Eindexamen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Botsproef, Elektriciteitspracticum, Cepheïden, Morpho didius, Linac.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (5), astrofysica (5) en magnetisme (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Beweging | 3-7 | 5 |
| Astrofysica | 11-15 | 5 |
| Magnetisme | 20-23 | 4 |
| Elektriciteit | 8-10 | 3 |
| Licht en lenzen | 16-18 | 3 |
| Straling | 19, 24-25 | 3 |
| Energie en arbeid | 1 | 1 |
| Grootheden en eenheden | 2 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over beweging (20% van de vragen, gemiddeld 9%) en astrofysica (20% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over straling (12% van de vragen, gemiddeld 22%) en geluid en trillingen (0% van de vragen, gemiddeld 8%).
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
- Tweede aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Botsproef
Ongeveer 75 jaar geleden onderzocht John Stapp de effecten van grote versnellingen op het menselijk lichaam. In een van zijn experimenten zat hij op een stoel, met een veiligheidsriem over zijn heupen. De stoel hing aan een lange kabel. De stoel werd uit de evenwichtsstand getrokken en vervolgens vanuit stilstand losgelaten. Zie figuur 1. Bij het laagste punt werd een botsing nagebootst. Dit deed men door een andere kabel aan de achterkant van de stoel aan te spannen, waardoor de stoel plotseling vertraagde.
De snelheid van de stoel vlak voor de botsing (het aanspannen van de kabel) is 4,0 m s-1.
Vraag 1 3 punten
Bereken op welke hoogte h boven het laagste punt de stoel is losgelaten.
Verwaarloos daarbij de wrijvingskracht.
Stoel die aan een lange kabel hangt en uit de evenwichtsstand is getrokken (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
uitkomst: h = 0,82 m
voorbeeld van een antwoord:
Zwaarte-energie wordt omgezet in kinetische energie. Dus er geldt: ΔEz = (−)ΔEk. Invullen van de formules voor deze energieën geeft:
mgh = \tfrac{1}{2}mv^2, \text{ dus } h = \frac{\tfrac{1}{2}v^2}{g} = \frac{\tfrac{1}{2}\cdot 4{,}0^2}{9{,}81} = 0{,}82 \text{ m}.
Aanvulling: Opmerking. Als de kandidaat de gevraagde hoogte heeft berekend via de bewegingsvergelijkingen en/of met behulp van de gemiddelde snelheid bij een vrije val: maximaal 1 scorepunt toekennen.
Aya heeft op internet een film van het experiment van Stapp gevonden. Figuur 2 toont een beeldje uit de film.
De film werd gemaakt om de beweging met behulp van videometen te onderzoeken. Daarom is er op de achtergrond in figuur 2 een gestreepte balk met een totale lengte van 1 yard (= 0,91 m) geplaatst. Ook zijn er twee markeringen aangebracht:
- M, op de zitting van de stoel;
- S, op de schouder van Stapp.
Aya analyseert de beweging van de markeringen M en S. Daarvoor vergroot zij de filmbeeldjes en meet daarin met een liniaal. De vergroting van het beeldje uit figuur 2 staat op de uitwerkbijlage. Daar is ook het assenstelsel aangegeven dat Aya gekozen heeft. Uit haar metingen berekent zij de werkelijke horizontale positie x en werkelijke verticale positie y van de markeringen ten opzichte van de oorsprong.
Vraag 2 2 punten
Schat met de figuur op de uitwerkbijlage tot op hoeveel cm nauwkeurig Aya de werkelijke positie van een markering kan bepalen.
Vergroting van het filmbeeldje met de gestreepte balk van 1 yard en de markeringen M en S, met het assenstelsel van Aya. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1
Bekijk het antwoord
uitkomst: Δx = 2 cm
voorbeeld van een antwoord:
In de vergroting van het beeldje op de uitwerkbijlage kan de positie van een markering op 1 millimeter nauwkeurig bepaald worden. De balk is daar 45 mm lang, en dat komt overeen met 0,91 m. De nauwkeurigheid van de positiebepaling is dus 0,91 · 1/45 = 0,02 m = 2 cm.
Aya zet de posities van de markeringen M en S uit in een (y,x)-diagram. Dit diagram is weergegeven in figuur 3. In het diagram zijn enkele meetpunten genummerd. Beeldje 0 komt overeen met het moment van de botsing. S en M bevinden zich dan recht boven elkaar bij x = 0. De film is opgenomen met 50 beeldjes per seconde. Aya concludeert uit figuur 3 dat S zich na de botsing gedurende 0,34 s rechts van x = 0 bevindt.
Vraag 3 2 punten
Leg met een berekening uit hoe zij deze tijdsduur heeft bepaald.
(y,x)-diagram met de genummerde meetpunten van de markeringen M en S na de botsing. Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
De tijd T tussen twee opgenomen beeldjes is 1/50 = 0,020 s. Uit het (y,x)-diagram blijkt dat markering S zich gedurende 17 opeenvolgende beeldjes rechts van x = 0 bevindt. De bijbehorende tijdsduur is Δt = 17 · 0,020 = 0,34 s.
Figuur 4 toont beeldje 0 en beeldje 5. Hier is te zien dat de schouder na de botsing ten opzichte van de stoel beweegt. De beweging van markering S ten opzichte van markering M duurt volgens Aya 0,34 s.
Vraag 4 2 punten
Leg met behulp van figuur 3 uit of Aya gelijk heeft.
Beeldje 0 en beeldje 5 van de film, met de positie van de schouder van Stapp ten opzichte van de stoel. Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Uit de onderlinge afstand tussen de meetpunten in figuur 3 volgt dat de snelheid van markering S rond meetpunt 17 / rond het tijdstip t = 0,34 s groter is dan de snelheid van markering M. Op t = 0,34 s beweegt S dus nog steeds ten opzichte van M. (Aya heeft ongelijk.)
Met behulp van software voor videometen bepaalt Aya voor ieder beeldje de snelheid vx van markering S in horizontale richting. In figuur 5 is vx uitgezet tegen de tijd t. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage. Aya bekijkt het deel van de beweging waarin S vertraagt, tot aan het moment dat de bewegingsrichting omkeert.
Vraag 5 3 punten
Bepaal met behulp van het diagram op de uitwerkbijlage de gemiddelde horizontale vertraging van S tijdens dit deel van de beweging. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Diagram van de horizontale snelheid vx van markering S tegen de tijd t, met de vertraging en het omkeerpunt. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
uitkomst: ax,gem = (−)50 m s−2 (met een marge van 6 m s−2)
voorbeeld van een antwoord:
Vlak voor het begin van de vertraging is de snelheid vx = 4,0 m s−1. Het vertragen tot aan het omkeerpunt bij vx = 0 duurt van t = 0,040 s tot t = 0,120 s, dus Δt = 0,080 s. Hieruit volgt ax,gem = Δv/Δt = (0 − 4,0)/0,080 = −50 m s−2. (De gemiddelde vertraging is 50 m s−2.)
Aanvulling: Opmerking. Bij deze vraag hoeven de significanties van de uit figuur 5 bepaalde waarden van vx, t, Δvx en Δt niet beoordeeld te worden.
Door de experimenten van Stapp kwam er aandacht voor de vraag hoe inzittenden van een personenauto beschermd kunnen worden tegen de grote vertraging bij een botsing. Men zag in dat de kinetische energie van de inzittenden zo geleidelijk mogelijk moet worden omgezet. De vertraging tijdens het afremmen is in dat geval constant. Voor de horizontale vertraging ax geldt dan:
a_{\mathrm{x}} = \frac{v_{\mathrm{b}}^{2}}{2s} \qquad (1)
Hierin is:
- vb de horizontale snelheid vlak voor de botsing;
- s de lengte van de remweg in horizontale richting.
Vraag 6 4 punten
Leid formule (1) af.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een antwoord:
methode 1
Tijdens het vertragen geldt: W = ΔEk. Hierin is W de arbeid die door de (horizontale component van de) remkracht Frem wordt verricht. Er geldt W = Frem · s en Frem = m · ax. Invullen in W = ΔEk geeft: m · ax · s = ½ m vx,eind² − ½ m vx,begin². Met vx,eind = 0 en vx,begin = vb en door de massa weg te delen volgt hieruit ax · s = (−)½ vb². De vertraging tijdens het afremmen is ax = vb²/(2s).
methode 2
De horizontale vertraging tijdens het afremmen is gelijk aan ax = Δvx/Δt. Met vx,eind = 0 en vx,begin = vb volgt hieruit ax = vb/Δt. Uit s = vgem·Δt en vgem = (vbegin + veind)/2 volgt Δt = 2s/vb. Voor de horizontale vertraging ax geldt dus: ax = vb/Δt = vb/(2s/vb) = vb²/(2s).
Uit de figuren 3 en 5 blijkt dat de schouder van Stapp na de botsing eerst nog met constante snelheid bewoog, en vanaf ongeveer x = 20 cm begon te vertragen.
Tegenwoordig zijn driepuntsgordels in personenauto's verplicht. Zie figuur 6. De driepuntsgordel wordt steeds strak tegen het lichaam getrokken. De elastische schouderband van een bepaald type driepuntsgordel kan over een horizontale afstand van 18 cm uitrekken. Aya beweert dat de horizontale vertraging ax van de schouder van Stapp kleiner geweest zou zijn als hij deze driepuntsgordel had gebruikt in plaats van de veiligheidsriem.
Vraag 7 3 punten
Leg met behulp van formule (1) uit of Aya gelijk heeft.
Driepuntsgordel in een personenauto (figuur 6). Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Uit figuur 3 blijkt dat de vertraging van de schouder plaatsvindt over een (horizontale) remafstand s = 0,33 − 0,20 = 0,13 m. Deze remafstand is kleiner dan de uitrekking van de schouderband van de driepuntsgordel. Volgens formule (1) is ax kleiner bij een grotere remafstand s. De vertraging zou bij gebruik van de driepuntsgordel dus kleiner geweest zijn dan bij gebruik van de veiligheidsriem. (Aya heeft gelijk.)
Opmerking: Het eerste scorepunt kan ook behaald worden als de remafstand wordt geschat met behulp van figuur 5.
Elektriciteitspracticum
Een ohmse weerstand van 60 Ω wordt met twee meetsnoeren aangesloten op een voedingskastje. Zie figuur 1. Beide snoeren hebben een cilindervormige koperen kern met een diameter van 0,80 mm en een lengte van 140 cm.
Vraag 8 4 punten
De weerstand van de twee meetsnoeren is kleiner dan de onnauwkeurigheid in de waarde van de ohmse weerstand. Toon dit aan.
Foto van de opstelling met het voedingskastje en de twee meetsnoeren (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
De waarde van de ohmse weerstand is tot op (±)0,5 Ω bekend. Voor de weerstand R van een draad geldt ρ = RA/l → R = ρl/A. De soortelijke weerstand van koper is ρ = 17·10−9 Ωm en de doorsnede van de meetsnoeren is A = ¼πd² = ¼π·(0,80·10−3)² = 5,03·10−7 m².
De weerstand van de twee meetsnoeren is R = 2 · (17·10−9 · 1,40)/(5,03·10−7) = 0,095 Ω. (De weerstand van de twee meetsnoeren is dus kleiner dan de onnauwkeurigheid in de waarde van de ohmse weerstand.)
Aanvulling: Opmerking. Als de kandidaat de weerstand van één draad heeft berekend kan het scorepunt voor completeren van de berekening nog behaald worden.
De weerstand van de meetsnoeren wordt hierna verwaarloosd. De schakeling wordt volgens het schema in figuur 2 uitgebreid met nog twee weerstanden. Bij gelijke ohmse weerstanden (R1 = R2 = R3) geldt in de schakeling van figuur 2:
U_{R3} = 2U_{R1} \qquad (1)
Vraag 9 3 punten
Leid dit verband af.
Schakeling met twee parallelle weerstanden R1 en R2 in serie met weerstand R3 aan een spanningsbron (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een antwoord:
methode 1
Aangezien de weerstanden gelijk zijn, verdeelt de stroom zich gelijk over de parallelle takken met R1 en R2. Dus is de stroomsterkte door R3 twee maal zo groot als door R1. Er geldt U = IR dus UR3 = I3R = 2I1R = 2UR1.
methode 2
De vervangingsweerstand van het parallelle deel in de schakeling is ½R. De weerstanden in de serieschakeling verhouden zich dus als Rparallel/R3 = ½R/R = ½. De spanningen verhouden zich op dezelfde manier, dus Uparallel/UR3 = ½. Omdat Uparallel = UR1 (= UR2) volgt hieruit UR3 = 2UR1.
De weerstanden worden vervangen door drie gelijke gloeilampjes, zie figuur 3. Op de lampjes staat: 12 V; 2,4 W. De voedingsspanning is ingesteld op 18 V. Als de lampjes zich net zo zouden gedragen als de ohmse weerstanden in figuur 2, dan zou er volgens formule (1) een spanning van 12 V over lampje L3 staan. L3 zou dan precies goed branden. Gloeilampjes gedragen zich echter als PTC's.
Vraag 10 3 punten
Leg uit of L3 in de schakeling van figuur 3 op een te hoog of op een te laag vermogen brandt.
Schakeling met lampjes L1 en L2 parallel en lampje L3 in serie, aangesloten op 18 V (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
De weerstand van een PTC neemt toe als de temperatuur toeneemt. De stroom door L3 is groter dan die door L1 (en L2). Daarom heeft L3 een hogere temperatuur en dus een grotere weerstand. Hierdoor staat over L3 een groter deel van de totale spanning dan volgens formule (1) (dus meer dan 12 V). Het lampje L3 brandt op een te hoog vermogen.
Cepheïden
De parallaxmethode is een manier om de afstand tot een ster te bepalen. Door de beweging van de aarde rond de zon lijkt de positie van een nabije ster te verschuiven ten opzichte van verder weg gelegen sterren. Na een periode van een half jaar is de schijnbare verplaatsing maximaal. Zie figuur 1.
Hoek p in figuur 1 wordt de parallax genoemd. Hoe groter de afstand d tot de ster, des te kleiner is de parallax. Rond het jaar 1900 was de kleinste parallax die kon worden gemeten 3·10−5 graad. Afstanden in de ordegrootte van 1018 m en groter waren toen nog niet te onderscheiden.
Vraag 11 3 punten
Toon dit aan.
Schematische weergave van de parallaxhoek p van een ster ten opzichte van de aarde en de zon (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Er geldt: tan(p) = r/d, waarbij r gelijk is aan de baanstraal van de aarde. Hieruit volgt bij een minimale parallax van 3·10−5 ° dat de maximale afstand die nog kan worden bepaald gelijk is aan d = 1,5·1011/tan(3·10−5) = 2,9·1017 (m). (Afstanden van de ordegrootte 1018 m en meer konden niet onderscheiden worden.)
Opmerking: Wanneer de kandidaat de sinus gebruikt in plaats van de tangens: goedrekenen.
Omstreeks 1910 onderzocht Henrietta Leavitt (zie figuur 2) een bepaald type sterren: de Cepheïden. De stralingsintensiteit van deze sterren varieert met een constante periode T van enkele dagen tot enkele weken. De Cepheïden zijn vernoemd naar de heldere ster Delta Cephei, waarvan als eerste werd vastgesteld dat de stralingsintensiteit periodiek verandert.
Figuur 3 laat hedendaagse metingen zien van de waargenomen stralingsintensiteit I van Delta Cephei. Uit andere metingen blijkt dat de oppervlaktetemperatuur van Delta Cephei tijdens één periode varieert tussen 5,5·103 K en 6,8·103 K. De waargenomen variatie van de stralingsintensiteit komt overeen met de verwachte variatie op basis van de oppervlaktetemperaturen.
Vraag 12 3 punten
Toon dit aan.
Waargenomen stralingsintensiteit I van Delta Cephei als functie van de tijd (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 10
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Aflezen van de minimale en de maximale intensiteit in figuur 3 geeft Imin = 0,46·10−9 W m−2 en Imax = 1,10·10−9 W m−2. De intensiteit varieert met een factor 1,10/0,46 = 2,39.
Voor de stralingsintensiteit van een ster geldt I ∝ Pbron en Pbron ∝ T4, met Pbron het stralingsvermogen en T de oppervlaktetemperatuur van de ster. Ten gevolge van de variatie van de temperatuur zal de stralingsintensiteit dus variëren met een factor (6,8·103/5,5·103)4 = 2,34. (De variatie in de waargenomen stralingsintensiteit komt overeen met de verwachte variatie op basis van de oppervlaktetemperaturen.)
Sterren zijn niet gelijkmatig verdeeld over het heelal, maar gegroepeerd in een groot aantal sterrenstelsels. De Kleine Magelhaense Wolk (KMW) is een sterrenstelsel dat in de buurt van ons eigen melkwegstelsel ligt. Zie figuur 4. Henrietta Leavitt ontdekte in de KMW ruim twintig Cepheïden.
Leavitt bepaalde van iedere Cepheïde in de KMW de maximale stralingsintensiteit Imax en de periode T. Vervolgens zette zij de logaritme van Imax uit tegen de logaritme van T. Zie figuur 5.
Tot Leavitts verrassing werd een lineair verband tussen log(Imax) en log(T) zichtbaar. Het verband is te beschrijven met de formule:
\log(I_{\max}) = a \cdot \log(T) + \log(C) \qquad (1)
Hierin is:
- Imax de gemeten maximale stralingsintensiteit in W m−2;
- T de periode in dagen;
- a een constante (zonder eenheid);
- C een constante in W m−2.
Het diagram uit figuur 5 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 13 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit met het diagram op de uitwerkbijlage:
- Bepaal de grootte van a in formule (1). Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
- Toon aan dat voor de KMW geldt: C = 1,5·10−14 W m−2.
Diagram van log(Imax) tegen log(T) voor de Cepheïden in de KMW, met een trendlijn (figuur 5). Bekijk in Opgaven, pagina 11
Bekijk het antwoord
uitkomst: a = 0,81 (met een marge van 0,01)
voorbeeld van een bepaling:
- a komt overeen met de steilheid van het lineaire verband. Deze steilheid is gelijk aan a = (−12,61 − (−13,50))/(1,50 − 0,40) = 0,81.
- log(C) komt overeen met het snijpunt van de trendlijn met de verticale as. Dit snijpunt ligt bij −13,82 dus log C = −13,82, en C = 10−13,82 = 1,5·10−14 (W m−2). / Invullen van a = 0,81 en de coördinaten van het punt (0,40; −13,50) in formule (1) geeft −13,50 = 0,81 · 0,40 + log(C) → log(C) = −13,82 en C = 10−13,82 = 1,5·10−14 (W m−2).
Opmerking: Ook als de kandidaat de deelvragen in omgekeerde volgorde heeft beantwoord kunnen alle scorepunten behaald worden.
Leavitt vond ook voor Cepheïden in een ander sterrenstelsel een lineair verband tussen log(Imax) en log(T). Daarbij was alleen de waarde van de constante C anders. Zij concludeerde dat de constante a voor alle Cepheïden in het heelal hetzelfde is, en dat C alleen afhangt van de afstand van de Cepheïde tot de aarde. Tegenwoordig noemt men formule (1) de ‘wet van Leavitt’. Leavitt kon haar wet ontdekken doordat zij metingen deed aan meerdere Cepheïden in twee verschillende sterrenstelsels. Dit was niet gelukt als ze de gegevens van Cepheïden op willekeurige plekken in het heelal in het diagram had uitgezet.
Vraag 14 2 punten
Leg dit uit.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een antwoord:
methode 1
Van Cepheïden op willekeurige plekken in het heelal is de afstand tot de aarde verschillend. Daarbij horen verschillende waardes van de constante C, waardoor de gegevens van willekeurig gekozen Cepheïden niet op één rechte lijn terecht kunnen komen (en er geen conclusie over a en C getrokken kan worden).
methode 2
Alle Cepheïden in een sterrenstelsel bevinden zich op ongeveer dezelfde afstand van de aarde. Daarmee is de waarde van C voor deze Cepheïden bij benadering gelijk, waardoor de gegevens van deze Cepheïden op één rechte lijn terecht komen (en er een conclusie over a en C getrokken kan worden).
Uit de wet van Leavitt volgt dat Cepheïden met dezelfde periode hetzelfde stralingsvermogen Pbron uitzenden. Bij gelijke periodes hangt de waargenomen maximale intensiteit Imax van een Cepheïde dus alleen af van zijn afstand tot de aarde.
In figuur 4 is te zien dat de ster Delta Cephei veel dichter bij de aarde ligt dan de KMW. Omstreeks 1930 was men in staat om de afstand tot Delta Cephei met de parallaxmethode te bepalen: deze is 8,4·1018 m. Met dit gegeven en de wet van Leavitt kon men vervolgens ook de afstand tot de veel verder weg gelegen KMW bepalen.
Op de uitwerkbijlage is figuur 3 afgebeeld. Ook zijn de data uit figuur 5 daar nogmaals weergegeven, nu op logaritmisch papier. Voor Delta Cephei geldt: Imax = 1,1·10−9 W m−2.
Vraag 15 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit met de figuren op de uitwerkbijlage:
- Bepaal de periode T van Delta Cephei. Noteer je antwoord in dagen en in twee significante cijfers.
- Bepaal hiermee de afstand tussen de aarde en de KMW. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Intensiteitsverloop van Delta Cephei (figuur 3) en de maximale intensiteit van sterren in de KMW op logaritmisch papier (figuur 5). Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3
Bekijk het antwoord
uitkomsten: T = 5,4 d; d = 1,1·1021 m (met een marge van 0,1·1021 m)
voorbeeld van een antwoord:
- Uit aflezen in de (I,t)-grafiek volgt dat de periode van Delta Cephei gelijk is aan T = 5,4 d.
- Een Cepheïde in de KMW die dezelfde periode heeft als Delta Cephei en op de trendlijn ligt, heeft een waargenomen maximale intensiteit Imax = 5,9·10−14 W m−2. Volgens de wet van Leavitt heeft de Cepheïde in de KMW hetzelfde stralingsvermogen Pbron als Delta Cephei. Voor de waargenomen intensiteit geldt de kwadratenwet: I = Pbron/(4πr²). Hieruit volgt dat IDelta Cephei/IKMW = rKMW²/rDelta Cephei², dus rKMW = √(IDelta Cephei/IKMW) · rDelta Cephei, dus rKMW = √(1,1·10−9/5,9·10−14) · 8,4·1018 = 1,1·1021 m.
Morpho didius
De Morpho didius is een vlinder waarvan de vleugels felblauw zijn. Onderzoekers hebben verschillende hypotheses opgesteld over de oorzaak van deze kleur. Een van de hypotheses is dat de vleugels een pigment bevatten. Een pigment is een chemische stof waarvan de moleculen licht met bepaalde golflengtes absorberen. Een pigment dat fotonen met een energie van 2,1 eV absorbeert, heeft een felblauwe tint.
Een bepaald natuurlijk pigment bestaat uit moleculen met een lengte van 1,27 nm. Acht elektronen bewegen vrij over de gehele lengte van het molecuul. De energieniveaus van die elektronen kunnen berekend worden met het model van een oneindig diepe eendimensionale energieput. De verdeling van de elektronen over de energieniveaus waarbij de totale energie minimaal is, noemen we de grondtoestand van het molecuul.
Vraag 16 4 punten
Toon met een berekening aan dat de kleinst mogelijke energieopname vanuit de grondtoestand van dit molecuul overeenkomt met de absorptie-energie van een blauw pigment.
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
(Elk energieniveau kan volgens het uitsluitingsprincipe van Pauli maximaal twee elektronen bevatten.) In de grondtoestand zijn de eerste vier energieniveaus gevuld. De kleinst mogelijke energieopname komt overeen met de overgang van een elektron van n = 4 naar n = 5. Bij deze overgang absorbeert het molecuul een foton met een energie Ef = E5 − E4.
Met En = n²h²/(8mL²) volgt hieruit: Ef = (5² − 4²) · h²/(8mL²) = 9 · (6,626·10−34)²/(8 · 9,109·10−31 · (1,27·10−9)²) = 3,36·10−19 J = 2,1 eV. (Dit komt overeen met de absorptie-energie van een blauw pigment.)
Kleur kan ook verklaard worden uit de oppervlaktestructuur van een materiaal. Figuur 1 toont een elektronenmicroscoopfoto van de doorsnede van de vleugel. Het oppervlak is bedekt met smalle verticale richels die ieder weer opgebouwd zijn uit horizontale lamellen. In figuur 2 is de doorsnede van één richel schematisch weergegeven.
Licht dat loodrecht op de opengeklapte vleugel valt, gaat gedeeltelijk door de lamellen heen en wordt gedeeltelijk teruggekaatst op de grensvlakken tussen de lamellen en lucht. In figuur 3 is dit schematisch weergegeven voor twee achtereenvolgende lamellen.
In het materiaal van de lamellen is de voortplantingssnelheid van licht 1,5 keer kleiner dan in lucht. De frequentie van het licht is onafhankelijk van het materiaal. In lucht heeft blauw licht een golflengte van 480 nm.
Vraag 17 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bepaal het faseverschil dat ontstaat tussen blauw licht dat terugkaatst op lamel 1 en blauw licht dat terugkaatst op lamel 2.
- Verklaar hiermee de blauwe kleur van de vlinder.
Schematische weergave van licht dat op twee achtereenvolgende lamellen van een richel wordt teruggekaatst (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
uitkomst: Δφ = 1,0
voorbeeld van een antwoord:
- Vergeleken met lichtgolven die direct op lamel 1 terugkaatsen, moeten lichtgolven die terugkaatsen op lamel 2 heen en terug door lamel 1 en door de luchtlaag tussen lamel 1 en 2. Het faseverschil dat hierdoor ontstaat is gelijk aan Δφ = Δxlamel/λlamel + Δxlucht/λlucht = 2dlamel/λlamel + 2dlucht/λlucht. Uit v = λf (met f constant) volgt dat de golflengte in een lamel 1,5 keer kleiner is dan in lucht, dus λlamel = 480/1,5 = 320 nm. Het faseverschil dat ontstaat is Δφ = 2 · 80/320 + 2 · 120/480 = 1,0.
- Er is sprake van constructieve interferentie, waardoor de blauwe kleur versterkt wordt (en lichtgolven met andere golflengtes juist uitdoven).
Wanneer de vleugel onder een hoek wordt bekeken, heeft hij nog steeds een blauwe tint. Dit blijkt ook uit figuur 4, waarin een meting is afgebeeld van de intensiteit van het teruggekaatste blauwe licht als functie van de hoek waaronder men de vleugel waarneemt.
De twee buitenste maxima in figuur 4 kunnen niet verklaard worden vanuit de lamellenstructuur, maar wel vanuit de regelmatige lijnstructuur van de richels op de vleugel. Deze is te zien in figuur 1 en in de schematische doorsnede in figuur 5. De lijnstructuur werkt als een tralie voor het teruggekaatste licht.
Het diagram uit figuur 4 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 18 3 punten
Bepaal met behulp van het diagram op de uitwerkbijlage het aantal richels per centimeter op de vleugel. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Intensiteit van het teruggekaatste blauwe licht als functie van de hoek, met twee buitenste maxima (figuur 4). Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
uitkomst: 1,6·104 (cm−1)
voorbeeld van een antwoord:
Uit het diagram op de uitwerkbijlage blijkt dat het eerste-orde-maximum voor het blauwe licht bij 50° ligt. Volgens de tralieformule geldt bij dit eerste-orde-maximum: d · sin(50°) = 1 · λ. Hieruit volgt d = 480/sin(50°) = 627 nm. Het aantal richels is 1/(627·10−9) = 1,6·106 m−1, dus 1,6·104 per cm.
Opmerking: Bij een opgemeten hoek van 48° is de uitkomst 1,5·104 (cm−1).
Linac
In ziekenhuizen past men uitwendige bestraling toe om tumoren te behandelen. Het apparaat dat hiervoor wordt gebruikt noemt men een Linac. Het bevat een lineaire deeltjesversneller waarin elektronen worden versneld. Daarna zijn er twee mogelijkheden:
- de tumor wordt direct bestraald met de elektronenbundel;
- met de elektronen worden röntgenfotonen geproduceerd waarmee vervolgens de bestraling wordt gedaan.
De eerste methode is niet voor alle tumoren geschikt.
Vraag 19 2 punten
Leg uit aan welke voorwaarde een tumor moet voldoen om de eerste methode te kunnen toepassen.
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Het doordringend vermogen van elektronen is klein. De tumor moet bij het gebruik van een elektronenbundel dicht onder de huid liggen.
Om een röntgenbundel te vormen, bevat de Linac behalve de versneller nog drie andere essentiële onderdelen:
- een afbuigmagneet om de elektronenbundel te richten en te focusseren;
- een trefplaatje waarin de energie van de elektronen wordt omgezet in röntgenfotonen;
- een of meer filters om een gelijkmatige bestraling van de tumor mogelijk te maken.
Figuur 1 toont deze onderdelen in een schematische tekening. De elektronen moeten na het versnellen naar de behandeltafel worden afgebogen. Dit wordt gedaan met de afbuigmagneet. Figuur 2 toont de baan van een elektron dat met de gemiddelde snelheid in punt P het homogene magneetveld binnenkomt. Het doorloopt een deel van een cirkelbaan en verlaat het magneetveld weer bij Q. Het magneetveld staat loodrecht op het papier. Voor de baanstraal van een elektron in het magneetveld geldt:
r = \frac{mv}{Bq} \qquad (1)
Vraag 20 3 punten
Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.
Baan van een elektron met gemiddelde snelheid in punt P door een homogeen magneetveld naar Q (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 16
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Voor een geladen deeltje dat in een magneetveld beweegt geldt: Fmpz = FL, dus mv²/r = Bqv. Hieruit volgt r = mv/(Bq).
In de praktijk hebben de elektronen niet allemaal dezelfde snelheid en heeft de elektronenbundel een bepaalde breedte. Een evenwijdig invallende elektronenbundel blijkt daardoor na het afbuigen uit elkaar te lopen. Zie figuur 3. Op de uitwerkbijlage is figuur 2 nog twee keer weergegeven voor elektronen die op een andere hoogte in de bundel of met een andere beginsnelheid het magneetveld binnenkomen.
Vraag 21 3 punten
Teken in beide figuren op de uitwerkbijlage de baan die het elektron volgt door het magneetveld heen en na het verlaten van het magneetveld.
Een evenwijdige elektronenbundel die na het afbuigen door het magneetveld uiteenloopt (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 16
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
- in de linker figuur buigt het elektron in het magneetveld over meer dan 90° af
- in de rechter figuur buigt het elektron in het magneetveld over minder dan 90° af
- buiten het magneetveld buigen de elektronen niet verder af
Om ervoor te zorgen dat de elektronenbundel na het afbuigen evenwijdig blijft, gebruikt men in de praktijk een ander magneetveld, dat inhomogeen is. De elektronen doorlopen hierin een bocht van 270 graden. In figuur 4 zijn de banen van een snel en een langzaam elektron in dit veld getekend.
In tekening I en II van figuur 5 is het magneetveld het papier in gericht, en in tekening III en IV het papier uit.
Vraag 22 3 punten
Leg uit welk magneetveld in figuur 5 (I, II, III of IV) geschikt is om de elektronen de banen van figuur 4 te laten volgen.
Vier tekeningen (I tot en met IV) van een magneetveld met de richting aangegeven door kruisjes en stippen (figuur 5). Bekijk in Opgaven, pagina 17
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Uit een richtingregel voor B, I en FL volgt dat het magneetveld loodrecht het papier uit komt. De straal van de elektronbaan wordt kleiner in de richting naar rechtsboven. Hieruit volgt dat het magneetveld daar groter is. Plaatje IV geeft een geschikt magneetveld weer.
Opmerking: Het derde scorepunt mag alleen worden toegekend als er zowel over de richting van het magneetveld als over de sterkte van het magneetveld een uitleg is gegeven.
De smalle elektronenbundel die uit de afbuigmagneet komt, valt op het trefplaatje. De grafiek van figuur 6 toont het röntgenspectrum dat ontstaat bij een elektronenbundel die versneld is tot 4,1 MeV. In figuur 6 is te zien dat er geen röntgenfotonen zijn met een golflengte kleiner dan 0,30 pm.
Vraag 23 3 punten
Verklaar dit met behulp van een berekening.
Röntgenspectrum van intensiteit tegen golflengte (pm) bij een elektronenbundel van 4,1 MeV; onder 0,30 pm geen fotonen. Bekijk in Opgaven, pagina 17
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
Uit Ef = hc/λ volgt dat de golflengte van een röntgenfoton met een energie van 4,1 MeV gelijk is aan λ = hc/Ef = (6,63·10−34 · 3,00·108)/(4,1·106 · 1,60·10−19) = 3,0·10−13 m = 0,30 pm. Het röntgenfoton kan niet meer energie hebben dan de energie van een elektron. De golflengte van 0,30 pm is dus de kleinst mogelijke golflengte van de röntgenfotonen.
Omdat de stralingsdosis over het te bestralen gebied constant moet zijn, wil men dat de intensiteit van de bundel röntgenfotonen overal hetzelfde is. Dit is bij de originele bundel niet het geval, zie figuur 7. Daarom monteert men zogenaamde collimators en flattening filters in het apparaat. Zie figuur 8.
Een collimator houdt alle fotonen in het buitenste deel van de bundel tegen. Een flattening filter moet in het middelste deel van de bundel zoveel fotonen absorberen dat de intensiteit daar overal even groot wordt. Figuur 9 toont een voorbeeld van een flattening filter dat voor dit doel ontworpen is.
Ontwerpers willen een kegelvormig flattening filter ontwikkelen waarbij de intensiteit na het filter overal 38% van de maximale intensiteit in de originele bundel is. Ze nemen aan dat de gemiddelde fotonenergie overal in de röntgenbundel gelijk is aan 2,0 MeV. Het filter wordt gemaakt van ijzer.
Vraag 24 2 punten
Bereken de dikte die het flattening filter in het midden van de bundel moet hebben.
Collimator en kegelvormig flattening filter in de bundel, met de intensiteitsprofielen voor de originele bundel en de bundel na filter (figuur 8). Bekijk in Opgaven, pagina 18
Bekijk het antwoord
uitkomst: d = 2,9 cm
voorbeeld van een berekening:
Er geldt I = I0 · (1/2)^(d/d½). Uit Binas-tabel 28F of ScienceData-tabel 5.9 volgt dat de halveringsdikte van ijzer voor fotonen met een energie van 2,0 MeV gelijk is aan d½ = 2,1 cm. Oplossen van de vergelijking 0,38 = (1/2)^(d/2,1) geeft d = 2,1 · log(0,38)/log(½) = 2,9 cm.
In figuur 10 is te zien dat de intensiteit na plaatsing van het kegelvormige filter toch niet over de hele bundel gelijk is. De aanname dat de gemiddelde fotonenergie overal in de bundel hetzelfde is, is kennelijk niet juist. Op de uitwerkbijlage staat figuur 10 met daarboven een doorsnede van het kegelvormige filter.
Vraag 25 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit of de gemiddelde fotonenergie in het midden van de bundel groter of kleiner is dan die aan de randen.
- Schets binnen het gestippelde kader op de uitwerkbijlage een vorm van het flattening filter waarmee een meer homogene bundel ontstaat, zonder extra verlies aan gemiddelde intensiteit.
Intensiteitsverloop na het kegelvormige filter (figuur 10) met de doorsnede van het filter en het gestippelde kader voor de schets. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 5
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een antwoord:
In het midden van het filter wordt meer straling doorgelaten dan verwacht. (Dit betekent dat het doordringend vermogen hier groter is.) De energie van de fotonen is hier dus gemiddeld groter dan 2,0 MeV.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over beweging (5), astrofysica (5) en magnetisme (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.