Eindexamen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Uitrijden van een auto, gevormd., Elektrische tandenborstel, MRI (Magnetic Resonance Imaging), Energievoorziening voor een weerstation.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (5), geluid en trillingen (4) en magnetisme (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Astrofysica6, 9-125
Geluid en trillingen13-164
Magnetisme18-214
Elektriciteit23-264
Beweging1, 3-43
Straling7-8, 173
Energie en arbeid5, 222
Grootheden en eenheden21

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over geluid en trillingen (15% van de vragen, gemiddeld 7%) en astrofysica (19% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over straling (12% van de vragen, gemiddeld 22%) en licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Uitrijden van een auto

Een auto (m = 1520 kg) rijdt met een snelheid van 33,3 m s−1 (= 120 km h−1) over een vlakke weg bij windstil weer. Op t = 0 s trapt de bestuurder het koppelingspedaal in, zodat de motor niet meer met de wielen verbonden is. Nu ‘rijdt de auto uit’ en komt de auto een tijdje later tot stilstand. Het (v,t)-diagram van het uitrijden staat in figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen] v 40 (m s−1) 30

20

10

0

0 40 80 120 160 200 t (s)

De uitrij-afstand is de afstand die de auto aflegt vanaf het moment dat het uitrijden begint tot het moment dat hij stilstaat. Figuur 1 staat vergroot op de uitwerkbijlage.

Vraag 1 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de uitrij-afstand.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: s = 1,8 km (met een marge van 0,2 km)

voorbeelden van een bepaling:

methode 1 De uitrij-afstand komt overeen met de oppervlakte onder de grafiek vanaf t = 0 s. Dit levert 18 hokjes. Elk hokje komt overeen met 5 ⋅ 20 =100 m. Dus de uitrij-afstand is 1,8 km.

  • completeren van de bepaling (1p)

of

methode 2 Voor de uitrij-afstand geldt: s = vgemt. De gemiddelde snelheid is te bepalen uit de grafiek. Dit levert vgem = 12 m s −1. Dus voor de uitrij-afstand geldt: s =vgemt =12 ⋅150 =1800 m =1,8 km.

  • inzicht dat s = vgemt (1p)
  • bepalen van de gemiddelde snelheid tussen 10, 7 m s −1 en 13,3 m s −1 (1p)

Opmerking Aan een antwoord uitgaande van s = vbegin t : geen scorepunten toekennen.

Om inzicht te krijgen in de beweging van de auto, is een computermodel gemaakt. Het model is weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] model startwaarden (in SI-eenheden) Frol

Flucht = k · v2 t=0 Fres = Flucht + Frol m dt = 0,01 Fres a =

  • Fres / m v = 33,3 dv = a · dt m = 1520 v v = v + dv k = 1,62 a Flucht t = t + dt Frol = 76 k

Vraag 2 2 punten

Leid de eenheid van de evenredigheidsconstante k af in basiseenheden (grondeenheden) van het SI, zoals ze staan in BiNaS-tabel 3A en ScienceData-tabel 1.3a.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uitgaande van de formule F = k · v2, geeft dat voor de eenheid van k: [F ] N kg m s −2 [k] = = = = kg m −1. v 2  (m s −1 ) 2 (m s −1 ) 2  

Opmerkingen

  • Als de kandidaat de formule Flucht = k · v2 gelijkstelt aan de formule Fw,l = 12 ρ Cw Av 2 : niet aanrekenen.
  • De kandidaat hoeft de notatie met de vierkante haken niet te gebruiken.

De resultaten van dit model zijn weergegeven in figuur 3. In figuur 3 staat ook de grafiek van figuur 1.

[figuur 3: zie het originele examen] v 40 (m s−1) 35

30

25

20

15

10

5

0 −20 0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 t (s) Legenda: = gemeten = modelbereking

De waarden van de parameters k en Frol zijn nog niet goed gekozen, zodat de grafiek met de resultaten van het model niet goed overeenkomt met de gemeten grafiek van figuur 1.

Vraag 3 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit of de startwaarde van k groter of kleiner gekozen moet worden om de waarden wel goed overeen te laten komen.
  • Leg uit of de startwaarde van Frol groter of kleiner gekozen moet worden om de waarden wel goed overeen te laten komen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een antwoord:

methode 1

  • Bij hoge snelheid is de invloed van (Flucht en dus van) k het grootst. We zien in de uitkomst van het model dat de (v,t)-grafiek in het begin te snel daalt in vergelijking met de meetwaarden. Dat betekent dat de weerstandskracht in het model bij hoge snelheid te groot is. De startwaarde van k moet dus kleiner gekozen worden.
  • Bij lage snelheid is de invloed van Frol het grootst. De helling van de (v,t)-grafiek volgens het model is niet groot genoeg. De startwaarde van Frol moet dus groter gekozen worden.
  • consequente conclusie voor Frol (1p)

of

methode 2

  • De invloed van (Flucht en dus van) k is het grootst bij hoge snelheid. We zien in de uitkomst van het model dat de (v,t)-grafiek in het begin te snel daalt in vergelijking met de meetwaarden. Dat betekent dat de weerstandskracht in het model bij hoge snelheid te groot is. De startwaarde van k moet dus kleiner gekozen worden.
  • Frol bepaalt het verloop van het laatste deel van de grafiek als de snelheid klein is. De helling van de (v,t)-grafiek volgens het model is niet groot genoeg. De startwaarde van Frol moet dus groter gekozen worden.
  • constatering dat de helling bij hoge snelheid te groot is en bij lage snelheid niet groot genoeg is (1p)

Het model van figuur 2 kan worden uitgebreid om ook de uitrij-afstand te berekenen, waarbij het model stopt als de uitrij-afstand bereikt is.

Vraag 4 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Beschrijf welke modelregel(s) moet(en) worden toegevoegd.
  • Beschrijf welke stopvoorwaarde moet worden toegevoegd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Beschrijven van toe te voegen modelregels voor x ( en dx) bijvoorbeeld: x = x + dx en dx = v · dt
  • Beschrijven van de stopvoorwaarde bijvoorbeeld: als v ≤ 0 dan stop eindals

Opmerkingen

  • De formulering van de antwoorden hoeft niet volgens de afspraken van een computermodel te zijn.
  • De beschrijving hoeft geen modelregel te zijn.
  • De beschrijving mag ook een aanvulling van het grafisch model zijn.
  • Bij het laatste scorepunt v < 0 goed rekenen.
  • Bij het laatste scorepunt v = 0 niet goed rekenen.

Met de nieuwe, aangepaste startwaarden voor k en Frol past de uitkomst van het model wel bij de metingen. Figuur 4 laat een deel van de (v,t)-grafiek zien die het aangepaste model geeft. Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 4: zie het originele examen] 29 v (m s−1) 28

27

26

25

24

23

22

0

0 11 13 15 17 19 21 23 25 t (s)

Uit deze figuur is het vermogen te bepalen dat de auto moet leveren om met een bepaalde constante snelheid te rijden.

Vraag 5 5 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het vermogen dat de motor moet leveren bij een constante snelheid van 25 ms −1 (= 90 km h −1 ).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

1,8 104 W = uitkomst: Pmotor =⋅ 18 kW (met een marge van 2 kW)

voorbeeld van een bepaling: Een constante snelheid betekent: Fmotor = Fweerstand . De waarde van Fweerstand is te bepalen uit figuur 4. In de situatie van figuur 4 geldt: Fres = Fweerstand . ∆v Er geldt: Fres = ma, met a = in de grafiek bij een snelheid van 25 m s −1 . ∆t ∆v 26,8

  • 22, 0 a = Dit levert: = = 0, 462 m s −2 . ∆t 21, 4
  • 11, 0 Dus geldt: Fmotor =Fweerstand =1520 ⋅ 0, 462 =702 N. Dus geldt voor het vermogen: Pmotor = Fmotor v = 702 ⋅ 25 = 1,8 ⋅104 W = 18 kW.

Opmerkingen

  • Het eerste inzicht mag impliciet getoond worden.
  • Aflezen over de scheurlijn: niet aanrekenen.

gevormd.

Een komeet met een massa van 12 ·103 kg beweegt op een hoogte van

100 km boven het aardoppervlak met een snelheid van 50 km s−1 richting de aarde. Bij aankomst op de aarde is de massa van de komeet afgenomen tot 6, 0 ·103 kg. Het totaal van de kinetische energie en de gravitatie-energie is dan nog slechts 0,20% van de oorspronkelijke totale energie. (Het verschil in gravitatie-energie ten opzichte van de zon is bij deze overgang verwaarloosbaar.)

Vraag 6 5 punten

Bereken met welke snelheid de komeet op de aarde aankomt.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

v 1, 2 ⋅104 m s −1 uitkomst: =

voorbeeld van een berekening: Voor de totale energie geldt: Etot = Ek + Eg . mM Dus geldt: Etot verweg =12 mv 2

  • G = r

2 6, 67 ⋅10 −11 ⋅12, 0 ⋅103 ⋅ 5,972 ⋅10 24

2 (

1 ⋅1, 2 ⋅104 ⋅ 5, 0 ⋅10 4 )

  • 6,371 ⋅106 + 0,100 ⋅106 =

1,5 ⋅1013

  • 7,39 ⋅1011 =1,43 ⋅1013 J. Op aarde geldt dan: Etot Aarde = 0, 0020 ⋅1, 43 ⋅1013 = 2,85 ⋅1010 J. Voor de totale energie geldt: Etot Aarde = Ek + Eg . mM Dus geldt: 2,85 ⋅1010 = 1 mv 2
  • G 2 . Raarde Invullen levert: 2,85 ⋅1010 = −11

1 ⋅ 6, 0 ⋅103 ⋅ v 2

  • 6, 67 ⋅10 ⋅ 6, 0 ⋅103 ⋅ 5,972 ⋅1024 2 . 6,371 ⋅106 v 1, 2 ⋅104 m s −1. Dit levert: =

Een komeet zendt IR-straling uit. Het spectrum daarvan bestaat uit een deel met lijnen en een continu deel. Uit het spectrum kan men meer te weten komen over de temperatuur en de chemische samenstelling van de komeet. Op de uitwerkbijlage staat een tabel.

Vraag 7 2 punten

Geef in de tabel op de uitwerkbijlage met een kruisje voor elk deel van het spectrum aan, of daarmee de chemische samenstelling of de temperatuur van de komeet te bepalen is, of geen van beide.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • antwoord: deel van het chemische temperatuur geen van spectrum samenstelling van de komeet beide van de komeet lijnen X continu X per juiste rij (1) (2)

Uit spectroscopische analyses van een aantal kometen en planetoïden blijkt dat deze water bevatten met dezelfde isotopenverhouding van waterstof ( 11 H ) en deuterium ( 21 D = 21 H ) als op aarde. Men neemt aan dat water gevormd is in ‘interstellaire wolken’ bij een temperatuur van 10 K . Eén van de reacties voor watervorming is:

(1) OH + H 2 → H 2O + H

Deze reactie vindt plaats aan figuur 1 het oppervlak van E microscopische stofdeeltjes (eV) waarbij ijsmantels om de stofdeeltjes worden gevormd. Ea = 0,18 eV Zoals bij veel reacties moet ook bij deze reactie een OH + H2 activeringsenergie Ea 0 a = 0,10 nm overwonnen worden. Zie figuur 1.

H 2O + H Over deze reactie zijn twee theorieën opgesteld.

  • theorie 1 De activeringsenergie Ea wordt geleverd door de thermische energie van de betrokken deeltjes. Bij 2100 K hebben de deeltjes een gemiddelde thermische energie van 0,18 eV.
  • theorie 2 De energiebarrière wordt doorbroken door het quantum-tunneleffect.

over theorie 1 De waarschijnlijkheid W dat de reactie optreedt volgens theorie 1 is alleen afhankelijk van de temperatuur T. In figuur 2 is deze waarschijnlijkheid W 1 weergegeven als functie van T

[figuur 2: zie het originele examen]

1 (K−1) T

0 0,02 0,04 0,06 0,08 0,10 0,12 1

10-20

10-40

10-60

10-80 W 10-100

Vraag 8 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal met behulp van figuur 2 de verhouding van de waarden van W bij 10 K en bij 2100 K.
  • Leg hiermee uit dat theorie 1 geen goede verklaring geeft voor het ontstaan van water bij 10 K.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Bij 10 K is T −1 gelijk aan 0,1: de waarschijnlijkheid W is dus 10−90. Bij 2100 K is T −1 gelijk aan 0,0005: de waarschijnlijkheid W is dan te schatten als 1. De verhouding tussen de twee waarden van W is dus 1090 (of 10−90 ).
  • Dus de kans is (in verhouding) zo klein dat theorie 1 geen goede verklaring geeft voor het ontstaan van water bij 10 K.

Opmerking Bij deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.

over theorie 2 Als een H2-deeltje en een OH-deeltje zich voldoende dicht bij elkaar aan het oppervlak van een vast stofdeeltje bevinden, kan er een reactie door het quantum-tunneleffect plaatsvinden. In deze reactie ‘verhuist’ een H-atoom van het H2-deeltje naar het OH-deeltje, over een afstand a = 10−10 m.

Voor deeltjes met een massa m geldt voor de debroglie-golflengte λ in een omgeving met temperatuur T:

h λ= 2πmkBT

Hierin is:

  • kB de constante van Boltzmann;
  • h de constante van Planck.

Vraag 9 3 punten

Leg met behulp van deze formule en met figuur 1 uit of er onder deze omstandigheden een redelijke kans is op het quantum-tunneleffect.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de debroglie-golflengte geldt: h 6, 63 ⋅10−34 λ= = = 5,5 ⋅10−10 m. 2πmkBT

  • 27
  • 23 2π ⋅1, 67 ⋅10 ⋅1,38 ⋅10 ⋅10 Deze is in de orde van grootte van / groter dan de breedte a, dus er is een behoorlijke kans op het quantum-tunneleffect.

Opmerkingen

  • Bij deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
  • Als de eenheid m niet genoteerd is: niet aanrekenen.

Wetenschappers onderzoeken deze reactie in een laboratorium. Ze vervangen daarbij alle waterstofkernen ( 11 H ) door deuteriumkernen ( 21 D = 21 H ). Dit levert de volgende reactie:

(2) OD + D 2 → D 2O + D

Voor reactie (2) zijn de hoogte en de breedte van de energiebarrière gelijk aan die van reactie (1), zoals weergegeven in figuur 1. Maar reactie (2) heeft een andere kans op het quantum-tunneleffect dan reactie (1).

Vraag 10 2 punten

Leg uit of de kans dat het quantum-tunneleffect optreedt met deuteriumkernen groter of kleiner is dan met waterstofkernen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een uitleg: Bij vervanging van H door D neemt de massa van het tunnelende deeltje toe. Hier uit volgt (bijvoorbeeld door gebruik te maken van de formule) dat de kans op het quantum-tunneleffect kleiner wordt.

Tim heeft moeite met theorie 2. Hij zegt: “In figuur 1 blijven de hoogte en breedte van de energiebarrière constant, dus je kunt net zo makkelijk ‘terug-tunnelen’ en dan wordt het water weer even snel afgebroken.”

Vraag 11 2 punten

Leg uit of Tim gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Tim heeft geen gelijk. Vanaf de rechterkant is de energiebarrière hoger. De kans op de omgekeerde reactie (van rechts naar links) is dus kleiner.

Opmerking Aan een redenering die stelt dat bij tunneling energie verloren gaat, geen scorepunten toekennen.

Water maakt leven op een planeet mogelijk. In tabel 32H van BiNaS en in tabel 3.1a van ScienceData wordt het verband gegeven tussen de temperatuur van het heelal en de tijd sinds de oerknal. Ewine stelt dat het heelal oud genoeg moet zijn voor het vormen van water volgens theorie 2.

Vraag 12 2 punten

Leg uit dat Ewine gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor watervorming volgens theorie 2 moet de temperatuur laag (genoeg) zijn en moet het heelal dus koud zijn. Uit de tabel blijkt dat het lange tijd duurde voor de temperatuur van het heelal laag genoeg was. (Dus Ewine heeft gelijk.)

Elektrische tandenborstel

Figuur 1 is een foto van een elektrische tandenborstel. figuur 1 Hierin is een trilmechanisme verwerkt. Ludo wil de frequentie waarmee dit trilmechanisme trilt bepalen. Hij bouwt hiertoe de opstelling zoals weergegeven in figuur 2. De tandenborstel is hier in een statief geklemd en het borsteltje is verwijderd. Aan het trillende deel van het apparaat is een koord bevestigd, dat over een katrol is gelegd en strak wordt gehouden door het gewicht van een aantal blokjes met een totale massa m. Als Ludo de tandenborstel aanzet, kan er een staande golf ontstaan in het koord.

[figuur 2: zie het originele examen]

Ludo bepaalt voor een aantal waarden van m steeds de lengte L en het aantal buiken n. L is de afstand van de tandenborstel tot de katrol. Zijn meetresultaten staan in de tabel hieronder.

m (kg) L (m) n 0,100 1,26 9 0,200 1,50 6 0,300 1,44 5 0,400 1,62 5 0,500 1,43 4

Van de meetresultaten maakt Ludo de grafiek van figuur 3, waarin hij de golflengte λ uitzet tegen de spankracht F in het koord.

Vraag 13 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit: figuur 3

  • Laat met een berekening zien dat de 0,8 λ waarden van de eerste meting (m) (m = 0,100 kg) juist in de grafiek zijn 0,6 gezet.
  • Geef aan hoe uit de grafiek volgt dat er 0,4 geen recht evenredig verband is tussen de golflengte en de spankracht. 0,2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: 9

  • Voor de eerste meting geldt: L = λ. 2

2 (2) Dus geldt: λ =L =⋅1, 26 = 0, 28 m.

9 (9) Voor een spankracht geldt: F =Fz =mg =0,100 ⋅ 9,81 =0,981 N. (Deze waarden zijn juist in de grafiek gezet.)

  • Een recht evenredig verband wordt in een grafiek weergegeven als een rechte lijn door de oorsprong. In dit geval is hiervan geen sprake.

9

Opmerkingen

  • Bij deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
  • Bij deze vraag hoeven de eenheden niet genoemd te worden.

0 Voor de voortplantingssnelheid van een 0 1 2 3 4 5 transversale golf in een koord geldt: F (N) [figuur 4: zie het originele examen]

F 0,6 v= λ2 ρλ (m2) 0,5

Hierin is: 0,4

  • v de voortplantingssnelheid (in m s−1);
  • F de spankracht (in N); 0,3
  • ρλ de lineaire massadichtheid van het koord (in kg m−1). 0,2

0,1 Voor de verdere verwerking van zijn meetresultaten maakt Ludo een grafiek 0 waarbij hij λ 2 uitzet tegen de spankracht 0 1 2 3 4 5

F (N) F. Daarna trekt hij een rechte lijn, die zo goed mogelijk door de punten gaat. Het resultaat is in figuur 4 weergegeven. Met behulp van de rechte lijn bepaalt hij de frequentie van het trilmechanisme van de elektrische tandenborstel.

Vraag 14 1 punt

Waarom is het nauwkeuriger om de rechte lijn te gebruiken dan één van de meetpunten?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Het antwoord ‘Minder kans op meetfouten’, niet goed rekenen.

−4 −1 Het koord heeft een lineaire massadichtheid van 1,24 · 10 kg m .

Vraag 15 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leid onder andere met de gegeven formule af, dat de steilheid van de 1 (λ 2 , F ) -grafiek gelijk is aan . ρλ f 2
  • Bepaal met behulp van deze steilheid de frequentie van het trilmechanisme van de elektrische tandenborstel die uit deze metingen volgt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

f 2,8 ⋅102 Hz (met een marge van 0,1 ⋅102 Hz ) uitkomst: =

voorbeeld van een bepaling: F

  • Er geldt: v = λ f met v = . ρλ

F F Invullen levert: λ f = , dus λ 2 f 2 = . ρλ ρλ

F (1) Omschrijven levert: λ 2 = (2) of λ 2 = F. ρλ f ρλ f 2 1 De steilheid van de lijn komt dus overeen met . ρλ f 2 0,53

  • De steilheid bedraagt: = 0,106 (m 2 N −1 ). 5, 0

1 (1) f Dus geldt: = = = 2,8 ⋅102 Hz. −4 0,106 ⋅ ρλ 0,106 ⋅1, 24 ⋅10

Opmerkingen

  • Als de kandidaat een getekend punt neemt om de steilheid te bepalen, anders dan het punt bij 4 N, maximaal 3 scorepunten toekennen.
  • Als de kandidaat de steilheid bepaalt met één punt op de lijn: uiteraard goed rekenen.

Ludo wil bij dezelfde frequentie minder knopen en buiken laten ontstaan in dit koord.

Vraag 16 2 punten

Noem twee grootheden die Ludo daartoe kan aanpassen en geef van beide grootheden apart aan of die groter of kleiner moeten worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat F noemt in plaats van m: niet aanrekenen.

MRI (Magnetic Resonance Imaging)

Een MRI-scanner kan 3D-beelden van het inwendige van een patiënt maken. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een sterk magnetisch veld B en van radiogolven. Zie figuur 1 voor een opengewerkte afbeelding van een MRI-scanner.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 17 2 punten

Leg uit dat een MRI-scan veiliger is voor de patiënt dan een CT-scan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Een CT-scan wordt met behulp van ioniserende straling gemaakt. Dit geeft verhoogde gezondheidsrisico’s. (Magneetvelden en radiogolven hebben geen ioniserende werking. Dus is een MRI-scan veiliger dan een CT-scan.)

De waterstofkernen (protonen) in het lichaam van een patiënt gedragen zich als kleine magneetjes. Deze richten zich als er een magnetisch veld BMRI wordt aangelegd. De waterstofkernen kunnen dan in dezelfde richting als BMRI staan (parallel) of tegengesteld aan BMRI (antiparallel). De waterstofkernen parallel aan BMRI bevinden zich in een lager energieniveau dan de kernen antiparallel aan BMRI. In het lage energieniveau zitten meer waterstofkernen dan in het hoge energieniveau. Bij een sterker magnetisch veld is er een groter overschot aan waterstofkernen in het lage energieniveau. Dit is schematisch weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] Legenda: parallel aan BMRI Energie antiparallel aan BMRI

BMRI = 0,0 T

BMRI = 2,5 T BMRI = 5,0 T

Voor het energieverschil tussen de waterstofkernen die parallel aan BMRI en de waterstofkernen die antiparallel aan BMRI staan, geldt:

ΔE = γ hBMRI

Hierin is:

  • γ een constante die voor waterstof gelijk is aan: 42,57 MHz T−1;
  • h de constante van Planck in J s;
  • BMRI de sterkte van het magnetisch veld in T.

Er wordt nu een RF-puls (Radio Frequente puls, puls van radiostraling) naar de patiënt gezonden met fotonen die precies de energie ΔE hebben die nodig is om de waterstofkernen in het hoge energieniveau te brengen.

Vraag 18 2 punten

Bereken de frequentie die de RF-puls moet hebben bij een magnetisch veld van 5,0 T.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

f 2,1 ⋅108 Hz uitkomst: =

voorbeeld van een berekening: Er geldt: ∆E =hf . Invullen geeft: hf = γ hBMRI . Dit levert: f = γ BMRI = 42,57 ⋅106 ⋅ 5, 0 = 212,9 MHz = 2,1 ⋅108 Hz.

Het magnetisch veld BMRI bestaat uit een constant magnetisch veld B0 en het zogenaamde gradiëntveld Bg. Bg heeft dezelfde richting als B0 of is tegengesteld aan B0 en is niet op elke plaats even sterk. Er geldt: BMRI = B0 + Bg . Het gradiëntveld Bg wordt opgewekt door stroom te sturen door twee spoelen. Zie figuur 3 voor een schematische weergave. Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 3: zie het originele examen] gradiëntspoelen

B0

Q S P R

Op een bepaald moment stelt men het gradiëntveld in figuur 3 zodanig in dat het totale magnetisch veld BMRI bij het hoofd van de patiënt minder sterk is dan B0 en bij de voeten sterker is dan B0.

Vraag 19 3 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage voor elke gradiëntspoel aan:

  • de richting van het magnetisch veld dat het gradiëntveld levert;
  • de richting van de stroom;
  • de polariteit van de aansluitingen (plus of min bij P, Q, R en S).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • inzicht dat het magneetveld bij het hoofd tegengesteld is aan B0 / dat het magneetveld bij de voeten gelijk gericht is aan B0 (1)
  • consequent de stroomrichting in de spoelen aangegeven (volgend uit de richtingsregel) (1)
  • consequente tekens bij de polen P, Q, R en S (1)

In figuur 4 staat het verloop op een bepaald moment van het totale magnetisch veld BMRI schematisch weergegeven. De patiënt blijft op dezelfde plaats liggen. Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 4: zie het originele examen]

B (T) BMRI

B0 ∆B

x (m) ∆x

De RF-puls heeft een vaste frequentie zoals in vraag 18 berekend en een vaste bandbreedte. Door deze vaste bandbreedte worden waterstofkernen in een gebiedje ΔB naar het hoge energieniveau gebracht. Hierdoor worden fotonen geabsorbeerd en even later geëmitteerd door waterstofkernen uit een plakje Δx. De plaats in het lichaam en de dikte van het plakje Δx zijn in te stellen door het gradiëntveld Bg te variëren. Het veld B0 blijft daarbij constant.

Men verandert het gradiëntveld Bg zodat het plakje Δx dunner wordt en bij het hoofd van de patiënt komt te liggen.

Vraag 20 2 punten

Teken in de figuur op de uitwerkbijlage hoe BMRI daartoe nu verloopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • inzicht dat het magnetisch veld steiler moet lopen (1)
  • inzicht dat de waarde van het magnetisch veld bij het hoofd groter moet zijn (1)

Na het uitschakelen van de RF-puls figuur 5 zenden de waterstofkernen gedurende een aantal milliseconden een signaal uit. Weefsels met veel waterstofkernen geven een signaal met een hoge intensiteit en zijn het witst op een MRI-beeld. Zie figuur 5. Hersenweefsel heeft ongeveer 80% van de waterstofkernendichtheid van water. Andere weefsels hebben een kleinere waterstofkernendichtheid.

Vraag 21 2 punten

Leg uit of er bij de pijl in figuur 5 hersenweefsel zit of ander weefsel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het gebied bij de pijl is wit en geeft dus een signaal met hoge intensiteit. Daar zitten dus relatief veel waterstofkernen. Hersenweefsel bevat meer waterstofkernen dan ander weefsel. Dus bevat het aangegeven gebied hersenweefsel.

Energievoorziening voor een weerstation

Een afgelegen weerstation is gedurende het hele jaar vierentwintig uur per dag in bedrijf. De installatie wordt van energie voorzien door een 12-volts-accu.

Het elektrisch vermogen van de installatie varieert sterk en bedraagt gemiddeld 2,3 W. Een volledig opgeladen accu heeft een capaciteit van 75 Ah. (Dit houdt in dat de volledig opgeladen accu gedurende 1,0 uur een stroom van 75 A kan leveren, of gedurende 3,0 uur een stroom van 25 A, enzovoorts.) Deze accu voldoet niet om de installatie één jaar te laten werken.

Vraag 22 3 punten

Bereken het aantal volledig opgeladen accu’s dat in één jaar nodig zou zijn als ze niet tussentijds worden opgeladen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: n = 23

voorbeelden van een berekening:

methode 1 P 2,3 I Er geldt: P = UI . Dit levert: = = = 0,192 A. U 12 Ook geldt: C = It. Invullen levert: n75= 0,192 ⋅ 365 ⋅ 24= 22, 4. (Er zijn dus 23 accu’s nodig.)

  • completeren van de berekening (1p)

of

methode 2 Voor de energie geldt: = E UIt= UC. Een capaciteit van 75 Ah bij een spanning van 12 V komt dus overeen met een energie van: E = 75 ⋅ 3600 ⋅12 = 3, 24 ⋅106 J. Voor de energie die nodig is in één jaar geldt:

E = 2,3 ⋅ 3600 ⋅ 24 ⋅ 365 = 7, 25 ⋅107 J. 7, 25 ⋅107 Dus geldt voor het aantal accu’s: = n = 22, 4. 3, 24 ⋅106 (Er zijn dus 23 accu’s nodig.)

  • completeren van de berekening (1p)

of

methode 3 Voor de nodige capaciteit in één jaar geldt:

E 2,3 C= = ⋅ 24 ⋅ 365 = 1679 Ah. U 12 1679 Dus geldt voor het aantal accu’s:= n = 22, 4. 75 (Er zijn dus 23 accu’s nodig.)

Opmerkingen

  • Voor het begrip capaciteit mag een ander symbool gebruikt worden.
  • De antwoorden 22 en 22,4 goed rekenen.

Overwogen wordt om naast de accu een zonnepaneel in de schakeling op te nemen. Hiertoe wordt een proefopstelling gebouwd. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

A B C

A 0,71 A A 0,25 A

R1 2,6 Ω R2 1,8 Ω R3

zonnepaneel Uzp accu 12,0 V

F E D

De installatie van het weerstation is weergegeven door een gewone weerstand, aangegeven met R3. Het zonnepaneel staat in de schakeling parallel aan de accu. Bij een bepaalde lichtsterkte op het zonnepaneel leveren beide spanningsbronnen stroom aan de weerstand R3 en worden de in figuur 1 weergegeven stroomsterktes gemeten.

Vraag 23 4 punten

Bereken het vermogen dat in dat geval aan weerstand R3 geleverd wordt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: PR3 = 11 W

voorbeeld van een berekening: Er geldt: I R3 = I R1 + I R2 . Dit levert: I R3 = 0, 71 + 0, 25 = 0,96 A. Verder geldt: U R3 = 12, 0

  • 0, 25 ⋅1,8. Hieruit volgt: U R3 = 11,55 V. Dit levert: PR3 = U R3 I R3 = 11,55 ⋅ 0,96 = 11 W.

Opmerking Als een kandidaat het tweede scorepunt niet behaalt, mag het vierde scorepunt niet toegekend worden.

Vraag 24 3 punten

Bereken de spanning Uzp van het zonnepaneel bij deze lichtsterkte. Gebruik hierbij de spanningswet van Kirchhoff.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: U zp = 13, 4 V

voorbeeld van een berekening: Toepassen van de spanningswet van Kirchhoff op kring ABEF levert: U zp

  • 0, 71 ⋅ 2, 6
  • 12, 0 + 0, 25 ⋅1,8 = 0. Hieruit volgt: U zp = 13, 4 V.

Opmerkingen

  • Het eerste inzicht mag ook impliciet gegeven worden.
  • De spanningswet van Kirchhoff mag ook op de kring ACDF toegepast worden.
  • Als in de vorige vraag een fout is gemaakt met de richtingen en/of de tekens, dezelfde fout in deze vraag niet opnieuw aanrekenen.

De spanning van het zonnepaneel hangt af van de hoeveelheid (zon)licht. Als de hoeveelheid licht toeneemt, neemt Uzp toe. Als Uzp verandert, blijken zowel de stroom die het zonnepaneel levert als de stroom die de accu levert te veranderen. Dit is weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen] 1,4 I (A) 1,2 zonnepaneel 1,0

0,8 accu

0,6

0,4

0,2

0

0 10 11 12 13 14 15 16 17 Uzp (V) –0,2

–0,4

Vraag 25 3 punten

Beantwoord de volgende vragen:

  • Voor welke waarden van Uzp wordt de accu opgeladen?
  • Voor welke waarden van Uzp levert de accu stroom aan het zonnepaneel?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • (De accu wordt opgeladen als de stroomrichting door de accu negatief is.) Uit de grafiek blijkt dat geldt: U zp > 14, 6 V (met een marge van 0,2 V).
  • (Als de accu stroom levert aan het zonnepaneel, is de stroomrichting door het zonnepaneel negatief.) Uit de grafiek blijkt dat geldt: U zp < 10, 4 V (met een marge van 0,2 V).

Opmerking Bij het beantwoorden van deze vraag hoeft de eenheid V niet vermeld te zijn.

Het is ongewenst dat de accu stroom levert aan het zonnepaneel. Dit kan men verhinderen door een diode in de schakeling op te nemen. Op de uitwerkbijlage staat de schakeling van figuur 1 weergegeven.

Vraag 26 2 punten

Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de diode op een juiste plaats en in de juiste richting.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als niet het juiste symbool voor de diode gebruikt is, maar de richting wel juist aangegeven wordt: niet aanrekenen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-18-1-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (5), geluid en trillingen (4) en magnetisme (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-18-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.