzekering, Opgave 2 Sparen in Nederland: een paradox, Opgave 3 De reisbranche in zwaar weer, Opgave 4 Kamertje verhuren, Opgave 5 IJsland lonkt naar euro, Opgave 6 Crisis en inkomen.

Kort antwoord

Het centraal examen economie havo 2022, tijdvak 2 telt 31 vragen. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (7), risico en verzekeren (6) en vraag en aanbod (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie havo 2022, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Inkomen en consumptie7-11, 28-297
Risico en verzekeren1-66
Vraag en aanbod15, 18, 20-214
Overheid en belastingen17, 19, 30-314
Internationale handel22-254
Marktvormen13-14, 163
Conjunctuur26-272
Productie en kosten121

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over inkomen en consumptie (23% van de vragen, gemiddeld 7%) en risico en verzekeren (19% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over geld en inflatie (0% van de vragen, gemiddeld 8%) en arbeidsmarkt (0% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie havo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie havo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie havo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opgave 1 Zonder risico geen verzekering

Schadeverzekeringen hebben hun oorsprong in de scheepvaart. De Romeinen dreven handel met verre gebieden, waardoor er extra risico was van schade, bijvoorbeeld door zeerovers. Daarom werd de transportprijs verhoogd met een risico- opslag. Tegenwoordig is er een aparte verzekeringsmarkt waar schaderisico’s worden ondergebracht bij schadeverzekeraars.

Vraag 1 1 punt

Zijn transport en schadeverzekeringen substitutiediensten of complementaire diensten? Licht je keuze toe.

Bekijk het antwoord
  • Complementaire diensten, want de diensten vullen elkaar aan / ze horen bij elkaar (de schadeverzekering dekt het risico van schade tijdens transport). (1)

Vraag 2 2 punten

Leg uit dat de markt van schadeverzekeringen een bijdrage levert aan het bruto binnenlands product.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Het bbp is het totaal aan beloningen die de productiefactoren ontvangen plus de afschrijvingen, en (1p)
  • met schadeverzekeringen wordt inkomen verdiend (loon, winst) (1) of
  • Het bbp is gelijk aan de finale bestedingen, en (1p)
  • uitgaven aan schadeverzekeringen (door consumenten) zijn onderdeel van deze finale bestedingen (1p)

Vraag 3 2 punten

Maak de onderstaande redenering economisch correct.

  • Verzekeraars kennen de persoonlijke risico’s van hun klanten minder goed dan de klanten die zelf kennen, oftewel, de verzekeraars hebben te maken met …(1)…. Een gevolg daarvan is dat de verzekeraars worden geconfronteerd met twee economische verschijnselen.
  • Het eerste is…(2)…, wat betekent dat alleen consumenten die verwachten dat het schadebedrag minimaal gelijk is aan de te betalen premie zich laten verzekeren.
  • Het tweede is …(3)… wat betekent dat verzekerde consumenten roekelozer met hun bezittingen omgaan.
  • Beide verschijnselen kunnen tot gevolg hebben dat het …(4)… schadebedrag hoger is dan het …(5)…schadebedrag op basis waarvan de premie tot stand is gekomen. Verzekeraars dekken zich tegen deze twee economische verschijnselen in via een premieopslag. Kies uit: bij (1) asymmetrische informatie / eigen risico / zelfbinding bij (2) averechtse selectie / moral hazard bij (3) averechtse selectie / moral hazard bij (4) verwachte / werkelijke bij (5) verwachte / werkelijke
Bekijk het antwoord
  • bij (1): asymmetrische informatie bij (2): averechtse selectie bij (3): moral hazard (1)
  • bij (4): werkelijke bij (5): verwachte (1)

Een econoom heeft onderzoek gedaan naar de vraag naar schade- polissen en presenteert de bevindingen in een schema (zie bron 1).

Gebruik bron 1, pijl 4.

Vraag 4 2 punten

Heeft risicoaversie van consumenten een positief of een negatief effect op de vraag naar schadepolissen? Leg je keuze uit.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De cursief gedrukte aspecten moeten genoemd of verwoord zijn voor toekenning van scorepunten.

Gebruik bron 1, pijl 2 en de grafieken uit bron 2.

Vraag 5 2 punten

Welke grafiek geeft de vraagverandering bij een toename van de kans op schade juist weer? Leg je keuze uit.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bron 2

schade

Opgave 3 De reisbranche in zwaar weer

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • grafiek 1 (1)
  • voorbeeld van een juiste toelichting: (de vraaglijn verschuift naar rechts) omdat (uit het positieve verband van pijl 2 in bron 1 blijkt dat) de consumenten een grotere behoefte aan polissen hebben door een factor anders dan de prijs (te weten toename van de kans op schade) (1)

In zijn rapport geeft de econoom de volgende redenering bij pijl 3 van bron 1. “Om winst te maximaliseren zou je verwachten dat verzekeraars de schadelast (uit te keren schade per gebeurtenis) proberen te minimaliseren. Toch kan een hogere schadelast zelfs tot hogere winst leiden, en dat komt door het zogenaamde ‘schadelasteffect’. Een voorbeeld: Als consumenten weten dat autoruitschade gemiddeld 200 euro kost, dan zal de vraag naar ruitschadeverzekeringen relatief laag zijn.

  • Stel nu dat de reparaties zo veel duurder zijn geworden dat de schadelast 700 euro bedraagt. Door een toename van de schadelast nemen de marginale kosten van verzekeringspolissen …(1)…, verschuift de aanbodlijn van de polis …(2)…, en zal de verzekeraar de premie …(3)… .
  • Door een verschuiving …(4)…de vraaglijn zal het aantal afgesloten polissen …(5)….
  • Maar door het verhoogde risico voor de consument (het schadelasteffect) verschuift de vraaglijn van deze verzekeringspolis …(6)…. Dit schadelasteffect draagt bij aan een …(7)… verband tussen de schadelast en het aantal afgesloten polissen. Daardoor kan uiteindelijk de winst zelfs toenemen.”

Gebruik bron 1, pijl 3.

Vraag 6 3 punten

Maak van de redenering van de econoom een economisch juiste tekst. Kies uit: bij (1) af / toe bij (2) naar links / naar rechts / niet bij (3) verlagen / verhogen bij (4) langs / van bij (5) afnemen / toenemen bij (6) naar links / naar rechts / niet bij (7) negatief / positief

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • bij (1) toe bij (2) naar links bij (3) verhogen (1)
  • bij (4) langs bij (5) afnemen (1)
  • bij (6) naar rechts bij (7) positief (1)

Opgave 2 Sparen in Nederland: een paradox

Het spaargedrag van Nederlandse huishoudens liet tot circa 2013 twee tegengestelde ontwikkelingen zien. Aan de ene kant liepen de spaartegoeden flink op omdat de huishoudens hun koopkracht in de toekomst veilig willen stellen. Aan de andere kant maakten Nederlanders meer gebruik van consumptief krediet zoals roodstaan op de betaalrekening en kopen op afbetaling. Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn cijfers beschikbaar over schuld in de roodstand onder volwassenen, dat wil zeggen onder volwassenen met een negatief saldo op de betaalrekening aan het eind van een maand. Uit deze cijfers blijkt dat de gemiddelde schuld in de roodstand eind december 2012 de hoogte had bereikt van 3.800 euro. De roodstand was daarmee hoger dan het modale netto-inkomen per maand. De totale schuld in de roodstand was gestegen van 7,8 miljard euro eind december 2007 naar 10,1 miljard euro eind december 2012. In de jaren na 2012 is de schuld in de roodstand geleidelijk weer gezakt.

Een onderzoeker beweert dat meer dan een kwart van de tien miljoen volwassenen eind december 2012 rood stond op de betaalrekening.

Vraag 7 2 punten

Toon aan met een berekening dat de bewering van de onderzoeker juist is.

Bekijk het antwoord
  • (Volgens CBS was de gemiddelde schuld van de volwassenen die rood stonden € 3.800 en de totale schuld € 10,1 miljard.) Het aantal volwassenen dat rood stond was totale schuld 10,1× 10 9 = = 2.657.895 (1)
  • Dat is × 100% = 26,6% (van de volwassenen.) 10 6 Dat is meer dan een kwart, dus de bewering van de onderzoeker is juist (1)

Vraag 8 2 punten

Maak van onderstaande redenering een economisch juiste tekst: Het bedrag aan besparingen hangt af van meerdere factoren: de rentestand, het consumentenvertrouwen en de hoogte van de inflatie.

  • Bij een hoge rente zijn de besparingen …(1)… dan bij een lage rentestand.
  • Bij een hoog consumentenvertrouwen zal ...(2)… worden gespaard dan bij een laag consumentenvertrouwen.
  • Bij een hoge inflatieverwachting zal er …(3)... gespaard worden dan bij een lage inflatieverwachting, omdat de bestedingen worden ...(4)….
Bekijk het antwoord
  • (1) hoger (2) minder (1)
  • (3) minder (4) versneld (1)

Kies uit: Bij (1) hoger / lager Bij (2) meer / minder Bij (3) meer / minder Bij (4) versneld / vertraagd

In Nederland was sprake van een ‘spaarparadox’: Nederlanders vulden hun spaarpot zonder te ‘sparen’. Oftewel: Nederlanders gaven meer geld uit dan ze aan inkomen ontvingen, maar toch namen de spaartegoeden elk jaar toe.

Om dit te kunnen verklaren moeten we kijken naar de manier waarop de Nederlanders sparen. De Nederlandse Bank (DNB) stelt dat Nederlandse huishoudens op twee verschillende manieren sparen.

  • Actief sparen: huishoudens consumeren hun inkomen niet volledig en bewaren een deel van hun inkomen voor later.
  • Passief sparen: het vermogen neemt toe door waardevermeerdering van beleggingen in financiële producten, exclusief bijschrijven van rente en dividend.

Vraag 9 1 punt

Leg uit of er bij passief sparen sprake is van ruilen over de tijd.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Bij passief sparen is er geen sprake van verschuiven van de consumptie uit inkomen over de tijd (en is er dus geen sprake van ruilen over de tijd). (1)

Vraag 10 2 punten

Geef voor elk van de onderstaande situaties aan of het actief sparen of passief sparen betreft. (1) bedragen overmaken naar een spaarrekening (2) koersverandering van aandelen (3) aankoop van aandelen (4) waardevermeerdering van de pensioenportefeuille

Bekijk het antwoord
  • bij (1) actief sparen bij (2) passief sparen bij (3) actief sparen bij (4) passief sparen indien vier antwoorden juist (2) indien drie antwoorden juist (1) indien twee of minder antwoorden juist (0) (2)

Uit een onderzoek van DNB blijkt dat actief en passief sparen met elkaar samenhangen: bij iedere waardestijging van het vermogen met € 100, daalt het actief sparen met € 8. Hiermee hebben de onderzoekers de verklaring gevonden voor de Nederlandse spaarparadox. De onderzoeker zegt: “De verklaring van de Nederlandse spaarparadox zit in de sterke waardestijging van beleggingen, het spaargedrag van huishoudens in het kader van de levensloopplanning, het onderscheid tussen actief en passief sparen, en de samenhang tussen actief en passief sparen.”

Vraag 11 3 punten

Beredeneer hoe de spaarparadox verklaard kan worden door een combinatie van factoren:

  • de sterke waardestijging van de beleggingen;
  • het spaargedrag van huishoudens in het kader van de levensloopplanning. Betrek in je redenering het onderscheid en de samenhang tussen actief en passief sparen.
Bekijk het antwoord

Opmerking De cursief gedrukte aspecten moeten genoemd of verwoord zijn voor toekenning van scorepunten.

Opgave 3 De reisbranche in zwaar weer

Uit een krant, 2019: IFLAS, een reisbureau met reiswinkels in een aantal Nederlandse steden, is failliet verklaard. Econoom Jessica van Min legt uit dat de gemiddelde winst van reisbureaus met een fysieke winkel is gedaald als gevolg van de toegenomen concurrentie met de online reisbureaus: op een all- inclusive reis naar Turkije wordt hooguit een tientje verdiend. Hierdoor zijn reisbureaus met een fysieke winkel kwetsbaar in hun voortbestaan.

Vraag 12 1 punt

Leg uit waarom de online reisbureaus lagere gemiddelde totale kosten (GTK) hebben dan reisbureaus met een fysieke winkel.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Online reisbureaus hebben lagere vaste/constante kosten, bijvoorbeeld minder huisvestingskosten (waardoor zij lagere gemiddelde totale kosten (GTK) hebben dan reisbureaus met een fysieke winkel). (1)

Vraag 13 2 punten

Leg met behulp van het marktevenwicht uit waarom de gemiddelde winst voor alle reisbureaus is gedaald door de opkomst van online reisbureaus.

Bekijk het antwoord
  • Door de toename van het aantal reisbureaus is het aanbod van reizen toegenomen, (1)
  • waardoor er op de markt een lagere (evenwichts-)prijs voor reizen ontstaat. Door de lagere prijs (bij gelijkblijvende kosten) zal de gemiddelde winst voor alle reisbureaus dalen (1)

In voorgaande jaren zijn steeds meer online reisbureaus toegetreden tot de markt, doordat ze aantrekkelijke winsten konden behalen.

Vraag 14 3 punten

Leg uit hoe de toetreding van online reisbureaus via lagere gemiddelde totale kosten (GTK) uiteindelijk kon leiden tot lagere gemiddelde winst voor alle reisbureaus.

Bekijk het antwoord
  • Online reisbureaus hebben lagere gemiddelde totale kosten (GTK) dan reisbureaus met een fysieke winkel, en bij een gegeven gemiddelde omzet (GO) een hogere gemiddelde winst (want GW=GO−GTK) (1)
  • De hogere gemiddelde winst van de online reisbureaus trekt nieuwe toetreders / nieuwe online reisbureaus aan, waardoor het aanbod (verder) stijgt bij elke prijs / waardoor de aanbodlijn (verder) naar rechts verschuift, (1)
  • waardoor de gemiddelde omzet / de prijs daalt en dus de gemiddelde winst daalt (want GW=GO−GTK) (1)

Van Min vervolgt in het krantenbericht: “Zelfs een bekend reisbureau als IFLAS redt het dus niet. Er lijkt alleen nog toekomst te zijn voor online reisbureaus die reizen verkopen met een lage gemiddelde winst in combinatie met een grote afzet.” Van Min bestudeert de prijselasticiteiten voor binnenlandse en buitenlandse reizen (zie bron 1), en leidt daaruit af:

1 dat van buitenlandse reizen meer afzetgroei te verwachten is dan van binnenlandse reizen bij dezelfde procentuele prijsverlaging

2 en dat reisbureaus die zich toeleggen op buitenlandse reizen hun omzet zullen zien stijgen ondanks de lagere prijzen, terwijl reisbureaus die zich toeleggen op binnenlandse reizen hun omzet zullen zien dalen als gevolg van de lagere prijzen.

Gebruik bron 1.

Vraag 15 3 punten

Leg voor elk van de uitspraken 1 en 2 uit of ze juist of onjuist zijn. Betrek de prijselasticiteiten in je uitleg.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • De prijselasticiteit bij buitenlandse reizen is −4,4 De prijselasticiteit bij binnenlandse reizen is −0,56 −4,4 < −0,56, dus afzet (Q) van / vraag naar buitenlandse reizen reageert sterker elastisch op de prijs (P) dan bij binnenlandse reizen. Hiermee is aangetoond dat uitspraak 1 juist is (1)
  • De prijselasticiteit bij buitenlandse reizen is kleiner dan −1 / de vraag naar buitenlandse reizen is prijselastisch, dit betekent dat een prijsdaling van 1% leidt tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid met meer dan 1%. De prijselasticiteit bij binnenlandse reizen is tussen 0 en −1 / de vraag naar binnenlandse reizen is prijsinelastisch, dit betekent dat een prijsdaling van 1% leidt tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid met minder dan 1% (1)
  • Verder geldt dat de omzet gelijk is aan PxQ en dit betekent (in combinatie met de hiervoor gegeven prijselasticiteiten) dat de omzet van buitenlandse reizen zal stijgen bij prijsdaling en dat de omzet van binnenlandse reizen zal dalen bij prijsdaling. Hiermee is aangetoond dat uitspraak 2 juist is (1)

Opgave 4 Kamertje verhuren

Uit onderzoek blijkt dat studentenkamers in Amsterdam het duurst van Nederland zijn. Kamers in Amsterdam zijn zo gewild, dat huisbazen studenten zelfs tegen elkaar op laten bieden. Degene die het hoogste biedt krijgt de kamer.

Vraag 16 1 punt

Noem een kenmerk van monopolistische concurrentie en laat met een voorbeeld zien dat dit kenmerk van toepassing is op de markt van studentenkamers in Amsterdam.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − veel aanbieders, want er zijn meerdere huiseigenaren / huisbazen − een heterogeen product, want studentenkamers zijn niet gelijk − beperkte transparantie, want informatie over de afmetingen van de studentenkamer, geluidsoverlast etcetera is niet gemakkelijk verkrijgbaar − vrije toetreding, want aanbieders kunnen (zonder veel belemmeringen een pand kopen en de) kamers verhuren (1)

De gemeente Amsterdam vindt de hoge huren ongewenst. De gemeente vraagt een adviesbureau te onderzoeken welke maatregelen hiertegen genomen kunnen worden. Het adviesbureau constateert dat de huren op de meest gewilde locaties weliswaar hoog zijn, maar dat vraag en aanbod op de markt in evenwicht zijn. Er zijn geen toetredingsbarrières geconstateerd en de aanbieders hebben een verwaarloosbaar kleine invloed op de prijs. Daarom gaan ze er in de analyse van uit dat de markt voor studentenkamers zich min of meer gedraagt als een markt van volkomen concurrentie.

Het bureau stelt in een rapport de volgende drie opties voor om de hoge huren tegen te gaan:

1 De gemeente gaat zelf studentenkamers bouwen en verhuren.

2 De gemeente grijpt in op deze markt middels prijsregulering

3 De gemeente grijpt niet in omdat studenten steeds langer bij hun ouders willen blijven wonen en de huurprijzen van studentenkamers daardoor vanzelf zullen dalen.

Vraag 17 2 punten

Leg uit dat studentenkamers die door de gemeente worden gebouwd geen collectieve goederen zijn. Betrek de twee kenmerken van collectieve goederen in je antwoord.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Door de gemeente gebouwde studentenkamers zijn geen collectieve goederen, omdat

  • huurders (van studentenkamers) rivaliseren om het gebruik, ze kunnen de studentenkamer niet tegelijk gebruiken/bewonen (1) (want collectieve goederen zijn goederen waarvan niemand kan worden uitgesloten en die niet rivaliserend zijn).

Gebruik bron 1

Vraag 18 2 punten

Kies uit bron 1 de figuur die optie 1 uit het rapport van het onderzoeksbureau weergeeft. Neem de figuur over op je antwoordblad en arceer het nieuwe consumentensurplus.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking De netheid van de grafiek en de arcering maken geen onderdeel uit van de beoordeling. De grafiek is voldoende juist overgenomen als de Qa, Qa’ en Qv lijnen juist gepositioneerd zijn ten opzichte van elkaar. Het ontbreken van overige grafiekonderdelen zoals de grafiekassen maakt geen onderdeel uit van de beoordeling. Voor een juist gearceerd consumentensurplus volstaat een driehoek met geheel of gedeeltelijke arcering en met hoekpunten die gepositioneerd zijn conform het gegeven voorbeeld.

Vraag 19 1 punt

Leg uit welke vorm van prijsregulering (optie 2) de gemeente moet inzetten om de hoge huren tegen te gaan.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Als de gemeente een maximumprijs instelt voor de huurprijs van studentenkamers en die maximumprijs is lager dan de huidige hoge huren / is lager dan de evenwichtsprijs, dan leidt dit tot een lagere huurprijs. (1)

Vraag 20 2 punten

Beredeneer dat prijsregulering (optie 2) kan leiden tot een verschil tussen de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid kamers.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Bij de verlaagde prijs is (door een verschuiving langs de vraaglijn) de gevraagde hoeveelheid groter dan bij de evenwichtsprijs, en is (door een verschuiving langs de aanbodlijn) de aangeboden hoeveelheid kleiner dan bij de evenwichtsprijs, en (1)
  • beide wijzigingen samen leiden ertoe dat de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid (1)

Vraag 21 3 punten

Beredeneer of de veronderstelde daling van huurprijzen bij optie 3 een gevolg is van een verschuiving van de vraaglijn, van een verschuiving langs de vraaglijn, of van allebei.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • De voorkeur van consumenten verandert (studenten willen langer bij hun ouders wonen), dat wil zeggen dat er minder vraag is naar studentenkamers bij elke prijs (1)
  • dit betekent dat er eerst een verschuiving van de vraaglijn (naar links) plaatsvindt (1)
  • en de nieuwe evenwichtsprijs zal (als gevolg van het ontstane aanbodoverschot) tot stand komen na een verschuiving langs de vraaglijn (1)

Opgave 5 IJsland lonkt naar euro

Uit een krant van januari 2017: IJsland is vanaf 2007 hard geraakt door de economische crisis. In het begin van de crisis daalde de koers van de nationale munt, de IJslandse kroon (ISK), ten opzichte van de euro. Vanaf

2009 steeg de koers van de ISK in euro’s (zie bron 1).

Gebruik bron 1

Vraag 22 2 punten

Bereken de procentuele stijging van de koers van de ISK in euro’s tussen

2015 en 2016.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • De stijging is =
    • × 142 × 100% ( = 18,33%) = 18,3% (2)

120 142 Opmerking Een juiste berekening van de koers ISK in euro’s is noodzakelijk voor het toekennen van het tweede scorepunt.

De export van IJsland naar Nederland betreft vooral vis. De Nederlandse vishandelaar Dirk Diekstra importeert gerookte zalm uit IJsland. Hij kijkt terug naar de periode tussen 2007 en 2009 waarin de koers van de ISK in euro’s sterk daalde. Hij zegt tegen zijn compagnon: “De koersdaling tussen 2007 en 2009 heeft onze handel beïnvloed. De gemiddelde inkoopprijs in 2007 van omgerekend € 20,00 per kilo gerookte zalm is in

2009 veranderd.”

Gebruik bron 1

Vraag 23 2 punten

Laat met behulp van een berekening zien of de Nederlandse importeur van vis een inkoopvoordeel of een inkoopnadeel heeft van de veranderde wisselkoers tussen 2007 en 2009. Ga ervan uit dat de prijs van een kilo gerookte zalm in IJslandse kronen gelijk is gebleven tussen 2007 en 2009.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Omgerekend naar ISK per kilo kostte de zalm in 2007: € 20,00 x koers euro in ISK = 20,00 x 80 = 1.600 ISK Omgerekend naar euro’s per kilo kostte de zalm in 2009: 1.600 ISK 1.600 = = € 8,89 (1)
  • De inkoopprijs in 2009 (€ 8,89) is lager dan in 2007 (€ 20,00). Dit is een inkoopvoordeel (omdat de IJslandse zalm in 2009 goedkoper kon worden ingekocht door de Nederlandse vishandelaar dan in 2007) (1)

Vervolg van het krantenbericht: Na 2009 groeide de IJslandse economie weer. Nu wil de IJslandse minister van Financiën de export bevorderen door het systeem van flexibele wisselkoersen te veranderen naar een systeem van vaste wisselkoersen: er komt dan een vaste koersverhouding tussen de IJslandse kroon en de euro.

Onmiddellijk na de bekendmaking van het voornemen van de IJslandse minister om de ISK te koppelen aan de euro verschenen er zowel positieve als negatieve twitterberichten. Een bericht dat verscheen:

Twitterbericht “Weet onze minister wel welk gevaar wij lopen? Realiseert men zich daar in de hoofdstad Reykjavik wel dat het aanhouden van een vaste wisselkoers effectief conjunctuurbeleid door de overheid onmogelijk maakt?”

Een IJslandse econoom bevestigt dat de overheid inderdaad geen effectief conjunctuurbeleid kan voeren door de koppeling met de euro. De econoom begint zijn redenering als volgt: “Stel dat de overheid de bestedingen (O) zou stimuleren, dan …(1)… het Nationaal Inkomen (Y). Hierdoor …(2)… de bestedingen (C) en neemt de …(3)… toe. Hierdoor stijgt …(4)… de munt ISK. Hierdoor dreigt de wisselkoers van de munt ISK in euro’s te dalen, maar dat mag niet omdat juist gekozen was voor een vaste wisselkoers.”

Vraag 24 2 punten

Maak van de redenering van de econoom een economisch juiste tekst. Kies uit: (1) stijgt / daalt (2) stijgen / dalen (3) import (M) / export (E) (4) de vraag naar / het aanbod van

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • bij (1) stijgt bij (2) stijgen (1)
  • bij (3) import (M) bij (4) het aanbod van (1)

De IJslandse econoom vervolgt de redenering: “De Centrale Bank zal de daling van de koers van de munt ISK in euro’s tegengaan om de vaste wisselkoers te handhaven. Om te voorkomen dat de koers daalt, ...(1)… de Centrale Bank de rente zodat de kapitaalinvoer stijgt. Hierdoor stijgt …(2)… de ISK. Als gevolg van de renteaanpassing door de Centrale Bank …(3)… de bestedingen van consumenten en …(4)… de besparingen. Dit betekent dat het conjunctuurbeleid van de overheid teniet wordt gedaan.”

Vraag 25 2 punten

Maak van de voorgaande redenering van de econoom een economisch juiste tekst. Kies uit: (1) verhoogt / verlaagt (2) de vraag naar / het aanbod van (3) stijgen / dalen (4) stijgen / dalen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • bij (1) verhoogt bij (2) de vraag naar (1)
  • bij (3) dalen bij (4) stijgen (1)

Opgave 6 Crisis en inkomen

Uit een bericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): De economische crisis van 2008 ‒ 2012 heeft geleid tot een inkomensdaling voor huishoudens. Deze inkomensdaling was niet gelijk verdeeld over de verschillende inkomensgroepen. Het nominale inkomen van werknemers veranderde bijna niet, terwijl het nominale inkomen van zelfstandigen1) wel sterk afhankelijk bleek van de conjunctuur. De nominale uitkeringen zijn gekoppeld aan de cao-lonen.

noot 1 Een zelfstandige is een persoon die arbeid verricht voor eigen rekening of risico in een eigen bedrijf.

Vraag 26 2 punten

Leg met behulp van het begrip loonstarheid uit waarom het inkomen van zelfstandigen gevoeliger is voor conjunctuurschommelingen dan het inkomen van werknemers.

Bekijk het antwoord
  • Bij zelfstandigen is het inkomen een resultaat van het marktmechanisme en geldt dat het nominale inkomen zal dalen bij minder vraag naar hun diensten/producten bij een neergaande conjunctuur (1)
  • Bij werknemers is er sprake van loonstarheid (als gevolg van cao- afspraken), waardoor het nominale inkomen niet sterk zal dalen bij neergaande conjunctuur. De lonen kunnen niet direct worden aangepast aan de economische situatie (1)

Gebruik het bericht van het CBS

Vraag 27 2 punten

Maak van de onderstaande zinnen een economisch juiste tekst.

  • In de geschetste situatie van een neergaande conjuncturele ontwikkeling zijn de nominale uitkeringen …(1)…. Het algemeen prijspeil is gestegen, en de reële uitkeringen, zijn …(2)….
  • De uitkeringen zijn …(3)… welvaartsvast en …(4)… waardevast. Kies uit: bij (1) gelijk gebleven / gestegen / gedaald bij (2) gelijk gebleven / gestegen / gedaald bij (3) wel / niet bij (4) wel / niet
Bekijk het antwoord
  • bij (1) gelijk gebleven bij (2) gedaald (1)
  • bij (3) wel bij (4) niet (1)

De inkomensverschillen in Nederland zijn kleiner geworden tijdens de economische crisis van 2008

  • 2012. In bron 1 staan de Lorenzcurven van secundaire inkomens van vóór en van ná de crisis. Volgens het CBS verdiende de 20 procent van de personen met de hoogste netto-inkomens in 2008 (aan het begin van de economische crisis) 2,8 keer zo veel als de groep van de 20 procent van de personen met de laagste netto-inkomens. In 2012 (aan het eind van de economische crisis) was dit 2,5 keer zo veel.

Gebruik de grafiek van bron 1

Vraag 28 2 punten

Toon met een berekening aan dat de 20 procent van de personen met de hoogste netto-inkomens in 2008 (aan het begin van de economische crisis) 2,8 keer zo veel verdienden als de groep van 20 procent met de laagste netto-inkomens.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit de grafiek blijkt dat bij curve 2008 het inkomen van de laagste inkomensgroep 12% van het totaalinkomen bedraagt, en dat bij curve 2008 het inkomen van de hoogste inkomensgroep 100% ‒ 66% = 34% bedraagt (1)
  • De verhouding hoogste/laagste is: inkomen 20% hoogste 34% curve 2008: = = 2,8 (1)

Het CBS heeft geconstateerd dat de groep met de 20 procent hoogste inkomens relatief veel zelfstandigen bevat.

Gebruik het bericht van CBS

Vraag 29 2 punten

Beredeneer dat het relatief grote aantal zelfstandigen in de groep met de

20 procent hoogste inkomens heeft bijgedragen aan de nivellering van inkomens tijdens de crisisperiode.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • (De groep met de 20 procent hoogste inkomens telt relatief veel zelfstandigen, dus) gegeven dat de inkomens van zelfstandigen sterker daalden werd het inkomensverschil van de bovenste inkomensgroep met de onderste inkomensgroep kleiner, en (1)
  • daardoor werd de inkomensverdeling gelijker / werd de inkomensongelijkheid kleiner (hetgeen betekent dat de inkomens genivelleerd zijn) (1)

Nederland kent een progressief belastingsysteem.

Vraag 30 2 punten

Leg uit hoe het progressieve belastingsysteem ertoe bijdraagt dat de secundaire inkomens gelijker verdeeld zijn dan de primaire inkomens.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Bij een progressief belastingstelsel betaalt iemand met een hoger inkomen procentueel meer belasting dan iemand met een lager inkomen (1)
  • Hierdoor zijn de inkomensverschillen ná belasting kleiner dan vóór belasting (1)

De overheid kan belastinginkomsten gebruiken om de welvaart in ruime zin te verhogen.

Vraag 31 1 punt

Laat met een voorbeeld zien hoe belastingen kunnen leiden tot een hogere welvaart in ruime zin.

Bron 1

inkomensverdeling

►►► ν

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Bijlage · Opgaven · Erratum op opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: De overheid kan de belastinginkomsten gebruiken voor beter onderwijs / betere zorg / een beter milieu / herverdeling van inkomen etc. waardoor de welvaart (in ruime zin) stijgt. (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Economie 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1022-a-22-2-o

Andere examens economie havo

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie havo 2022, tijdvak 2?

Het centraal examen economie havo 2022, tijdvak 2 telt 31 vragen. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (7), risico en verzekeren (6) en vraag en aanbod (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie havo 2022, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie havo 2022, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1022-a-22-2-c).

Hoe oefen ik met het examen economie havo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.