Eindexamen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Fietshelm, Deuterium, Treinwielen, Geleidende klei, Hawkingstraling.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (6), beweging (5) en krachten (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Astrofysica | 10, 23-27 | 6 |
| Beweging | 1-4, 13 | 5 |
| Krachten | 5-7 | 3 |
| Magnetisme | 17-19 | 3 |
| Elektriciteit | 20-22 | 3 |
| Straling | 8, 12 | 2 |
| Licht en lenzen | 9, 11 | 2 |
| Geluid en trillingen | 15-16 | 2 |
| Grootheden en eenheden | 14 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over astrofysica (22% van de vragen, gemiddeld 11%) en beweging (19% van de vragen, gemiddeld 10%). Minder over straling (7% van de vragen, gemiddeld 22%) en energie en arbeid (0% van de vragen, gemiddeld 7%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Fietshelm
Een fietshelm is ontworpen om het hoofd te beschermen tijdens een botsing of val. Tijdens zo’n botsing, ook wel impact genoemd, kan het hoofd blootgesteld worden aan enorm grote versnellingen. Deze kunnen leiden tot ernstig hoofdletsel. Een fietshelm is ontworpen om de grootte van deze versnellingen tijdens een impact zo klein mogelijk te houden.
De fietshelm is opgebouwd uit verschillende lagen. Zie figuur 1. Onder de harde schaal aan de buitenkant bevindt zich de zogenaamde absorptielaag. Deze laag bestaat meestal uit piepschuim. Dit piepschuim wordt tijdens een impact ingedrukt.
[figuur 1: zie het originele examen]
[figuur 2: zie het originele examen]
Fietshelmen moeten voldoen aan een Europese norm, de EN-1078. Daarin staan tests beschreven die de fietshelm met goed succes moet doorlopen. In één van deze tests valt een dummyhoofd met helm op een harde grondplaat met een voorgeschreven impactsnelheid van 5,42 m s−1. Zie figuur 2.
Om de voorgeschreven snelheid te bereiken is een bepaalde valhoogte nodig.
Vraag 1 3 punten
Bereken deze valhoogte. Verwaarloos hierbij de invloed van eventuele wrijvingskrachten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 1,50 m
voorbeeld van een antwoord: Zwaarte-energie wordt omgezet in kinetische energie. Dus er geldt: ΔEz = ΔEk .
Invullen van de formules voor deze energieën geeft: mgh = 12 mv 2 , dus v2 5, 42 h= = = 1,50 m.
2 g 2 · 9,81
In het dummyhoofd zit een versnellingsmeter. Tijdens de impact van het hoofd met de grondplaat mag de verticale versnelling van het hoofd nooit groter worden dan de normwaarde van 250 g. Hierin is g de valversnelling. De absorptielaag in een fietshelm kan maximaal 20 mm indeuken. Deze afstand is groot genoeg om ervoor te zorgen dat de gemiddelde versnelling niet groter is dan de normwaarde.
Vraag 2 4 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Tijdens de botsing ondervindt het hoofd een (gemiddelde) remkracht Fres over een remweg die gelijk is aan 20 mm. De verrichte arbeid is gelijk aan de verandering van de kinetische energie: W = ΔEk , dus Fres s = 12 mv 2 . Met Fres = ma volgt hieruit voor de gemiddelde versnelling van het hoofd: v2 5, 422 agem = = =7,3 ·102 ms −2 . Dit is gelijk aan 75 g en dus minder
2 s 2 · 0, 020 dan de gestelde norm van 250 g.
In de praktijk is de beweging van het dummyhoofd tijdens de impact niet eenparig vertraagd. Er zijn dus momenten waarop de versnelling groter is dan de gemiddelde waarde. De maximale versnelling op deze momenten mag niet groter worden dan de normwaarde van 250 g. In figuur 3 zijn de meetresultaten weergegeven van een impact van een dummyhoofd met en zonder helm.
[figuur 3: zie het originele examen]
De snelheid waarmee het dummyhoofd de plaat raakt is in beide experimenten gelijk.
Vraag 3 2 punten
Leg uit hoe je dit kunt concluderen uit figuur 3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: In een (a,t)-diagram is de oppervlakte onder de grafiek gelijk aan de grootte van de snelheidsverandering. (De eindsnelheid is nul, dus de snelheidsverandering is gelijk aan de snelheid waarmee het dummyhoofd de plaat raakt.) Je moet dus de oppervlakten onder beide grafieken bepalen en vergelijken. (Deze blijken dan bij benadering gelijk te zijn aan elkaar.)
Een fietshelm is zo ontworpen dat deze de fietser optimaal beschermt bij een val. Naast de dikte van de absorptielaag moet de ontwerper ook rekening houden met het indrukgedrag van het gebruikte piepschuim. Dit indrukgedrag kan onderzocht worden in een proefopstelling, zie figuur 4.
[figuur 4: zie het originele examen] In deze opstelling valt een metalen plaat met een massa van 1,0 kg op een schijfje piepschuim, waardoor het piepschuim ingedrukt wordt. Tijdens deze impact worden zowel de indrukking van het piepschuim als de kracht op de grondplaat gemeten.
Het indrukgedrag van piepschuim is afhankelijk van de dichtheid van het piepschuim. Van piepschuim met drie verschillende dichtheden is het indrukgedrag gemeten. In figuur 5 is voor elk van de drie dichtheden het verband tussen kracht en indrukking weergegeven.
[figuur 5: zie het originele examen]
Hoewel de maximale remweg in een fietshelm 20 mm bedraagt is het belangrijk om te voorkomen dat deze hele afstand gebruikt wordt tijdens een impact.
Vraag 4 2 punten
Leg met behulp van figuur 5 uit waarom de remweg niet te groot mag worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: In figuur 5 is te zien dat elk van de drie grafieken sterk naar boven afbuigt wanneer de indrukking de 20 mm nadert. De grote kracht die in de buurt van 20 mm optreedt leidt ook tot grote versnellingen. En dit wil je juist voorkomen bij een helm.
De impact van de vallende plaat op het piepschuim kan gesimuleerd worden met een numeriek model. Zie figuur 6. In dit model is x de indrukking van het piepschuim in m.
[figuur 6: zie het originele examen] Modelformules startwaarden
1 Als x < 0,001 Dan x = 0 (m)
2 Fp = C x v = 5, 42 (ms −1 )
3 Anders m = 1,0 (kg) 19,8
4 Fp = g = 9,81 (ms −2 ) (0,020
- x)0,9
5 EindAls t = 0 (s)
6 Fz = mg dt = 10−5 (s)
7 Fres = ... C = ... (N m−1) Fres
8 a= m
9 v = v + a dt
10 x = x + v dt
11 Als v < 0 Dan
12 stop
13 EindAls
14 t = t + dt
In de regels 2 en 4 van het model staan de formules die de grafieken van figuur 5 beschrijven. Voor indrukkingen kleiner dan 1 mm geldt dat de kracht evenredig is met de indrukking (regel 2). Voor grotere waarden van x geldt een ingewikkeldere formule (regel 4). De formules in het model van figuur 6 gelden voor piepschuim met een dichtheid van 31 kg m−3.
Vraag 5 2 punten
Bereken met behulp van de formules in de modelregels 2 en 4 de waarde van C voor dit type piepschuim.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 7∙105 (N m−1)
voorbeeld van een antwoord: Voor x = 0, 001 moeten beide functies aan elkaar gelijk zijn. 19,8 Invullen in regel 4 geeft: Fp = 0,9 = 7, 0 ·102 ( N) (0,020
- 0, 001) Invullen in regel 2 geeft vervolgens: 7, 0 ·102 = C · 0, 001 Dus C = 7 ·105 (N m−1 ) .
Regel 7 van het model is nog niet compleet.
Vraag 6 2 punten
Geef aan wat er in regel 7 van het model moet staan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- teken voor Fz positief (1)
- Fz en Fp tegengesteld van teken (1)
Het numerieke model wordt gebruikt om te onderzoeken wat het effect is van de dichtheid van piepschuim op de beweging van de vallende plaat. De impact is drie keer doorgerekend, waarbij de formules voor het indrukgedrag zijn aangepast voor de drie verschillende dichtheden. In figuur 7 is voor elk van deze dichtheden de berekende snelheid uitgezet tegen de tijd.
[figuur 7: zie het originele examen]
Vraag 7 2 punten
Leg uit bij welke dichtheid van het piepschuim de maximale versnelling van de vallende plaat het kleinst is geweest.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De maximale versnelling hangt samen met de grootste steilheid van de grafiek. Het steilste stuk (dus het laatste stuk) van de grafieken van
15 kg m−3 en 51 kg m−3 zijn steiler dan het steilste stuk van de grafiek van
31 kg m−3. Het piepschuim van 31 kg m−3 geeft de kleinste maximale versnelling (en voldoet dus het beste).
Deuterium
Een klein deel van alle waterstof in het heelal heeft naast een proton ook nog een neutron in de kern. Dit isotoop 21 H wordt deuterium genoemd, vaak kortweg aangeduid als D. Sterrenkundigen denken dat al het deuterium in het heelal vlak na de oerknal is gevormd. Sindsdien is de hoeveelheid deuterium in het heelal afgenomen door kernfusie in sterren. Bij deze reactie fuseert een deuteriumkern met een proton tot een nieuw, zwaarder deeltje.
Vraag 8 3 punten
Geef de reactievergelijking van dit proces.
Bekijk het antwoord
- deuterium en proton links van de pijl (1)
- He rechts van de pijl, mits verkregen via kloppende atoomnummers (1)
- aantal nucleonen links en rechts gelijk (1)
Sterrenkundigen willen graag weten hoe snel de hoeveelheid deuterium in het heelal afneemt. In gaswolken waar nog nooit een ster is ontstaan is de verhouding tussen de hoeveelheden D en H sinds de oerknal niet veranderd. Sterrenkundigen willen daarom de verhouding D/H in zulke gaswolken vergelijken met de verhouding D/H op andere plaatsen in het heelal. Een veelgebruikte manier om de verhouding van het aantal atomen deuterium en waterstof in een gaswolk te bepalen is door te kijken naar het emissiespectrum van zo’n wolk. Wanneer een waterstof- of deuteriumatoom terugvalt van de 2e naar de 1e aangeslagen toestand, zendt het zichtbaar licht uit. Deze spectraallijn wordt bij waterstof aangeduid met Hα en bij deuterium met Dα. De verhouding tussen de intensiteiten van Dα en Hα is dus een maat voor de verhouding D/H in de wolk.
De energieniveaus van waterstof en deuterium zijn gegeven door:
k En =
- n2
Hierin is
- En het energieniveau van de toestand n in eV
- k een constante, die voor waterstof gelijk is aan 13,606 eV en voor deuterium gelijk is aan 13,609 eV
- n de toestand
Vraag 9 4 punten
Toon aan dat de golflengte van Dα gelijk is aan 655,95 nm.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 13, 609 13,609 Er geldt: Ef = ΔEn = E3
- E2 =
- −− = 1,89014 eV
32 (22) De golflengte is dan gelijk aan: hc 6, 62607 ·10−34 · 2,99792 ·108 λ= = −19 = 6,55950 ·10−7 = 655,95 nm Ef 1,89014 ·1, 60218 ·10
De Orionnevel is een grote wolk van figuur 1 gloeiend gas in het sterrenbeeld Orion. Zie figuur 1. Het emissiespectrum van deze gaswolk is nauwkeurig onderzocht.
De waargenomen golflengte van Dα in de Orionnevel is 656,14 nm.
Vraag 10 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit of de Orionnevel van ons af beweegt of naar ons toe beweegt.
- Bereken de radiale snelheid van de Orionnevel. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 8,7 ·104 ms−1
voorbeeld van een antwoord:
- De waargenomen golflengte is groter. Er is dus sprake van roodverschuiving. De Orionnevel beweegt van ons af.
- De dopplerverschuiving is gelijk aan Δλ = 656,14
- 655,95 = 0,19 nm . Voor de radiale snelheid geldt dan: Δλ 0,19 v= ·c = · 3, 00 ·108 = 8, 7 ·104 m s −1 λ 655,95
In figuur 2 staat een deel van het waargenomen spectrum van de Orionevel afgebeeld. De golflengte van Dα is iets kleiner dan de golflengte van Hα. De totale intensiteit van Hα is vele malen groter dan de totale intensiteit van Dα, waardoor Dα niet zichtbaar is in deze figuur. In figuur 3 staat het spectrum nogmaals afgebeeld, maar is op de verticale as alleen het onderste deel van het diagram weergegeven. Hierop is Dα wel zichtbaar.
figuur 2 figuur 3
Uit de figuren 2 en 3 kunnen de wetenschappers de totale intensiteit bepalen voor Hα en Dα. De intensiteit in een bepaald golflengte-interval is gelijk aan de oppervlakte onder de grafiek tussen de grenzen van dit interval.
Figuur 3 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 11 1 punt
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de oppervlakte aan die bepaald moet worden om de totale intensiteit van Dα te bepalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeeld van een antwoord: (1)
Uit de figuren 2 en 3 kan de verhouding tussen het aantal atomen deuterium en het aantal atomen waterstof in de Orionnevel bepaald worden. Om de hypothese te toetsen dat deuterium verloren gaat bij het ontstaan van sterren hebben wetenschappers vergelijkbare metingen uitgevoerd aan grote gaswolken met een lage dichtheid. Door deze lage dichtheid weten wetenschappers dat hier nog nooit sterren gevormd zijn.
Met behulp van deze metingen hebben de wetenschappers een model opgesteld waarmee het verloop van de hoeveelheid deuterium in het heelal beschreven kan worden. Volgens dit model neemt elke 15 miljard jaar de hoeveelheid deuterium af met een factor tussen 2 en 3. Dit model gaat dus uit van een exponentiële afname. De tijd waarin de helft van de hoeveelheid deuterium in het heelal verloren is gegaan noemen we de halveringstijd.
Vraag 12 3 punten
Bereken de ondergrens voor de halveringstijd die uit deze gegevens volgt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 9 miljard jaar
voorbeeld van een antwoord: Een kleine halveringstijd betekent een snelle afname. Dus bij de ondergrens hoort de afnamefactor 3. t
1 t Voor de afname van het aantal deeltjes geldt: N (t ) = N 0 12 . 2 15 N 1 t Invullen geeft: 0 = N 0 12 .
3 (2) Uitwerken geeft: t 1 2 = 9 miljard jaar.
- gebruik van N (t ) = N 0 12 , met N (t ) = (1p)
2 gekozen factor
Treinwielen
Een trein blijft nooit precies in het midden van het spoor rijden. Er is ruimte tussen de wielen en het spoor waardoor de trein enigszins heen en weer kan slingeren. Om te voorkomen dat treinen ontsporen zijn de wielen als volgt ontworpen:
1 Beide wielen zitten vast aan dezelfde as. De wielen en de as vormen een star geheel.
2 Beide wielen hebben een conische vorm: de diameter van het wiel is aan de binnenkant groter dan aan de buitenkant. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Een as die zich niet precies in het midden van het spoor bevindt zal door deze constructie van de wielen tijdens het rijden vanzelf terug naar het midden bewegen.
In figuur 2 is een schematisch bovenaanzicht van de treinwielen weergegeven op verschillende tijdstippen ( a t/m e). Op tijdstip a staat de as uit het midden. Even later is de as enigszins geroteerd en beweegt richting het midden van het spoor. Zie tijdstip b. Vervolgens schiet de as een stukje door, zie tijdstip c, waarna aan de andere kant hetzelfde effect optreedt. De trein gaat dus een slingerende zijwaartse beweging uitvoeren. Hij “waggelt” een beetje over het spoor. Men noemt deze golfbeweging de sinusloop.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 13 3 punten
Leg uit hoe de ontwerpkenmerken 1 en 2 er samen voor zorgen dat een rijdende trein de sinusloop van figuur 2 zal uitvoeren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Doordat de wielen en de as een star geheel vormen is de omlooptijd T is voor beide wielen gelijk. Op tijdstip a heeft het linker wiel een grotere straal dan het rechter wiel. Het linker wiel legt dus per omwenteling een grotere afstand af dan het rechter wiel. Dit wiel dus gaat dus sneller in de voorwaartse richting, waardoor de trein naar rechts stuurt.
Voor de golflengte λ van de sinusloop geldt de formule van Klingel: d r0 λ = 2π 2γ Hierin is:
- d de afstand tussen de twee spoorrails in m
- r0 de gemiddelde straal van het wiel in m, dus gemeten in het midden van het loopvlak
- γ de wielbandconiciteit
De wielbandconiciteit is een maat voor het verschil tussen binnen- en buitendiameter van een wiel.
Vraag 14 2 punten
Toon aan dat de wielbandconiciteit geen eenheid heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 2π 2 dr0 Omschrijven van de formule van Klingel geeft: γ = , dus voor de λ2 [ d ][ r0 ] mm eenheid van γ geldt: γ = (2) = = 1. [λ ] m2
In Nederland gelden de volgende gegevens: Treinen rijden meestal met een snelheid van 140 km/h. De afstand tussen twee spoorrails is 1435 mm. De waarde van de wielbandconiciteit is 0,050. De gemiddelde diameter van een treinwiel is 95 cm.
Vraag 15 3 punten
Toon aan dat de periode van de sinusloop bij deze snelheid 0,42 s is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: d r0 Voor de golflengte geldt volgens de formule van Klingel: λ = 2π 2γ 1, 435 · 0, 475 Invullen geeft: λ = 2π = 16, 4 m
2 · 0, 050 λ 140 Voor de periode geldt dan: T = met v = = 38,9 m s −1 . v 3, 6 Invullen geeft: T = 0, 42 s
[figuur 3: zie het originele examen] Om in de wagon geen last te hebben van oneffenheden op het spoor zijn er veren geplaatst tussen de wagon en de wielen. We kunnen het geheel benaderen als een massa- veersysteem. Zie figuur 3.
Bij een bepaalde snelheid gaat het massa-veersysteem resoneren met de sinusloop. Om comfortabel te rijden bij een snelheid van 140 km/h wordt de totale veerconstante van de veren zo gekozen dat het massaveersysteem een eigentrilling heeft die sterk afwijkt van 0,42 s. Voor het massaveersysteem van de wagon met wielen geldt: mwagon = 21,5 ·103 kg Ctotaal = 1,0 ·105 N m−1
Vraag 16 3 punten
Bereken de snelheid waarbij resonantie optreedt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 20 km h−1 (5,6 m s−1)
voorbeeld van een antwoord: Er treedt resonantie op als de trillingstijd gelijk is aan de eigentrilling van het massa-veersysteem: mwagon 21,5 ·103 T = 2π = 2π = 2,91 s Ctotaal 1, 0 ·105
1 Voor sinusloop geldt v = λ f met f = . De golflengte van de sinusloop is T onafhankelijk van de snelheid, dus λ is constant. Er geldt dus: v1T1 = v2T2 Invullen geeft: 140 · 0, 42 = v2 · 2, 91 . Dus v2 = 20 km h −1
m
Opmerking: Als de kandidaat bij vraag 15 een foutieve golflengte heeft berekend en hiermee doorrekent, dit niet aanrekenen.
Wervelstroomrem figuur 4 Voor het remmen zijn sommige treinen uitgerust met wervelstroomremmen. Hierin wordt een draaiende metalen schijf afgeremd met behulp van een magneetveld. In figuur 4 is een wervelstroomrem geschetst. De metalen schijf zit vast aan de as en draait mee met de wielen. Met een elektromagneet wordt een magneetveld loodrecht op de draaiende schijf opgewekt. De elektromagneet bestaat uit een weekijzeren kern die gemagnetiseerd wordt door het magnetisch veld van een spoel die eromheen gewikkeld is. Zie figuur 4. Deze figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage.
Vraag 17 1 punt
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de stroomrichting in punt K weer.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een antwoord: (1)
Door het draaien van de schijf, beweegt steeds een gedeelte van de schijf het magneetveld in. De elektronen in de schijf ondervinden dan een lorentzkracht waardoor de elektronen in de schijf gaan bewegen. Op deze manier ontstaan zogenaamde wervelstromen in de metalen schijf. Vier voorbeelden van deze stromen zijn schematisch weergegeven in figuur 4.
De wervelstromen zorgen op hun beurt weer voor een lorentzkracht die de schijf, en daarmee ook het wiel, afremt. Figuur 4 staat nogmaals op de uitwerkbijlage met daarnaast een vooraanzicht van de schijf. Hierin is de lorentzkracht op het schijfdeel M weergegeven.
Vraag 18 1 punt
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de richting aan van de wervelstromen in de punten P en Q.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een antwoord: (1)
De snelheid van de trein heeft invloed op de remkracht van de wervelstroomrem. Om bij elke snelheid toch dezelfde remkracht te krijgen kan de magneetveldsterkte worden aangepast.
Vraag 19 3 punten
Leg uit of de magneetveldsterkte bij lage snelheid groter of kleiner moet zijn dan bij hoge snelheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Bij een lagere snelheid (is de lorentzkracht die de elektronen in beweging brengt kleiner en daardoor) ontstaan er minder sterke wervelstromen. De afremmende (lorentz-)kracht zal dus kleiner zijn. Om dit te compenseren moet de magneetveldsterkte dus groter zijn.
Geleidende klei
Op internet zijn instructies te vinden om geleidende ‘klei’ te maken. Dit is een deeg waaraan keukenzout is toegevoegd. Ameera en Noa onderzoeken diverse eigenschappen van deze geleidende klei. Daarvoor maken ze een kleirol zoals te zien is in figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Om de soortelijke weerstand te bepalen bouwen Ameera en Noa een schakeling met de kleirol, een gelijkspanningsbron van 12,0 V, een stroommeter en een spanningsmeter. Deze componenten staan schematisch weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 20 2 punten
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de verbindingssnoeren die voor deze schakeling nodig zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen:
- Als bijvoorbeeld door het tekenen van extra verbindingen een niet- werkende schakeling is ontstaan: maximaal 1 punt toekennen.
- Als de kandidaat de spanningsmeter parallel aan de spanningsbron heeft getekend, dit niet aanrekenen
Ameera en Noa doen de volgende metingen: lengte van de kleirol: 21 cm diameter van de kleirol: 4 cm spanning over de kleirol: 12,0 V stroomsterkte door de kleirol: 0,186 A
Vraag 21 5 punten
Bereken de soortelijke weerstand van de klei. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 0,4 Ω m voorbeeld van een berekening: RA U (1) Voor de soortelijke weerstand geldt ρ = , met R = en A = πd 2 λ I (4) Invullen van de gegevens geeft:
1 12, 0
A = π · 0, 042 = 1,3 ·10−3 m2 en R = = 64,5 Ω
4 0,186 RA 64,5 ·1,3 ·10−3 Dus ρ = = = 0, 4 Ω m λ 0, 21
Ameera en Noa rollen de kleirol uit totdat deze twee keer zo lang is geworden.
Vraag 22 3 punten
Beredeneer hoeveel keer zo groot of klein de weerstand van de kleirol is geworden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: vier keer zo groot
voorbeeld van een antwoord: l Voor de weerstand van de kleirol geldt: R = ρ . A Het volume van de kleirol blijft constant. Hiervoor geldt: V = Al , dus V A= . l l2 Invullen geeft: R = ρ . Dus als l twee keer zo groot wordt, wordt de V weerstand vier keer zo groot.
1
Hawkingstraling
Een zwart gat is een object figuur 1 waarvan de zwaartekracht zo groot is dat zelfs licht er niet meer aan kan ontsnappen: de ontsnappingssnelheid is groter dan de lichtsnelheid. Onlangs is het wetenschappers gelukt om uit een enorme hoeveelheid afzonderlijke opnamen een beeld van een zwart gat te construeren. Op 10 april 2019 werd de eerste foto ooit van een zwart gat gepubliceerd. Zie figuur 1.
De massa van een ster uit de hoofdreeks is af te leiden uit het stralingsvermogen met behulp van de volgende formule: 3,8 P M = (1) Pzon M zon
hierin is:
- P het stralingsvermogen van de ster
- Pzon het stralingsvermogen van de zon
- M de massa van de ster
- Mzon de massa van de zon
Als de massa van een ster groter is dan 12 keer de massa van de zon, zal deze uiteindelijk een zwart gat worden. Op de uitwerkbijlage staat een Hertzsprung-Russell diagram. Hierin is een ster gemarkeerd.
Vraag 23 3 punten
Bepaal of deze ster zal eindigen als een zwart gat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Het stralingsvermogen van de ster is 104,5 keer zo groot is als dat van de 1 zon. Voor de massaverhouding geldt dan: M M zon ( ) = 104,5 3,8 = 15 . Deze ster
is meer dan 12 keer zo zwaar als de zon en zal dus eindigen als een zwart gat.
- bepalen van (1) Pzon 3,8 P M
Om te kunnen ontsnappen aan de gravitatiekracht van een zwaar hemellichaam moet de snelheid groter zijn dan de ontsnappingssnelheid van dat hemellichaam. Deze is te berekenen met de volgende formule:
2GM v= (2) r hierin is:
- v de ontsnappingssnelheid in m s−1
- G de gravitatieconstante in N m2 kg−2
- M de massa van het hemellichaam in kg
- r de afstand tot aan het middelpunt in m
Vraag 24 3 punten
Leid formule (2) af met behulp van formules uit het informatieboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: (De kinetische energie aan het begin moet groot genoeg zijn om aan het gravitatieveld te ontsnappen.) Toepassen van de wet van behoud van mM energie: ( Ekin + Eg ) r = ( Ekin + Eg ) ∞ , met Ekin = 12 mv 2 en Eg = −G . r mM Invullen geeft: 12 mv 2
- G = 0. r 2GM Omschrijven geeft vervolgens: v = r
Bij een zwart gat geldt dat op een bepaalde afstand van het middelpunt de benodigde ontsnappingssnelheid gelijk is aan de lichtsnelheid. Deze afstand wordt de schwartzschildstraal rs genoemd. Alles wat dichterbij komt dan rs zal nooit meer aan het zwarte gat kunnen ontsnappen. Hoewel er bij snelheden in de buurt van de lichtsnelheid rekening moet worden gehouden met de relativiteitstheorie blijk je voor de berekening van de schwartzschildstraal de klassieke formule (2) te kunnen gebruiken.
Vraag 25 2 punten
Bereken de schwartzschildstraal van een zwart gat met een massa die 20 keer zo groot is als die van de zon.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 5,9 ·104 m
voorbeeld van een antwoord: 2GM Voor de schwartzschildstraal geldt formule (2) met v = c , Dus: rs = c2
2 · 6, 67 ·10−11 · 20 ·1,99 ·1030 Invullen geeft: rs = 8 2 = 5,9 ·104 m . (3, 00 ·10 )
Onder andere Stephen Hawking voorspelde in 1974 dat zwarte gaten in staat zijn om straling uit te zenden, ondanks het feit dat niets aan een zwart gat kan ontsnappen. Deze straling wordt hawkingstraling genoemd. Als gevolg hiervan verliest een zwart gat energie, wat ten koste gaat van de massa. Zwarte gaten ‘verdampen’ als het ware. Hawkingstraling is tot nu toe nog niet experimenteel waargenomen. De reden daarvoor is dat de straling, als de voorspelling klopt, zeer moeilijk waarneembaar is.
Om het verdampen van een zwart gat te beschrijven beschouwde Hawking dit als een zwarte straler met straal rs en temperatuur T. De hawkingstraling wordt in dit model dus beschreven met een planck- kromme. Voor de temperatuur geldt dan:
1, 227 ·1023 T= (3) M
Vraag 26 2 punten
Leg uit waarom hawkingstraling moeilijk waarneembaar is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: (De massa van een zwart gat is in de orde van 10 31 kg of groter. Volgens formule (3) is de temperatuur dan in de orde van 10-8 K.) Vanwege de grote massa van een zwart gat is de temperatuur (volgens formule (3)) extreem laag. Hierdoor zal de stralingsintensiteit van het zwarte gat heel laag zijn / Hierdoor zal de bijbehorende λmax erg groot zijn.
Voor het verband tussen het uitgestraalde vermogen door een zwart gat en de massa bestaat het volgende verband:
P ∝ M −2 (4)
hierin betekent het symbool ∝ ‘evenredig met’.
Vraag 27 3 punten
Toon met behulp van formule (2) en formule (3) en een formule uit het informatieboek aan dat het verband in formule (4) klopt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor het uitgestraalde vermogen geldt de wet van Stefan-Boltzmann: P = σ AT 4 , met A = 4π rs 2 . Volgens formule (3) geldt: T ∝ M −1 . Uit formule (2) is af te leiden dat: rs ∝ M .
( ) 4 Invullen geeft: P ∝ M 2 M −1 , dus P ∝ M −2 .
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2023, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-23-2-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (6), beweging (5) en krachten (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-23-2-c).
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.