Eindexamen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: wordt nu waargenomen als microgolfstraling., Cirkelgolf, Alfanuclidetherapie, Zonnepanelen.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (7), straling (7) en golven (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Astrofysica | 1-7 | 7 |
| Straling | 14-20 | 7 |
| Golven | 8-13 | 6 |
| Elektriciteit | 21-22, 25 | 3 |
| Licht en lenzen | 23-24 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over golven (24% van de vragen, gemiddeld 2%) en astrofysica (28% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over beweging (0% van de vragen, gemiddeld 11%) en magnetisme (0% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
- Tweede aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
wordt nu waargenomen als microgolfstraling.
De opnamen voor de kaart van figuur 1 kunnen vanwege de aardatmosfeer niet vanaf het aardoppervlak gemaakt zijn.
Vraag 1 1 punt
Geef hiervoor een reden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een antwoord: − De aardatmosfeer laat niet alle straling uit het microgolfgebied door. − De condities van de aardatmosfeer verschillen in de tijd. − In de atmosfeer is te veel microgolfstraling uit de omgeving aanwezig. (1)
De Planck-satelliet draait rondjes om de zon. Hij heeft zijn metingen verricht vanuit een speciaal punt in de ruimte: het Lagrangepunt L2. Het Lagrangepunt L2 ligt in het verlengde van de verbindingslijn van de zon naar de aarde en in dit punt is de omlooptijd van de satelliet gelijk aan die van de aarde. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Thijs voert een modelstudie uit om te bepalen op welke afstand van de aarde het Lagrangepunt L2 zich bevindt. In zijn model is de x-as de verbindingslijn van de zon naar de aarde. Thijs beperkt zich in zijn onderzoek tot het gebied op de x-as waarvoor geldt dat de afstand x tot het middelpunt van de aarde kleiner is dan 2, 0 · 109 m en groter dan of gelijk aan de straal van de aarde. Zie figuur 3. Deze figuur is niet op schaal. In zijn model definieert Thijs de richting naar rechts in de figuur als positief. Hoewel het Lagrangepunt L2 rechts van de aarde ligt, bekijkt Thijs dus ook wat er gebeurt bij negatieve waarden van x.
[figuur 3: zie het originele examen]
Thijs berekent met zijn model hoe de gravitatieversnelling ten gevolge van de zon, ag, zon , en die ten gevolge van de aarde, ag, aarde , afhangen van x (zie figuur 4).
[figuur 4: zie het originele examen]
Thijs heeft ervoor gezorgd dat zijn model zo goed mogelijk aan de werkelijkheid voldoet.
Vraag 2 2 punten
Beantwoord de volgende twee vragen:
- Bij welke x wordt de waarde van ag, aarde maximaal in het model?
- Geef de grootte van deze maximale waarde van ag, aarde .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij de beoordeling van deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Van de modelwaarden van ag, zon en ag, aarde zijn in figuur 4 alleen de grafieklijnen bij negatieve waarden van x weergegeven. In figuur 5 zijn vier mogelijkheden gegeven van hoe de gehele grafiek, tot x = 2,0 ·109 m , kan lopen.
Vraag 3 3 punten
Leg uit welke van de vier grafieken (I, II, III of IV) de situatie juist weergeeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De gravitatieversnelling ten gevolge van de zon, ag, zon , wordt niet beïnvloed door de aanwezigheid van de aarde. De grafieklijn loopt vrijwel rechtdoor. De gravitatieversnelling ten gevolge van de aarde, ag, aarde , verandert van richting bij positieve waarden van x en wordt dus negatief. Het juiste antwoord is grafiek IV.
[figuur 5: zie het originele examen]
Als een voorwerp een cirkelbeweging om een hemellichaam beschrijft, geldt de volgende formule:
r T = 2π (1) a
Hierin is:
- T de omlooptijd om het hemellichaam in s
- r de baanstraal in m
- a de grootte van de gravitatieversnelling ten gevolge van het hemellichaam in m s −2
Vraag 4 4 punten
Leid formule (1) af gebruikmakend van formules uit een tabellenboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: mv2 Er geldt: Fg, hemellichaam = Fmpz , met Fmpz = en Fg, hemellichaam = m a . r 2πr Voor de omloopsnelheid geldt: v = . T 4π2 mr 4π 2 r Invullen geeft: Fg, hemellichaam = , en dus: a = 2 . T2 T r Omschrijven geeft: T = 2π . a
De Planck-satelliet in het Lagrangepunt L2 ondervindt zowel een gravitatiekracht van de zon als een gravitatiekracht van de aarde. Als gevolg daarvan luidt de formule voor de omlooptijd van de satelliet als volgt:
r T = 2π (2) ag, res
Hierin is:
- T de omlooptijd om de zon in s
- r de baanstraal in m
- ag, res de grootte van de gravitatieversnelling ten gevolge van de resulterende gravitatiekracht in m s −2
De baanstraal van de Planck-satelliet in het Lagrangepunt L2 is groter dan de baanstraal van de aarde. Toch is de omlooptijd T van de Planck- satelliet gelijk aan die van de aarde.
Vraag 5 2 punten
Leg dat uit met behulp van formule (2).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Als T gelijk moet zijn bij een grotere waarde van r, dan zal ook ag, res groter moeten zijn. Bij waarden van r groter dan de baanstraal van de aarde zijn ag, zon en ag, aarde gelijk gericht. De grootte van de resulterende versnelling zal dus groter zijn dan de grootte van ag, zon .
Om te bepalen op welke afstand van de aarde het Lagrangepunt L2 zich bevindt, berekent Thijs met zijn model bij verschillende waarden van x de omlooptijd T om de zon van een voorwerp dat zich bevindt op de verbindingslijn van de zon naar de aarde. Hij beperkt zich tot alleen de positieve waarden van x. Zijn resultaten zijn weergegeven in figuur 6. Figuur 6 staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 6: zie het originele examen]
Tzon is de berekende omlooptijd als alleen de zon aanwezig zou zijn. Tzon + aarde is de berekende omlooptijd als er rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van zowel de zon als de aarde.
Vraag 6 3 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand van het Lagrangepunt L2 tot het midden van de aarde.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: x = 1,5·109 m (met een marge van 0,1·109 m)
voorbeeld van een bepaling:
De omlooptijd van de aarde om de zon is te bepalen door de grafieklijn Tzon af te lezen bij x = 0 (T = 3,16·107 s). De omlooptijd in het Lagrangepunt L2 is gelijk aan de omlooptijd van de aarde. In het Lagrangepunt L2 wordt de omlooptijd bepaald door het gravitatieveld van aarde plus zon. Op x = 1,5·109 m is de omlooptijd van een satelliet gelijk aan die van de aarde.
Opmerking Als de kandidaat voor de omlooptijd van de aarde om de zon een waarde gebaseerd op 365 dagen of een waarde uit een tabellenboek gebruikt, dit niet aanrekenen.
De Planck-satelliet verrichtte metingen vanuit het Lagrangepunt L2. In figuur 7 staat de stralingskromme van de kosmische achtergrondstraling die de satelliet heeft gemeten.
[figuur 7: zie het originele examen]
De temperatuur van de kosmische achtergrondstraling is gedefinieerd als de temperatuur van een voorwerp met de stralingskromme van figuur 7.
Vraag 7 3 punten
Bepaal de temperatuur van de kosmische achtergrondstraling.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: T = 2, 76 K ( 2, 40 K ≤ T ≤ 2,80 K )
voorbeeld van een bepaling: Het maximum van de grafiek ligt bij: λmax = 1,05 mm . Met de wet van Wien, λmaxT = kW , is de bijbehorende temperatuur uit te rekenen. k 2,898 ·10−3 Dit geeft: T = W = = 2, 76 K . λmax 1, 05 ·10−3
Cirkelgolf
Roland en Arno bouwen de opstelling zoals figuur 1 schematisch weergegeven in figuur 1. In deze opstelling is een toongenerator verbonden met een trillingsapparaat. Aan het trillingsapparaat is een cirkelvormige metalen lus gekoppeld. Deze lus heeft een diameter van 24,5 cm. Bij bepaalde ingestelde frequenties op de toongenerator ontstaat er een staande golf in de cirkelvormige lus. In figuur 2 is een voorbeeld van zo’n staande golf te zien.
[figuur 2: zie het originele examen]
De plek waar de lus aan het trillingsapparaat bevestigd is, mag beschouwd worden als een knoop. Roland en Arno trekken op basis van figuur 2 de conclusie dat de golfsnelheid in de lus niet overal gelijk kan zijn.
Vraag 8 2 punten
Leg uit hoe dit volgt uit figuur 2 met behulp van een formule uit een tabellenboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: In figuur 2 is te zien dat de (halve) golflengte op de lus niet overal gelijk is. De frequentie is echter constant. Omdat geldt dat v = f λ kan dit alleen verklaard worden met een golfsnelheid in de lus die niet overal gelijk is.
Op het moment dat de foto van figuur 2 gemaakt werd, stond de toongenerator ingesteld op 69 Hz.
Vraag 9 4 punten
Bepaal de gemiddelde golfsnelheid in de lus bij deze frequentie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: v = 21 m s −1
voorbeeld van een bepaling: In de lus zijn vijf buiken te zien. Er bevindt zich dus 52 λ in de lus. Voor het gemiddelde van de golflengte geldt dan: 2πd 2π · 0, 245 λ= = = 0,308 m .
5 (5) Voor de gemiddelde golfsnelheid geldt dan: v = f λ = 69 · 0,308 = 21 m s −1
Roland en Arno variëren de frequentie van de toongenerator en kijken wanneer er een staande golf in de lus ontstaat. Hun waarnemingen staan in figuur 3.
figuur 3 figuur 4
aantal buiken f (Hz)
3 19
5 69
7 1,6 ·102
9 2, 6 · 10 2
11 3,8 ·102
Het valt Roland en Arno op dat er alleen staande golven met een oneven aantal buiken in de lus ontstaan. In het bovenste punt van de lus ontstaat dus altijd een buik. In de lus beweegt een golf in de richting van de wijzers van de klok en een golf in de tegengestelde richting. Dit is schematisch weergegeven in figuur 4. Deze twee lopende golven interfereren met elkaar. Op plaatsen met constructieve interferentie ontstaan buiken en op plaatsen met destructieve interferentie ontstaan knopen.
Vraag 10 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit dat er in het bovenste punt van de lus alleen een buik kan ontstaan.
- Geef aan waarom er in die situatie alleen staande golven kunnen ontstaan met een oneven aantal buiken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Het trillingsapparaat zorgt ervoor dat er twee lopende golven ontstaan in de lus: één in de richting van de wijzers van de klok en één in de tegengestelde richting. Deze golven hebben bij het trillingsapparaat een faseverschil ten opzichte van elkaar van 0 en bereiken op hetzelfde moment het bovenste punt van de lus. (De beide golven hebben op dat moment dezelfde afstand afgelegd.) In het bovenste punt van de lus moet dus altijd sprake zijn van een faseverschil 0 en dus constructieve interferentie.
- Omdat er een knoop zit bij het trillingsapparaat en een buik in het bovenste punt van de lus, is het alleen mogelijk om een oneven aantal knopen (of buiken) in de lus te realiseren.
Roland en Arno gaan op zoek naar het verband tussen de frequentie van het trillingsapparaat en het aantal buiken dat in de lus ontstaat. Uit de meetresultaten in figuur 3 trekken ze de conclusie dat er onmogelijk sprake kan zijn van een recht evenredig verband.
Vraag 11 3 punten
Toon met een berekening aan dat die conclusie juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De metingen 1 en 4 kunnen met elkaar vergeleken worden. Het aantal buiken in meting 4 is een factor 3 groter dan het aantal buiken in meting 1. De frequentie is niet een factor 3 groter (en dus is er geen recht evenredig verband).
Opmerking Bij de beoordeling van deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Via een trial-and-errormethode komen Roland en Arno tot het volgende verband tussen de frequentie en het aantal buiken in de lus:
f = cn 2 (1)
Hierin is:
- f de frequentie in Hz
- c een constante
- n het aantal buiken in de lus
In de grafiek van figuur 5 staan de meetresultaten uit figuur 3 grafisch weergegeven na een coördinatentransformatie. Het bijschrift bij beide assen is nog niet gegeven.
[figuur 5: zie het originele examen]
Vraag 12 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef het bijschrift dat vermeld moet worden bij de horizontale as.
- Geef het bijschrift dat vermeld moet worden bij de verticale as.
- Bepaal met behulp van figuur 5 de constante c in formule (1). Geef je antwoord in drie significante cijfers en met de juiste eenheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: c = 3,18 s−1 (met een marge van 0,05 s−1)
voorbeeld van een antwoord: 2
- Op de horizontale as staat: n (-).
- Op de verticale as staat: f (Hz).
- De waarde voor de constante c in de formule volgt uit de helling van de 350 trendlijn. Dus: c = = 3,18 s −1 . 110
Opmerkingen
- Als de kandidaat het antwoord noteert in meer of minder dan drie significante cijfers, het laatste scorepunt niet toekennen.
- Als de kandidaat het vierde scorepunt niet behaald heeft, kan hij/zij het vijfde scorepunt nog behalen.
Roland en Arno vragen zich af of de constante c wel in drie significante cijfers mag worden opgegeven. Roland denkt dat de waarde moet worden opgegeven in één significant cijfer omdat het aantal buiken ook in één significant cijfer is opgegeven. Arno denkt dat met de gebruikte methode de waarde in drie significante cijfers kan worden opgegeven, hoewel de frequenties in twee significante cijfers zijn bepaald.
Vraag 13 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef aan waarom Roland geen gelijk heeft.
- Leg uit dat de gedachte van Arno verdedigbaar is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Het aantal buiken is een telwaarde. Deze waarde heeft geen invloed op het aantal significante cijfers. (Roland heeft dus geen gelijk.)
- De constante c wordt bepaald uit meerdere meetwaardes die (na een coördinatentransfomatie) liggen op een rechte trendlijn. Dit vergroot de nauwkeurigheid van de bepaling. (Daarom is de gedachte van Arno verdedigbaar om een significant cijfer meer te gebruiken.)
Alfanuclidetherapie
In de nuclidetherapie worden tumoren figuur 1 van binnen in het lichaam bestraald met behulp van instabiele atoomkernen. Deze atoomkernen kunnen alfa- of bètastralers zijn. Door de instabiele atoomkernen te koppelen aan een zogenaamde dragerstof, een stof die zich specifiek aan de tumor kan hechten, kan een heel gerichte bestraling worden bereikt. Zie figuur 1. Bij het afremmen van de alfa- of bètadeeltjes tijdens hun weg door het tumorweefsel, komt energie vrij. Wanneer deze energie plaatselijk groot genoeg is, zal dat leiden tot het afsterven van tumorcellen.
De hoeveelheid energie die een ioniserend deeltje per eenheid van weglengte afgeeft aan de omringende materie wordt de LET-waarde genoemd. LET staat voor ‘lineaire energie-overdracht’ en is gedefinieerd volgens:
dE LET -waarde =
- (1) dx
Hierin is:
- E de energie in keV
- x de weglengte in μm
De LET-waarde kan ook geïnterpreteerd worden als de ‘stopkracht’ die werkt op het deeltje. De eenheid van LET-waarde is keV μm-1.
Vraag 14 2 punten
Leid af dat ook newton (N) een eenheid van LET-waarde is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: [ E ] Nm = N [ LET -waarde] = = [ x] m
Alfastralers leiden in het algemeen tot hogere LET-waarden dan bètastralers, en zijn om die reden geschikter voor nuclidetherapie. Van twee alfastralers, I en II, is gemeten hoe de LET-waarde varieert met de afgelegde weg in water. Zie figuur 2. Het gedrag in water is vergelijkbaar met dat in weefsel.
[figuur 2: zie het originele examen]
In figuur 2 is te zien dat de LET-waarde een maximum heeft. Voordat dit maximum bereikt wordt, geldt voor een alfadeeltje: hoe lager de snelheid, hoe hoger de LET-waarde.
Vraag 15 2 punten
Leg dit uit met behulp van figuur 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Naarmate een alfadeeltje verder doordringt / naar rechts gaat, neemt de snelheid ervan af. (Het deeltje geeft immers energie af aan het water.) Bij het verder doordringen in het water neemt de LET-waarde toe. Een alfadeeltje heeft dus de hoogste LET-waarde bij lagere snelheden.
De alfadeeltjes van alfastraler I hebben bij binnenkomst een hogere LET- waarde dan de alfadeeltjes van alfastraler II. Alfadeeltjes van alfastraler I komen dus met een lagere kinetische energie het water in dan alfadeeltjes van alfastraler II.
Vraag 16 4 punten
Leg uit op welke andere twee manieren dat is af leiden uit figuur 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Het oppervlak onder de grafiek is een maat voor de kinetische energie bij binnenkomst. Het oppervlak onder grafiek I is kleiner dan dat onder grafiek II.
- Deeltjes met een hogere snelheid bij binnenkomst dringen dieper het water in. Alfadeeltjes van alfastraler I hebben een kleinere dracht (48 μm) dan alfadeeltjes van alfastraler II (86 μm).
Alfastralers zijn geschikter voor nuclidetherapie dan bètastralers, maar ze kennen ook een praktisch nadeel dat bij het gebruik van bètastralers niet optreedt. Het uitzenden van een alfadeeltje leidt tot een grote terugslag van de dochterkern. Door deze terugslag kan de dochterkern zich losrukken van de dragerstof. Een dochterkern is zelf vaak ook instabiel. Zie de schematische weergave in figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 17 2 punten
Leg uit welk nadeel er optreedt voor de patiënt wanneer de dochterkern loskomt van de dragerstof.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Wanneer de dochterkern loskomt van de dragerstof kan deze door het lichaam gaan zwerven. Doordat de dochterkern óók instabiel is, kan deze zo gezond weefsel bestralen.
Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat de tumor minder straling ontvangt wanneer de dochterkernen van Actinium-225 losschieten, dit goed rekenen.
De grootte van de terugslag is recht evenredig met de grootte van de impuls van het uitgezonden deeltje. Voor de impuls van een deeltje geldt:
p = 2 Ek m (2)
Hierin is:
- p de impuls in kg m s-1
- Ek de kinetische energie in J
- m de massa in kg
Vraag 18 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leid formule (2) af gebruikmakend van formules uit een tabellenboek.
- Toon aan dat, bij gelijke energieën, de impuls van een alfadeeltje
85 maal zo groot is als de impuls van een bètadeeltje.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
2 Ek
- Uit Ek = 12 mv 2 en p = mv volgt dat p = m = 2 Ek m . m −4
- malfa = 4,00 u, me = 5,49 ·10 u , dus de massa van een alfadeeltje is
7286 maal die van een elektron. Hieruit volgt dat de impuls van een alfadeeltje 7286 = 85 maal zo groot is als die van een elektron.
Opmerking Bij de beoordeling van deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Om te voorkomen dat de dochterkern zich losrukt van de dragerstof, is aan de TU Delft onderzocht of het mogelijk is om alfastralers in te kapselen in kleine bolletjes, zogenaamde polymeersomen. De dochterkernen van de alfastralers blijven dan gevangen in het polymeersoom. Als alfastraler wordt vaak Actinium-225 gebruikt. In figuur 4 is dit schematisch weergegeven.
[figuur 4: zie het originele examen]
Er zijn tests uitgevoerd met polymeersomen die bij inbreng in het lichaam elk een hoeveelheid Actinium-225 bevatten met een activiteit van 0,10 kBq.
Vraag 19 4 punten
Bereken de massa Actinium-225 per polymeersoom bij inbreng in het lichaam.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: m = 4,7 ·10−17 kg
voorbeeld van een berekening: ln 2 Er geldt: A = N. t1 2
Voor de hoeveelheid atomen Actinium-225 in één polymeersoom volgt: t1 8, 64 ·105 N = A 2 = 1, 0 ·102 · = 1, 25 ·108 . ln 2 ln 2
Voor de totale massa geldt dan: m = NmAc = 1, 25 ·108 · 225 ·1,66 ·10−27 = 4,7 ·10−17 kg .
ln 2
In figuur 5 is de meest voorkomende vervalreeks gegeven van Actinium-
225 tot aan het stabiele Bismuth-209.
[figuur 5: zie het originele examen]
Het dosisequivalent dat de tumor ontvangt, wordt groter doordat de dochterkernen van Actinium-225 gevangen blijven in het polymeersoom.
Vraag 20 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef twee redenen waarom er in de bepaling van het dosisequivalent alleen rekening gehouden hoeft te worden met het alfaverval.
- Bepaal, met behulp van figuur 5, hoeveel keer zo groot dit dosisequivalent is bij gebruik van een polymeersoom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 4,8
voorbeeld van een antwoord:
- Het dosisequivalent wordt met name bepaald door het alfaverval. De alfadeeltjes hebben een grotere weegfactor én veel meer energie.
- Gedurende de vervalreeks vindt er vier keer alfaverval plaats. Hierbij komt 5,8 + 6,3 + 7,1 + 8,4 = 27,6 MeV vrij. 27, 6 Dat is: = 4,8 keer zo veel. 5,8
Zonnepanelen
Een zonnepaneel bestaat uit figuur 1 een aantal zonnecellen die in serie geschakeld zijn. Zonnepanelen kunnen weer in een grotere schakeling opgenomen worden en bijvoorbeeld op een dak geplaatst worden. Zie figuur 1. Femke en Lotta onderzoeken hoe het vermogen dat een zonnecel levert, afhangt van de grootte van de weerstand die erop is aangesloten. Ze leggen één zonnecel in de zon. Op de zonnecel schijnt de zon met een constante intensiteit. Ze sluiten een variabele weerstand op de zonnecel aan en meten dan de stroom door en de spanning over de zonnecel. Zie figuur 2. Ze berekenen het vermogen dat de zonnecel levert en zetten hun resultaten in een grafiek, zie figuur 3.
figuur 2 figuur 3
Bij een spanning van 0,50 V is het vermogen dat de zonnecel levert maximaal. De stroomsterkte is dan 2,7 A.
Vraag 21 3 punten
Toon dat aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een berekening: Aflezen in figuur 3 bij U = 0,50 V geeft P = 1,35 W . Er geldt: P = U · I , P 1,35 invullen levert: I = = = 2,7 A . U 0,50
Eén zonnepaneel bestaat uit 24 zonnecellen die in serie geschakeld zijn. De spanning van elke zonnecel wordt stabiel op 0,50 V gehouden. Op de uitwerkbijlage staat een vereenvoudigd symbool van één zonnepaneel getekend.
Vraag 22 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Toon aan dat de spanning over één zonnepaneel 12 V is.
- Teken op de uitwerkbijlage nog 5 zonnepanelen en verbind de
6 zonnepanelen zodat ze gezamenlijk een spanning van 36 V leveren.
- Bereken de stroomsterkte die deze schakeling levert als elk paneel belicht wordt met dezelfde zonne-intensiteit als in het onderzoek van Femke en Lotta.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: I = 5, 4 A
voorbeeld van een antwoord:
- Er staan 24 zonnecellen met een spanning van 0,50 V in serie. Dit geeft: U = 24 · 0,50 = 12 V .
- (De spanning moet 36 V zijn en de stroomsterkte door ieder paneel moet hetzelfde zijn. Dit betekent dat er 3 panelen in serie staan en twee series van 3 panelen parallel / dat er 3 groepen van 2 parallel geschakelde panelen in serie staan.)
of
(Een paneel levert een stroomsterkte van 2,7 A. Iedere serie van panelen levert dus ook 2,7 A. Er staan twee series van drie panelen parallel / er staan drie groepen van twee parallel geschakelde panelen in serie.) Dus geldt voor de stroomsterkte die de set panelen levert: I = 2 · 2,7 = 5,4 A .
Opmerking Als een niet naar behoren werkende schakeling is getekend, bijvoorbeeld door extra verbindingen: maximaal vier scorepunten toekennen.
Een zonnecel is gemaakt van een zogenaamd halfgeleidermateriaal. In een halfgeleider kan een elektron slechts in banden van zeer dicht bij elkaar gelegen energieniveaus bestaan. Twee van zulke banden zijn de valentieband en de geleidingsband. Daartussen zit bij een halfgeleider een energiesprong, de zogeheten bandgap (zie figuur 4). In de grondtoestand is de valentieband volledig bezet met elektronen. De geleidingsband is dan nog niet met elektronen bezet.
[figuur 4: zie het originele examen]
Een foton kan één elektron vrijmaken uit het atoomrooster. Dit gebeurt alleen als de energie van dat foton groot genoeg is (groter dan de bandgap). Het elektron gaat dan van een energieniveau in de valentieband naar een energieniveau in de geleidingsband. Als er elektronen in de geleidingsband zitten, wordt het materiaal geleidend en kan er een stroom gaan lopen.
Femke merkt op dat het bovenstaande proces lijkt op het foto-elektrisch effect.
Vraag 23 2 punten
Geef een overeenkomst en een verschil tussen het bovenstaande proces en het foto-elektrisch effect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- benoemen dat in beide gevallen fotonen elektronen losmaken (1)
- benoemen dat bij een halfgeleider het elektron op het moment van losmaken het materiaal niet verlaat en bij het foto-elektrisch effect wel (1)
[figuur 5: zie het originele examen]
materiaal bandgap in eV
CdTe 1,58 Ge 0,72 InSb 0,23 PbSe 0,27 Si 1,10 ZnS 3,60 ZnSe 2,70
In figuur 5 staat voor verschillende materialen de bandgap weergegeven. Femke en Lotta gebruiken een zonnecel gemaakt van silicium. Een bepaald foton brengt een elektron in de geleidingsband van deze zonnecel.
Vraag 24 3 punten
Bepaal met behulp van figuur 5 wat de golflengte van dit foton maximaal kan zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: λ = 1,13 ·10−6 m
voorbeeld van een bepaling: De waarde van de bandgap van silicium is 1,10 eV. Dit is gelijk aan de (minimale) energie van het foton. hc Er geldt: Ef = . λ −19 6,626 ·10−34 · 2,998 ·108 Invullen geeft: 1,10 ·1,602 ·10 = . λ Dit geeft als maximale golflengte: λ = 1,13 ·10−6 m .
hc
Zonlicht bestaat uit fotonen van verschillende energieën. Fotonen met meer energie dan nodig is om de bandgap te overbruggen, geven het overschot van hun energie af in de vorm van warmte. Hiermee daalt het rendement van een zonnecel. Om het rendement te verhogen worden dunne laagjes van andere halfgeleiders op het silicium aangebracht. Deze laagjes zijn zo dun dat fotonen erdoorheen kunnen gaan.
Op de uitwerkbijlage staat schematisch een dwarsdoorsnede van een zonnecel getekend, met drie dunne laagjes op het silicium. Ieder laagje is gemaakt van een ander materiaal uit figuur 5.
Vraag 25 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef op de uitwerkbijlage in iedere laag aan van welk materiaal uit figuur 5 deze laag gemaakt is.
- Leg je antwoord uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- ZnS ZnSe CdTe (silicium)
− De stof met de grootste bandgap absorbeert fotonen met de meeste energie. Fotonen met de meeste energie moeten als eerste geabsorbeerd worden (om te voorkomen dat deze fotonen zorgen voor rendementsverlies in lager liggend materiaal). Dus moet de stof met de grootste bandgap bovenop.
- Vervolgens komen de andere stoffen met een bandgap groter dan die van silicium, waarbij van boven naar beneden de bandgap steeds kleiner wordt. Dan is er maar één mogelijke oplossing.
Opmerking Als de kandidaat alleen de eerste deelstreep beantwoordt en geen toelichting geeft, maximaal 2 scorepunten toekennen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-21-1-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (7), straling (7) en golven (6).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-21-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.