Eindexamen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Dafne Schippers tegen Ireen Wüst, PET samen met CLI, I, I, sleutel-slot-model en het Turin-model., door de situatie te beschouwen alsof het gaat om gelijkspanning..

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 28. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over straling (10), beweging (4) en elektriciteit (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling7, 10-1810
Beweging1-44
Elektriciteit8-9, 25-264
Magnetisme27-282
Krachten51
Energie en arbeid61

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over straling (45% van de vragen, gemiddeld 20%) en beweging (18% van de vragen, gemiddeld 10%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Dafne Schippers tegen Ireen Wüst

Het zou kunnen dat hardloopster Dafne Schippers schaatsster Ireen Wüst uit zou dagen voor een wedstrijd over 100 meter: Schippers op de atletiekbaan, Wüst op schaatsen op het ijs. Twee totaal verschillende manieren om snelheid te maken met ongeveer dezelfde eindtijd. Zie figuren 1 en 2.

figuur 1 figuur 2

De tijden die ze nodig hebben voor 100 m liggen dicht bij elkaar: het record van Schippers staat op 10,81 s en de snelste tussentijd van Wüst op 100 m is 10,87 s.

Vraag 1 2 punten

Bereken het verschil in gemiddelde snelheid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

0, 05 m s −1 uitkomst: ∆vgem =

voorbeeld van een berekening:

100 100 ∆vgem =

  • = 9, 25
  • 9, 20 = 0, 05 m s −1. 10,81 10,87

Δx

Opmerking Bij de beoordeling van deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.

In figuur 3 zie je het verloop van de snelheden van beide atleten over de

100 m. De figuur staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 3: zie het originele examen] 12 v (m s-1) Wüst 11

10 Schippers

9

8

7

6

5

4

3

2

1

0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 t (s)

Vraag 2 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de versnelling bij de start van hardloopster Schippers die uit de figuur volgt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: a = 10 m s −2 ( 8, 0 m s −2 ≤ a ≤ 15 m s −2 )

voorbeeld van een bepaling: De versnelling bij de start is gelijk aan de helling van de raaklijn aan de grafiek bij de start. ∆v 12 Tekenen van de raaklijn en aflezen levert: = a = = 10 m s −2 . ∆t 1, 2

Vraag 3 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit, gebruikmakend van figuur 3:

  • Geef aan op welk tijdstip de afstand tussen hardloopster Schippers en schaatsster Wüst maximaal is.
  • Geef een toelichting hierbij.
  • Geef aan hoe deze maximale afstand bepaald kan worden. (De bepaling hoeft niet uitgevoerd te worden.)

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Op t = 6,0 s (met een marge van 0,2 s) is de onderlinge afstand maximaal.
  • Totdat Wüst en Schippers dezelfde snelheid hebben, is de snelheid van Schippers hoger en bouwt zij een voorsprong op. Na dat tijdstip wordt de voorsprong kleiner.
  • Het gaat hier om de oppervlakte tussen de twee grafieken van t = 0 tot het snijpunt / om het verschil in de oppervlakten onder de beide grafieken tot het snijpunt.

Opmerking Voor het laatste scorepunt is het niet voldoende om alleen te noemen: de oppervlakte onder de grafiek bepalen.

Van de sprint van beide atleten is een vereenvoudigd model gemaakt. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de massa’s van beide atleten gelijk zijn. Volgens het model ligt het verschil tussen Wüst en Schippers met name in het resulterend vermogen (netto vermogen) Pres. In figuur 4 staat voor beide atleten Pres als functie van de tijd weergegeven.

[figuur 4: zie het originele examen] 1400 Pres (W) 1200

1000 Schippers 800

600

400 Wüst

200

0

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 -200 t (s)

Uit het diagram is af te lezen dat voor Schippers geldt: Pres < 0 voor t > 6,0 s.

Vraag 4 2 punten

Leg uit dat dit overeenkomt met het diagram in figuur 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Na t = 6,0 s neemt de snelheid van Schippers af, het resulterend vermogen levert dan een negatieve bijdrage aan de kinetische energie. (Dit komt overeen met figuur 3.)

In het vereenvoudigd model wordt aangenomen, dat op t = 6,0 s de beide atleten een gelijk voortstuwend vermogen leveren. Toch is Pres op dat moment bij hardlopen kleiner dan bij schaatsen.

Vraag 5 2 punten

Leg uit welke conclusie je hieruit kunt trekken over de wrijvingskrachten bij schaatsen en hardlopen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het resulterend vermogen is het verschil tussen het vermogen dat de atlete levert en het vermogen (op t = 6,0 s) dat nodig is om de wrijvingskrachten te overwinnen. Het resulterend vermogen is bij hardlopen kleiner, dus is het vermogen (op t = 6,0 s) dat nodig is om de wrijvingskrachten te overwinnen groter en dus zijn de wrijvingskrachten groter bij hardlopen.

Vraag 6 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg met behulp van figuur 4 uit in welke race de grootste resulterende arbeid wordt geleverd.
  • Leg met behulp van figuur 3 en de relatie tussen arbeid en kinetische energie uit in welke race de grootste resulterende arbeid wordt geleverd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • De resulterende arbeid komt overeen met de oppervlakte onder de grafiek. Deze is voor Wüst groter dan voor Schippers.
  • Volgens de relatie tussen arbeid en kinetische energie geldt: ΣW = ∆Ek . Omdat Wüst aan het eind van de race de grootste snelheid en dus de grootste Ek heeft, is de resulterende arbeid het grootst voor Wüst.

Opmerking Als de kandidaat in het ene geval concludeert dat voor Schippers de resulterende arbeid het grootst is en voor Wüst in het andere geval, maximaal twee scorepunten toekennen.

PET samen met CLI

Lees onderstaand artikel.

Bij een PET-scan wordt een positron uitgezonden door een radioactieve isotoop. Na korte tijd annihileert zo’n positron met een elektron, waarbij in twee tegenovergestelde richtingen fotonen vrijkomen, die geregistreerd worden. Zie figuur 1 voor een PET-scan- apparaat. [figuur 1: zie het originele examen] Vóórdat de annihilatie plaatsvindt, bewegen de positronen met hoge snelheid door het lichaam van de patiënt. In stoffen zoals water en lichaamsweefsel is de lichtsnelheid kleiner dan de lichtsnelheid in vacuüm. Als de snelheid van een positron groter is dan de lichtsnelheid in het lichaam (0,70 c met c de lichtsnelheid) dan produceert het een blauwachtig licht, Cerenkov-straling genoemd (ook wel gespeld als Cherenkov- straling of Tjerenkov-straling) dat door gevoelige camera’s wordt gedetecteerd. Deze recente techniek wordt CLI (Cerenkov Luminescence Imaging) genoemd. De technieken PET en CLI kunnen gecombineerd worden tot één nieuw systeem van medische beeldvorming: PET samen met CLI.

Kankercellen nemen meer glucose op dan gewone cellen. Om een beeld van kankercellen te vormen, worden radioactieve isotopen ingebouwd in moleculen die sterk op glucose lijken. Een veelgebruikte isotoop is F-18, dat vervalt onder uitzending van een positron.

Vraag 7 2 punten

Geef de vervalvergelijking van F-18.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

18 18 (0)

9 F → 8 O + +1 e (+ ν e ) ( + γ)

Cerenkov-straling Als een geladen deeltje met een snelheid door lichaamsvocht beweegt, richten de omringende watermoleculen zich ten gevolge van de lading. Dit is weergegeven in de figuren 2a en 2b. De punt geeft de plaats van het deeltje aan. De pijl geeft de bewegingsrichting aan.

figuur 2a figuur 2b v < 0,70c v > 0,70c

Vraag 8 1 punt

Hoe blijkt uit figuur 2 dat het geladen deeltje een positron is en geen elektron?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: Het geladen deeltje is positief (een positron) want de watermoleculen richten hun negatieve kant naar de bewegende lading. (1)

Het effect van de bewegende lading op de omringende watermoleculen wordt doorgegeven met de snelheid van het licht in weefsel, dus met 0,70c. Een netto elektrisch veld ontstaat door alle gerichte watermoleculen samen. Een veranderend netto elektrisch veld produceert elektromagnetische straling. Alleen als een geladen deeltje met een grotere snelheid dan 0,70c door het weefsel beweegt, is er sprake van een veranderend netto elektrisch veld en wordt er straling uitgezonden, de zogenaamde Cerenkov-straling.

Vraag 9 3 punten

Beantwoord de volgende vragen:

  • Geef aan hoe uit figuur 2a blijkt dat hier het netto elektrisch veld gelijk is aan nul.
  • Geef aan hoe uit figuur 2b blijkt dat hier het netto elektrisch veld ongelijk is aan nul.
  • Geef aan hoe het komt dat het netto elektrisch veld in de situatie van figuur 2b zich verplaatst.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • In figuur 2a zijn de gerichte watermoleculen symmetrisch verdeeld (zodat het netto elektrisch veld nul is).
  • In figuur 2b zijn de gerichte watermoleculen asymmetrisch verdeeld (en is er een netto elektrisch veld ongelijk aan nul).
  • Het deeltje dat het netto elektrisch veld veroorzaakt beweegt. Het elektrisch veld beweegt met het bewegende deeltje mee.

Bij elk β+-verval gaat een deel van de vrijkomende energie naar een neutraal en vrijwel massaloos deeltje (een neutrino) dat ook vrijkomt. Als gevolg hiervan hebben niet alle uitgezonden positronen dezelfde energie. Bij een snelheid in de buurt van de lichtsnelheid moet gerekend worden met de relativiteitstheorie. Volgens de relativiteitstheorie hebben positronen met een snelheid van 0,70c een kinetische energie Ek = 0,205 MeV. In figuur 3 staat de verdeling van de door F-18 uitgezonden positronen als functie van hun kinetische energie.

[figuur 3: zie het originele examen]

De oppervlakte onder de grafiek is een maat voor het aantal positronen, zodat de totale oppervlakte overeenkomt met 100% van de positronen.

0 0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,7

E (MeV)

Hieronder staan drie schattingen van het percentage positronen dat direct na uitzending bijdraagt aan Cerenkov-straling in het weefsel. a 40% b 50% c 60%

Vraag 10 2 punten

Leg uit welke schatting de beste is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: (De oppervlakte onder de grafiek is een maat voor het aantal positronen.) Alleen positronen met een energie hoger dan 0,205 MeV (hebben een hogere snelheid dan 0,70c en) geven Cerenkov-straling. Dit komt overeen met de aangegeven oppervlakte. Dit is (zeker meer dan) 60%, dus antwoord c is de beste schatting.

plaatsbepaling Het continue spectrum van Cerenkov-straling bestaat voor een groot deel uit blauwachtig, zichtbaar licht met een lage intensiteit. Deze straling kan inwendig in het lichaam of uitwendig gemeten worden. Bij een uitwendige meting gelden de volgende voorwaarden: a De omgeving is donker. b De te bestuderen tumoren bevinden zich direct onder het huidoppervlak.

Vraag 11 2 punten

Geef voor elk van beide voorwaarden aan waarom die noodzakelijk is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij het tweede scorepunt stelt dat het dichtbij moet zijn, omdat anders door de kwadratenwet de intensiteit minder wordt, dit scorepunt toekennen.

Met een geautomatiseerd systeem voor medische beeldvorming kan men uit de intensiteit en richting van de straling de plaats van de stralingsbron reconstrueren. De nauwkeurigheid hiervan wordt bepaald door het natuurkundige proces figuur 4 dat de straling veroorzaakt. neutrino Positronen die door een dPET γ F-18-kern worden uitgezonden, geven hun е+ F−18 kinetische energie af door е− interacties met moleculen dCLI van het weefsel, vandaar een kronkelige route. Dit is γ schematisch weergegeven in figuur 4.

dCLI = de afstand die het positron overbrugt terwijl het Cerenkov-straling uitzendt dPET = de afstand die het positron overbrugt tot het annihileert

In figuur 5 is een simulatie figuur 5 weergegeven van het 1 0 1 verval van drie F-18- (mm) kernen. De figuur toont de mogelijke positronsporen door het lichaamsweefsel. 1 1 De F-18-kern is steeds in de oorsprong geplaatst. Een dik spoor geeft aan dat er Cerenkov-straling wordt 0 0 uitgezonden.

Vraag 12 3 punten

Voer de volgende

1 1 opdrachten uit:

  • Leg uit waarom dCLI < dPET.
  • Geef met behulp van de figuren 4 en 5 een 1 0 1 (mm) schatting van dPET.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Het positron wordt in het weefsel steeds meer afgeremd, tot het langzamer gaat dan de plaatselijke snelheid van het licht en dus geen Cerenkov-straling meer produceert. Later en verderop, als het positron vrijwel alle energie heeft afgegeven, annihileert het met een elektron.
  • Schatten levert: d PET = 1,3 mm (met een marge van 0,3 mm).

Vraag 13 2 punten

Leg uit waarom de CLI-meting tot een nauwkeurigere plaatsbepaling komt dan de PET-meting.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het feit dat d CLI kleiner is dan d PET betekent dat de plaats waar de stof vervalt dichter bij de plaats ligt waar de straling vandaan komt. (Dus is de plaats waar de stof vervalt nauwkeuriger te bepalen.)

Opmerking Als de kandidaat als argument heeft dat CLI ook optreedt bij afstanden kleiner dan d CLI , dit goed rekenen.

I

(103 W m-2 nm-1) (W m-2 nm-1)

80 2,0

60 1,5

40 1,0

20 0,5

0 0

0 400 800 1200 1600 2000 0 400 800 1200 1600 2000 λ (nm) λ (nm)

Het grote verschil in de maximale intensiteit van de twee spectra kan ongeveer verklaard worden met behulp van de kwadratenwet.

Vraag 14 4 punten

Laat dit zien met een bepaling.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit figuur 1 en 2 lezen we een intensiteitsverhouding af van

83 ⋅103 = 40 ⋅103 (met een marge van 4 ⋅103 ). 2,1 Dit zou overeen moeten komen (volgens de kwadratenwet) met het afstand zon aarde kwadraat van de verhouding . straal van de zon

2 (2)  afstand zon aarde   1,5 ⋅10  11 Er geldt:  =   8  = 46 ⋅103.  straal van de zon   7, 0 ⋅10  (Het klopt dus heel aardig.)

  • bepalen van intensiteitsverhouding uit figuur 1 en 2 (1) 2 I1  afstand zon aarde 

Opmerkingen

  • Als de kandidaat het tweede scorepunt niet behaald heeft, kan hij/zij het vierde scorepunt niet behalen.
  • Bij de vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.

I

(W m-2 nm-1) 0,0020 weegfactor 1

200 240 280 320 360 400 0,0015 0,1 0,0010 0,01 0,0005 0,001 0,0000

200 240 280 320 360 400 0,0001 λ (nm) λ (nm)

Vraag 15 2 punten

Geef aan waarom UV-C en UV-A nauwelijks of geen bijdrage leveren in het biologisch effectieve UV-spectrum van figuur 5.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: UV-C wordt nagenoeg volledig geabsorbeerd door de dampkring. Voor UV-A is de weegfactor erg klein en zijn de schadelijke effecten dus zeer beperkt.

Voor veilige blootstelling van een gevoelige menselijke huid aan UV-licht geldt een bovengrens van 80 J m−2. Figuur 5 staat vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 16 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de tijd in minuten die een persoon met zo’n huid zich volgens deze grens kan blootstellen aan de zon midden op een heldere dag rond 21 juni.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • uitkomst: t = 21 (min) (met een marge van 5 (min)) voorbeeld van een bepaling: De oppervlakte onder het biologisch effectieve spectrum geeft het totaal geabsorbeerde stralingsvermogen per m2 lichaamsoppervlak. Deze oppervlakte bestaat uit ongeveer 13 hokjes. Elk hokje is 20 nm breed en 0, 00025 W m −2 nm −1 hoog. De oppervlakte van één hokje komt dus overeen met 0, 0050 W m −2 . Totaal levert dit dus 0, 065 W m −2 . 13 ⋅ 0, 0050 = (4)

Om veilig gedurende een langere tijd in de zon te kunnen liggen, kan men zonnebrandcrème op de huid smeren. In zonnebrandcrème zit een stof die fotonen met een bepaalde energie kan absorberen. Deze energie moet overeenkomen met een sprong in het energieniveauschema van de stof. In figuur 7 staan twee typen energieniveauschema’s weergegeven. De linker figuur kent discrete niveaus. De rechterfiguur kent twee groepen met zeer veel energieniveaus dicht op elkaar met daartussen een sprong, de zogenaamde ‘band-gap’.

[figuur 7: zie het originele examen] Energieniveau Energieniveau

band-gap

Een stof met een band-gap is beter geschikt voor zonnebrandcrème dan een stof met een discreet energieniveauschema.

Vraag 17 2 punten

Leg uit waarom.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het is wenselijk dat er een hele range aan golflengtes wordt geabsorbeerd door de zonnebrandcrème. Een stof met een band-gap heeft veel meer mogelijkheden om straling te absorberen (en is daardoor dus beter geschikt als bestanddeel van zonnebrandcrème).

Voor een goede zonnebrandcrème gelden twee specificaties:

  • De crème absorbeert het UV-B.
  • De crème absorbeert geen zichtbaar licht. In tabel 1 staan drie stoffen met een band-gap gegeven die in zonnebrandcrème verwerkt kunnen worden. De stoffen worden in de vorm van nanodeeltjes toegevoegd aan de crème.

[tabel 1: zie het originele examen] stof band-gap-energie (eV) galliumoxide Ga2O3 4,4 titaandioxide TiO2 3,3 zilveroxide Ag2O 1,5

Slechts een van de stoffen in tabel 1 is geschikt als werkend bestanddeel in zonnebrandcrème.

Vraag 18 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit, onder andere met een berekening, welke stof dat is.
  • Leg uit waarom de andere twee stoffen niet geschikt zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Uit figuur 6 volgt dat de stof golflengtes moet absorberen tot 330 nm, wat overeenkomt met een energie van 3,76 eV. Zichtbaar licht begint bij 380 nm, dus een energie van 3,26 eV, wat de stof niet mag absorberen. Iedere stof absorbeert energieën groter en gelijk aan de eigen band-gap energie. Deze moet dus groter zijn dan 3,26 eV en kleiner dan 3,76 eV. Alleen Titaandioxide voldoet.
  • Zilveroxide heeft een te kleine band-gap energie en absorbeert dus ook zichtbaar licht Galliumoxide heeft een te grote band-gap energie en absorbeert dus niet het gehele UV-B.

Opmerkingen

  • Als de kandidaat voor de bovengrens van UV-B een waarde tussen 320 nm en 340 nm gebruikt, dit goed rekenen.
  • Als de kandidaat bij de tweede deelscore een rekenfout maakt, maximaal 4 scorepunten toekennen.

sleutel-slot-model en het Turin-model.

In figuur 1 is te zien hoe het sleutel-slot- figuur 1 model werkt. Als een geurmolecuul op geur- receptoren verschillende plaatsen in de receptor moleculen 1 2 3 4 past, wordt door een combinatie van die mogelijkheden de geur van dat molecuul waargenomen.

Er zijn moleculen die erg van elkaar verschillen en toch dezelfde geur hebben, en er zijn moleculen die bijna gelijk zijn, maar een verschillende geur hebben. Zie de voorbeelden in figuur 2.

sleutel-slot-model

Toelichting: In de bovenste receptor past het geurmolecuul op de plaatsen 1 en 3. figuur 2a figuur 2b

ruiken hetzelfde benzaldehyde en waterstofcyanide ruiken verschillend (amandelgeur) ferroceen en nikkeloceen

Vraag 19 1 punt

Geef aan voor een van de twee voorbeelden in figuur 2 waarom voor deze moleculen het sleutel-slot-model niet voldoet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een antwoord:

  • De twee moleculen links hebben een verschillende vorm, dus passen ze in verschillende plaatsen van de receptoren. Volgens het sleutel-slot- model zouden ze dan een verschillende geur moeten hebben. Ze hebben echter dezelfde geur.
  • De moleculen rechts hebben dezelfde vorm, dus ze passen in dezelfde plaatsen van de receptoren. Volgens het sleutel-slot-model zouden ze dan dezelfde geur moeten hebben. Dit hebben ze niet.

Omdat het sleutel-slot-model niet voldeed, kwam de Franse onderzoeker Luca Turin in 1996 met een nieuw model. In het model van Turin bestaat een geur-receptor uit twee delen: de donor

D en de acceptor A. Zie figuur 3 en figuur 4.

figuur 3 figuur 4 E(eV)

3,14 3,00 2,88

D A

geur-receptor

D A

Als een elektron van donor D via een geurmolecuul naar acceptor A beweegt, wordt er bij A een signaal afgegeven dat naar de hersenen gaat, waardoor het geurmolecuul wordt waargenomen. Het model van Turin is een combinatie van quantum-tunneling en energieoverdracht. Zie figuur 4 voor een schematische weergave. In figuur 4 bevindt zich een elektron in donor D in het aangegeven energieniveau. Van acceptor A zijn twee energieniveaus weergegeven. Zonder geurmolecuul kan het elektron niet van D naar A gaan. Als een geurmolecuul dat past bij de receptor tussen D en A zit, kan dit geurmolecuul energie opnemen van het elektron zodat het elektron wel van D naar A kan komen.

Vraag 20 2 punten

Leg uit in welke van de twee energieniveaus van A het elektron dan komt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als het geurmolecuul energie opneemt, geeft het elektron energie af. Het elektron komt in A dus in het energieniveau 2,88 (eV).

Een voorbeeld van een geurmolecuul figuur 5 is acetofenon. Zie figuur 5. De energie-uitwisseling met het geurmolecuul kan in een vereenvoudigd model worden beschreven. In dit vereenvoudigd model wordt elke C

  • H -binding van het geurmolecuul beschouwd als een (quantumfysisch) massa-veer- systeem. Zie figuur 6 voor de energieput met de discrete energieniveaus van dit massa-veer- systeem voor een van de figuur 6

C

  • H -bindingen van acetofenon. n=7 Voor de energieniveaus geldt: E n=6 n=5 En = hf (n + 12 ). n=4 n=3

Hierin is: n=2

− En De energie van niveau n; n=1 n=0

  • h De constante van Planck; afstand tussen atomen
  • f De frequentie van het C-¹¹H-binding massa-veer-systeem.

Als het elektron in figuur 4 van D naar A gaat, neemt de C

  • H -binding van het geurmolecuul precies zoveel energie van het elektron op dat het massa-veer-systeem één energieniveau omhoog gaat.

Vraag 21 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 4 en 6 de waarde van f.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

f 2,9 ⋅1013 Hz uitkomst: =

voorbeeld van een bepaling: De grootte van de energiestap is gelijk aan hf. Invullen levert: ( 3, 00

  • 2,88 ) ⋅1, 60 ⋅10−19 = 6, 63 ⋅10−34 f . 0,12 ⋅1, 60 ⋅10−19 f Dus geldt:= −34 = 2,9 ⋅1013 Hz. 6, 63 ⋅10

Opmerking Als de kandidaat bij vraag 20 antwoordt dat het elektron naar het hogere energieniveau gaat, dit in deze vraag niet opnieuw aanrekenen.

Om te onderzoeken of het model van Turin klopt, heeft een onderzoeker een experiment met fruitvliegjes gedaan. Hij bood twee verschillende geuren aan, waarvan één acetofenon was. De fruitvliegjes hadden een duidelijke voorkeur voor acetofenon. Daarna herhaalde hij het experiment, waarbij hij in acetofenon ‘gewone’ waterstofatomen ( 11 H ) verving door deuteriumatomen ( 21 H ). Nu hadden de fruitvliegjes geen voorkeur voor acetofenon. De fruitvliegjes konden dus het verschil tussen acetofenon met gewone waterstofatomen ( 11 H ) en acetofenon met deuteriumatomen ( 21 H ) ruiken.

Neem aan dat de massa in het massa-veer-systeem de massa is van het waterstofatoom en dat de vervanging van gewoon waterstof door deuterium alleen effect heeft op de massa van het massa-veer-systeem en niet op de veerconstante.

Vraag 22 2 punten

Leg uit dat de uitkomst van het experiment een ondersteuning is voor het model van Turin.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Deuterium heeft een andere massa en dus heeft het massa-veer-systeem een andere frequentie dan bij gewoon waterstof. Daarom zullen de energieovergangen bij deuterium anders zijn dan die van gewoon waterstof. (Daarmee is het een ondersteuning van het model van Turin.)

Op de uitwerkbijlage staat figuur 6, de energieput met energieniveaus van een C

  • 11 H -binding van acetofenon weergegeven. Op dezelfde schaal zijn ook nog vier energieputten met energieniveaus weergegeven (I tot en met IV) van dezelfde C
  • H -binding, waarin nu het gewone waterstof vervangen is door deuterium.

Vraag 23 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit: f deuterium 1

  • Leid af dat geldt: = . f waterstof 2
  • Leg daarmee uit welke energieput met energieniveaus op de uitwerkbijlage past bij de C
  • 21 H -binding van het aangepaste acetofenon-molecuul.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een antwoord:

methode 1 f deuterium Twaterstof

  • Er geldt: = . f waterstof Tdeuterium m1 H 2π 1 mwaterstof Twaterstof C (1) Ook geldt: = = = . Tdeuterium m2 H mdeuterium (2) 2π (1p)

C f deuterium Twaterstof (1) Dus geldt: = = . f waterstof Tdeuterium (2)

  • Voor de factor waarmee de energieniveaus bij C
  • 11 H vermenigvuldigd moeten worden om de energieniveaus bij C
  • 21 H -te krijgen, geldt: Edeuterium hf deuterium (n + 12 ) f deuterium = = . Ewaterstof hf waterstof (n + 12 ) f waterstof ∆Edeuterium f deuterium Dus geldt ook = . ∆Ewaterstof f waterstof 1 Energieput III is goed omdat alle niveaus met een factor 2 vermenigvuldigd zijn.

of

methode 2 f deuterium Twaterstof

  • Er geldt: = . f waterstof Tdeuterium m1 H 2π 1 mwaterstof Twaterstof C (1) Ook geldt: = = = . Tdeuterium m2 H mdeuterium (2) 2π (1p)

C f deuterium Twaterstof (1) Dus geldt: = = . f waterstof Tdeuterium (2)

  • Voor de factor waarmee de energiestap bij de C
  • 11 H vermenigvuldigd moet worden om de energiestap bij C
  • 21 H -te krijgen, geldt: ∆Edeuterium f deuterium = . ∆Ewaterstof f waterstof 1 Energieput III is goed omdat alle niveaus met een factor 2 vermenigvuldigd zijn.

m

E f ∆Edeuterium f deuterium

  • inzicht dat geldt deuterium = deuterium of = (1) Ewaterstof f waterstof ∆Ewaterstof f waterstof

In de parfumindustrie worden geurmoleculen die erg duur zijn vervangen door andere moleculen die hetzelfde ruiken. Bij de zoektocht naar vervangende moleculen worden de energieniveaus van het oorspronkelijke molecuul vergeleken met de energieniveaus van het vervangende molecuul.

Vraag 24 1 punt

Aan welke eis moeten de energieniveaus van het vervangende molecuul voldoen?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: De energieniveaus / energieverschillen van het vervangende molecuul moeten (deels) gelijk zijn aan de energieniveaus / energieverschillen van het oorspronkelijke molecuul. (1)

door de situatie te beschouwen alsof het gaat om gelijkspanning.

Een aardlekschakelaar (zie figuur 1) is een automatisch figuur 1 werkende schakelaar die een elektrische installatie spanningsloos maakt zodra er een lekstroom van een bepaalde grootte optreedt. De werking van een aardlekschakelaar berust op een verschilmeting in de stroomsterkte tussen twee draden, de fasedraad en de nuldraad. In figuur 2 is de situatie waarbij een wasdroger is aangesloten op het lichtnet schematisch weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen] Ifasedraad

230 V wasdroger

Inuldraad

De stroomsterkte door de wasdroger wordt bepaald door het verwarmingselement dat in de wasdroger is opgenomen. Dit verwarmingselement is gemaakt van 42 m koperdraad met een diameter van 0,20 mm.

Vraag 25 4 punten

Bereken de stroomsterkte door het verwarmingselement.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: I = 10 A

voorbeeld van een berekening: Voor de doorsnede van de koperdraad geldt:

( ) = 3,14 ⋅10 m . 2 A= 1 πd 2 = 1 π ⋅ 0, 20 ⋅10 −3 −8 (2)

4 (4) Voor de weerstand van het verwarmingselement geldt dan: λ (42) R =ρ = 17 ⋅10−9 ⋅ =22, 7 Ω.

A 3,14 ⋅10−8 Voor de stroomsterkte door de schakeling geldt dan: U 230 I = = = 10 A. R 22, 7

λ

Door een defect in de wasdroger kan figuur 3 de metalen buitenkant onder spanning Ifasedraad komen te staan en kan er een lekstroom optreden als een persoon de metalen Ilek buitenkant van de wasdroger aanraakt. was- Zie figuur 3. droger lichaam De aardlekschakelaar reageert als er tussen de nuldraad en de fasedraad een Inuldraad verschil van meer dan 30 mA is.

Vraag 26 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de grootte van de lichaamsweerstand bij een lekstroom van

30 mA.

  • Geef aan of de aardlekschakelaar reageert bij waarden voor de lichaamsweerstand die groter zijn of juist kleiner dan de berekende waarde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Er geldt: U = IR. Dit levert voor de grootte van de weerstand bij de U 230 gegeven stroomsterkte: Rlek = = = 7, 7 ⋅103 Ω. I lek 0, 030
  • De aardlekschakelaar moet werken bij stroomsterktes groter dan deze waarde, dus bij weerstanden kleiner dan deze waarde.

In de aardlekschakelaar lopen figuur 4 de fasedraad en de nuldraad door een (week)ijzeren ring. Zie figuur 4. In de figuur op de uitwerkbijlage is een Ifasedraad vooraanzicht getekend van de situatie uit figuur 4. We nemen aan dat de Inuldraad fasedraad en de nuldraad allebei in het middelpunt van de ring liggen.

Vraag 27 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken met pijlen in de ring de richting van het magnetisch veld voor de fasedraad en voor de nuldraad in de figuur op de uitwerkbijlage.
  • Geef de reden dat er geen netto magnetisch veld in de ring zal ontstaan als de stroomsterkten door de fasedraad en de nuldraad gelijk zijn.
  • Geef de reden dat er wel een netto magnetisch veld in de ring ontstaat als er sprake is van een lekstroom.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: −

− De grootte van het magnetisch veld wordt bepaald door de stroomsterkte in de draad en de afstand tot deze draad. De afstand tot beide draden is in de ring gelijk, zo ook de stroomsterkten in de draden. Het magnetisch veld dat veroorzaakt wordt door de fasedraad zal even groot zijn en tegengesteld gericht aan het magnetisch veld dat veroorzaakt wordt door de nuldraad. De twee magneetvelden heffen elkaar daarbij op.

  • Als er sprake is van een lekstroom zullen de groottes van beide magneetvelden niet meer gelijk zijn aan elkaar. Er ontstaat dan een netto magnetisch veld in de ijzeren ring.

Een grotere lekstroom heeft een groter netto magnetisch veld tot gevolg. Rond de ijzeren ring is een spoel gewikkeld, de zogenoemde detectiespoel. Zie figuur 5. Deze detectiespoel is verbonden met een circuitonderbreker. Als er aan de circuitonderbreker een te hoge spanningspiek wordt aangeboden, verbreekt de circuitonderbreker de verbinding in de fasedraad en de nuldraad. Dit gebeurt op het moment dat er een te groot verschil ontstaat tussen de stroomsterkte in de fasedraad en de stroomsterkte in de nuldraad. Een aardlekschakelaar noemen we gevoeliger als hij de stroom uitschakelt bij een kleinere lekstroom.

[figuur 5: zie het originele examen] circuitonderbreker

detectiespoel

Vraag 28 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit.

  • Geef aan door welk natuurkundig principe de spanningspiek ontstaat.
  • Leg uit welke aanpassing men moet doen aan de detectiespoel om de aardlekschakelaar gevoeliger te maken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • (elektromagnetische) inductie
  • De aardlekschakelaar is gevoeliger als bij een kleiner magneetveld de stroom wordt onderbroken. Een kleinere fluxverandering moet een even grote inductiespanning geven. dΦ Omdat voor de inductiespanning geldt: U ind ∝ N en U ind ∝ , zal een dt groter aantal windingen het gewenste resultaat geven.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-19-1-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 28. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over straling (10), beweging (4) en elektriciteit (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.