Eindexamen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Lost and found, Sporen op Phobos, Munt krimpen, Kneedbare weerstand, Temperatuurbepaling uit lijnverbreding, Wolfstoon.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over straling (5), astrofysica (5) en licht en lenzen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling1-55
Astrofysica6-105
Licht en lenzen19-235
Magnetisme11, 13-154
Elektriciteit12, 16-184
Geluid en trillingen24-263

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over licht en lenzen (19% van de vragen, gemiddeld 9%) en astrofysica (19% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over beweging (0% van de vragen, gemiddeld 11%) en energie en arbeid (0% van de vragen, gemiddeld 7%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Lost and found

Bij een Australisch mijnbouwbedrijf gebruikt men in een sensor voor bodemonderzoek een capsule met radioactief cesium-137.

Cesium-137 kan op verschillende manieren vervallen naar een stabiele dochterkern. In figuur 1 zijn de twee meest voorkomende vervalprocessen weergegeven.

figuur 1
figuur 1

Vraag 1 2 punten

Leg uit welk element in figuur 1 bedoeld wordt met X.

Bekijk het antwoord

^voorbeeld van een antwoord:(¹³⁷₅₅_Cs_→¹³⁷₅₆_Ba₊₋⁰₁_e )

Bij het verval van Cs-137 naar X wordt een bèta-min-deeltje uitgezonden. Het atoomnummer neemt dus met 1 toe van 55 naar 56. Dit is het atoomnummer van het element barium.

  • inzicht dat bij bèta-min-verval het atoomnummer met 1 toeneemt (1)
  • consequente conclusie (1)

De capsule moet vervangen worden zodra de activiteit van het cesium met 30% is afgenomen.

Vraag 2 3 punten

Bepaal na hoeveel jaar de cesiumcapsule vervangen moet worden.

Bekijk het antwoord

uitkomst: t = 15 (j)

voorbeeld van een antwoord:

Wanneer de capsule vervangen wordt heeft deze nog 100% − 30% = 70% van de oorspronkelijke activiteit. Uit figuur 1 / Binas-tabel 25A / ScienceData-tabel 1.11 volgt dat de halveringstijd van Cs-137 gelijk is aan 30 jaar.

Er geldt A = A₀ 1/2 t t /¹², dus A₀ A = 0,70 = 1/2 t /30 .

Hieruit volgt: log(0,70) = t/30 ⋅ log()¹₂→= t 30 ⋅ log(0,70) log(¹₂) = 15 (j) .

  • gebruik van A = A₀ 1/2 t t /¹² met t₁₂ = 30 y (1)
  • inzicht dat A/0 A = 0,70 (1)
  • completeren van de berekening (1)

Om de capsule te vervangen wordt de sensor naar een onderhoudslocatie gebracht. In januari 2023 ontdekten werknemers van het mijnbouwbedrijf dat ergens langs een 1400 km lange route een capsule was zoekgeraakt. De Australische overheid was bang dat iemand de capsule langs de weg zou vinden, en deze zonder na te denken in zijn of haar broekzak zou steken.

De wand van de capsule absorbeert alle bètastraling, maar laat de gammastraling ten gevolge van vervalproces (1b) uit figuur 1 grotendeels door. Deze gammastraling kan leiden tot schade aan menselijk weefsel.

Een gemiddelde persoon heeft een massa van 74 kg. Op 1,0 m afstand van de capsule absorbeert deze persoon per uur 3·10¹² fotonen van 662 keV. Tabel 1 geeft dosisequivalenten van verschillende röntgenfoto’s.

tabel 1

equivalente dosis per foto
gebit5 µSv
hart en longen70 µSv
onderrug0,6 mSv

In de Australische media werd beweerd dat het dosisequivalent dat een persoon op 1 meter van de capsule in 1 uur zou ontvangen, overeenkomt met het dosisequivalent van zeven röntgenfoto’s.

Vraag 3 4 punten

Leg met een berekening uit met welk type röntgenfoto in tabel 1 het dosisequivalent in deze bewering is vergeleken.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Het dosisequivalent ten gevolge van de straling van de capsule is

H = w_R D = w_R E/m . (De weegfactor w_R van gammastraling is 1.)

De geabsorbeerde stralingsenergie in een uur is E = N ⋅ E_γ = 3 ⋅ 10¹² ⋅ 662 ⋅ 10³ ⋅ 1,60 ⋅ 10⁻ 19 = 0,32 J .

Daarmee is het dosisequivalent in een uur

H = ⋅ 1 0,32/74 = 4,3 ⋅ 10⁻³ Sv = 4,3 mSv .

Dit komt overeen met zeven keer het dosisequivalent ten gevolge van een röntgenfoto van de onderrug.

  • gebruik van H = w_R D en D = E/m (1)
  • inzicht dat E = N ⋅ E_γ (1)
  • completeren van de berekening van H (1)
  • consequente conclusie (1)

Er werd een zoekactie gestart waarbij een auto met een stralingsdetector langs de route reed. Zie figuur 2. Deze figuur is niet op schaal getekend.

figuur 2
figuur 2

De activiteit van het cesium in de capsule is 19 GBq. Vervalproces (1b) komt voor bij 85% van alle cesium-137-kernen die vervallen. De wand van de capsule laat 96% van de gammastraling door. De oppervlakte van de detector is 6,3 cm². Voor een bruikbaar signaal moeten er per seconde minimaal 2,0 ⋅ 10³ gammafotonen op dit oppervlak vallen.

Vraag 4 4 punten

Bereken de maximale afstand waarop de capsule nog gedetecteerd kan worden.

Bekijk het antwoord

uitkomst: r = 20 m

voorbeeld van een antwoord:

Er komen per seconde 19 ⋅ 10⁹ ⋅ 0,85 ⋅ 0,96 = 15,5 ⋅ 10⁹ gammafotonen uit de capsule. Deze fotonen worden in alle richtingen verspreid, dus op een afstand r is het aantal fotonen dat per seconde door een vierkante meter 15,5 ⋅ 10⁹ gaat gelijk aan . Op het detectoroppervlak van 6,3 cm² komen per 4π r²

seconde 15,5 ⋅ 10⁹ ⋅ 6,3 ⋅ 10⁻ 4 = 9,77 ⋅ 10⁶ fotonen terecht. 4π r² 4π r² Er moeten minimaal 2,0 ⋅ 10³ fotonen op het detectoroppervlak vallen.

Antwoordfiguur bij vraag 4 (cv-p7-5-4.webp).

Hieruit volgt 2,0 ⋅ 10³ = 9,77 ⋅ 10⁶ 4π r²

  • correct toepassen van de factoren 0,85 en 0,96 (1)

1

  • inzicht dat het aantal fotonen per s per m² evenredig is met (1)

r²

  • inzicht dat het aantal fotonen dat op de detector valt evenredig is met de oppervlakte van de detector (1)
  • completeren van de berekening (1)

De capsule is gevonden in de berm op twee meter van de weg. Uit een rekenmodel blijkt dat passerende automobilisten weinig gevaar hebben ondervonden van de straling uit de capsule. Het model berekent het dosisequivalent dat een persoon per seconde ontvangt op verschillende posities x langs de weg. Op de uitwerkbijlage staat een grafiek met het resultaat van die berekening. Op x = 0 bevindt de auto zich het dichtst bij de capsule.

Neem aan dat een automobilist de capsule passeert met een constante snelheid van 90 km h⁻¹.

Vraag 5 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het extra dosisequivalent dat de automobilist op het weergegeven traject ondervindt. Noteer je antwoord in één significant cijfer.

uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

uitkomst: H = 0,05 μSv ( 0,04 μSv ≤ H ≤ 0,06 μSv )

Antwoordfiguur bij vraag 5 (cv-p8-2-5.webp).

voorbeelden van een antwoord:

methode 1

Het gemiddelde dosisequivalent per seconde is in het weergegeven traject 0,03 µSv s⁻¹ . De automobilist rijdt met een constante snelheid van

90 km h⁻ 1 = 25 ms⁻¹ en doet t = s/v = Δ x = 40/25 = 1,6 s over het traject. Het v extra dosisequivalent is H = 0,03 ⋅ 1,6 = 0,048 μSv . Afronden op 1 significant cijfer geeft H = 0,05 μSv .

  • inzicht dat H = gemiddelde dosisequivalent per seconde ⋅ Δt (1)
  • schatten van het gemiddelde dosisequivalent per seconde (1)
  • gebruik van s = vt , met v constant (1)
  • completeren van de bepaling en significantie (1)

methode 2

De horizontale as kan worden omgezet in een tijd-as, waarbij iedere verplaatsing van 5 m langs de as overeenkomt met een tijdsduur

Δ= t Δ x = 5,0/(90 / 3,6) = 0,20 s . v_gem

Het oppervlak onder de grafiek geeft dan het totale extra dosisequivalent. Er liggen 23 hokjes onder de grafiek, waarbij ieder hokje overeenkomt met een extra dosisequivalent van 0,01μSvs −¹ ⋅ 0,20 s = 0,002 μSv . Het totale extra dosisequivalent is 23 ⋅ 0,002 = 0,046 μSv . Afronden op 1 significant cijfer geeft H = 0,05 μSv .

  • inzicht dat de horizontale as omgerekend kan worden naar een tijd-as en dat H dan overeenkomt met de oppervlakte onder de grafiek (1)
  • toepassen van een juiste methode om de oppervlakte onder de grafiek te bepalen (1)

Δ

  • gebruik van v_gem =Δxt (1)
  • completeren van de bepaling en significantie (1)

Sporen op Phobos

In 1977 maakte de ruimtesonde Viking 1 een foto van Phobos. Zie figuur 1. Phobos is een maan van de planeet Mars.

In tabel 1 staan de gegevens over Phobos die bij deze opgave gebruikt moeten worden.

figuur 1 tabel 1
figuur 1 tabel 1
gemiddelde straal (R)1,11104 m
omtrek6,9104 m
valversnelling (g)5,7103 ms2
massa (M)1,071016 kg

In figuur 1 zijn een grote inslagkrater en lange sporen over het oppervlak te zien. Over het ontstaan van de sporen zijn verschillende hypotheses opgesteld. Een daarvan luidt dat er rotsblokken werden weggeslingerd tijdens de inslag waardoor de krater ontstond. Deze rotsblokken kwamen met een snelheid in het gebied buiten de krater neer en werden na het neerkomen langzaam afgeremd door de schuifwrijvingskracht. Daarbij werden de sporen over het oppervlak van Phobos getrokken.

Model 1

Men onderzoekt deze hypothese eerst met een eenvoudig model. Daarin wordt de kromming van het oppervlak van Phobos verwaarloosd. In het model gelden de volgende regels:

1 Er werken drie krachten op het rotsblok: de zwaartekracht F_z, de normaalkracht F_N en de schuifwrijvingskracht F_w.

2 De schuifwrijvingskracht is gelijk aan F_w = 0,25 ⋅ F_N .

3 Het rotsblok schuift over een horizontaal vlak, waarbij F_N = F_z .

Sommige sporen lopen helemaal om Phobos heen. Volgens model 1 komt een rotsblok met een beginsnelheid van 14 m s⁻¹ na precies 1 ronde van 6,9 ⋅ 10⁴ m tot stilstand.

Vraag 6 4 punten

Toon dit aan.

Bekijk het antwoord

voorbeelden van een antwoord:

methode 1

Ten gevolge van de schuifwrijvingskracht neemt de kinetische energie van het rotsblok af. Er geldt Δ E_k =∑ W met Δ E_k =− ( )¹₂ mv² _begin en ∑ W = W_w =− ( ) F_w s . De schuifwrijvingskracht F_w is gelijk aan 0,25 ⋅ F_N = 0,25 ⋅ F_z = 0,25 ⋅ mg .

Hieruit volgt s = Δ E_k =¹₂mv_begin² = 2 v_begin² = 2 ⋅ 14² = 6,9 ⋅ 10⁴ m . F_w 0,25 ⋅ mg g 5,7 ⋅ 10⁻ 3

  • gebruik van Δ E_k =∑ W (1)
  • gebruik van E_k =¹₂mv² en W = Fs (1)
  • inzicht dat F_w = 0,25 ⋅ mg met g = 5,7 ⋅ 10⁻ 3 ms⁻ 2 (1)
  • completeren van de berekening (1)

methode 2

Omdat de schuifwrijvingskracht constant is, is de beweging eenparig

vertraagd. Uit F_res = ma en F_w = 0,25 ⋅ mg volgt a = 0,25 g . Met a_gem =Δ Δ v t

volgt hieruit voor de remtijd: Δ= t Δ a v = 0,25 ⋅ 5,7 ⋅ 10⁻ 14 3 = 9,82 ⋅ 10³ s .

De gemiddelde snelheid is v_gem = v_begin + v_eind = 14 (+)/2 0 = 7,0 ms⁻¹, dus de 2 remafstand is Δ= x v_gem ⋅ Δ= t 7,0 ⋅ 9,82 ⋅ 10³ = 6,9 ⋅ 10⁴ m .

  • gebruik van F_res = ma en a_gem =Δ Δ v t (1)
  • inzicht dat F_w = 0,25 ⋅ mg met g = 5,7 ⋅ 10⁻ 3 ms⁻ 2 (1)
  • gebruik van v_gem =Δ en inzicht dat Δ x t v_gem =¹₂v_begin (1)
  • completeren van de berekening (1)

De beginsnelheid van 14 m s⁻¹ die volgt uit model 1 is groter dan de ontsnappingssnelheid van een object op Phobos.

Vraag 7 3 punten

Bereken deze ontsnappingssnelheid met behulp van de gegevens in tabel 1.

Bekijk het antwoord

uitkomst: v_o = 11,3 ms⁻ 1

voorbeeld van een antwoord:

Antwoordfiguur bij vraag 7 (cv-p11-3-7.webp).
Antwoordfiguur bij vraag 7 (cv-p11-4-7.webp).

¹₂mv_o² = 0 .)

  • inzicht dat¹₂ mv_o² = G mM (1)

R

  • opzoeken van G en gebruik van R en M van Phobos (1)
  • completeren van de berekening (1)

Opmerking

Bij een berekening waarin niet consequent is omgegaan met de mintekens mag het derde scorepunt niet worden toegekend.

Een rotsblok met de beginsnelheid die volgt uit model 1 zou van Phobos ontsnappen en geen spoor over het oppervlak trekken. Er is dus een gedetailleerder model nodig om de hypothese over het ontstaan van de sporen te toetsen.

Model 2

In model 2 wordt aangenomen dat Phobos bolvormig is en dat het rotsblok in een cirkelbaan over het oppervlak van Phobos beweegt. Figuur 2 toont het bijbehorende computermodel. De afgelegde afstand s wordt (in regel 7) steeds met een stapje ter grootte van ds opgehoogd, waarna de andere grootheden opnieuw worden berekend.

figuur 2

modelformulesstartwaardes
12E v  k ms 0 (m)
2mv2 F  mpz Rds 10 (m)
3F  F F N z mpzf 0,25
4F  f F w Nm 1,0 10 4 (kg)
5dE  F ds k wR 1,11 10 4 (m)
6E  E dE k k kg 5,7 103 (ms2)
7s  sdsF mg (N) z
8als E 0 dan stop eindals kv 7,5 (ms1)
9E  1mv2 (J) k 2
Afbeelding bij vraag 8 (opgaven-p6-1.webp).

In figuur 3 is voor beide modellen de grafiek van de kinetische energie E_k van het rotsblok als functie van s getekend. Bij gelijke beginsnelheid is de lengte van het spoor volgens model 2 veel groter dan volgens model 1.

figuur 3
figuur 3

In figuur 3 is te zien dat het energieverlies per afgelegde meter aan het eind van het spoor bij beide modellen even groot is.

Vraag 8 2 punten

Leg uit hoe dit resultaat verklaard wordt met behulp van de modelregels van model 2 en model 1.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Naarmate het rotsblok dichter bij het eind van het spoor komt, wordt zijn snelheid kleiner, waardoor ook de benodigde middelpuntzoekende kracht kleiner wordt. De wrijvingskracht in model 2 benadert dan steeds meer die in model 1 (waardoor de afname van de kinetische energie per afgelegde meter aan het einde van het spoor gelijk is aan die in model 1).

  • inzicht dat de snelheid en benodigde F_mpz aan het eind van het spoor klein zijn (1)
  • inzicht dat daardoor F_w aan het eind van het spoor in beide modellen vrijwel even groot is (1)

Met model 2 is de lengte van het spoor bij verschillende beginsnelheden van het rotsblok bepaald. Zie figuur 4.

figuur 4
figuur 4

Uit figuur 4 blijkt dat het rotsblok precies een volledige ronde over het oppervlak van Phobos kan maken bij een beginsnelheid die lager is dan de ontsnappingssnelheid.

Vraag 9 1 punt

Bepaal deze beginsnelheid. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Bekijk het antwoord

uitkomst: v_b = 7,78 ms⁻ 1

Opmerking v_b = 7,77 ms⁻¹ ook goedrekenen.

In figuur 4 is ook te zien dat de lengte van het spoor bij grotere beginsnelheden steeds sterker toeneemt. Bij een bepaalde beginsnelheid v_grens blijft het rotsblok oneindig lang door bewegen in de cirkelbaan over het oppervlak van Phobos. Het computermodel geeft dan geen uitkomst voor de lengte van het spoor. v_grens is kleiner dan de ontsnappingssnelheid.

Vraag 10 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken v_grens.
  • Geef aan wat er met het rotsblok gebeurt bij beginsnelheden tussen v_grens en de ontsnappingssnelheid.
Bekijk het antwoord

uitkomst: v_grens = 8,0 ms⁻ 1

voorbeelden van een antwoord:

methode 1

− Het rotsblok kan oneindig lang door bewegen als er geen wrijvingskracht is. Dit betekent dat de normaalkracht nul is. Aan het oppervlak van Phobos geldt dan (volgens modelregel 3) dat 0 = F_z − F_mpz . Hieruit volgt F_z = F_mpz dus

mv_grens² mg = → v_grens = gR = 5,7 ⋅ 10⁻³ ⋅ 1,11 10 ⋅ ⁴ = 8,0 ms⁻¹. R

− Het rotsblok beweegt voor v_grens < v < v_o in een baan boven het

oppervlak van Phobos.

  • inzicht dat F_N = 0 / inzicht dat F_z = F_mpz (1)
  • gebruik van F_z = mg en F_mpz = mv² met r = R_Phobos (1)

r

  • completeren van de berekening (1)
  • inzicht dat het rotsblok voor v_grens < v < v_o in een baan boven het

oppervlak van Phobos beweegt (1)

methode 2

− In een cirkelbaan geldt F_mpz = F_g dus mv² = G mM , waarbij de kleinst r r² mogelijke baanstraal gelijk is aan de straal R van Phobos. Hieruit volgt

Antwoordfiguur bij vraag 10 (cv-p13-16-10.webp).
Antwoordfiguur bij vraag 10 (cv-p13-17-10.webp).
  • inzicht dat F_mpz = F_g (1)
  • gebruik van F_mpz = mv² en F_g = G mM met r = R_Phobos (1)

r r²

  • completeren van de berekening (1)
  • inzicht dat het rotsblok voor v_grens < v < v_o in een baan boven het

oppervlak van Phobos beweegt (1)

Munt krimpen

Een webshop verkoopt ‘gekrompen’ munten. Figuur 1 toont een munt voor het krimpen en een munt na het krimpen.

figuur 1
figuur 1

Na het krimpen is de diameter van de munt kleiner geworden en de dikte van de munt toegenomen.

Vraag 11 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 1 hoeveel keer zo dik de munt is geworden. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bekijk het antwoord

uitkomst: 1,9

voorbeeld van een antwoord:

Voor het krimpen is de diameter (op de foto in figuur 1) gelijk aan 3,0 cm, en na het krimpen is de diameter 2,2 cm. Het volume van de munt wordt gegeven door V = π r² h = 1 ₄π d² h , hierin komt h overeen met de dikte van de

munt. Het volume blijft gelijk, en d² neemt af met een factor 3,0/2,2 =² 1,9 .

De munt wordt dus 1,9 keer zo dik.

  • bepalen van beide diameters met een marge van 1 mm (1)
  • gebruik van V = π r² h met d = 2 r / inzicht dat h ∝ 1 (1)

d²

  • completeren van de bepaling en significantie (1)

Om het krimpen uit te voeren, wordt de munt in een spoel geplaatst. De spoel wordt via twee aansluitpunten en een schakelaar aangesloten op een hoogspanningsbron. Zie de foto in figuur 2 en de tekening in figuur 3.

figuur 2 figuur 3
figuur 2 figuur 3
figuur 3
figuur 3

Tijdens het krimpen van de munt wordt de stroom zo groot dat een gewone schakelaar zou smelten. Daarom wordt de stroomkring gesloten door twee massieve metalen bollen dicht bij elkaar te brengen. Zie figuur 4.

figuur 4
figuur 4

In de gesloten toestand van de schakelaar is de elektrische veldsterkte tussen de bollen groot, waardoor de tussenliggende luchtmoleculen ioniseren. De lucht wordt dan geleidend en er vindt een ontlading plaats. In figuur 5 staan vier schetsen van het elektrisch veld en van de netto ladingsverdeling op de buitenkant van de bollen.

figuur 5
figuur 5

Vraag 12 1 punt

Welke schets in figuur 5 (I, II, III of IV) geeft het elektrisch veld en de ladingsverdeling vlak voor het moment van de ontlading het best weer?

  1. A schets I
  2. B schets II
  3. C schets III
  4. D schets IV
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Tijdens de ontlading loopt er een stroom I_spoel door de spoel en ontstaat er binnen de spoel een magnetisch veld loodrecht op het vooraanzicht van de munt. Figuur 6 toont het (I_spoel,t)-diagram.

figuur 6 figuur 7
figuur 6 figuur 7
figuur 7
figuur 7

Door elektromagnetische inductie gaan vrije elektronen langs de rand van de munt bewegen. Zie figuur 7. Dit leidt tot een elektrische stroom die we de inductiestroom noemen.

Vraag 13 3 punten

Geef aan op welk tijdstip in het (I_spoel,t)-diagram van figuur 6 de inductiestroom in de munt maximaal is. Licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

uitkomst: t = 11μs

voorbeeld van een antwoord:

De inductiestroom is maximaal op het tijdstip t = 11μs .

Elektromagnetische inductie ontstaat bij een veranderende flux. De flux door de munt verandert als het magnetisch veld in de spoel verandert ten gevolge van de veranderende I_spoel. In figuur 6 is te zien dat I_spoel direct na het inschakelen het sterkst verandert, dus dan is de inductiestroom in de munt maximaal.

  • noteren van het juiste tijdstip (1)
  • inzicht dat elektromagnetische inductie maximaal is wanneer de fluxverandering maximaal is (1)
  • inzicht dat de fluxverandering evenredig is met de verandering van I_spoel (1)

Ten gevolge van het magnetisch veld van figuur 8 de spoel ondervinden de elektronen die langs de rand van de munt bewegen een lorentzkracht. De lorentzkracht is naar het midden van de munt gericht. Hierdoor wordt de rand van de munt naar binnen geperst en krimpt de munt. In figuur 8 is de lorentzkracht aangegeven met pijlen. Ook is een winding van de spoel getekend.

figuur 8
figuur 8

Op de uitwerkbijlage staan twee zinnen over de situatie in figuur 8.

Vraag 14 2 punten

Omcirkel in elke zin op de uitwerkbijlage het juiste alternatief.

Bekijk het antwoord
  • Het magnetisch veld wijst loodrecht het papier uit. (1)
  • De stroom door de winding loopt van B naar A. (1)

Opmerking

Bij de antwoordcombinatie ‘in’ en ‘van A naar B’: 1 scorepunt toekennen.

Om de munt te laten krimpen moet de hoogspanningsbron vermogen leveren. De spanning die wordt gebruikt is 7 kV. In figuur 9 staan een aantal voorbeelden van (gemiddelde) elektrische vermogens.

figuur 9
figuur 9

Vraag 15 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 6 bij welk voorbeeld in figuur 9 het vermogen van dezelfde orde van grootte is als het maximale opgenomen vermogen tijdens het krimpen van de munt.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Voor het maximale vermogen geldt P = UI_max , en uit figuur 6 volgt dat

I_max = 52 kA . Dus P = 7 ⋅ 10³ ⋅ 52 ⋅ 10³ = 3,6 ⋅ 10⁸ W . Dit is van dezelfde orde van grootte als het vermogen van een energiecentrale.

  • gebruik van P = UI (1)
  • inzicht dat de maximale stroomsterkte moet worden bepaald (1)
  • completeren van de bepaling en consequente conclusie (1)

Kneedbare weerstand

Van elektrisch geleidende klei is een cilinder gevormd. Door meetsnoeren in de klei te steken kan de cilinder worden opgenomen in een elektrische schakeling. Zie figuur 1.

figuur 1
figuur 1

In de schakeling van figuur 2 wordt met een spanningsmeter de spanning over een deel van de cilinder gemeten.

figuur 2
figuur 2

Vraag 16 2 punten

Leg uit dat de spanningsmeter in figuur 2 een spanning van 3,0 V aangeeft.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

In een serieschakeling is de verhouding tussen de spanningen hetzelfde als de verhouding tussen de weerstanden. Tussen B en C bevindt zich een kwart van de totale lengte van de kleirol, dus een kwart van de totale weerstand. De spanning tussen B en C is een kwart van de totale spanning (dus 3,0 V).

R_BC

  • inzicht dat U_BC = U_tot (1)

R_tot

  • inzicht dat R_BC = 1 ₄R_tot en conclusie (1)

De spanningsmeter wordt vervangen door een lampje dat optimaal brandt bij 3,0 V. Zie figuur 3.

figuur 3
figuur 3

In de schakeling van figuur 3 brandt het lampje niet optimaal.

Vraag 17 3 punten

Leg uit of aansluitpunt B van het lampje richting punt A of richting punt C verplaatst moet worden om het lampje wel optimaal te laten branden.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Het lampje staat parallel aan het gedeelte BC van de kleirol. Daardoor is de vervangingsweerstand tussen B en C nu kleiner dan in figuur 2. De spanning tussen B en C is dan lager (dan 3,0 V, waardoor het lampje niet optimaal brandt). Om de vervangingsweerstand / de spanning tussen B en C te verhogen, moet er een groter deel van de weerstand van de kleirol parallel aan het lampje geschakeld worden. Het aansluitpunt moet dus richting A verplaatst worden.

  • inzicht dat de vervangingsweerstand tussen B en C kleiner wordt (1)
  • consequente conclusie over de spanning die over het lampje staat (1)
  • consequente conclusie over de richting waarin het aansluitpunt verplaatst moet worden (1)

Bij een volgende proef wordt van de klei een gelijkzijdige driehoek PQR gemaakt, zie figuur 4.

figuur 4
figuur 4

De twee aansluitsnoeren van de spanningsbron worden bij punt P en punt R in de klei gestoken, en de totale stroomsterkte I wordt gemeten. Vervolgens wordt het linker aansluitsnoer in stapjes vanaf P via Q naar R verplaatst. We noemen de afstand waarover de aansluiting van het linker aansluitsnoer is verplaatst s. Zie figuur 4. Het rechter aansluitsnoer wordt niet verplaatst.

Op de uitwerkbijlage staat een (I,s)-diagram. De totale stroomsterkte voor de situatie dat het linker aansluitpunt in P ligt (s = 0), is hierin aangegeven.

Vraag 18 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit in het diagram op de uitwerkbijlage:

  • Geef de totale stroomsterkte aan voor de situatie dat het linker aansluitsnoer zich in punt Q bevindt.
  • Schets het verloop van de (I,s)-grafiek vanaf P tot aan R.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Antwoordfiguur bij vraag 18 (cv-p17-2-18.webp).
  • stroomsterkte bij Q gelijk aan die bij P (1)
  • halverwege tussen P en Q een minimum (1)
  • continu stijgende grafiek vanaf Q (1)

Opmerking

Het tweede scorepunt niet toekennen als het minimum op of onder I = 0 ligt.

Temperatuurbepaling uit lijnverbreding

In een gasontladingslamp bevindt zich een gas in een afgesloten buis. Als de lamp wordt aangezet, komen de gasatomen in een aangeslagen toestand en zenden vervolgens licht uit.

In figuur 1 staat het spectrum van een gasontladingslamp die gevuld is met een mengsel van waterstofgas en een ander gas.

figuur 1
figuur 1

Vraag 19 1 punt

Geef aan welk ander gas aanwezig is in de lamp. Gebruik tabel 20 uit Binas of tabel 5.1e uit ScienceData.

Bekijk het antwoord

helium

De emissielijn bij 656 nm wordt uitgezonden door waterstofatomen die terugvallen van de tweede naar de eerste aangeslagen toestand. Deze emissielijn wordt H_α genoemd. Figuur 2 toont een nauwkeurige meting van het spectrum rond de H_α-lijn.

figuur 2
figuur 2

Uit figuur 2 blijkt dat H_α bij 656,28 nm ligt. Om de golflengte van H_α ook met deze nauwkeurigheid te berekenen, moeten de energieniveaus (in eV) van het waterstofatoom nauwkeurig bekend zijn. Er geldt:

E_n =− 13,5983/n₂ (1)

Ook moet er rekening worden gehouden met het feit dat de meting van het spectrum in figuur 2 in lucht is uitgevoerd. In lucht is de lichtsnelheid kleiner dan in vacuüm, namelijk c_lucht = 2,99706 ⋅ 10⁸ ms⁻¹.

Vraag 20 4 punten

Toon met bovenstaande gegevens aan dat de golflengte van H_α in lucht gelijk is aan 656,28 nm.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

De H_α-lijn hoort bij de overgang van de tweede naar de eerste aangeslagen toestand, dus van n = 3 naar n = 2. De bijbehorende fotonenergie is:

E_f = E₃ − E₂ =− 13,5983 −− 13,5983 = 1,88865 eV . 3² 2²

Er geldt E_f = hc/λ , waaruit volgt dat de golflengte in lucht gelijk is aan

λ = E_f hc = 6,62607 ⋅ 10⁻ 1,88865 ⋅ 1,60218 ⋅ 10⁻³⁴ ⋅ 2,99706 ⋅ 10⁸ 19 = 6,56279 ⋅ 10⁻ 9 m = 656,28 nm .

  • inzicht dat E_f = E₃ − E₂ (1)
  • gebruik van formule (1) en omrekenen van eV naar J (1)
  • gebruik van E_f = hc/λ (1)
  • completeren van de berekening (1)

In figuur 2 is te zien dat de H_α-lijn een breedte heeft. Er worden dus ook fotonen waargenomen met een iets grotere en iets kleinere golflengte dan 656,28 nm. De oorzaak hiervan is het dopplereffect ten gevolge van de beweging van de waterstofatomen in de lamp.

In figuur 3 is een dwarsdoorsnede van de lamp getekend. Hierin is de willekeurige beweging van de waterstofatomen schematisch weergegeven. De pijlen geven de richting en grootte van de snelheid van individuele atomen aan. Het licht dat de atomen uitzenden, wordt waargenomen met een spectrometer die zich aan de rechterkant van de lamp bevindt.

figuur 3
figuur 3

Op de uitwerkbijlage staat figuur 3 met alleen de atomen 1, 2 en 3. Deze drie atomen behoren tot de snelst bewegende waterstofatomen in de lamp. De H_α-lijn uit figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage. Er zijn daar vijf verschillende golflengtegebieden A t/m E aangegeven. Het uitgezonden licht van elk van de drie atomen wordt door de spectrometer in een ander golflengtegebied waargenomen.

Vraag 21 2 punten

Kruis in de tabel op de uitwerkbijlage bij elk atoom het juiste golflengtegebied aan.

uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoordfiguur bij vraag 21 (cv-p19-1-21.webp).
  • atoom 1 correct (1)
  • atoom 2 en 3 correct (1)

Als de temperatuur T van het gas in de lamp figuur 4 hoger wordt, neemt de gemiddelde kinetische energie van de gasatomen toe. Het dopplereffect wordt dan sterker en de emissielijn breder. De breedte b van een emissielijn wordt gemeten op de helft van de maximale intensiteit. Zie figuur 4.

figuur 4
figuur 4

De fotonen die worden waargenomen bij een dopplerverschuiving Δ λ =¹₂ b zijn uitgezonden door gasatomen die met een kinetische energie E_k,x = ln 2 ⋅ k _BT naar de spectrometer toe of van de spectrometer af bewegen. Hieruit volgt het verband tussen de breedte van de emissielijn en de temperatuur van het gas:

b ∝ T (2)

Vraag 22 3 punten

Leid dit verband af.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Voor de dopplerverschuiving geldt Δ λ = v_x λ , met v_x de snelheid van de c gasatomen naar de spectrometer toe of van de spectrometer af. Hieruit volgt dat Δ λ ∝ v_x . De kinetische energie van de gasatomen is

E_k,x =¹₂mv_x² = ln 2 ⋅ kT , dus v_x ∝ T . Combineren van beide

evenredigheden met b =Δ 2 λ geeft b ∝ T .

  • inzicht dat Δ λ ∝ v (1)
  • inzicht dat v ∝ E_k (1)
  • completeren van de afleiding (1)

De spectrale resolutie van een bepaald type spectrometer is 12 pm. Dit betekent dat deze spectrometer één waarde van de intensiteit meet per golflengtebandje van 12 pm breed. Deze golflengtebandjes zijn te zien in de meting van de H_α-lijn in figuur 5. De stippellijn geeft de vorm van de emissielijn die het best past bij de intensiteiten in de golflengtebandjes.

figuur 5
figuur 5

Wetenschappers hebben uit figuur 5 bepaald dat de temperatuur van het waterstofgas gelijk is aan 5,9 ⋅ 10³ K. Zij willen met dezelfde spectrometer ook meten aan een andere gasontladingslamp, met een temperatuur van ongeveer 500 K.

Vraag 23 3 punten

Toon met behulp van formule (2) aan of de temperatuur van deze andere lamp met dezelfde spectrometer gemeten kan worden.

Bekijk het antwoord

voorbeelden van een antwoord:

methode 1

De temperatuur van de andere gasontladingslamp is 5,9 ⋅ 10³ = 11,8 keer zo 500 klein, dus de emissielijn wordt 11,8¹² = 3,4 keer zo smal. Bij 5,9 ⋅ 10³ K vallen er maar 3 golflengtebandjes / meetpunten binnen de breedte b. Daarom zal bij temperaturen rond 500 K de volledige breedte van de emissielijn binnen 1 golflengtebandje vallen. De breedte kan dan niet afgelezen worden en de temperatuur niet bepaald worden.

  • gebruik van b ∝ T en berekenen van de verhouding van de breedtes (1)
  • bepalen van het aantal meetpunten binnen b bij 5,9 ⋅ 10³ K (1)
  • inzicht dat er meerdere golflengtebandjes / meetpunten nodig zijn om b te bepalen en consequente conclusie (1)

methode 2

De temperatuur van de andere gasontladingslamp is 5,9 ⋅ 10³ = 11,8 keer zo 500 klein, dus de breedte van de emissielijn is 11,8¹² = 3,4 keer zo klein. Bij 5,9 ⋅ 10³ K is de breedte van de emissielijn ongeveer 0,032 nm. De breedte bij 500 K wordt 0,032 = 0,0094 nm = 9,4 pm en dit is kleiner dan de 3,4 spectrale resolutie. Het is niet mogelijk om de temperatuur nauwkeurig te bepalen.

  • bepalen van b bij 5,9 ⋅ 10³ K (1)
  • gebruik van b ∝ T en berekenen van b bij 500 K (1)
  • inzicht dat de breedte bij 500 K vergeleken moet worden met de spectrale resolutie en consequente conclusie (1)

Wolfstoon

Een cello is een snaarinstrument. Met een strijkstok wordt een van de snaren in trilling gebracht. De positie van een vinger die op de snaar wordt gezet, bepaalt de frequentie van de gespeelde toon. De lucht in de klankkast trilt mee, waardoor een duidelijk hoorbaar geluid ontstaat.

figuur 1
figuur 1

In figuur 1 zijn het voorblad en de klankkast van de cello aangegeven. Het voorblad heeft een eigenfrequentie. Als die frequentie wordt gespeeld, kan resonantie optreden. De trillingsenergie wordt dan steeds verplaatst van de trillende snaar en meetrillende lucht in de klankkast, naar het houten voorblad en weer terug. Daardoor varieert de amplitude van het geluid sterk. Men noemt dit een zweving, het geluid hiervan klinkt onprettig. De frequentie waarbij de resonantie plaatsvindt, noemt men de wolfstoon van de cello.

Op de uitwerkbijlage is een geluidsregistratie weergegeven van een cello waarop de wolfstoon wordt gespeeld.

Vraag 24 3 punten

Bepaal de frequentie van de gespeelde toon. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

uitkomst: f = 2,1 ⋅ 10² Hz (met een marge van 0,1 ⋅ 10² Hz)

voorbeeld van een antwoord:

Uit de figuur op de uitwerkbijlage blijkt dat de gespeelde toon 21 trillingen

heeft in 0,10 s. De frequentie is dus f = 21/0,10 = 2,1 ⋅ 10² Hz .

  • keuze van de juiste trilling voor de gespeelde toon (1)
  • inzicht dat f = aantal trillingen (1)

Δ t

  • completeren van de bepaling en significantie (1)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Een cellobouwer wil de frequentie f_wt waarbij de wolfstoon optreedt veranderen naar een andere frequentie die minder vaak gespeeld wordt. Hij schaaft op sommige plekken een beetje hout van het voorblad weg en constateert dat f_wt na het schaven kleiner is geworden. Het voorblad van de cello kan worden gemodelleerd als een massa-veersysteem.

Vraag 25 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit dat de afname van f_wt niet kan worden verklaard door de verandering van de massa van het voorblad.
  • Geef aan hoe de afname van f_wt wel verklaard kan worden met het model van het massa-veersysteem.
Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

− De formule voor de trillingstijd van een massa-veersysteem is

T = 2π m . Door het wegschaven van het hout wordt de massa van het C voorblad kleiner. Daardoor zou T kleiner worden en zou de frequentie

f_wt = 1/T juist toenemen.

− Als de veerconstante C door het schaven (met een grotere factor dan de massa) kleiner wordt, leidt dit tot een toename van T en afname van f_wt.

  • gebruik van T = 2π m (1)

C

  • inzicht dat m door het schaven afneemt (1)
  • gebruik van f = 1/T en completeren van de uitleg (1)
  • inzicht dat de veerconstante C moet afnemen (1)

Door het schaven is de wolfstoon verschoven naar een minder vaak gespeelde frequentie. Als een cellospeler deze toonhoogte toch nodig heeft, kan hij de zweving verminderen door ‘vibrato’ te spelen. De vinger van de linkerhand wordt daarbij snel heen en weer bewogen rond de positie waar de snaar normaal gesproken ingedrukt wordt. Zie figuur 2.

figuur 2
figuur 2

Vraag 26 2 punten

Leg uit waarom het bewegen van de vinger de zweving bij de wolfstoon vermindert.

Bekijk het antwoord

voorbeeld van een antwoord:

Door de afwisselend iets kortere en iets langere snaarlengte is de gespeelde toon ook steeds wat hoger en wat lager. Als de gespeelde toon hoger of lager is, wijkt deze af van de eigenfrequentie van het voorblad (waardoor dit minder zal resoneren).

  • inzicht dat de snaarlengte varieert (1)
  • inzicht dat de frequentie dan (vaak) afwijkt van de eigenfrequentie van het voorblad (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over straling (5), astrofysica (5) en licht en lenzen (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-26-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.