Eindexamen economie havo 2024, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Cashewnoten, Opgave 2 Kiezen voor een tandarts, Opgave 3 Studiekosten, Opgave 4 Rente omlaag, maar dan?, Opgave 5 Zorgen om morgen, Opgave 6 Aanbesteding.
Het centraal examen economie havo 2024, tijdvak 2 telt 28 vragen. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (7), marktvormen (5) en vraag en aanbod (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Overheid en belastingen | 5, 13, 15-16, 21-22, 24 | 7 |
| Marktvormen | 1, 8-11 | 5 |
| Vraag en aanbod | 2-4 | 3 |
| Arbeidsmarkt | 6-7, 23 | 3 |
| Inkomen en consumptie | 12, 19-20 | 3 |
| Speltheorie | 25-27 | 3 |
| Risico en verzekeren | 14, 28 | 2 |
| Geld en inflatie | 17-18 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens economie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over marktvormen (18% van de vragen, gemiddeld 9%) en overheid en belastingen (25% van de vragen, gemiddeld 19%). Minder over internationale handel (0% van de vragen, gemiddeld 8%) en productie en kosten (0% van de vragen, gemiddeld 8%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie havo 2024, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie havo 2024, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie havo 2024, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Cashewnoten
Cashewnoten zijn een belangrijk exportproduct voor Tanzania en een belangrijke bron van inkomsten voor de vele cashewnotenboeren in dat land. De cashewnotenboeren bieden hun oogst aan op een veiling. De veilingklok laat een hoge startprijs zien. Daarna zakt de prijs per kilogram, totdat een koper akkoord is en de cashewnoten koopt voor de aangegeven prijs. Alle cashewnoten zijn van dezelfde soort en kwaliteit.
Vraag 1 2 punten
Van welke marktvorm is sprake op de cashewnotenmarkt? Geef twee kenmerken van deze marktvorm.
Bekijk het antwoord
- volledige mededinging / volkomen concurrentie Voorbeelden van juiste kenmerken zijn: − Er zijn veel aanbieders. − Het product is homogeen. − Vragers en aanbieders kunnen de gehele markt overzien: er is sprake van transparantie. − Er is vrije toe- en/of uittreding. − De verkopers hebben geen marktmacht / de verkopers zijn prijsnemers. indien volledige mededinging en twee juiste kenmerken genoemd (2) indien volledige mededinging en één juist kenmerk genoemd (1) indien geen volledige mededinging en twee juiste kenmerken genoemd (1) alle andere antwoorden (0) (2)
Op de veiling is een gemiddelde marktprijs van 1.550 Tanzaniaanse shilling per kilogram tot stand gekomen. Volgens de boeren is deze marktprijs te laag om de productiekosten te dekken. Om de boeren te behoeden voor faillissement, kondigt de president van Tanzania een minimumprijs van 3.300 Tanzaniaanse shilling per kilogram aan. Het overschot dat als gevolg van de minimumprijs ontstaat, zal worden opgekocht door de overheid. De nieuwe marktsituatie is geschetst in bron 1.
De prijselasticiteit van het aanbod (Ea) is gedefinieerd als: % verandering aangeboden hoeveelheid Ea = % verandering prijs
Gebruik bron 1 en bovenstaande definitie van de prijselasticiteit van het aanbod.
Vraag 2 2 punten
Leid de prijselasticiteit van het aanbod af uit het verloop van de aanbodlijn op de markt van cashewnoten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- (Uit de aanbodlijn blijkt dat) de gehele oogst / de hoeveelheid C wordt aangeboden ongeacht de prijs (1)
- hetgeen betekent dat (de %-verandering van de aangeboden hoeveelheid / de teller van de breuk en dus) de prijselasticiteit van het aanbod gelijk is aan 0 / dat het aanbod (volledig) prijsinelastisch is. (1)
Gebruik bron 1.
Vraag 3 3 punten
Welk vlak geeft het geldbedrag weer van het overschot dat de overheid heeft opgekocht? Noteer de letters van de hoekpunten van het vlak en leg je keuze uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- De totale opkoopkosten worden weergegeven met het vlak BIJC. (1)
- De invoering van de minimumprijs leidt tot een aanbodoverschot (BC / IJ) (1)
- welke tegen de minimumprijs Pmin (= H / I / J) wordt opgekocht. (1)
Bij het besluit om in te grijpen in de markt, heeft de overheid een afweging gemaakt tussen de belangen van verschillende groepen in de samenleving. Een econoom stelt dat twee groepen financieel nadeel ondervinden van de ingreep: de kopers van de cashewnoten en de burgers van het land.
Vraag 4 2 punten
Leg met behulp van het begrip consumentensurplus uit dat de minimumprijs financieel nadelig is voor de kopers van cashewnoten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Het consumentensurplus is gelijk aan het verschil tussen de betalingsbereidheid en de te betalen prijs, en (1) • dit verschil wordt kleiner doordat de kopers een hogere prijs (dan de evenwichtsprijs) moeten betalen (en dit is een nadeel voor de kopers). (1) of via verwijzing naar bron 1: • Het consumentensurplus verandert door de minimumprijs van EKG naar HKI, en (1) • dit betekent dat het consumentensurplus afneemt (en dit is een nadeel voor de kopers). (1) (2)
Vraag 5 1 punt
Geef een reden waarom het opkoopprogramma financieel nadelig is voor de burgers van het land.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Het opkoopprogramma wordt betaald uit belastingafdrachten van burgers. Hierdoor kunnen de belastingafdrachten toenemen. − Het opkoopprogramma kan ten koste gaan van andere overheidsbestedingen waar burgers belang bij hebben. (1)
Een econoom stelt: “Om te kunnen concurreren met andere landen waar cashewnoten worden geproduceerd, zijn economische structuurontwikkelingen nodig. Bijvoorbeeld investeringen in nieuwe technologieën die leiden tot een toename van de arbeidsproductiviteit. Op de korte-termijn kunnen deze investeringen leiden tot een vermindering van de werkgelegenheid op de cashewnotenmarkt, maar op de lange-termijn zijn ze noodzakelijk voor het herstel ervan.” Het korte-termijn effect is in de figuur weergegeven door pijl 1. Het lange-termijn effect is in de figuur weergegeven door pijl 2 en pijl 3.
Toelichting: een “–“ betekent een negatief verband, een “+” betekent een positief verband.
Gebruik pijl 1 uit de figuur.
Vraag 6 1 punt
Geef een argument voor het korte-termijn effect dat investeringen in arbeidsproductiviteit-verhogende technologieën kunnen leiden tot een vermindering van de werkgelegenheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: (korte-termijn effect pijl 1:) Door de gestegen arbeidsproductiviteit zijn minder mensen nodig voor dezelfde productie / mensen worden vervangen door machines, waardoor de werkgelegenheid afneemt (bij gelijkblijvende productie). (1)
Gebruik pijl 2 en 3 uit de figuur.
Vraag 7 2 punten
Leg het lange-termijn effect uit dat investeringen in arbeidsproductiviteit- verhogende technologieën kunnen leiden tot een toename van werkgelegenheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- (lange-termijn effect pijl 2:) Deze investeringen (in arbeidsproductiviteit verhogende technologieën) leiden tot een daling van de loonkosten per product. Hierdoor kunnen de prijzen (van exportgoederen) dalen en verbetert de internationale concurrentiepositie. (1)
- (lange-termijn effect pijl 3:) Hierdoor kan de export van cashewnoten toenemen, waardoor de (binnenlandse) productie toeneemt en de vraag naar arbeid / de werkgelegenheid kan toenemen. (1)
Opgave 2 Kiezen voor een tandarts
Uit een krant, januari 2024:
De overheid van een land wil meer marktwerking in de tandzorg. Vandaar dat er vanaf 1 januari 2024 nieuw beleid van kracht is, waarbij de aanbieders van tandzorg (tandartsen) zelf de tarieven voor hun diensten mogen bepalen. Tandartsen zijn voorstander van dit nieuwe beleid, omdat ze zich dan beter kunnen onderscheiden op kwaliteit. Voorheen werden de tarieven vastgesteld door de overheid. De overheid verwacht dat de marktwerking ertoe zal leiden dat vragers van tandzorg (patiënten) vaker gaan veranderen van tandarts. Er zijn in het land ongeveer 9.000 tandartsen werkzaam en dat is volgens de overheid voldoende om aan de vraag naar tandzorg te voldoen.
De markt voor tandzorg in dit land vertoont sinds 1 januari 2024 kenmerken van monopolistische concurrentie.
Vraag 8 2 punten
Noem twee relevante kenmerken van de marktvorm monopolistische concurrentie en licht die toe aan de hand van het krantenbericht.
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van relevante kenmerken met toelichting zijn: − Er is sprake van prijszetting, want elke aanbieder bepaalt zelf de tarieven. − Er is sprake van een groot aantal aanbieders, want er zijn in het land ongeveer 9.000 tandartsen werkzaam. − Het geleverde product is heterogeen, want er is sprake van verschillende diensten/service/vertrouwensband tussen tandarts en klant. indien twee relevante kenmerken met bijpassende toelichting (2) indien één relevant kenmerk met bijpassende toelichting (1) alle andere antwoorden (0) (2)
Enkele gezondheidseconomen reageren op het nieuwe beleid van de overheid en doen de volgende uitspraken:
1 “Marktwerking zal leiden tot lagere prijzen van tandzorg.”
2 “Als veel patiënten tegen de kosten van tandzorg zijn verzekerd, zal marktwerking niet leiden tot lagere prijzen.”
3 “De overheid zal erop moeten toezien dat tandartsen geen prijsafspraken met elkaar maken.”
Vraag 9 2 punten
Leg uitspraak 1 uit.
Bekijk het antwoord
- Door marktwerking (vrijgeven van de tarieven) ontstaat concurrentie tussen de aanbieders van tandzorg (de tandartsen), en (1)
- deze concurrentie zal leiden tot lagere prijzen, omdat de vragers van tandzorg (de patiënten) op zoek gaan naar goedkopere zorg (bij gelijke kwaliteit). (1)
Vraag 10 2 punten
Leg uitspraak 2 uit.
Bekijk het antwoord
- Als de verzekeraar de kosten vergoedt, zal de vrager / de patiënt geen sterke prijsprikkel hebben / zal deze niet op zoek gaat naar de goedkoopste aanbieder, en (1)
- zal de aanbieder / de tandarts (als deze veel zorg levert aan patiënten met verzekering) geen sterke prikkel hebben om lagere tarieven/prijzen te hanteren. (1)
Vraag 11 2 punten
Noem twee gevolgen van prijsafspraken tussen tandartsen die nadelig zijn voor consumenten.
Bekijk het antwoord
- hogere prijzen (1)
- minder (concurrentie op) kwaliteit (1)
Denzel Martina is niet verzekerd tegen de kosten van tandzorg. Denzel bezoekt ieder half jaar het Mondmedisch Centrum in zijn woonplaats voor een gebitscontrole. Uit landelijke statistieken blijkt dat patiënten die één keer per halfjaar een gebitscontrole laten uitvoeren, gemiddeld een keer per vier jaar een vervolgbehandeling nodig hebben. Per 1 januari 2024 verhoogt het Mondmedisch Centrum de tarieven, en daarom overweegt Denzel het volgende:
- Hij stapt over naar tandartspraktijk De Concurrent.
- Hij sluit een tandzorgverzekering af.
Denzel heeft een risiconeutrale houding ten opzichte van de kosten en verwacht geen verandering in zijn zorgconsumptie.
Denzel Martina maakt het volgende overzicht:
gebitscontrole vervolgbehandeling oud tarief € 24 per halfjaar € 50 per behandeling Mondmedisch Centrum nieuw tarief € 28 per halfjaar € 60 per behandeling Mondmedisch Centrum tarief De Concurrent € 26 per halfjaar € 70 per behandeling eigen risico geen eigen risico € 5 eigen risico per tandzorgverzekering behandeling premie € 69 per jaar tandzorgverzekering
Vraag 12 3 punten
Toon met een berekening aan welke keuze het best past bij de voorkeur van Denzel Martina.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is, via een vergelijking van de verwachte kosten over vier jaar: • Over een periode van vier jaar bestaan de (verwachte) tandartskosten uit 4 x 2 x de halfjaarlijkse gebitscontrole + de kosten van een vervolgbehandeling. Dus de kosten bij de twee tandartsen zijn: Mondmedisch Centrum 4 x 2 x € 28 + € 60 = € 284 De Concurrent 4 x 2 x € 26 + € 70 = € 278 (1) • De kosten bij vier jaar tandzorgverzekering bestaan uit 4 x de jaarpremie + de kosten van het eigen risico bij een vervolgbehandeling = 4 x € 69 + € 5 = € 281. (1) • Denzel (is risiconeutraal en) kiest dus de optie met de laagste verwachte kosten, dat wil zeggen dat de overstap naar De Concurrent (zonder verzekering) het best past bij de voorkeur van Denzel. (1) of via een berekening van de jaarlijkse verwachte kosten: • De jaarlijkse (verwachte waarde van de) tandartskosten bestaan uit 2 x de halfjaarlijkse gebitscontrole + 25% x de kosten van een vervolgbehandeling (want één keer per 4 jaar is gelijk aan jaarlijks een kans van 25%). Dus de jaarlijkse kosten bij de twee tandartsen zijn: Mondmedisch Centrum 2 x € 28 + 0,25 x € 60 = € 71 De Concurrent 2 x € 26 + 0,25 x € 70 = € 69,50 (1) • De jaarlijkse (verwachte waarde van de) kosten bij een tandzorgverzekering bestaan uit de jaarpremie + de kosten van het eigen risico: De premie is € 69 per jaar en de verwachte kosten van het eigen risico zijn 25% (kans) keer het eigen risico per vervolgbehandeling = € 69 + 0,25 x € 5 = € 70,25. (1) • Denzel (is risiconeutraal en) kiest dus de optie met de laagste verwachte kosten, dat wil zeggen dat de overstap naar De Concurrent (zonder verzekering) het best past bij de voorkeur van Denzel. (1) (3)
Opgave 3 Studiekosten
De overheid van een land stimuleert de scholing van volwassenen. Daarom kent het land een regeling waarbij scholingskosten aftrekbaar zijn voor de inkomstenbelasting. Een voorwaarde voor belastingaftrek is dat de studie gericht moet zijn op een beroep en niet op een hobby.
Vraag 13 2 punten
Leg uit dat de overheid met deze regeling ruilt over de tijd.
Bekijk het antwoord
Opmerking Een redenering via beperking van de overheidsbestedingen nu in ruil voor meer bestedingen later kan ook juist zijn.
Niet alle opleidingstrajecten leiden tot een baan met voldoende inkomen. Bij het controleren van de voorwaarden voor scholingskostenaftrek kan de overheid te maken krijgen met asymmetrische informatie.
Vraag 14 2 punten
Leg uit dat asymmetrische informatie een financieel risico voor de overheid kan veroorzaken.
Bekijk het antwoord
- Asymmetrische informatie speelt een rol als de overheid niet (goed) weet of een belastingplichtige / een studie voldoet aan de voorwaarde dat het gericht is op een beroep (met voldoende inkomen), terwijl de ontvanger van de subsidie dat wel weet. (1)
- Dit kan betekenen dat er ook studiekosten worden afgetrokken door belastingplichtigen voor wie de regeling niet bedoeld is en hierdoor ontstaan hogere uitgaven voor de overheid / hierdoor zijn de toekomstige belastingopbrengsten lager dan verwacht. (1)
Een econoom stelt dat mensen in de hoogste inkomenscategorie meer gebruikmaken van de regeling dan mensen in de lagere inkomenscategorieën. Dit wordt versterkt doordat het land een progressief belastingstelsel kent met drie schijven, zie bron 1.
Gebruik bron 1 en bovenstaande tekst.
Vraag 15 2 punten
Geef twee argumenten die de stelling van de econoom onderbouwen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Mensen uit lagere inkomenscategorieën hebben minder financiële ruimte om een studie te bekostigen dan mensen uit de hoogste inkomenscategorie. (1)
- De aftrekpost voor studiekosten levert belastingplichtigen met een hoogste inkomen procentueel een groter voordeel op (49,5%) dan mensen met een lager inkomen (19,03% of 36,93%). (1)
Denise heeft haar hbo-studie pedagogiek met succes afgerond en is inmiddels een aantal jaren werkzaam als leerlingbegeleider. Zij overweegt om volgend jaar in de avonduren te gaan studeren voor een universitaire master orthopedagogiek. Ze wil graag weten wat deze studie haar volgend jaar zou kosten.
De kosten voor de eenjarige master orthopedagogiek zijn:
- collegegeld: € 2.300
- studiematerialen: € 400
Denise mag de kosten boven de drempel van € 300 aftrekken. Ze heeft volgend jaar een bruto-inkomen van € 36.000. Zij heeft geen andere aftrekposten.
Gebruik bron 1.
Vraag 16 2 punten
Bereken de netto-studiekosten van Denise.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- studiekosten € 2.300 + € 400 = € 2.700 De aftrekbare kosten zijn: € 2.700 – € 300 = € 2.400. (1)
- Het inkomen valt in de eerste schijf. belastingvoordeel: € 2.400 x 0,1903 = € 456,72 Totale netto studiekosten = studiekosten – belastingvoordeel = € 2.700 – € 456,72 = € 2.243,28. (1)
Opgave 4 Rente omlaag, maar dan?
Uit een krant:
De Europese Centrale Bank (ECB) heeft haar belangrijkste rentetarief verlaagd naar 0,05% per jaar. Dit rentebesluit is genomen om te voorkomen dat er deflatie ontstaat, als gevolg van de laagconjunctuur waarin de Europese economie zich bevindt. Verwacht wordt dat de renteverlaging zal doorwerken in andere rentetarieven. Dat kan tot gevolg hebben dat:
- spaarders zullen overstappen naar aandelen;
- particuliere bestedingen (consumptie en investeringen) toenemen;
- meer huurders een eigen woning gaan aanschaffen.
Vraag 17 2 punten
Leg uit dat deflatie de laagconjunctuur versterkt.
Bekijk het antwoord
- Consumenten verwachten verdere prijsdalingen en stellen consumptie uit (met als gevolg dat bedrijven hun investeringen uitstellen). (1)
- Dit kan leiden tot een negatieve spiraal van steeds verder dalende bestedingen/productie. (1)
Een econoom reageert op het krantenbericht met twee beweringen.
Bewering 1: “Door de renteverlaging zullen in een laagconjunctuur de bedrijfsinvesteringen nauwelijks toenemen.”
Bewering 2: “De afweging van huurders om nu al dan niet over te gaan tot koop van een eigen woning, is gebaseerd op veel meer factoren dan alleen de hoogte van het rentetarief. Ik heb een voorbeeld uitgewerkt (bron 1).”
Vraag 18 2 punten
Leg bewering 1 uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- In een laagconjunctuur hebben bedrijven geen / lage winstverwachtingen, (1p)
- waardoor investeringen (naar verwachting) niet kunnen worden terugverdiend, en daardoor nauwelijks toenemen. (1p)
Gebruik bewering 2 en bron 1.
Vraag 19 3 punten
Laat met een berekening zien dat de jaarlijkse woonlast bij koop pas na drie jaar lager is dan bij huren. Bereken hiertoe de jaarlijkse woonlasten in het derde en vierde jaar.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Jaarlijkse woonlasten bij eigen woning: hypotheekrente: 2% van € 240.000 = € 4.800 overige woonlasten: 12 × € 250 = € 3.000 € 7.800. (1)
- Jaarlijkse woonlasten bij huurwoning: De huur wordt jaarlijks verhoogd met 4%. In het derde jaar is de jaarlijkse huursom € 7.200 × 1,04 × 1,04 = € 7.787,52 (en dat is kleiner dan € 7.800). In het vierde jaar is de jaarlijkse huursom € 7.200 × 1,04 × 1,04 × 1,04 = € 8.099,02. (1)
- Dus de jaarlijkse huursom in het vierde jaar is groter dan € 7.800 / meer dan de jaarlijkse woonlasten bij een eigen woning. (1)
Gebruik bewering 2 en bron 1.
Vraag 20 1 punt
Noem een andere reden dan genoemd in bewering 2 en bron 1, die huurders kunnen betrekken in hun afweging om al dan niet een eigen woning te kopen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − een mogelijke waardestijging van de koopwoning − onzekerheid over inkomen in de toekomst − een mogelijke verandering in het belastingstelsel, zoals beperking van de aftrek van hypotheekrente / stijging van het eigenwoningforfait − consumentenvoorkeur voor een bepaald type woning (1)
Opgave 5 Zorgen om morgen
Door een stijgende levensverwachting en minder geboorten verandert de samenstelling van de Nederlandse bevolking. Het Centraal Planbureau (CPB) analyseert de gevolgen hiervan voor de overheidsfinanciën en voor de solidariteit tussen generaties. Hiervoor kijkt het CPB naar het houdbaarheidssaldo. Het houdbaarheidssaldo geeft aan of het huidige niveau van de overheidsvoorzieningen op lange termijn betaalbaar en houdbaar is, zonder dat de overheidsschuld oploopt of de belastinginkomsten moeten worden verhoogd.
Voorbeelden van gelijkblijvende overheidsvoorzieningen zijn:
- dat er in de toekomst voor elke leerling evenveel leraren zijn als nu,
- dat er voor elke oudere evenveel handen aan het bed zijn als nu,
- dat uitkeringen welvaartsvast zijn.
Als er een houdbaarheidstekort is, dan betekent dit dat de voorzieningen in de toekomst slechter betaalbaar zijn.
Het CPB constateert dat de leeftijdsopbouw van de bevolking verandert en dat het aantal 67-plussers als percentage van het aantal 20- tot 66-jarigen in de periode tot 2040 sterk zal stijgen (zie bron 1).
Gebruik bron 1.
Vraag 21 2 punten
Leg uit dat het houdbaarheidssaldo kan verslechteren als gevolg van de ontwikkeling van de grijze druk.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Omdat 67-plussers gemiddeld meer gebruik maken van overheidsuitgaven (aow, zorg) / minder belasting afdragen dan de 20- tot 66-jarigen, (1)
- stijgen de overheidsuitgaven / dalen de overheidsinkomsten en daalt het toekomstige overheidssaldo (bij een gelijkblijvend voorzieningenniveau en dus verslechtert het houdbaarheidssaldo). (1)
Aan de andere kant verwacht het CPB dat het aanbod van arbeid binnen de groep van 20- tot 66-jarigen zal toenemen, doordat een groter deel van die groep besluit te gaan werken.
Vraag 22 2 punten
Leg uit dat deze ontwikkeling zowel kan leiden tot hogere toekomstige overheidsinkomsten alsook tot lagere toekomstige overheidsuitgaven.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Als het arbeidsaanbod van de 20- tot 66-jarigen toeneemt,
De recente verhoging van de pensioenleeftijd lost het houdbaarheidstekort gedeeltelijk op. Om de betaalbaarheid van overheidsvoorzieningen verder te verbeteren, stelt een econoom een aantal beleidsopties voor aan de Nederlandse regering:
1 Verhoog het tarief van alle belastingschijven in het progressieve belastingstelsel met 1 procentpunt.
2 Verlaag de uitkeringen, inclusief de AOW.
Een van de twee beleidsopties kan leiden tot een daling van het arbeidsaanbod.
Vraag 23 2 punten
Leg uit welke van de twee beleidsopties kan leiden tot een daling van het arbeidsaanbod.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
- Bij beleidsoptie 1 (verhoging van het marginaal belastingtarief) daalt het besteedbaar inkomen / nettoloon, (1)
- waardoor de prikkel om (meer) te gaan werken kan afnemen (en dit betekent dat het arbeidsaanbod daalt). (1)
Een van de twee beleidsopties leidt tot denivellering.
Vraag 24 2 punten
Leg uit welke van de twee beleidsopties leidt tot denivellering.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Beleidsoptie 1 is onjuist, want deze optie leidt tot nivellering.
Opgave 6 Aanbesteding
De gemeente wil een nieuw gemeentehuis laten bouwen. Gezien de complexiteit van de bouw, wil de gemeente de opdracht aan twee aannemers (Bouwrijk en Schot in de Zaak) gunnen. De gemeente zal de totale aanneemsom betalen aan aannemer Bouwrijk. Vooraf stelt de gemeente de volgende voorwaarde: Bouwrijk stelt een verdeling van het bedrag voor. Vervolgens moet Schot in de Zaak besluiten om in te stemmen of te weigeren. Er is geen mogelijkheid voor onderhandelen, omdat de gemeente snel een antwoord verwacht. Bij weigering gaat de opdracht naar twee andere aannemers. Aannemer Bouwrijk gaat voortvarend te werk en doet Schot in de Zaak een voorstel voor een verdeling van de totale aanneemsom.
De totale aanneemsom en de startkosten voor beide bedrijven zijn als volgt:
totale startkosten startkosten Schot in de aanneemsom Bouwrijk Zaak € 485.000 € 12.500 € 25.000
Vraag 25 2 punten
Leg uit welk verdelingsvoorstel (uitgedrukt in hele euro’s) aannemer Schot in de Zaak minimaal zal accepteren, als deze uitsluitend het eigenbelang op korte termijn nastreeft.
Bekijk het antwoord
- De aannemer Schot in de Zaak zal een verdeling accepteren waarmee de eigen startkosten worden terugverdiend. (1)
- Het minimale verdelingsvoorstel dat Schot in de Zaak zal accepteren is € 25.000 / € 25.001. (1)
Er zijn voor de toekomst twee situaties mogelijk: a De twee aannemers zullen in de toekomst nooit meer met elkaar samenwerken. b De twee aannemers zullen in de toekomst vaker met elkaar samenwerken.
Vraag 26 2 punten
Wordt het voorstel van Bouwrijk aan Schot in de Zaak in situatie b hoger of lager dan in situatie a? Leg je keuze uit.
Bekijk het antwoord
- Als beide partijen vaker samenwerken, speelt vertrouwen (in een gunstige toekomstige samenwerking) een rol bij de keuze van Schot in de Zaak (om het voorstel te accepteren of te weigeren). (1)
- Bouwrijk (weet dat en) zal een hoger bedrag voorstellen (dan in de eerste situatie om daarmee vertrouwen van Schot in de Zaak te winnen). (1)
Stel dat de twee aannemers bij hun strategie rekening houden met een sociale norm.
Vraag 27 2 punten
Onderbouw met een voorbeeld welke invloed een sociale norm kan hebben op het gedrag van beide aannemers.
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord bevat in relatie tot de context: • Een juist voorbeeld van een sociale norm. (1) • Een juiste beschrijving van de invloed van die sociale norm op het gedrag van beide aannemers / beide spelers. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Als de omgeving sociale normen heeft over bijvoorbeeld een gelijke verdeling bij gelijke prestatie, (1) • dan zal Schot in de Zaak een (te laag) bedrag dat niet voldoet aan de sociale norm (bijvoorbeeld over eerlijke verdeling) weigeren, en dan zal Bouwrijk vanwege de sociale norm een hoger bedrag voorstellen om gezichtsverlies in de sociale omgeving te voorkomen. (1) (2)
De aannemers hebben in hun startkosten de kosten van een aansprakelijkheidsverzekering meegenomen. De verzekeraar biedt de keuze tussen een hoog of een laag eigen risico.
Vraag 28 2 punten
Geef twee redenen waarom een verzekeraar een lagere premie kan vragen bij een hoger eigen risico.
Bekijk het antwoord
- De verzekeraar kan een lagere premie vragen, omdat zij een lager bedrag hoeft uit te keren / de verzekerde een groter deel van de schade zelf betaalt, en (1)
- de verzekerde zal zich bij een hoger eigen risico meer inspannen om de schade te voorkomen of te beperken / bij een hoger eigen risico wordt moral hazard beperkt. (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Economie 2024, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-2/ha-1022-a-24-2-o
Andere examens economie havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie havo 2024, tijdvak 2?
Het centraal examen economie havo 2024, tijdvak 2 telt 28 vragen. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (7), marktvormen (5) en vraag en aanbod (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen economie havo 2024, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van economie havo 2024, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-2/ha-1022-a-24-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen economie havo 2024, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.