Eindexamen economie havo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Een nieuwe cao, Opgave 2 Speedpedelec, Opgave 3 Een valse start, Opgave 4 Pensioenuitkeringen, Opgave 5 Toerisme.

Kort antwoord

Het centraal examen economie havo 2024, tijdvak 1 loopt tot vraag 30. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (5), speltheorie (5) en productie en kosten (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie havo 2024, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Inkomen en consumptie2, 21-245
Speltheorie10-145
Productie en kosten3-4, 9, 274
Arbeidsmarkt1, 6, 283
Marktvormen8, 15, 303
Vraag en aanbod5, 72
Overheid en belastingen17-182
Geld en inflatie20, 252
Conjunctuur161
Internationale handel261

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over speltheorie (18% van de vragen, gemiddeld 5%) en inkomen en consumptie (18% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over overheid en belastingen (7% van de vragen, gemiddeld 20%) en risico en verzekeren (0% van de vragen, gemiddeld 12%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie havo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie havo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie havo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opgave 1 Een nieuwe cao

Uit een krant, januari 2020:

Het gaat economisch goed in Nederland. De overgrote meerderheid van de bedrijven presenteert goede winstcijfers. De landelijke supermarktketens onderhandelen met de vakbonden over een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst (cao). De vakbonden eisen 3,5% loonsverhoging op het jaarsalaris, met een minimale stijging van € 1.000.

Vraag 1 2 punten

Leg uit dat er sprake is van nivelleren, als de looneis van de vakbond wordt ingewilligd.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het toekennen van de eerste deelscore moet relatieve inkomensstijging zijn verwoord.

Els Middelkoop is medewerker van een supermarkt. Ze leest in de krant over de looneis van de vakbond. Els verdiende in 2019 een jaarsalaris van € 24.998,- en is benieuwd naar wat dit in 2020 voor haar zou betekenen.

Gebruik het krantenbericht en bron 1.

Vraag 2 3 punten

Bereken de koopkrachtverbetering van Els Middelkoop in 2020, indien de looneis van de vakbond wordt gerealiseerd. Geef je antwoord op 1 decimaal nauwkeurig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Indien de kandidaat de koopkrachtverbetering in euro’s uitrekent kan de maximale score worden behaald.

Barbara Berends is onderhandelaar van de supermarktketens, en Jacco Jansen is onderhandelaar van de vakbond. Samen bespreken zij de consequenties van de loonstijging die door de vakbond geëist is. De onderhandelaar van de werkgever vindt de looneis te hoog.

Barbara Berends: “U moet zich realiseren dat een loonkostenstijging van 3,5% binnen ons bedrijf, waar de loonkosten 40% van de totale kosten uitmaken, zal leiden tot een productiekostenstijging van 1,4%. De supermarktketens kunnen deze hoge looneis niet betalen.” Jacco Jansen reageert met de volgende uitspraken:

1 U spreekt over de nominale productiekostenstijging, maar de reële productiekostenstijging is lager.

2 Bovendien leidt de gestegen arbeidsproductiviteit tot lagere productiekosten.

3 En u moet zich realiseren dat de omzet bij supermarkten toch zal stijgen, aangezien is gebleken dat de vraag naar goederen uit de supermarkt prijsinelastisch is.

Gebruik uitspraak 1 en bron 1.

Vraag 3 2 punten

Bereken de reële productiekostenstijging bij een nominale loonkostenstijging van 3,5% als de loonkosten 40% van de totale kosten uitmaken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Bij deze vraag moeten de scorepunten altijd worden toegekend, ongeacht of er wel of geen antwoord is gegeven en ongeacht het gegeven antwoord.

Opmerking: In de vraag is het onduidelijk of de overige productiekosten nominaal of reëel gelijk blijven. Hierdoor kunnen de totale reële productiekosten zowel dalen als stijgen.

Gebruik uitspraak 2.

Vraag 4 2 punten

Leg uit dat een stijging van de arbeidsproductiviteit leidt tot lagere productiekosten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Een stijging van de arbeidsproductiviteit betekent dat er minder arbeid nodig is om hetzelfde te produceren. (1)
  • Hierdoor dalen de loonkosten (per product). (en dus de totale productiekosten). (1)

Gebruik uitspraak 3.

Vraag 5 2 punten

Leg uit dat de prijsstijging van de goederen uit de supermarkt leidt tot een stijging van de omzet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Bij een prijsinelastische vraag leidt een prijsstijging tot een procentueel/relatief/verhoudingsgewijs lagere daling van de afzet, en (1) • omdat de omzet gelijk is aan P x q zal de omzet stijgen bij een prijsstijging en een (vrijwel) gelijkblijvende gevraagde hoeveelheid. of als de prijs stijgt blijven mensen de goederen kopen, dus neemt de omzet toe. (1) (2)

Na intensieve onderhandelingen gaan de supermarktketens akkoord met de looneis van de vakbond. De nieuwe cao geldt voor alle werknemers.

Gebruik bron 2.

Vraag 6 2 punten

Leg uit dat er in toenemende mate sprake is van meeliftgedrag bij de cao-onderhandelingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het toekennen van de eerste deelscore moet de organisatiegraad in procenten worden verwoord.

Opgave 2 Speedpedelec

Een speedpedelec is een variant van de elektrische fiets die tot

45 kilometer per uur kan rijden. Bestuurders van speedpedelecs zijn verplicht om een helm te dragen.

Vraag 7 1 punt

Is een helm een substitutiegoed of een complementair goed van de speedpedelec? Geef een argument voor je keuze.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een helm is een complementair goed, omdat de helm en de speedpedelec tegelijkertijd worden gebruikt / omdat de helm verplicht is bij gebruik van de speedpedelec. (1)

De drie grootste aanbieders van speedpedelecs hebben gezamenlijk 70% van de markt van speedpedelecs in handen. Iedere aanbieder heeft binnen het assortiment keuzemogelijkheden, zoals design, vermogen en sterkte van de accu.

Sprinter is een van de aanbieders van speedpedelecs. Over type Sprinter4 zijn de volgende gegevens bekend: Marginale kosten (MK) € 3.500 Totale constante kosten (TCK) € 1.000.000

Vraag 8 2 punten

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst.

  • De marktvorm van de markt van speedpedelecs wordt …(1)… genoemd.
  • Een speedpedelec is een …(2)… goed.
  • Bij type Sprinter4 is sprake van …(3)… variabele kosten. Kies uit: bij (1) volkomen concurrentie / monopolistische concurrentie / oligopolie bij (2) homogeen / heterogeen bij (3) proportioneel / progressief / degressief
Bekijk het antwoord
  • (1) oligopolie (2) heterogeen (1)
  • (3) proportioneel (1)

Gebruik bron 1.

Vraag 9 2 punten

Welk vlak geeft de totale winst van Sprinter weer, als het bedrijf streeft naar maximale omzet? Noteer de letters van de hoekpunten van het vlak en leg je keuze uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Als het bedrijf streeft naar maximale omzet, dan is MO = 0. (1)
  • Bij q = 500 is op de GO-lijn in punt J de prijs C (€ 6.000) af te lezen, en is GTK af te lezen in punt K, waarde B (€ 5.500). (De gemiddelde winst is gelijk aan GO−GTK.) De totale winst wordt weergegeven door de hoekpunten BCJK. (1)

Sprinter heeft een nieuwe zakelijke klant gevonden. Het Nederlandse accountantskantoor Snel krijgt van het internationale moederbedrijf een budget van € 6.000 per medewerker, om voor alle 100 medewerkers speedpedelecs Sprinter4 aan te schaffen. Het moederbedrijf van Snel heeft de spelregels bepaald:

  • Snel doet een prijsvoorstel aan Sprinter voor levering van 100 stuks Sprinter4. Dat voorstel kan € 6.000 per speedpedelec zijn, maar het kan ook een lager bedrag zijn.
  • Als Sprinter het voorstel accepteert, dan ontvangt Sprinter de afgesproken prijs en ontvangt Snel het verschil tussen € 6.000 en de afgesproken prijs.
  • Als Sprinter het voorstel weigert, dan ontvangen beide bedrijven niets. Sprinter wil minimaal € 3.500 ontvangen voor type Sprinter4.

Gebruik bron 1.

Vraag 10 2 punten

Leg uit dat Sprinter minimaal € 3.500 wil ontvangen voor type Sprinter4.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Het bedrijf zal (minimaal) de marginale kosten willen terugverdienen voordat het gaat leveren, en (1)
  • (in bron 1 is af te lezen) dat de marginale productiekosten (MK) gelijk zijn aan € 3.500. (1)

De hiervoor vermelde spelregels voldoen aan de kenmerken van een ultimatumspel.

Vraag 11 2 punten

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst over de kenmerken van het ultimatumspel.

  • Het ultimatumspel is een …(1)… spel.
  • Het spel kent …(2)… spelers.
  • De …(3)… doet een voorstel om een geldbedrag te verdelen.
  • De …(4)… kiest vervolgens tussen het voorstel accepteren of weigeren.
  • Als de tweede speler …(5)… dan ontvangen beide het overeengekomen deel. Kies uit: bij (1) sequentieel / simultaan bij (2) twee / drie bij (3) aanbieder / respondent bij (4) aanbieder / respondent bij (5) accepteert / weigert

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • • (1) sequentieel (2) twee (1) • (3) aanbieder (4) respondent (5) accepteert of (3) respondent (4) aanbieder (5) accepteert (1) (2)

In bron 2 staan drie keuzeopties van het spel beschreven in een beslisboom. De uitkomsten geven de verdeling van het restbedrag na aftrek van de variabele productiekosten.

Gebruik bron 2.

Vraag 12 2 punten

Welke bedragen moeten op plaats (1) en (2) in de beslisboom staan? Leg je keuze uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • bij (1): € 1.500 want Snel houdt over: budgetbedrag − afgesproken prijs = € 6.000 − € 4.500 = € 1.500 (als Sprinter het voorstel accepteert) (1)
  • bij (2): € 1.000 want Sprinter houdt na dekking van de marginale kosten over: afgesproken prijs − marginale kosten = € 4.500 − € 3.500 = € 1.000 (als Sprinter het voorstel accepteert). (1)

Gebruik bron 2.

Vraag 13 2 punten

Leg uit welke van de drie verdelingen uit bron 2 tot stand zal komen, als Sprinter en Snel streven naar een zo hoog mogelijke eigen opbrengst in euro’s.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking ‒ Als bij de uitwerking sprake is van een doorwerkfout uit de vorige vraag, dan geen scorepunt in mindering brengen. ‒ Voor juiste antwoorden via de best response methode kunnen maximale scorepunten worden toegekend.

De directie van Snel wil Sprinter een prijsvoorstel doen van € 3.700 per speedpedelec. Een deskundige op het gebied van ultimatumspellen waarschuwt: “Snel kan beter een hoger bod doen aan Sprinter, want de praktijk leert dat zo’n laag bod toch vaak geweigerd wordt, ondanks dat beide bedrijven dan niets ontvangen.”

Gebruik de uitspraak van de deskundige.

Vraag 14 1 punt

Geef een reden waarom Sprinter het prijsvoorstel zou willen weigeren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: — Als Sprinter een aversie heeft tegen ongelijkheid. — Als Sprinter het grootste aandeel niet aan Snel gunt. — Als Sprinter Snel wil straffen voor het oneerlijke voorstel. — Als Sprinter bij een andere afnemer een hoger resultaat kan behalen. (1)

Opgave 3 Een valse start

Uit een krant:

De huizenprijzen zijn in 2021 op een hoogtepunt na een lange periode van sterke prijsstijgingen. Nieuwkomers op de woningmarkt, ook wel starters genoemd, hebben nog geen vermogen opgebouwd en moeten de aankoop van een woning volledig financieren met een lening. Starters met een modaal inkomen kiezen er vaak voor om eerst een woning in de vrije sector te huren, voordat ze besluiten om een woning te kopen. In de vrije sector van de huurwoningenmarkt geldt geen maximale huurprijs. De woonlasten van deze huurders zijn doorgaans hoger dan de woonlasten van kopers van een vergelijkbare woning. Daarnaast groeit het vermogen van huurders niet mee met de stijging van de huizenprijzen. Hierdoor ontstaat een groeiende vermogensongelijkheid tussen kopers en huurders. Dat zorgt ervoor dat een toekomstige stap van huur naar koop alleen maar lastiger wordt.

Vraag 15 2 punten

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst.

  • Op de woningmarkt zijn veel individuele vragers en aanbieders actief. De aangeboden woningen zijn …(1)… goederen. De woningmarkt kan daarom het best worden omschreven als …(2)….
  • De inkomenselasticiteit van de vraag naar huurwoningen in de vrije sector is voor starters op de Nederlandse woningmarkt gelijk aan -0,5. Dit betekent dat starters een huurwoning als een …(3)… goed beschouwen. Kies uit: bij (1) heterogene / homogene bij (2) monopolistische concurrentie / oligopolie / volkomen concurrentie bij (3) inferieur / luxe / primair
Bekijk het antwoord
  • (1) heterogene (2) monopolistische concurrentie (1)
  • (3) inferieur (1)

Vraag 16 2 punten

Leg uit dat starters in een laagconjunctuur een voorkeur hebben voor huren boven kopen en lenen.

Bekijk het antwoord
  • Bij laagconjunctuur hebben starters een laag consumentenvertrouwen / zijn starters pessimistisch over de waardeontwikkeling van woningen / hebben starters ongunstige inkomensvooruitzichten (1)
  • en dit maakt dat de starters minder bereid zijn om de risico’s / negatieve gevolgen van kopen en lenen te aanvaarden (en daarom hebben ze een voorkeur voor huren). (1)

Woningbezitters mogen de betaalde hypotheekrente aftrekken van de inkomstenbelasting. Dit belastingvoordeel bevordert eigenwoningbezit, en belemmert een goed functionerende verhuurmarkt. De overheid wil een evenwichtige woningmarkt bevorderen, en past daarom de tarieven van de hypotheekrenteaftrek aan. Zo wordt het marginale belastingtarief waartegen de hypotheekrente maximaal kan worden afgetrokken geleidelijk afgebouwd van 49,50% naar 37,05%.

belastbaar inkomen marginaal tarief hypotheekrenteaftrek nu na afbouw € 0 - € 69.398 37,05% 37,05% € 69.399 en hoger 49,50% 37,05%

Een econoom doet naar aanleiding van de tariefaanpassing twee uitspraken: Uitspraak 1: “Door de tariefaanpassing wordt de secundaire inkomensverdeling gelijker.” Uitspraak 2: “Op de lange termijn kan de tariefaanpassing bijdragen aan de betaalbaarheid van koopwoningen.”

Gebruik bovenstaande tekst en uitspraak 1 van de econoom.

Vraag 17 2 punten

Leg uit dat de tariefaanpassing leidt tot een gelijkere secundaire inkomensverdeling binnen de groep van woningbezitters.

Bekijk het antwoord
  • Voor woningbezitters met een hoog inkomen neemt het belastingvoordeel van de hypotheekrenteaftrek af, waardoor zij meer belasting gaan betalen. (1)
  • Voor lage inkomens verandert er niets waardoor de verschillen tussen lage inkomens en hoge inkomens (na belasting) kleiner worden. (1)

Gebruik uitspraak 2 van de econoom.

Vraag 18 2 punten

Leg uit dat de tariefaanpassing via de vraagzijde van de woningmarkt kan leiden tot een daling van de verkoopprijs van koopwoningen.

Bekijk het antwoord
  • Door de tariefaanpassing wordt het financieren van een koopwoning duurder. (1)
  • Hierdoor daalt de vraag naar koopwoningen (bij elke prijs) en dit leidt (bij gelijkblijvend aanbod) tot een daling van de verkoopprijs van woningen. (1)

Opgave 4 Pensioenuitkeringen

Uit een krant:

Het pensioenfonds ABP behaalde in augustus een beleggingswinst van € 5 miljard uit onder meer aandelen, vastgoed en obligaties. Daardoor had het fonds eind augustus € 456 miljard in de pensioenkas. De huidige waarde van de toekomstige verplichtingen van het ABP groeide echter veel harder. Bij het ABP daalde de dekkingsgraad1) in augustus van 94 naar 89 procent. Dat betekent dat het ABP te weinig vermogen heeft om de toekomstige uitkeringen te kunnen uitbetalen. De Nederlandsche Bank (DNB) is de toezichthouder op de pensioenfondsen en berekent de huidige waarde van de toekomstige verplichtingen op basis van de rentestand.

1) huidige vermogen pensioenfonds dekkingsgraad = x 100% huidige waarde toekomstige verplichtingen pensioenfonds

Gebruik het krantenbericht.

Vraag 19 2 punten

Bereken het bedrag in euro’s dat het ABP eind augustus tekort komt om de toekomstige uitkeringen te kunnen betalen.

Bekijk het antwoord

Opmerking Indien de kandidaat bij de eerste deelscore uitgaat van een voldoende dekkingsgraad van 94% (482 miljard), kunnen maximale scorepunten worden toegekend.

Gebruik het krantenbericht.

Vraag 20 2 punten

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst. Het pensioenfonds ABP financiert de pensioenen volgens het …(1)…. Doordat de rente is …(2)…, groeide de huidige waarde van de toekomstige verplichtingen en daalde de dekkingsgraad. Om de dekkingsgraad te verhogen, kunnen pensioenpremies worden …(3)…. Kies uit: bij (1) omslagstelsel / kapitaaldekkingsstelsel bij (2) gestegen / gedaald bij (3) verhoogd / verlaagd

Bekijk het antwoord
  • (1) kapitaaldekkingsstelsel (2) gedaald (3) verhoogd indien drie antwoorden juist (2) indien twee antwoorden juist (1) indien minder dan twee antwoorden juist (0) (2)

Als gevolg van de lage dekkingsgraad is de kans groot dat de huidige en toekomstige pensioenuitkeringen moeten worden verlaagd.

Vraag 21 1 punt

Geef een verklaring dat verlaging van de pensioenuitkeringen de bestedingen van ouderen kan verlagen.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een verlaging van de pensioenuitkeringen betekent een daling van het inkomen van gepensioneerden/ouderen, waardoor hun bestedingen / uitgaven kunnen afnemen. (1)

Vraag 22 2 punten

Leg uit dat verlaging van de pensioenuitkeringen kan leiden tot afname van de huidige bestedingen van de werkzame beroepsbevolking.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Door de verlaging van de pensioenen gaan ouderen minder besteden, hierdoor daalt de vraag en de productie. (1p)
  • Werkenden worden werkloos, waardoor het inkomen daalt. Hierdoor heeft de werkzame bevolking minder te besteden. (1p)

Vraag 23 2 punten

Leg uit dat uitstel van verlaging van pensioenuitkeringen kan leiden tot afname van de huidige bestedingen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Uitstel van het verlagen van de pensioenuitkeringen leidt in de toekomst tot een extra verlaging van de pensioenuitkeringen / een extra premieverhoging. (1p)
  • Hierdoor zullen werkenden er eerder voor kiezen nu extra te sparen om deze toekomstige terugval op te vangen (waardoor er minder besteed gaat worden.) (1p)

Vraag 24 2 punten

Leg uit dat uitstel van de verlaging van pensioenuitkeringen dwingt tot solidariteit tussen generaties.

Bekijk het antwoord
  • Bij het uitstel van verlaging van pensioenuitkeringen blijven de tekorten, die later worden gecompenseerd door uitkeringen alsnog te verlagen / premies te verhogen. (1)
  • De kosten komen zo voor rekening voor de jongere generatie en hierdoor wordt de oudere generatie ontzien. (1)

Het huidige pensioenstelsel bestaat uit bedrijfspensioenen, die via het kapitaaldekkingsstelsel gefinancierd worden, en uit AOW-uitkeringen, die via het omslagstelsel gefinancierd worden. In periodes van lage rente verslechtert de betaalbaarheid van het kapitaaldekkingsstelsel.

Vraag 25 2 punten

Leg uit dat een lage rente de betaalbaarheid van het kapitaaldekkingsstelsel onder druk zet.

Bekijk het antwoord
  • Bij een lage rente groeit het gespaarde pensioenbedrag minder snel dan bij een hoge rente (bij gelijkblijvende pensioenpremie), en (1)
  • dan is het beschikbare kapitaal (uit sparen en beleggen) niet voldoende om de hoogte van de pensioenen te kunnen garanderen / om de toekomstige pensioenen te kunnen betalen. (1)

Opgave 5 Toerisme

De wereldbevolking blijft groeien. Bovendien zijn er, mede door lagere prijzen, steeds meer mensen in staat om vaker en langer te reizen. De bestedingen in de sector toerisme nemen daardoor wereldwijd toe. Ook in Nederland leveren hogere bestedingen in deze sector in toenemende mate een bijdrage aan het bruto binnenlands product (bbp) en de werkgelegenheid. Driekwart van de bestedingen in de sector toerisme is te danken aan de bestedingen van buitenlandse toeristen in Nederland.

Vraag 26 2 punten

Zijn de bestedingen van buitenlandse toeristen voor de Nederlandse economie in Nederland een vorm van import, van export of geen van beide? Leg je keuze uit.

Bekijk het antwoord

Opmerking Een juiste uitleg is voorwaardelijk voor toekenning van het tweede scorepunt.

Vraag 27 2 punten

Maak onderstaande redenering economisch juist: De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse bedrijven in de toeristische sector kan worden berekend door te kijken naar het verschil tussen de omzet en de waarde van de …(1)…. Het bbp van een land bestaat uit de toegevoegde waarde van de bedrijven en de toegevoegde waarde van …(2)…. De laatste is gelijk aan …(3)…. Kies uit: bij (1) ingekochte hulp- en grondstoffen / investeringen / primaire inkomens bij (2) het buitenland / de overheid bij (3) de ambtenarensalarissen / het saldo van de primaire inkomens uit het buitenland

Bekijk het antwoord
  • (1) ingekochte hulp- en grondstoffen (1)
  • (2) de overheid (3) de ambtenarensalarissen (1)

Bron 1 laat de werkgelegenheid in de sector toerisme zien, zowel in aantal personen als in arbeidsjaren. Beide indicatoren zijn toegenomen als gevolg van de toegenomen bestedingen in de sector. Ook wordt er minder in deeltijd gewerkt.

Gebruik bron 1.

Vraag 28 2 punten

Toon met een berekening aan dat werknemers in de sector toerisme tussen 2014 en 2017 gemiddeld minder in deeltijd zijn gaan werken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: • De werkgelegenheid in aantal werkzame personen is gestegen met werkende personen nieuw - werkende personen oud x 100% = werkende personen oud 761 − 703 x 100% = 8,3% . (1) 703 • De werkgelegenheid in arbeidsjaren is gestegen met arbeidsjaren nieuw - arbeidsjaren oud x 100% = arbeidsjaren oud 455 − 413 x 100% = 10,2% . 413 De werkgelegenheid in arbeidsjaren is harder gestegen dan in personen (dus zijn mensen gemiddeld minder in deeltijd gaan werken). 1 of werkgelegenheid in personen 703 • 2014: = = 1,70 (1) werkgelegenheid in arbeidsjaren 413 werkgelegenheid in personen 761 • 2017: = = 1,67 werkgelegenheid in arbeidsjaren 455 De verhouding personen/arbeidsjaren is afgenomen (en dat betekent dat minder mensen in deeltijd zijn gaan werken). (1) (2)

Op plekken in Nederland waar het toerisme zich vooral concentreert, treden negatieve externe effecten op.

Vraag 29 2 punten

Leg uit dat een concentratie van toerisme op bepaalde plekken in Nederland kan leiden tot negatieve externe effecten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat in relatie tot de context: • Een correcte redenering waarin het gevolg van concentratie van toerisme wordt uitgelegd. (1) • Een correcte relatie met negatieve externe effecten. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • De leefbaarheid op deze plekken komt onder druk te staan door bijvoorbeeld meer afval / geluidsoverlast / overbelasting van de wegen, en (1) • dit brengt maatschappelijke kosten / kosten die niet in de prijs zijn inbegrepen met zich mee voor anderen dan de leveranciers van diensten aan de toeristen waardoor het externe effecten zijn. (1) (2)

Adviesbureau De Toerist heeft onderzocht hoe het toerisme beter kan worden gespreid over het hele land. Het blijkt dat buitenlandse toeristen in Nederland relatief weinig met het openbaar vervoer reizen. Het adviesbureau pleit ervoor om buitenlandse toeristen via prijsdiscriminatie aan te zetten tot meer gebruik van het openbaar vervoer.

Vraag 30 2 punten

Leg uit dat het toepassen van prijsdiscriminatie in het openbaar vervoer ertoe kan leiden dat het groen bbp stijgt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat in relatie tot de context: • Een correcte redenering dat een lagere prijs (P) leidt tot een hogere afzet (Q). (1) • Een correcte relatie tussen reizen per openbaar vervoer en het groen bbp. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Indien buitenlandse toeristen een lagere prijs betalen (dan Nederlanders), zullen zij sneller bereid zijn het openbaar vervoer te gebruiken. (1) • Hierdoor is er minder overbelasting van het wegennet / minder vervuiling / minder drukte op bepaalde plekken, waardoor schade aan het milieu daalt (en daardoor het groen bbp kan stijgen). (1) (2)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Economie 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-1/ha-1022-a-24-1-o

Andere examens economie havo

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie havo 2024, tijdvak 1?

Het centraal examen economie havo 2024, tijdvak 1 loopt tot vraag 30. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (5), speltheorie (5) en productie en kosten (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie havo 2024, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie havo 2024, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-1/ha-1022-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen economie havo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.