Eindexamen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Snelheidsrecord op de fiets, Goudlokje, Batterijtrein, Temperatuurbepaling in een kernfusiereactor, Echografie.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (5), astrofysica (4) en golven (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Straling | 15-19 | 5 |
| Astrofysica | 6-9 | 4 |
| Golven | 21-24 | 4 |
| Krachten | 2-3, 5 | 3 |
| Magnetisme | 11-13 | 3 |
| Beweging | 1, 4 | 2 |
| Elektriciteit | 10, 14 | 2 |
| Grootheden en eenheden | 20 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over golven (17% van de vragen, gemiddeld 3%) en krachten (13% van de vragen, gemiddeld 5%). Minder over licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%) en geluid en trillingen (0% van de vragen, gemiddeld 8%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Snelheidsrecord op de fiets
In 2018 verbrak Denise Mueller-Korenek het wereldsnelheidsrecord op de fiets, op een hooggelegen zoutvlakte in de Verenigde Staten. Tijdens de recordpoging legde ze een afstand van vijf mijl af en werd haar snelheid tijdens de laatste mijl nauwkeurig bepaald. Deze laatste mijl is heel nauwkeurig gemeten, zodat de meetwaarde te schrijven is als 1,000 000 mijl. Denise haalde hier een gemiddelde snelheid van 183,932 mijl per uur.
Vraag 1 3 punten
Bereken in hoeveel seconden Denise de laatste mijl afgelegd heeft. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 19,5725 (s)
voorbeeld van een antwoord: s 1, 000 000 mijl t= = −1 = 5, 43679 ·10−3 h = 19,5725 s v 183,932 mijl h
Om haar recordsnelheid te kunnen halen, fietste Denise vlak achter een raceauto. Zie figuur 1. In drie significante cijfers kunnen we haar snelheid tijdens de laatste mijl als constant beschouwen. Deze was, omgerekend naar SI-eenheden, 82,2 m s−1.
figuur 1 figuur 2
De luchtweerstandskracht die Denise zou hebben ondervonden wanneer er geen auto voor haar had gereden, kan theoretisch bepaald worden. In figuur 2 zie je een vooraanzicht van Denise op haar fiets. De wielen van de fiets hebben een diameter van 0,46 m. Neem aan dat de cw-waarde van Denise met fiets gelijk is aan 0,70. De dichtheid van de lucht op deze zoutvlakte is gelijk aan 1,1 kg m−3. Het vooraanzicht staat ook weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 2 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het frontaal oppervlak van Denise met haar fiets. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
- Bereken hiermee de luchtweerstandskracht die bij de recordsnelheid op Denise zou hebben gewerkt zonder auto.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomsten: A = 0, 32 m 2 (met een marge van 0, 03 m 2 ) Fw,λ = 0,83 kN
voorbeeld van een antwoord:
- Uit de gegeven diameter van het wiel ( 46 cm ) volgt dat één hokje in de 46 figuur een lengte heeft van = 7, 7 cm en een oppervlakte van 6 5,88 ·10 −3 m 2 . Het frontaal oppervlak is gelijk aan 54 hokjes. Dus A = 54 · 5,88 ·10 −3 = 0, 32 m 2 . 1
- Voor de luchtwrijving geldt: Fw,λ = ρ cw Av 2 . Invullen geeft 2
1 (1) Fw,λ = ρ cw Av 2 = ·1,1· 0, 70 · 0,32 · (82, 2) 2 = 0,83 kN .
2 (2)
Denise reed tijdens haar recordpoging vlak achter een auto. Hierdoor was de totale weerstandskracht die ze ondervond veel kleiner. Tijdens de laatste mijl leverde Denise een vermogen van 700 W.
Vraag 3 2 punten
Bereken de totale weerstandskracht die Denise tijdens de laatste mijl ondervond.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 8,52 N
voorbeeld van een antwoord: Tijdens de recordpoging was de weerstandskracht gelijk aan de spierkracht. Dus voor het geleverde vermogen geldt: P 700 P = Fw v ⇒ Fw = = = 8,52 N . v 82, 2
Om bij het begin van de recordpoging snelheid te krijgen, was de fiets van Denise met een kabel vastgemaakt aan de auto. Na één mijl ( 1609 m ) werd deze kabel automatisch losgekoppeld.
[figuur 3: zie het originele examen]
In figuur 3 staat het (s,t)-diagram van de recordpoging. Deze figuur staat vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 4 3 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de snelheid van Denise in km h−1 op het moment van loskoppelen. Noteer je antwoord in twee significante cijfers. Laat in de figuur zien hoe je aan je antwoord komt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 2, 0 ·10 2 (km h −1 ) , met een marge van 0, 2 ·10 2 (km h −1 )
voorbeeld van een antwoord: Voor de raaklijn bij s = 1,6 km geldt: Δs 8, 2 km 8, 2 v= = = = 2, 0 ·102 km h −1. Δ t raaklijn 2, 43 min 0, 0405 h
Na de recordpoging remde de bestuurster van de raceauto voorzichtig af, totdat de fiets van Denise contact maakte met de auto. De auto remde vervolgens over een afstand van 1,5 km af van 82,2 m s−1 tot 50 m s−1 De massa van Denise en de fiets samen was 71 kg.
Vraag 5 3 punten
Bereken de gemiddelde resulterende remkracht op Denise en haar fiets tijdens het afremmen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: (
- )1, 0 ·10 2 N
voorbeelden van een antwoord:
methode 1 Voor de relatie tussen arbeid en kinetische energie geldt ΣW = ΔEk . 1 Invullen van W = Fs en Ek = mv 2 levert: 2 1 ( )
F ·1,5 ·103 = · 71· 502
- 82, 22 . 2 Uitwerken levert: F =
- 1, 0 ·10 2 N .
- completeren van de berekening (1p)
of
methode 2 Om de gemiddelde remkracht te berekenen mag de beweging worden beschouwd als eenparig versneld. De gemiddelde snelheid was vbegin + veind 82, 2 + 50 vgem = = = 66,1 m s −1 .
2 (2) s 1,5 ·103 Over 1,5 km doen ze dan t = = = 22, 7 s . vgem 66,1 Het verschil in snelheid was Δv = veind
- vbegin = 50
- 82, 2 = −32, 2 ms−1 . De gemiddelde kracht tijdens het afremmen was dan Δv −32, 2
F = ma = m = 71· = −1, 0 ·102 N . Δt 22, 7 vbegin + veind
Goudlokje
Exoplaneten zijn planeten die om een andere ster draaien dan onze zon. In 2018 werd de ruimtetelescoop TESS gelanceerd om met de zogenaamde transit-methode nieuwe exoplaneten te ontdekken. Bij een transit beweegt een exoplaneet voor de ster langs. Hierbij zal de (licht)intensiteit die vanaf de aarde wordt waargenomen tijdelijk afnemen. TESS meet deze afname in intensiteit. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Een van de eerste ontdekkingen van TESS was de exoplaneet HD21749b (in het vervolg van de opgave aangeduid met ‘exoplaneet’). Deze exoplaneet is groter dan de aarde en cirkelt rond de ster HD21749 (in het vervolg ‘ster’ genoemd). De massa van deze ster is 67% van de massa van de zon.
Via de transit-methode is de omlooptijd T van de exoplaneet bepaald op
36 dagen. Met behulp van de derde wet van Kepler kan vervolgens de baanstraal van de exoplaneet berekend worden.
De derde wet van Kepler luidt:
r 3 GM = (1) T 2 4π 2
Hierin is:
- r de baanstraal
- T de omlooptijd
- M de massa van de ster waar de exoplaneet omheen draait
- G de gravitatieconstante
Vraag 6 3 punten
Toon aan dat de baanstraal van de exoplaneet gelijk is aan 2,8 ·1010 m.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De massa van de ster is 0, 67 M zon = 1, 33 ·1030 kg . 1 r GM 3 GMT 2 3 Uit de derde wet van Kepler, (2) = (2) , volgt r = . 2 T 4π 4π Voor T geldt: T = 36 · 24 · 3600 = 3,11 ·106 s . 1 6, 67 ·10−11 ·1,33 ·1030 · (3,11 ·106 ) 2 3 (10) Hieruit volgt: r = 2 = 2,8 ·10 m . 4π
r 3 GM
In figuur 2 is een gemiddelde van een groot aantal metingen van een transit van de exoplaneet te zien. Op de verticale as staat de zogenaamde relatieve intensiteit. Dit is de verhouding tussen de gemeten intensiteit op een bepaald moment en de maximaal gemeten intensiteit. Wanneer er geen transit plaatsvindt, is de relatieve intensiteit dus 1,0000.
[figuur 2: zie het originele examen]
Met behulp van figuur 2 kan de verhouding tussen de straal van de exoplaneet en de straal van de ster bepaald worden.
Vraag 7 4 punten
Bepaal deze verhouding. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 0,0367 (met een marge van 0,0007)
voorbeeld van een antwoord: De relatieve intensiteit Irel daalt tot een minimumwaarde van 0,99865. Aexoplaneet ΔI rel = = 0, 00135. Aster 2 Aexoplaneet πRexoplaneet Rexoplaneet Uit = (2) = 0, 00135 volgt dat: = 0, 0367 . Aster πRster Rster
Aangenomen wordt dat op een exoplaneet alleen leven mogelijk is als de gemiddelde oppervlaktetemperatuur tussen 0 ℃ en 100 ℃ ligt, dus als er vloeibaar water zou kunnen zijn. Daarvoor moet de exoplaneet niet te dicht bij de ster staan waar hij omheen draait, maar er ook niet te ver van af. [figuur 3: zie het originele examen] Het gebied rondom een ster waarin de gemiddelde oppervlaktetemperatuur tussen 0 ℃ en 100 ℃ ligt, wordt het goudlokjegebied genoemd. Zie figuur 3. De grenzen van het goudlokjegebied volgen uit de eigenschappen van zowel de ster als de exoplaneet.
In deze opgave onderzoeken we met een model of de door TESS ontdekte exoplaneet binnen het goudlokjegebied van de bijbehorende ster ligt. In dit model wordt aangenomen dat de exoplaneet geen atmosfeer heeft.
De gemiddelde oppervlaktetemperatuur op een exoplaneet volgt uit het feit dat een exoplaneet in thermisch evenwicht is met zijn omgeving. Dat betekent dat de exoplaneet per seconde evenveel energie uitstraalt als hij absorbeert.
Het ontvangen stralingsvermogen is gelijk aan het deel van het stralingsvermogen van de ster dat op het frontaal oppervlak van de exoplaneet valt. Zie figuur 4.
[figuur 4: zie het originele examen]
De straling die door de exoplaneet wordt ontvangen wordt deels geabsorbeerd en deels gereflecteerd. Het gedeelte van het ontvangen stralingsvermogen dat wordt gereflecteerd heet de albedo α . Dit is een getal tussen 0 en 1 zonder eenheid.
Voor het geabsorbeerde vermogen van de exoplaneet geldt:
R2 Pabs = Pster (1
- α) (2) 4r 2 Hierin is:
- Pster het uitgestraalde vermogen van de ster
- r de baanstraal van de exoplaneet
- R de straal van de exoplaneet ( R = r )
- α de albedo van de exoplaneet
Vraag 8 4 punten
Leid formule (2) af. Maak daarbij gebruik van formules uit het informatieboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Pbron Voor de intensiteit van de straling bij de exoplaneet geldt: I = . 4πr 2 Deze straling valt op de exoplaneet. Voor het ontvangen stralingsvermogen geldt: Pin = I A . De oppervlakte A is gelijk aan het frontaal oppervlak van de exoplaneet. Daarvoor geldt: A = πR2 . P R2 Dus geldt voor het ontvangen vermogen: Pin = ster2 · πR 2 = Pster 2 . 4πr 4r Van dit vermogen wordt het gedeelte α gereflecteerd, dus wordt het R2 gedeelte (1
- α ) geabsorbeerd. Dus geldt: Pabs = Pster 2 (1
- α ) . 4r
De exoplaneet zendt continu, en over het gehele boloppervlak, straling uit. Bij een thermisch evenwicht is dit uitgezonden vermogen gelijk aan het geabsorbeerde vermogen. In formulevorm:
Pabs = Puit (3)
Aan de hand van dit thermisch evenwicht kan onderzocht worden of de exoplaneet (met baanstraal r = 2,8 ·1010 m ) in het goudlokjegebied ligt. Met behulp van formules (2) en (3) en de wet van Stefan-Boltzmann kan het verband tussen de gemiddelde oppervlaktetemperatuur T (in K) van de exoplaneet en de baanstraal r (in m) worden weergegeven als:
r = CT β (4)
Hierin is:
- C een constante die niet van r en T afhangt
- β een geheel getal zonder eenheid
De buitengrens van het goudlokjegebied rondom de ster ligt op een afstand van 5,8 ·1010 m van de ster.
Vraag 9 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Toon aan dat β = −2 .
- Toon aan of de exoplaneet in het goudlokjegebied ligt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Voor het uitgestraalde vermogen geldt (de wet van Stefan-Boltzmann): Puit = σ AT 4 . Invullen in formule (3) en combineren met formule (2) geeft: R2 Pster 2 (1
- α ) = σ AT 4 . 4r Omschrijven leidt tot: Pster R 2 (1
- α ) (1) 2 r = (4) ∝ 4 , dus r = CT −2 , dus β = −2 .
4 σ AT T −2 −2 r T
- r = CT , dus binnen = binnen . Dit geeft: rbuiten Tbuiten −2 rbinnen 373 (10) 10 = , dus rbinnen = 3,1 ·10 m . Dat is groter dan de 5,8 ·10 273 baanstraal, daarmee ligt de exoplaneet niet in het goudlokjegebied.
Batterijtrein
[figuur 1: zie het originele examen]
Sari wil een batterijtrein maken. Ze gebruikt voor de trein een batterij en een aantal sterke magneten. Als spoel gebruikt ze een lange, flexibele veer van niet-geïsoleerd koperdraad. Zie figuur 1. De batterijtrein gaat door de spoel heen bewegen. Om de batterijtrein te maken voert Sari de volgende handelingen uit:
figuur 2a Sari plaatst aan elke kant van de batterij een setje sterke magneten. Elk setje wordt in het vervolg van deze opgave gezien als één magneet.
figuur 2b Ze schuift de voorkant van de batterijtrein in de spoel, waarbij de voorste magneet contact maakt met de spoel.
figuur 2c Ze duwt de batterijtrein verder in de spoel totdat de achterste magneet contact maakt met de spoel.
figuur 2d De batterijtrein begint uit zichzelf door de spoel te bewegen.
De situatie van figuur 2c staat vergroot weergegeven in figuur 3. De magneten maken contact met de spoel. Hierdoor ontstaat er een gesloten stroomkring met daarin de batterij, de magneten en het stuk van de spoel tussen de batterijpolen. Dit stuk van de spoel gedraagt zich hierdoor als een elektromagneet met een weerstand Rspoel. In figuur 3 zijn de posities van beide batterijpolen met stippellijnen aangegeven. Wanneer de batterijtrein gaat bewegen door de spoel, beweegt deze stroomkring mee.
[figuur 3: zie het originele examen]
De dikte van de koperdraad is 1,1 mm. De gemiddelde diameter van de spoel is 1,9 cm.
Vraag 10 4 punten
Bepaal Rspoel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 0,016 Ω
voorbeeld van een antwoord: In de foto is te zien dat zich 15 windingen bevinden tussen de batterijpolen. Dus geldt voor de lengte van het draad: λ = 15 π D = 15 · π ·1, 9 ·10 −2 = 0,895 m . Voor de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van het koperdraad geldt: 2
2 1,1 ·10−3 −7 2
A = πr = π = 9,50 ·10 m . 2 λ Voor de weerstand van een draad geldt: R = ρ met ρ = 17 ·10−9 Ω m . A (Sciencedata ρ = 16,8 ·1 0 −9 Ω m ) 0,895 Invullen levert: Rspoel = 17 ·10−9 · = 0, 016 Ω . 9,50 ·10−7
Opmerking Bij verwisselen van dikte van de draad en diameter van de spoel: maximaal
2 punten toekennen.
In figuur 4 is het magnetisch veld weergegeven dat ontstaat wanneer er een elektrische stroom door een spoel loopt.
[figuur 4: zie het originele examen]
Vraag 11 1 punt
Geef aan hoe uit figuur 4 blijkt dat de sterkte van het magnetisch veld in punt P groter is dan in punt Q.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De veldlijnen lopen bij toenemende afstand tot de spoel steeds verder van elkaar, waardoor de veldlijnendichtheid in punt P hoger is dan in punt Q. (De veldlijnendichtheid is een maat voor de sterkte van het magnetisch veld.)
Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 12 1 punt
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de richting van de elektrische stroom door de windingen van de spoel aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een antwoord: tekenen van de richting van de stroom in minimaal één winding (1)
[figuur 5: zie het originele examen]
In figuur 5 is de complete batterijtrein schematisch weergegeven. Met ‘noord’ en ‘zuid’ zijn de magnetische polen van de spoel aangegeven. L en R zijn de twee magneten. Hierop zijn de punten 1 tot en met 4 aangegeven. Deze punten stellen de noord- en zuidpolen voor van de magneten. Beide magneten ondervinden een kracht doordat ze zich in het magnetisch veld van de spoel bevinden. De trein beweegt hierdoor naar rechts.
Op de uitwerkbijlage staan vijf afbeeldingen over deze situatie. In de bovenste afbeelding zijn de resulterende krachten op beide magneten, veroorzaakt door de spoel, aangegeven met pijlen. In de afbeeldingen eronder zijn de vier afzonderlijke magneetpolen weergegeven met de punten 1 tot en met 4. Ook de magnetische kracht in punt 1, veroorzaakt door de spoel, is weergegeven met een pijl. Alle pijlen zijn op dezelfde schaal getekend.
Vraag 13 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken in de punten 2 tot en met 4 op de uitwerkbijlage zo nauwkeurig mogelijk de magnetische kracht die op het aangegeven punt werkt, veroorzaakt door het magnetisch veld van de spoel.
- Geef, op basis van je tekening, in de tabel op de uitwerkbijlage bij elk van de vier punten aan of er sprake is van een noordpool of een zuidpool.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
noordpool zuidpool Punt 1 is een: x Punt 2 is een: x Punt 3 is een: x Punt 4 is een: x
Tijdens het experimenteren met de batterijtrein wordt de spoel wat warmer. Sari merkt echter op dat de batterij al na een paar seconden nog veel warmer wordt. Blijkbaar ontstaat er niet alleen warmte in de figuur 6 spoel, maar ook in de batterij. Om dit te verklaren gebruikt Sari een model van een batterij waarin de batterij bestaat uit een spanningsbron U en een weerstand in serie. Deze weerstand wordt de inwendige weerstand Ri van de batterij genoemd. Zie figuur 6. In de stroomkring van de batterijtrein bevinden zich dus twee weerstanden: Ri en Rspoel. De weerstand van de magneten wordt in dit model verwaarloosd.
Voor de ontwikkelde vermogens in de batterij en in de spoel geldt: Pi >> Pspoel .
Vraag 14 3 punten
Leg hiermee uit welke van de twee weerstanden in de stroomkring, Ri of Rspoel, het grootst is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een antwoord:
methode 1 De (weerstand van de) batterij en (die van) de spoel staan in serie. De stroomsterktes door beide weerstanden zijn dus gelijk. Omdat Pi >> Pspoel moet ook gelden U i >> U spoel . De spanningen in een serieschakeling verhouden zich als de weerstanden. Hieruit volgt dat Ri >> Rspoel . (Ri is dus het grootst.)
- inzicht dat de weerstanden zich verhouden als de spanningen en consequente conclusie (1p)
of
methode 2 Voor het vermogen geldt P = I 2 R . De (weerstand van de) batterij en (die van) de spoel staan in serie, dus de stroomsterktes door beide weerstanden zijn gelijk. Dus P is evenredig met R. Omdat Pi >> Pspoel moet dus ook gelden dat Ri >> Rspoel . (Ri is dus het grootst.)
Temperatuurbepaling in een kernfusiereactor
In een kernfusiereactor is het mogelijk om twee lichte atoomkernen te laten fuseren tot één zwaardere atoomkern. Hierbij komt veel energie vrij. Deuterium (H-2) en een tweede atoomkern kunnen gefuseerd worden tot een He-4 kern en een neutron.
Vraag 15 3 punten
Geef de vergelijking van deze kernreactie.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
2 3 4 (1)
1 H + 1 H → 2 He + 0 n
In een kernfusiereactor is de temperatuur zo hoog dat de elektronen loskomen van de atoomkernen. Samen met de ontstane ionen vormen ze een mengsel dat plasma genoemd wordt. Ondanks de hoge temperatuur van het plasma is het volgens de klassieke natuurkunde erg onwaarschijnlijk dat de kernen fuseren. Met een quantumfysisch model kan verklaard worden waarom het optreden van kernfusie in werkelijkheid veel waarschijnlijker is.
In het quantumfysische model bekijken we een deuteriumkern die naar een andere kern toe beweegt. In figuur 1 is schematisch de potentiële energie Epot van de deuteriumkern als functie van de afstand x tussen de twee kernen weergegeven. Met stippellijnen zijn vier verschillende mogelijke waarden aangegeven van de energie van de deuteriumkern (E1 tot en met E4).
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 16 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit bij welke energie of energieën ( E1 , E2 , E3 en/of E4 ) de kernen volgens de klassieke natuurkunde kunnen fuseren.
- Geef aan waardoor volgens de quantumfysica een fusiereactie ook kan optreden bij de andere energieën.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- In de klassieke situatie moet de energie van het deeltje groter zijn dan de maximale potentiële energie (de hoogte van de barrière). Dit is alleen het geval bij E1 en E2 .
- Door tunneling kan het deeltje door de barrière gaan, terwijl zijn energie kleiner is dan de hoogte van de barrière. (Deeltjes met lagere energieën kunnen daardoor fuseren.)
De binnenkant van een kernfusiereactor is weergegeven in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Wanneer de reactor aanstaat, zal hij volledig gevuld zijn met plasma. De atoomkernen in het plasma mogen niet botsen met de wand van de reactor, omdat de wand daardoor te veel beschadigd raakt. Met behulp van magneetvelden worden deze geladen deeltjes van de wand weggehouden. Hierbij worden de He-4 kernen naar een soort afvoergoot onder in de reactor, de divertor, geleid, terwijl de andere atoomkernen in de reactor blijven.
De neutronen die tijdens de fusie vrijkomen botsen wel met de wand. De energie die hierbij in de wand vrijkomt, wordt gebruikt om elektrische energie op te wekken.
Elk atoom aan het oppervlak van de wand wordt gemiddeld eenmaal per
102 s geraakt door een neutron. De atoomdiameter van het gebruikte wandmateriaal heeft een orde van grootte van 102 pm. Het oppervlak van de wand heeft een orde van grootte van 103 m2.
Vraag 17 3 punten
Bereken de orde van grootte van het aantal neutronen dat per seconde de wand raakt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- uitkomst: 10 21 (s − 1 ) voorbeeld van een antwoord: ( ) 2 De oppervlakte van een atoom is in de orde van grootte van 102 pm . Het aantal atomen per vierkante meter is dan in orde van grootte gelijk aan: 1 = 1020 . ( ) 2 102 ·10−12 De oppervlakte van de wand is in de orde van grootte 103 m2 , dus de orde 1020 ·103 van grootte van het aantal neutronen is gelijk aan: (2) = 1021 (s −1 ) . 10 • inzicht dat de oppervlakte van een atoom evenredig is met het kwadraat van de diameter (1) • inzicht dat het aantal atomen per vierkante meter gelijk is aan 1 1 oppervlakte van een atoom • completeren van de berekening (1) (3)
De He-4 kernen die door de divertor worden afgevoerd hebben ook veel energie. Hierdoor dreigt de divertor oververhit te raken. Daarom wordt onderzocht of deze oververhitting kan worden voorkomen door gassen in de divertor te brengen. Door botsingen met de gasatomen raken de He-4 kernen energie kwijt, waardoor de divertor afkoelt.
Om de effectiviteit van het inspuiten van de gassen te onderzoeken, moet de temperatuur in de divertor bepaald kunnen worden. Onderzoekers uit Eindhoven doen dit door te kijken naar het licht dat uitgezonden wordt door de gassen die aanwezig zijn in de divertor. Een van de aanwezige gassen is (atomair) waterstof. In figuur 3 zie je het energieniveauschema van waterstof.
[figuur 3: zie het originele examen]
Wanneer een waterstofatoom terugvalt van een hogere aangeslagen toestand naar de eerste aangeslagen toestand, zendt het zichtbaar licht uit. Deze overgangen zijn aangegeven in figuur 3 met H α , H β , enzovoort. De bijbehorende spectraallijnen heten Balmerlijnen. Bij het onderzoek in Eindhoven wordt het licht van de overgangen H γ tot en met Hζ waargenomen.
Vraag 18 4 punten
Bepaal met behulp van figuur 3 en een berekening de minimale golflengte die bij dit onderzoek waargenomen wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 389 nm
voorbeeld van een antwoord: De minimale golflengte hoort bij de H ζ -overgang, van n = 8 naar n = 2. De bijbehorende energie is gelijk aan: −13, 6 −13, 6 Ef = ΔEn = E8
- E2 =
- 2 = 3,188 eV.
82 (2) Voor de golflengte geldt dan: hc 6, 626 ·10−34 · 2,998 ·108 λ= = −19 = 3,89 ·10−7 m = 389 nm . Ef 3,188 ·1, 602 ·10
De verhoudingen tussen de intensiteiten van de verschillende Balmerlijnen blijken afhankelijk te zijn van de temperatuur in de divertor. In figuur 4 is een aantal van deze verhoudingen als functie van de temperatuur weergegeven.
[figuur 4: zie het originele examen]
De onderzoekers hebben het spectrum van de Balmerlijnen bepaald bij een bepaalde temperatuur van de divertor. In figuur 5 zie je een deel van het uitgezonden spectrum bij deze temperatuur.
[figuur 5: zie het originele examen]
Vraag 19 3 punten
Bepaal met behulp van figuur 4 en figuur 5 de temperatuur die volgt uit het spectrum. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 3, 3 ·103 K (met een marge van 0, 5 ·103 K )
voorbeeld van een antwoord: De verhouding tussen de intensiteiten van twee lijnen kan afgelezen worden in figuur 5. H Neem bijvoorbeeld de verhouding δ . Aflezen in figuur 5 geeft: Hγ Hδ 4, 5 = = 0, 33 .
Echografie
Met behulp van echografie wordt een afbeelding gemaakt van weefsel onder de huid. Zie figuur 1 en 2.
figuur 1 figuur 2
Een transducer zendt ultrasoon geluid uit, dat in het lichaam op elke grens tussen verschillende weefsellagen gedeeltelijk wordt teruggekaatst en doorgelaten. De transducer vangt het teruggekaatste geluid weer op en een computer verwerkt de informatie tot beelden. Zie figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Hoeveel geluid wordt doorgelaten hangt af van het verschil in de akoestische weerstand Z van de opeenvolgende (weefsel)lagen. Bij een groot verschil in akoestische weerstand wordt weinig geluid doorgelaten. Voor de akoestische weerstand van een stof geldt:
Z = ρ ·v (1)
Hierin is:
- ρ de dichtheid van de stof
- v de voortplantingssnelheid van geluid door de stof
De dichtheden van zachte lichaamsweefsels, zoals de huid en vetweefsel, zijn vergelijkbaar met die van water.
Als eenheid van de akoestische weerstand wordt vaak N s m−3 gebruikt.
Vraag 20 3 punten
Leid af, met behulp van formule (1), dat N s m−3 een eenheid is van Z.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Omdat N = kg m s −2 , geldt: N s m −3 = kg m s −2 s m −3 = kg m −2 s −1 . De eenheid van Z is volgens formule (1) gelijk aan [Z ] = [ ρ ] · [ v] = kg m−3 m s−1 = kg m−2 s−1 . (Dus N s m −3 is een eenheid van Z.)
Vraag 21 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit dat de akoestische weerstand van lucht veel kleiner is dan die van lichaamsweefsels.
- Leg hiermee uit dat het aanbrengen van een waterhoudende gel tussen de huid en de transducer leidt tot betere echo’s van weefsels onder de huid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- De voortplantingssnelheid van geluid in lucht is kleiner én de dichtheid van lucht is (veel) kleiner, vergeleken met lichaamsweefsels. De akoestische weerstand van lucht zal hierdoor veel kleiner zijn.
- Door het grote verschil in akoestische weerstand bij de overgang van lucht naar huid/vetweefsel zal een groot deel van het geluidssignaal al bij de huid worden weerkaatst. Hierdoor blijft er minder signaal over om in het lichaam metingen mee te doen. Door gel aan te brengen wordt voorkomen dat er lucht zit tussen de transducer en de huid, wat dus leidt tot betere echo’s.
Het ultrasone geluid heeft een frequentie van 8,5 MHz. Dit geluid wordt in pulsen van 3 trillingstijden uitgezonden. Dit is schematisch weergegeven in figuur 4. Figuur 4 is niet op schaal.
[figuur 4: zie het originele examen]
Vóórdat een nieuwe puls wordt uitgezonden moet de teruggekaatste geluidspuls in zijn geheel door de transducer ontvangen zijn. De zogenaamde herhaalfrequentie is het aantal pulsen dat per seconde wordt uitgezonden.
Bij een onderzoek moet een beeld gevormd worden van een laag vetweefsel met een dikte van 1,5 cm die direct onder de huid ligt. De tijd die de puls nodig heeft om door de gel en de huid te komen is 0,87 μs. Neem voor de geluidssnelheid in vetweefsel 1, 45 ·103 m s −1.
Vraag 22 5 punten
Bereken de maximale herhaalfrequentie van de transducer bij dit onderzoek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 44 kHz
voorbeeld van een antwoord: Voor de tijd die een puls erover doet om van de transducer naar het einde van het vet en terug te gaan, geldt: t tot = 2t vet + 2thuid+gel + tpuls .
1 d vet Hierin is tpuls = 3T = 3 · en t vet = . f geluid vvet Invullen geeft: t tot = (2, 07 + 0,174 + 0, 0353) ·10 −5 = 2, 28 ·10 −5 s.
De tijd tussen twee pulsen moet groter zijn dan de looptijd van de puls. Dus geldt voor de herhaalfrequentie:
1 (1) f herhaal, max = = = 44 kHz . ttot 2, 28 ·10−5
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
In het vetweefsel zitten kleine structuren. De minimale lengte van details die nog gezien kunnen worden, is gelijk aan de lengte van een halve puls.
Vraag 23 3 punten
Bereken de minimale lengte van een detail in het vetweefsel dat nog gezien kan worden met deze echo.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 0,26 mm
voorbeeld van een antwoord: Voor de golflengte van het (ultrasone) geluid in vet geldt: v 1, 45 ·103 λ= = (6) = 1, 71 ·10−4 m. f 8,5 ·10
Een halve pulslengte is dus gelijk aan 0, 5 · 3 ·1, 71 ·10 −4 = 2, 56 ·10 −4 m .
In figuur 5 is een beeld van een echo van galstenen te zien. Deze liggen op een diepte van ongeveer 5 cm. In figuur 5 bewegen de uitgezonden geluidsgolven van boven naar beneden.
[figuur 5: zie het originele examen]
Op de uitwerkbijlage staat een tabel met beweringen die een mogelijke verklaring geven voor de schaduw van de galstenen in figuur 5.
Vraag 24 2 punten
Geef in de tabel op de uitwerkbijlage van elke bewering aan of die een juiste verklaring kan zijn of niet.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- kan een juiste kan geen juiste bewering verklaring zijn verklaring zijn Het ultrasone geluid wordt door de x galstenen geabsorbeerd. Het ultrasone geluid wordt door de x galstenen gereflecteerd. Het ultrasone geluid buigt om de x galstenen heen. Het ultrasone geluid kan niet verder x dan 5 cm in weefsel doordringen. indien vier antwoorden juist (2) indien drie antwoorden juist (1) indien minder dan drie antwoorden juist (0) (2)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-24-1-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (5), astrofysica (4) en golven (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.