Eindexamen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Shorttrack, Geluidssnelheid, Opslag van energie, Lycopeen, Stikstof-13, H-alfafilter.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (4), geluid en trillingen (4) en licht en lenzen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Beweging1-3, 134
Geluid en trillingen6-94
Licht en lenzen17-18, 23-244
Straling19-224
Energie en arbeid4, 11-123
Elektriciteit10, 14-153
Krachten51
Magnetisme161

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over geluid en trillingen (17% van de vragen, gemiddeld 7%) en licht en lenzen (17% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Shorttrack

Tijdens de Olympische Spelen in 2018 won Suzanne Schulting (zie figuur 1) een gouden medaille op de kilometer shorttrack in een tijd van 1 min 29,80 s.

Volgens de reglementen van de Internationale Schaatsunie heeft een shorttrackbaan een lengte van 111,11 m. Bij de kilometer shorttrack schaatst een schaatser negen ronden.

Vraag 1 3 punten

Bereken de gemiddelde snelheid van Schulting tijdens de race. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bekijk het antwoord

uitkomst: $11{,}14\ \mathrm{m\,s^{-1}}$

voorbeeld van een antwoord:

De afgelegde afstand is $9 \cdot 111{,}11\ \mathrm{m}$ en de daarvoor benodigde tijd bedraagt $89{,}80\ \mathrm{s}$. De gemiddelde snelheid is dan:

v_{\mathrm{gem}} = \frac{\Delta x}{\Delta t} = \frac{999{,}99}{89{,}80} = 11{,}14\ \mathrm{m\,s^{-1}}

In figuur 2 zijn de doorkomsttijden van Schulting weergegeven. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.

Op de eerste drie ronden na schaatste Schulting rondjes met een vrijwel constante snelheid.

Vraag 2 2 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de tijdwinst die Schulting zou hebben behaald als zij de hele race met deze snelheid had gereden.

x-t-diagram met de doorkomsttijden van Schulting (x in m tegen t in s) Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1

Bekijk het antwoord

uitkomst: 6 s (met een marge van 1 s)

voorbeeld van een antwoord:

Door de laatste zeven meetpunten kan een rechte lijn worden getrokken, omdat de snelheid hier vrijwel constant was. Deze lijn snijdt de $t$-as bij $t = 6\ \mathrm{s}$. Dit is dus de tijdwinst die Suzanne zou hebben behaald.

Tijdens het schaatsen moet een schaatser twee krachten overwinnen: de luchtweerstandskracht en de schuifwrijvingskracht. Voor de schuifwrijvingskracht $F_{\mathrm{w,s}}$ tijdens het schaatsen geldt:

F_{\mathrm{w,s}} = f_{\mathrm{d}} F_{\mathrm{N}} \qquad (1)

Hierin is:

  • $F_{\mathrm{w,s}}$ de schuifwrijvingskracht
  • $f_{\mathrm{d}}$ de dynamische wrijvingscoëfficiënt
  • $F_{\mathrm{N}}$ de normaalkracht

Hieruit volgt dat het nuttige vermogen dat Schulting moet leveren om een constante snelheid $v$ te schaatsen, berekend kan worden met de volgende formule:

P = f_{\mathrm{d}} m g v + \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} A \rho v^3 \qquad (2)

Vraag 3 3 punten

Leid formule (2) af met behulp van formule (1) en formules uit het informatieboek.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Voor het vermogen dat Schulting ontwikkelt geldt: $P = Fv$

Bij een constante snelheid geldt: $F = F_{\mathrm{w}} = F_{\mathrm{w,s}} + F_{\mathrm{w,l}}$

Voor de luchtweerstandskracht geldt: $F_{\mathrm{w,l}} = \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} \rho A v^2$ en voor de schuifwrijvingskracht geldt formule (1). Dit geeft: $F_{\mathrm{w}} = f_{\mathrm{d}} F_{\mathrm{N}} + \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} \rho A v^2$

De normaalkracht is even groot als de zwaartekracht en dus geldt voor de voorwaartse kracht: $F = f_{\mathrm{d}} m g + \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} \rho A v^2$

Invullen van deze vergelijking in de formule voor het vermogen levert het gegeven resultaat: $P = Fv = \left(f_{\mathrm{d}} m g + \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} \rho A v^2\right) v$, dus $P = f_{\mathrm{d}} m g v + \frac{1}{2} c_{\mathrm{w}} \rho A v^3$

De lengte van Suzanne Schulting is 1,70 m en haar massa bedraagt 64 kg. Zij schaatst in de zogenaamde schaatshouding. Deze is schematisch weergegeven in figuur 3. De dynamische wrijvingscoëfficiënt heeft voor het contactoppervlak tussen schaats en ijs een waarde van 0,015. De luchtweerstandscoëfficiënt heeft in de schaatshouding een waarde van 0,80.

Vraag 4 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Maak met behulp van figuur 1 en 3 een beredeneerde schatting van de frontale oppervlakte in de schaatshouding.
  • Bereken daarmee het nuttige vermogen dat Schulting levert bij een constante snelheid van 11,9 m s$^{-1}$.

schematische tekening van de schaatshouding van Suzanne Schulting Bekijk in Opgaven, pagina 3

Bekijk het antwoord

uitkomsten: $0{,}5\ \mathrm{m^2}$ en $6 \cdot 10^2\ \mathrm{W}$

voorbeeld van een antwoord:

De frontale oppervlakte van Suzanne kan benaderd worden door een rechthoek. De breedte van de rechthoek is de schouderbreedte, volgens figuur 1. Een gemiddelde schouderbreedte is 0,5 m. De verhouding tussen de hoogte en de lichaamslengte in figuur 3 is ongeveer 4,5 cm : 8 cm. Hieruit volgt dat de hoogte in werkelijkheid $\frac{4{,}5}{8} \cdot 1{,}70 = 1\ \mathrm{m}$ is. Dit geeft voor de frontale oppervlakte: $A = 1 \cdot 0{,}5 = 0{,}5\ \mathrm{m^2}$.

Invullen van alle gegevens in formule (2) levert:

P = 0{,}015 \cdot 64 \cdot 9{,}8 \cdot 11{,}9 + \frac{1}{2} \cdot 0{,}80 \cdot 1{,}3 \cdot 0{,}5 \cdot (11{,}9)^3 = 6 \cdot 10^2\ \mathrm{W}

Aanvulling: bij de eerste deelscore wordt 'beredeneerd schatten van de breedte tussen 0,4 m en 0,6 m en de hoogte tussen 0,8 m en 1,2 m' vervangen door 'beredeneerd schatten van de breedte tussen 0,3 m en 0,6 m en de hoogte tussen 0,8 m en 1,2 m'.

Schaatsers gaan, net als fietsers, altijd schuin door een bocht. Deze beweging is te benaderen als een eenparige cirkelbeweging. Figuur 4 is een foto van Schulting in de bocht tijdens haar race. Deze figuur is ook weergegeven op de uitwerkbijlage. In punt P oefent Schulting met haar schaats een kracht uit op het ijs. De werklijn van de reactiekracht van het ijs op Schulting is weergegeven in de figuur. Deze reactiekracht en de zwaartekracht leveren samen de resulterende kracht op Schulting.

De bocht is een deel van een cirkel met een straal van 8,20 m.

Vraag 5 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Construeer in de figuur op de uitwerkbijlage de resulterende kracht op Schulting en bepaal de grootte van deze kracht. Laat alle krachten aangrijpen in punt P en noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Bereken met deze kracht de snelheid waarmee Schulting door de bocht beweegt.

foto van Schulting in de bocht met de werklijn van de reactiekracht door punt P Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord

uitkomst: $6{,}9 \cdot 10^2\ \mathrm{N}$ (met een marge van $0{,}3 \cdot 10^2\ \mathrm{N}$) en $9{,}4\ \mathrm{m\,s^{-1}}$

voorbeeld van een antwoord:

(Constructie in punt P: de zwaartekracht $F_{\mathrm{z}}$ verticaal omlaag en de resulterende kracht $F_{\mathrm{res}}$ horizontaal naar rechts.)

De zwaartekracht is $F_{\mathrm{z}} = mg = 64 \cdot 9{,}81 = 628\ \mathrm{N}$. Uit de verhouding van de lengte van de vectoren volgt dan dat de resulterende kracht gelijk is aan: $\frac{4{,}4}{4{,}0} \cdot 628 = 691 = 6{,}9 \cdot 10^2\ \mathrm{N}$.

De resulterende kracht levert de middelpuntzoekende kracht en dus geldt: $F_{\mathrm{res}} = F_{\mathrm{mpz}} = \frac{mv^2}{r}$. Omschrijven en invullen levert:

v = \sqrt{\frac{F_{\mathrm{res}} r}{m}} = \sqrt{\frac{691 \cdot 8{,}20}{64}} = 9{,}4\ \mathrm{m\,s^{-1}}

Geluidssnelheid

In deze opgave worden twee experimenten besproken om de geluidssnelheid te bepalen: één voor de geluidssnelheid in lucht en één voor de geluidssnelheid in water.

Geluidssnelheid in lucht

Om de geluidssnelheid in lucht te bepalen wordt een hoge buis gevuld met water. Zie figuur 1.

De bovenkant van de buis is open. Daarboven trilt een stemvork met een frequentie $f$. Via een kraantje onderaan de buis loopt de buis langzaam leeg. Na enige tijd bereikt de waargenomen geluidssterkte een maximum. Er treedt dan resonantie op. Vervolgens neemt de geluidssterkte weer af, waarna een tijdje later een tweede maximum wordt bereikt.

De gemeten afstanden $h_1$ en $h_2$ horen bij de waterniveaus waarbij resonantie optreedt.

Vraag 6 3 punten

Leid een formule af waarmee je de geluidssnelheid $v$ kunt berekenen uit $f$, $h_1$ en $h_2$.

buis gevuld met water met stemvork bovenaan, en de afstanden h1 en h2 bij het eerste en tweede maximum Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

uitkomst: $v = 2(h_2 - h_1) f$

voorbeeld van een antwoord:

De afstand tussen de resonantieniveaus komt overeen met een halve golflengte: $h_2 - h_1 = \frac{1}{2}\lambda$. Dus $\lambda = 2(h_2 - h_1)$. De geluidssnelheid is dan: $v = \lambda f = 2(h_2 - h_1) f$.

De buik, die bij resonantie bij het open uiteinde van de buis ontstaat, ligt op enige afstand $\Delta L$ buiten de buis.

Vraag 7 3 punten

Leg uit hoe je met de resultaten van dit experiment $\Delta L$ kunt bepalen.

buis gevuld met water met stemvork bovenaan, en de afstanden h1 en h2 bij het eerste en tweede maximum Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De afstand tussen de bovenste buik en het eerste maximum is gelijk aan $\frac{1}{4}\lambda$. De afstand tussen de resonantieniveaus komt overeen met een halve golflengte: $h_2 - h_1 = \frac{1}{2}\lambda$. Dus: $\frac{1}{4}\lambda = \frac{1}{2}(h_2 - h_1)$.

Voor $\Delta L$ geldt dus: $\Delta L = \frac{1}{4}\lambda - h_1$. (Dus: $\Delta L = \frac{1}{2}(h_2 - h_1) - h_1 = \frac{1}{2}h_2 - \frac{3}{2}h_1$.)

Geluidssnelheid in water

Voor het bepalen van de geluidssnelheid in water worden een onderwatermicrofoon en een onderwaterluidspreker in een bak water gedompeld. In figuur 2 is de opstelling schematisch weergegeven. De luidspreker wordt aangesloten op een toongenerator.

In figuur 3 is het signaal weergegeven van de toongenerator. De horizontale as is ingesteld op 100 μs/cm.

Vraag 8 3 punten

Bepaal zo nauwkeurig mogelijk de frequentie van de toongenerator. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

oscilloscoopbeeld van het signaal van de toongenerator, horizontale as 100 μs/cm Bekijk in Opgaven, pagina 6

Bekijk het antwoord

uitkomst: 2,38 kHz (met een marge van 0,02 kHz)

voorbeeld van een antwoord:

Om de frequentie zo nauwkeurig te bepalen moet $T$ bepaald worden aan de hand van zoveel mogelijk, dus drie, periodes. Deze beslaan in het oscilloscoopbeeld 12,6 cm, dus $T$ is gelijk aan:

T = \frac{12{,}6 \cdot 100 \cdot 10^{-6}}{3} = 4{,}20 \cdot 10^{-4}\ \mathrm{s}

De frequentie is dan: $f = \frac{1}{T} = 2{,}38 \cdot 10^3\ \mathrm{Hz}$.

Aanvulling: bij de eerste deelscore wordt 'inzicht dat de tijdsduur van drie periodes bepaald moet worden' vervangen door 'inzicht dat de tijdsduur van minimaal 2,5 periodes bepaald moet worden'. Toelichting: Om het antwoord in drie significante cijfers te kunnen geven, moeten de benodigde gegevens in minimaal drie significante cijfers bepaald of opgezocht worden. Dat betekent dat de te meten tijdsduur minimaal 10,0 cm in het oscilloscoopbeeld moet beslaan.

In eerste instantie bevindt de microfoon zich direct voor de luidspreker. Vervolgens wordt de afstand steeds groter gemaakt. Het microfoonsignaal verschuift daarbij steeds verder naar rechts, terwijl het luidsprekersignaal gelijk blijft. Alleen het geluid dat de microfoon rechtstreeks bereikt is weergegeven. Eventuele reflecties zijn weggefilterd.

Figuur 4 toont de signalen op het moment dat de afstand tussen luidspreker en microfoon 24 cm is. Tijdens het verplaatsen van de microfoon is het microfoonsignaal nog niet in fase geweest met het signaal van de toongenerator.

Vraag 9 3 punten

Bepaal de geluidssnelheid die volgt uit figuur 4. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

oscilloscoopbeeld van de toongenerator (doorgetrokken) en de microfoon (gestippeld) bij een afstand van 24 cm Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord

uitkomst: $1{,}4 \cdot 10^3\ \mathrm{m\,s^{-1}}$ (met een marge van $0{,}1 \cdot 10^3\ \mathrm{m\,s^{-1}}$)

voorbeeld van een antwoord:

Het tijdverschil tussen een piek bij de toongenerator en de bijbehorende piek bij de microfoon is 1,7 hokje. Dat komt overeen met 0,17 ms. In deze tijd legt het signaal een afstand van 24 cm af. De geluidssnelheid is dan:

v = \frac{s}{t} = \frac{0{,}24}{1{,}7 \cdot 10^{-4}} = 1{,}4 \cdot 10^3\ \mathrm{m\,s^{-1}}

Opslag van energie

Karel en Bas doen voor hun profielwerkstuk een onderzoek naar alternatieve manieren van energieopslag. Ze vinden op internet een filmpje waarbij zwaarte-energie gebruikt wordt om energie op te slaan: er is een kabelbaan waaraan grote bakken hangen waarin grind vervoerd kan worden. Zie figuur 1.

Wanneer duurzame energiebronnen meer elektrische energie produceren dan nodig is, wordt deze overtollige energie gebruikt om grind naar boven te verplaatsen. Op de momenten dat er extra elektrische energie nodig is, wordt dit grind gebruikt om de kabelbaan aan te drijven. Deze laat weer een dynamo draaien waarmee elektrische energie wordt opgewekt.

Karel en Bas schatten dat de hoogte van de kabelbaan 65 m is en dat de maximale hoeveelheid grind die naar boven gebracht kan worden 1200 ton is. Ze willen de hoeveelheid energie die de kabelbaan kan opslaan vergelijken met een standaard AA-batterij (1,5 V) die een capaciteit van 2200 mAh heeft. De capaciteit geeft aan hoe lang de batterij een bepaalde stroomsterkte kan leveren.

Vraag 10 2 punten

Leg uit dat mAh een eenheid is van elektrische lading.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De eenheid van elektrische lading $C$ is gelijk aan $\mathrm{A\,s}$. Omdat h, net als s, ook een eenheid van tijd is, is Ah ook een eenheid van elektrische lading, en dus mAh ook.

Vraag 11 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de hoeveelheid elektrische energie die een AA-batterij bevat.
  • Bereken hoeveel AA-batterijen de kabelbaan volgens Karel en Bas maximaal kan vervangen.
Bekijk het antwoord

uitkomsten: $1{,}2 \cdot 10^4\ \mathrm{J}$ en $6{,}4 \cdot 10^4$ (batterijen)

voorbeeld van een antwoord:

Voor de elektrische energie in de batterij geldt: $E_{\mathrm{el}} = UIt$, met $It = 2200\ \mathrm{mAh}$. Invullen van de gegevens levert:

E_{\mathrm{el}} = 1{,}5 \cdot 2200 \cdot 10^{-3} \cdot 3600 = 1{,}19 \cdot 10^4\ \mathrm{J}

Voor de zwaarte-energie, die wordt opgeslagen, geldt:

E_{\mathrm{z}} = mgh = 1200 \cdot 10^3 \cdot 9{,}81 \cdot 65 = 7{,}65 \cdot 10^8\ \mathrm{J}

De kabelbaan kan dus maximaal $\frac{7{,}65 \cdot 10^8}{1{,}19 \cdot 10^4} = 6{,}4 \cdot 10^4$ batterijen vervangen.

Karel en Bas besluiten voor hun profielwerkstuk een miniatuurkabelbaan te ontwerpen. Ze bouwen langs de trap op school een simpele kabelbaan die bestaat uit 46 bakjes. Van deze 46 bakjes bevinden zich steeds 36 bakjes langs het schuine gedeelte: 18 bakjes bewegen omhoog en 18 naar beneden. De overige 10 bakjes bevinden zich op de vlakke gedeelten bovenaan en onderaan de trap. In figuur 2 is de kabelbaan schematisch gegeven. Deze figuur is niet op schaal.

Eerst onderzoeken Karel en Bas hoe ze met de kabelbaan elektrische energie kunnen opwekken. Daarvoor hebben ze een systeem gemaakt dat elk bakje, dat bovenaan langskomt, vult met 140 gram zand. Onderaan worden de bakjes weer automatisch geleegd.

De kabelbaan drijft een dynamo aan waar Karel en Bas lampjes op aansluiten. De dynamo blijkt genoeg elektrische energie te leveren om vier lampjes van 1,2 W goed te laten branden. Zolang Karel en Bas de bakjes blijven vullen beweegt de kabelbaan met een snelheid van 2,6 m s$^{-1}$.

Vraag 12 4 punten

Bereken met behulp van de gegevens in figuur 2 het rendement waarmee zwaarte-energie wordt omgezet naar elektrische energie.

schematische tekening van de kabelbaan met 46 bakjes, lengte langs de helling 6,51 m en hoogte 3,96 m Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

uitkomst: 0,12 (of 12%)

voorbeelden van een antwoord:

methode 1:

Voor de afname van de zwaarte-energie van één bakje geldt:

E_{\mathrm{z}} = mgh = 0{,}140 \cdot 9{,}81 \cdot 3{,}96 = 5{,}439\ \mathrm{J}

Het naar beneden bewegen van een bakje duurt:

t = \frac{s}{v} = \frac{6{,}51}{2{,}6} = 2{,}5\ \mathrm{s}

Dus het vermogen dat de kabelbaan per bakje levert is: $P_{\mathrm{z}} = \frac{5{,}439}{2{,}5} = 2{,}17\ \mathrm{W}$, dus 39,1 W voor de 18 bakjes die tegelijkertijd naar beneden bewegen. Het opgenomen vermogen van de lampjes is 4,8 W, dus voor het rendement geldt:

\eta = \frac{P_{\mathrm{el}}}{P_{\mathrm{z}}} = \frac{4{,}8}{39{,}1} = 0{,}12

of

methode 2:

Het omgezette vermogen $P_{\mathrm{z}}$ is het vermogen dat de zwaartekracht levert op de 18 gevulde bakjes die naar beneden bewegen. Hiervoor geldt: $P_{\mathrm{z}} = F_{\mathrm{z,\parallel}} v$. Hierin is $F_{\mathrm{z,\parallel}} = F_{\mathrm{z}} \cos(\alpha)$, met $\alpha$ de hoek tussen $\vec{F_{\mathrm{z}}}$ en $\vec{v}$. Deze is gelijk aan de hoek tussen de helling en de verticaal, dus $\cos(\alpha) = \frac{h}{s}$. Er geldt dus $P_{\mathrm{z}} = F_{\mathrm{z}} v \cos(\alpha) = F_{\mathrm{z}} v \frac{h}{s}$, dus

P_{\mathrm{z}} = 18 \cdot 0{,}140 \cdot 9{,}81 \cdot 2{,}6 \cdot \frac{3{,}96}{6{,}51} = 39{,}1\ \mathrm{W}

Het opgenomen vermogen van de lampjes is 4,8 W, dus voor het rendement geldt:

\eta = \frac{P_{\mathrm{el}}}{P_{\mathrm{z}}} = \frac{4{,}8}{39{,}1} = 0{,}12

Karel en Bas gebruiken een zelfgemaakte dynamo, waarvan het bovenaanzicht schematisch is weergegeven in figuur 3. Op de draaischijf van de dynamo zijn zes magneten bevestigd. De noordpolen van de magneten zijn gearceerd en met een N aangegeven.

Karel en Bas meten de spanning van de dynamo gedurende enige tijd. Zie figuur 4. Tijdens deze meting heeft de kabelbaan een andere snelheid dan bij de vorige vraag.

Vraag 13 3 punten

Bepaal met behulp van de figuren 3 en 4 de snelheid waarmee de kabelbaan nu beweegt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

figuur 3: bovenaanzicht van de dynamo met zes magneten; figuur 4: spanning van de dynamo als functie van de tijd Bekijk in Opgaven, pagina 10

Bekijk het antwoord

uitkomst: $0{,}93\ \mathrm{m\,s^{-1}}$ (met een marge van $0{,}01\ \mathrm{m\,s^{-1}}$)

voorbeeld van een antwoord:

Eén periode in figuur 4 is het signaal van één magneet, dus een omwenteling van de dynamo duurt zes periodes. Uit figuur 4 is te bepalen dat drie periodes 0,54 seconde duren, dus een hele omloop duurt 1,08 seconde. De kabel legt dan een afstand af van $s = \pi d = \pi \cdot 0{,}32 = 1{,}01\ \mathrm{m}$.

v = \frac{s}{t} = \frac{1{,}01}{1{,}08} = 0{,}93\ \mathrm{m\,s^{-1}}

Karel en Bas onderzoeken hoe de grootte en de frequentie van de opgewekte spanning gevarieerd kunnen worden. Op de uitwerkbijlage staan mogelijke aanpassingen aan de kabelbaan met dynamo.

Vraag 14 3 punten

Geef in de tabel op de uitwerkbijlage voor elke aanpassing aan welk effect deze heeft op:

  • de grootte van de opgewekte spanning
  • de frequentie van de opgewekte spanning

lege tabel met drie aanpassingen en de kolommen effect op de grootte en effect op de frequentie van de spanning Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2

Bekijk het antwoord
AanpassingEffect op de grootte van de spanningEffect op de frequentie van de spanning
de kabelbaan sneller laten bewegenneemt toeneemt toe
het aantal windingen van de spoel vergrotenneemt toeblijft gelijk
het aantal magneten op de draaischijf vergrotenblijft gelijkneemt toe

per juiste rij 1 scorepunt.

Aanvulling: in de laatste rij van de tabel wordt het effect op de grootte van de spanning 'blijft gelijk' vervangen door 'blijft gelijk / neemt toe' (het effect op de frequentie blijft 'neemt toe'). Toelichting: Spanning kan geïnterpreteerd worden als de effectieve spanning. In dat geval neemt de spanning toe als het aantal magneten toeneemt.

Karel en Bas willen met behulp van hun zelfgemaakte kabelbaan een smartphone opladen. Zoals in figuur 4 te zien is, is de opgewekte spanning een wisselspanning. Dit betekent dat de spanning voortdurend van teken wisselt, met als gevolg dat de stroom ook voortdurend van richting verandert. Dat is voor het opladen van een smartphone een probleem, omdat hiervoor een zogenaamde gelijkstroom nodig is. Dat wil zeggen dat de stroom altijd in dezelfde richting door de smartphone loopt.

Om de stroom gelijk te richten maken Karel en Bas een schakeling met vier diodes. In figuur 5 staan drie mogelijke schakelingen getekend.

Vraag 15 1 punt

Geef aan welke van de drie schakelingen in figuur 5 de juiste is.

  1. A Schakeling A
  2. B Schakeling B
  3. C Schakeling C

drie schakelingen A, B en C met vier diodes tussen de dynamo en een smartphone Bekijk in Opgaven, pagina 11

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Tenslotte willen Karel en Bas hun opstelling gebruiken voor de opslag van energie, dus om elektrische energie om te zetten in zwaarte-energie. De dynamo wordt dan een elektromotor. Ze sluiten een computer aan op de kabelbaan waarmee ze de spanning over de spoel kunnen regelen.

In figuur 6 staat het $(U,t)$-diagram weergegeven van de spanning waarmee Karel en Bas een stilstaande kabelbaan op gang brengen.

Vraag 16 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit waarom er een wisselspanning nodig is.
  • Leg uit waarom de frequentie van de wisselspanning in het begin moet toenemen.

(U,t)-diagram van de spanning waarmee een stilstaande kabelbaan op gang wordt gebracht Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

In eerste instantie moet een magneet door de spoel aangetrokken worden. Na passage moet deze echter worden afgestoten. Het is dus noodzakelijk om een wisselspanning te gebruiken.

Omdat de magneet steeds sneller beweegt, duurt het naar de spoel toe en van de spoel af bewegen steeds korter. Het is dus noodzakelijk om de frequentie van de wisselspanning toe te laten nemen.

Lycopeen

Lycopeen ($\mathrm{C_{40}H_{56}}$) is een rode kleurstof die bijvoorbeeld in tomaten voorkomt. Een lycopeenmolecuul bestaat onder meer uit een lange keten van 22 koolstofatomen. Zie figuur 1.

Het absorptiespectrum van lycopeen staat afgebeeld in figuur 2.

De dubbele bindingen in de lange keten tussen de punten P en Q in figuur 1 leveren de zogenaamde $\pi$-elektronen. Deze elektronen kunnen vrij bewegen tussen P en Q. We beschouwen het lycopeenmolecuul daarom als een één-dimensionale energieput, gevuld met 22 $\pi$-elektronen. We nemen aan dat de lengte van de put gelijk is aan de afstand $L$, de afstand tussen P en Q langs de keten. Dus $L$ is 21 keer zo lang als de gemiddelde afstand van $1{,}4 \cdot 10^{-10}\ \mathrm{m}$ tussen twee koolstofatomen in de keten. Op basis hiervan kan de grootste golflengte berekend worden die door het molecuul geabsorbeerd kan worden.

Vraag 17 5 punten

Toon met een berekening aan dat deze maximale golflengte groter is dan de waarde die volgt uit figuur 2.

absorptiespectrum van lycopeen: mate van absorptie tegen golflengte van 300 tot 550 nm Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

uitkomst: $1{,}24 \cdot 10^3\ \mathrm{nm}$

voorbeeld van een antwoord:

Voor de lengte $L$ geldt: $L = 21 \cdot 1{,}4 \cdot 10^{-10} = 2{,}94 \cdot 10^{-9}\ \mathrm{m}$.

Er zijn in totaal 22 vrije elektronen. Dat betekent dat in de grondtoestand de eerste elf niveaus bezet zijn. Voor de energie van het foton met de maximale golflengte geldt dan:

E_{\mathrm{f}} = \Delta E_n = E_{12} - E_{11} = 12^2 \frac{h^2}{8mL^2} - 11^2 \frac{h^2}{8mL^2} = 23 \frac{h^2}{8mL^2}

Invullen geeft:

E_{\mathrm{f}} = 23 \frac{(6{,}626 \cdot 10^{-34})^2}{8 \cdot 9{,}11 \cdot 10^{-31} \cdot (2{,}94 \cdot 10^{-9})^2} = 1{,}6 \cdot 10^{-19}\ \mathrm{J}

Voor de fotonenergie geldt: $E_{\mathrm{f}} = \frac{hc}{\lambda}$. Invullen en uitwerken levert dan:

\lambda = \frac{hc}{E_{\mathrm{f}}} = \frac{6{,}626 \cdot 10^{-34} \cdot 3{,}00 \cdot 10^8}{1{,}603 \cdot 10^{-19}} = 1{,}24 \cdot 10^{-6}\ \mathrm{m} = 1{,}24 \cdot 10^3\ \mathrm{nm}

De horizontale as van figuur 2 loopt tot 560 nm. (De berekende golflengte is groter dan dit maximum, dus de maximale golflengte is groter dan de waarde die volgt uit figuur 2.)

Opmerking: Als de kandidaat de berekende golflengte vergelijkt met de golflengte die hoort bij de absorptiepiek bij 505 nm, dit niet aanrekenen.

Een mogelijke verklaring voor het verschil tussen de berekende en de gemeten golflengte is dat de effectieve putlengte, waarin de elektronen kunnen bewegen, niet gelijk is aan $L$.

Vraag 18 2 punten

Leg uit of de effectieve putlengte volgens deze verklaring groter of kleiner is dan $L$.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De gemeten golflengte is kleiner dan de berekende. De energie van het foton is dan dus groter. De lengte van de energieput moet dan kleiner zijn. (En dus is de effectieve putlengte kleiner dan de afstand $L$)

Stikstof-13

Stikstof-13 kan gebruikt worden als tracer voor opnames van het hart tijdens een PET-scan. Doordat stikstof-13 een korte halveringstijd heeft, moet het voor een onderzoek ter plekke gemaakt worden. Dit doet men door zuurstof-16 te beschieten met een proton. Hierbij ontstaan stikstof-13 en een ander deeltje.

Vraag 19 3 punten

Geef de kernreactievergelijking voor de productie van stikstof-13.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

{}^{16}_{8}\mathrm{O} + {}^{1}_{1}\mathrm{H} \rightarrow {}^{13}_{7}\mathrm{N} + {}^{4}_{2}\mathrm{He}

Voor het onderzoek wordt een hoeveelheid stikstof-13 geïnjecteerd met een activiteit van 0,74 GBq. Voordat de opname gemaakt kan worden moet het stikstof-13 voldoende opgenomen zijn door het hart. Op het moment dat de opname gemaakt kan worden is de activiteit nog 0,56 GBq.

Vraag 20 3 punten

Bereken hoe lang na het injecteren van de stikstof-13 de opname is gemaakt.

Bekijk het antwoord

uitkomst: 4,0 min

voorbeeld van een antwoord:

Voor de activiteit geldt:

A = A_0 \cdot \left(\frac{1}{2}\right)^{t / t_{1/2}}

Invullen van de gegevens levert:

5{,}6 \cdot 10^8 = 7{,}4 \cdot 10^8 \cdot \left(\frac{1}{2}\right)^{t / 9{,}97}

Uitwerken levert: $t = 4{,}0\ \mathrm{min}$.

H-alfafilter

Verreweg het meeste licht dat we waarnemen van de zon wordt uitgezonden vanuit de laag van de zon die fotosfeer heet. De planckkromme hiervan is weergegeven in figuur 1.

Vraag 21 3 punten

Bepaal de temperatuur van de fotosfeer volgens figuur 1.

planckkromme van de fotosfeer: intensiteit tegen golflengte van 0 tot 2000 nm Bekijk in Opgaven, pagina 15

Bekijk het antwoord

uitkomst: $5{,}7 \cdot 10^3\ \mathrm{K}$

voorbeeld van een antwoord:

Het maximum van de stralingskromme ligt bij $5{,}1 \cdot 10^{-7}\ \mathrm{m}$. Invullen in de wet van Wien levert:

T = \frac{k_{\mathrm{W}}}{\lambda_{\max}} = \frac{2{,}90 \cdot 10^{-3}}{5{,}1 \cdot 10^{-7}} = 5{,}7 \cdot 10^3\ \mathrm{K}

Op foto's van de zon zijn zogenaamde zonnevlekken te zien. Zie figuur 2. In zo'n zonnevlek is de uitgestraalde intensiteit van de fotosfeer 16 keer zo klein als buiten een zonnevlek.

Vraag 22 3 punten

Beredeneer hoeveel keer zo laag de temperatuur van de fotosfeer in een zonnevlek is ten opzichte van de temperatuur van de fotosfeer daarbuiten.

foto van de zon met zonnevlekken Bekijk in Opgaven, pagina 15

Bekijk het antwoord

uitkomst: 2,0 keer zo laag

voorbeeld van een antwoord:

Volgens de wet van Stefan-Boltzmann is het uitgezonden vermogen evenredig met $AT^4$. De intensiteit is het vermogen per oppervlakte-eenheid, dus is de uitgezonden intensiteit evenredig met $T^4$. De uitgezonden intensiteit in een zonnevlek is $16 = 2{,}0^4$ keer zo klein als daarbuiten, dus de temperatuur is 2,0 keer zo laag.

De relatief dunne laag in de zon boven de fotosfeer heet de chromosfeer. Zie figuur 3. De chromosfeer is een gasvormige laag die vooral bestaat uit waterstof.

De chromosfeer is onder normale omstandigheden heel moeilijk waarneembaar doordat deze wordt overstraald door de veel fellere fotosfeer. Om de chromosfeer te kunnen waarnemen wordt een zogenaamd $\mathrm{H}_\alpha$-filter gebruikt. Dit laat alleen golflengtes door in een klein golflengtegebied rond 656,28 nm. Deze golflengte komt voor in het emissiespectrum van de chromosfeer, terwijl het spectrum van de fotosfeer hier een absorptielijn heeft.

De $\mathrm{H}_\alpha$-golflengte komt overeen met een overgang in het energieniveauschema van waterstof.

Vraag 23 1 punt

Geef aan bij welke overgang deze golflengte hoort:

  1. A tussen de grondtoestand en de eerste aangeslagen toestand
  2. B tussen de grondtoestand en de tweede aangeslagen toestand
  3. C tussen de eerste aangeslagen toestand en de tweede aangeslagen toestand
  4. D tussen de tweede aangeslagen toestand en de derde aangeslagen toestand
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Een $\mathrm{H}_\alpha$-filter bevat een zogenaamd etalon. Een etalon bestaat uit twee plaatjes met half doorlatende spiegels die evenwijdig aan elkaar zijn opgesteld, op enige afstand van elkaar. Wanneer een lichtstraal invalt, kan deze worden gereflecteerd tussen de twee plaatjes. Bij de meeste golflengtes vindt daarbij destructieve interferentie plaats. Sommige golflengtes zullen door het filter juist wél doorgelaten worden. Zie figuur 4.

Bij een etalon in een $\mathrm{H}_\alpha$-filter vallen de lichtstralen vrijwel loodrecht in op de eerste plaat (de hoek in de tekening is in figuur 4 overdreven weergegeven). Bij elke reflectie treedt er een zogenaamde fasesprong op. Dat wil zeggen dat de gereduceerde fase van de lichtstraal verandert met $\pi$, maar omdat dit in het etalon telkens een even aantal keren plaatsvindt hoef je hiermee geen rekening te houden.

De afstand $d$ tussen beide plaatjes bepaalt welke golflengtes doorgelaten worden. Voor deze golflengtes geldt:

\lambda = \frac{2}{n} d \qquad (1)

Hierin is $n$ een geheel getal.

Vraag 24 2 punten

Leg met behulp van figuur 4 uit dat deze formule klopt.

Hα-etalon: invallend licht en doorgelaten licht tussen twee platen op afstand d Bekijk in Opgaven, pagina 17

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Voor de golflengtes die worden doorgelaten geldt dat er constructieve interferentie optreedt. Het weglengteverschil tussen de verschillende lichtstralen is dus een geheel aantal malen de golflengte: $2d = n\lambda$. Omschrijven levert: $\lambda = \frac{2}{n} d$.

Bij een $\mathrm{H}_\alpha$-filter is het etalon zo afgesteld dat de golflengte van 656,28 nm maximaal wordt doorgelaten. Dit is echter niet de enige golflengte die wordt doorgelaten. De doorlaatcurve van een etalon laat nooit slechts één piek zien, maar altijd een serie van pieken. Zie de doorgetrokken grafiek in figuur 5. Elke piek van deze grafiek correspondeert met een andere waarde van $n$ in formule (1).

Om alleen de $\mathrm{H}_\alpha$-golflengte zichtbaar te maken wordt een etalon gecombineerd met een tweede filter. Dit is een standaardfilter dat een relatief groot gebied rondom een vaste golflengte doorlaat. In figuur 5 is de doorlaatcurve van dit tweede filter aangegeven met de onderbroken lijn.

De breedte die de doorlaatcurve van het tweede filter maximaal mag hebben, hangt af van de onderlinge afstand tussen de pieken, $\Delta\lambda_n$, in de doorlaatcurve van het etalon.

Van een bepaald etalon is de onderlinge afstand tussen de platen $d$ gelijk aan 42,0 μm.

Vraag 25 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken voor dit etalon de waarde van $n$ die hoort bij de $\mathrm{H}_\alpha$-piek.
  • Bereken de grootte van $\Delta\lambda_n$ in deze situatie.

doorlaatcurve van het etalon (doorgetrokken) en van het standaardfilter (onderbroken) Bekijk in Opgaven, pagina 18

Bekijk het antwoord

uitkomsten: $n = 128$ en $\Delta\lambda_n = 5$ nm

voorbeeld van een antwoord:

Invullen van formule (1) geeft:

\frac{2}{n} \cdot 42{,}0 \cdot 10^{-6} = 656{,}28 \cdot 10^{-9}

Dus

n = \frac{2 \cdot 42{,}0 \cdot 10^{-6}}{656{,}28 \cdot 10^{-9}} = 128

Voor de golflengte van de volgende piek geldt

\lambda = \frac{2d}{n+1} = \frac{2 \cdot 42{,}0 \cdot 10^{-6}}{129} = 651\ \mathrm{nm}. \text{ Dus } \Delta\lambda_n = 656 - 651 = 5\ \mathrm{nm}.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (4), geluid en trillingen (4) en licht en lenzen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-25-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.