Eindexamen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Langlaufen in klassieke stijl, Cappuccino, Poollicht, Boomwhackers, Ramsauer en Townsend.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over geluid en trillingen (5), straling (5) en beweging (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Geluid en trillingen16-205
Straling21-255
Beweging1, 9-103
Elektriciteit5, 7-83
Magnetisme11-133
Krachten3-42
Licht en lenzen14-152
Druk21
Warmte61

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over geluid en trillingen (20% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en energie en arbeid (0% van de vragen, gemiddeld 7%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Langlaufen in klassieke stijl

Langlaufen is een wintersport waarbij een figuur 1 langlaufer vooruitkomt op ski’s door zich af te zetten tegen een besneeuwde ondergrond. Bij de klassieke stijl moet de langlaufer gedurende de hele beweging zijn beide ski’s evenwijdig aan elkaar houden, zodat ze in de twee gleuven in de sneeuw, de loipe, blijven. Zie figuur 1. Binnen de klassieke stijl zijn twee verschillende technieken mogelijk: de dubbelstoktechniek (figuur 1) en de diagonaalpastechniek (figuur 2).

Dubbelstoktechniek Bij de dubbelstoktechniek is het figuur 2 mogelijk om in korte tijd een hoge snelheid te ontwikkelen. De langlaufer gebruikt dan alleen de twee skistokken om zichzelf vooruit te duwen, terwijl beide ski’s naast elkaar blijven.

In figuur 3 is één bewegingscyclus van de dubbelstoktechniek schematisch weergegeven in vier plaatjes.

[figuur 3: zie het originele examen]

3a 3b 3c 3d Begin afzet einde afzet glijfase Begin afzet

Met behulp van videometen is de beweging van een langlaufer met de dubbelstoktechniek vastgelegd. In figuur 4 staat een klein gedeelte van deze beweging afgebeeld. De figuur toont iets meer dan één volledige bewegingscyclus.

[figuur 4: zie het originele examen]

Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 1 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand die de langlaufer aflegt in één bewegingscyclus. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: s = 2, 9 m (met marge van 0,3 m)

voorbeeld van een antwoord: De afgelegde weg is gelijk aan de oppervlakte onder de grafieklijn. De getoonde bewegingscyclus start op t = 1,97 s en eindigt op t = 4,10 s. De beginsnelheid is 0,30 m s −1 , de maximale snelheid is 2, 43 m s −1 . De oppervlakte is te benaderen met een rechthoek en een driehoek. 1 Dit geeft: s = 0,30 m s −1 ⋅ 2,13 s + ⋅ 2,13 m s −1 ⋅ 2,13 s = 2,9 m . 2

Diagonaalpastechniek De tweede klassieke techniek is de diagonaalpastechniek. Bij deze techniek steunt de langlaufer afwisselend met zijn gewicht op een van beide ski’s. Op dat moment raakt de ski over zijn volle lengte de ondergrond en kan de langlaufer zich met één ski afzetten. In figuur 5 is de diagonaalpastechniek schematisch weergegeven in vijf plaatjes.

[figuur 5: zie het originele examen]

5a 5b 5c 5d 5e na afzet rechts glijfase na afzet links glijfase na afzet rechts

Een klassieke langlaufski is licht gebogen. Daardoor raakt het midden van de ski de grond pas als de ski voldoende belast wordt. Zo’n ski heet een camberski. De maximale hoogte boven de grond wordt de camberhoogte genoemd. Zie figuur 6.

[figuur 6: zie het originele examen]

Het middengedeelte van de onderkant van de ski is ruw gemaakt. Hiermee kan de langlaufer zich afzetten als het middengedeelte de sneeuw raakt. In de glijfase verdeelt de langlaufer zijn gewicht over beide ski’s en is hij in staat om te glijden. Om te kunnen glijden mag het middengedeelte van de ski’s de sneeuw niet raken als de langlaufer op twee ski’s staat. Als de langlaufer op één ski staat, moet het middengedeelte van de ski de sneeuw wel raken om te kunnen afzetten. Het is daarom essentieel dat de langlaufer ski’s gebruikt waarvan de flexibiliteit en de camberhoogte passen bij zijn massa. Een ski is daarbij in eerste benadering vergelijkbaar met een veer.

Een langlaufer met een massa van 80 kg wil langlaufski’s gebruiken met een camberhoogte van 3,0 mm en een veerconstante van 100 kN m−1. Aan de voorwaarde dat het middengedeelte van de ski de sneeuw raakt als de langlaufer op één ski staat, is in dit geval voldaan.

Vraag 2 4 punten

Controleer met een berekening of de ski’s ook geschikt zijn voor deze langlaufer als hij op beide ski’s staat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als de skiër op twee ski’s staat, wordt op elke ski een kracht uitgeoefend van 40 ⋅ 9,81 = 392 N . Er geldt Fv = Cu . Voor de inzakking van de ski geldt dan:

F 392 u= v = (3) = 3,9 ⋅10−3 m = 3,9 mm .

C 100 ⋅10

Deze inzakking is meer dan de camberhoogte. (Dus de ski raakt de grond. Dit houdt in dat deze langlaufer altijd met het midden van minstens een van zijn ski’s de sneeuw zal raken. Deze langlaufer is te zwaar voor deze ski’s.) Deze ski’s zijn dus niet geschikt voor deze langlaufer.

Wanneer de flexibiliteit van een langlaufski in detail bekeken wordt, blijkt dat de benadering van de veer niet precies klopt. Het verband tussen de verticale kracht F en de hoogte h van het midden van de ski blijkt namelijk niet lineair te zijn. In figuur 7 is het verband tussen kracht en hoogte weergegeven voor twee typen ski’s: een ski voor amateurs en een ski voor professionals.

[figuur 7: zie het originele examen]

In een ( F , s ) -diagram staat bij de horizontale as de indrukking s van de ski, gemeten vanaf de camberhoogte, en bij de verticale as de verticale kracht F . In figuur 8 staan vier ( F , s ) -diagrammen.

figuur 8 a b

c d

Vraag 3 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit welk ( F , s ) -diagram uit figuur 8 (a, b, c of d) overeenkomt met het ( h, F ) -diagram uit figuur 7.
  • Leg uit bij welk type ski (amateur of professional) de meeste arbeid nodig is om de ski op de grond te drukken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Als de kracht groter wordt, neemt h af en s dus toe. Het ( F , s )-diagram is dus een stijgende lijn. (Dus de diagrammen a en c kunnen niet de juiste zijn.) Bij gelijke hoogtes (en dus gelijke s ) is Famateur groter dan Fprofessional . In het ( F , s )-diagram ligt de grafiek van de amateurski dus boven de grafiek van de professionele ski. Diagram b is het juiste ( F , s )-diagram .
  • De arbeid is gelijk aan het oppervlak onder elk van beide grafieken. Voor het indrukken van de amateurski is dus de meeste arbeid nodig.

Voor de wrijvingskracht tussen een ski in beweging en de sneeuw geldt:

Fw = f d Fn (1)

Hierin is:

  • Fw de wrijvingskracht in N
  • f d de dynamische wrijvingscoëfficiënt
  • Fn de normaalkracht op de ski in N

De dynamische wrijvingscoëfficiënt is bij langlaufen afhankelijk van de snelheid. In Innsbruck bevindt zich een proefopstelling waarmee f d bepaald kan worden. Met deze proefopstelling meet men bij verschillende snelheden de normaalkracht en de wrijvingskracht op de ski terwijl die horizontaal over de sneeuw beweegt met snelheid v .

In figuur 9 zijn resultaten van dergelijke metingen weergegeven.

[figuur 9: zie het originele examen]

Vraag 4 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit of uit figuur 9 volgt dat er een recht evenredig verband is tussen de massa van de langlaufer en de wrijvingscoëfficiënt f d .
  • Leg uit of uit figuur 9 volgt dat er een recht evenredig verband is tussen de snelheid v en de wrijvingscoëfficiënt f d .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Het verband tussen de massa en de normaalkracht is recht evenredig. Er geldt: Fw = fd Fn . Dit betekent dat de steilheid van de lijn gelijk is aan de wrijvingscoëfficiënt fd . Bij gelijke snelheid is fd constant, dus onafhankelijk van FN en dus ook onafhankelijk van de massa m. Er is dus geen sprake van een recht evenredig verband tussen de massa m en de wrijvingscoëfficiënt fd .
  • Bij de grafiek van 15 m s−1 is de wrijvingscoëfficiënt fd tweemaal zo groot als bij de grafiek van 5 m s−1. De snelheid is echter niet tweemaal zo groot. Dus is er géén recht evenredig verband tussen de snelheid v van de ski en de wrijvingscoëfficiënt fd .

Cappuccino

Cappuccino bestaat uit espressokoffie en figuur 1 met stoom opgeschuimde melk. Met een espressoapparaat kan je koffiezetten en stoom maken om de melk op te schuimen.

Het espressoapparaat dat is afgebeeld in figuur 1 gebruikt voor beide handelingen één verwarmingselement. Dit verwarmingselement bevindt zich in de boiler. Dit is de ketel waarin water (onder druk) wordt opgewarmd. Op het voorpaneel van het apparaat zitten twee knoppen:

  • de aan-uitknop: alleen als deze knop aanstaat, werkt het apparaat. Het verwarmingselement verwarmt dan het water tot een temperatuur van net onder 100 °C;
  • de stoomknop: als deze knop ook aanstaat, verwarmt het verwarmingselement water onder druk tot een temperatuur van

120 °C.

Als de aan-uitknop aangezet wordt, gaat het lampje branden. Het lampje brandt totdat het water de juiste temperatuur heeft. In figuur 2 op de volgende bladzijde is een gedeelte van het schakelschema met het verwarmingselement weergegeven. Het apparaat is aangesloten op de netspanning (230 V). De temperatuurregeling gebeurt met behulp van thermostaten die in de boiler zijn aangebracht. Een thermostaat kan gezien worden als een schakelaar die onder een bepaalde temperatuur gesloten is en boven die temperatuur open is.

Het espressoapparaat bevat drie thermostaten:

  • een warmwaterthermostaat: deze is afgesteld op een temperatuur van iets onder 100 °C;
  • een stoomthermostaat: deze is afgesteld op een temperatuur van

120 °C;

  • een veiligheidsthermostaat (niet afgebeeld in figuur 2): deze schakelt het verwarmingselement uit wanneer de temperatuur toch te hoog wordt doordat een van de andere thermostaten niet goed werkt. Deze thermostaat is afgesteld op een temperatuur van rond 150 °C.

[figuur 2: zie het originele examen]

In de schakeling in figuur 2 is de stoomknop nog niet aangesloten. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 5 2 punten

Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de verbindingen die nodig zijn om de stoomknop op de juiste manier aan te sluiten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een niet naar behoren werkende schakeling is getekend, bijvoorbeeld door extra verbindingen, maximaal 1 scorepunt toekennen.

In figuur 2 is de veiligheidsthermostaat nog niet opgenomen. Als de veiligheidsthermostaat het verwarmingselement uitschakelt, blijft het lampje branden.

Vraag 6 1 punt

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage een mogelijke positie aan voor de veiligheidsthermostaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat de veiligheidsthermostaat buiten de boiler aangeeft, kan het scorepunt wel gegeven worden.

Het verwarmingselement levert een nuttig vermogen van 0,80 kW bij een rendement van 95%. Hieruit volgt dat de weerstand van het element gelijk is aan 63 Ω.

Vraag 7 3 punten

Toon dit aan met een berekening. figuur 3 Het verwarmingselement in de boiler bestaat uit een staaf in spiraalvorm. Zie figuur 3. De staaf heeft een lengte van 0,60 m. Volgens Silvia is de staaf van massief nichroom waar de stroom doorheen loopt. Mara beweert dat de staaf een holle buis is met daarin een dunnere draad van nichroom.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Pnuttig Voor het rendement geldt: η = . Pin P nuttig 0,80 ⋅103 Omschrijven geeft: Pin = = = 842 W . η 0,95 Er geldt: P = UI en U = IR , U2 2302 dus: R = = = 63 Ω . P 0,842 ⋅103

Vraag 8 4 punten

Geef aan wie er gelijk heeft. Licht je antwoord toe met een berekening van de diameter van de draad.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: RA Voor de weerstand van het verwarmingselement geldt: ρ = met λ ρnichroom = 1,10 ⋅10−6 Ωm . λ 0, 60 Dit geeft voor de oppervlakte: A = ρ = 1,10 ⋅10−6 ⋅ = 1, 05 ⋅10−8 m 2 . R (63) 2 Bovendien geldt: A = πr en d = 2r. Dit geeft een diameter van de draad van 1, 2 ⋅10−4 m . De diameter van de staaf is duidelijk groter. Dus Mara heeft gelijk.

Opmerkingen

  • Als de kandidaat niet de diameter d, maar alleen de oppervlakte A uitrekent, kan het laatste scorepunt nog worden toegekend.
  • In ScienceData staat voor de soortelijke weerstand van nichroom de foutieve waarde 1,1⋅10−8 Ωm .

Poollicht

Lees de onderstaande tekst.

In de gebieden bij de Noordpool en de Zuidpool kun je vaak ’s nachts gekleurd licht zien. Dit poollicht wordt respectievelijk noorderlicht of zuiderlicht genoemd (zie figuur 1).

figuur 1 figuur 2

Het poollicht wordt veroorzaakt door een zogenaamd plasma van positief geladen en negatief geladen deeltjes. Dit plasma verlaat de zon bij een zonne-uitbarsting (zie figuur 2) en bereikt 17 uur later onze dampkring. Als de deeltjes botsen met moleculen in de lucht geeft dit de spectaculaire lichtverschijnselen van het poollicht.

Het plasma moet een bepaalde minimale snelheid hebben om aan het gravitatieveld van de zon te kunnen ontsnappen.

Vraag 9 4 punten

Bereken deze snelheid. Noteer je antwoord in vier significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 6,173 ⋅105 m s −1

voorbeeld van een antwoord: Uit de wet van behoud van energie volgt: mM ( Ek + Eg ) zon = ( Ek + Eg )∞ ⇒ 12 m v 2

  • G =0 r mM Dus 12 m v 2 = G . r

GM Omschrijven geeft: v = 2 met r = Rzon r

2 ⋅ 6, 674 ⋅10−11 ⋅1,988 ⋅1030 Invullen geeft: v = (8) = 6,173 ⋅105 m s −1 . 6,963 ⋅10

Opmerking Als de kandidaat gebruikmaakt van ScienceData met Rzon = 6,955 ⋅108 m , wordt de uitkomst v = 6,177 ⋅105 m s−1 .

De afstand die het plasma aflegt van de zon naar de aarde is 1,5∙1011 m.

Vraag 10 2 punten

Bereken de gemiddelde snelheid van het plasma over dat traject.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: vgem = 8,8 ⋅106 km h −1 (= 2,5 ⋅106 ms−1 )

voorbeeld van een antwoord: Δx Δx 1,5 ⋅108 Er geldt: vgem = , invullen geeft: vgem = = = 8,8 ⋅106 km h −1 . Δt Δt (17)

Δx

In figuur 3 is de aarde met haar magneetveld te zien. De aarde is op te vatten als een staafmagneet.

[figuur 3: zie het originele examen]

Figuur 3 staat vergroot op de uitwerkbijlage.

Vraag 11 1 punt

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage met een N aan waar de magnetische noordpool van de aarde zich bevindt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: (1)

Als het plasma het aardmagnetisch figuur 4 veld binnenkomt, gaan geladen deeltjes van het plasma een schroefvormige beweging maken om de magnetische veldlijnen. In figuur 4 is de baan van één geladen deeltje weergegeven.

In het rechthoekige kader in figuur 4 is één omloop van het geladen deeltje om een veldlijn van het aardmagnetisch veld te zien. Op de uitwerkbijlage is deze omloop vereenvoudigd weergegeven, zoals je deze ziet als je in de richting van het magnetisch veld kijkt. De richting van de veldlijn en de component van de snelheid loodrecht op de veldlijn zijn ook weergegeven.

Vraag 12 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de richting van de lorentzkracht op het deeltje.
  • Leg uit of het deeltje positief of negatief geladen is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: −

Uit een richtingsregel voor B, I en FL volgt dat I tegengesteld is aan v. Dus is het een negatief geladen deeltje.

De snelheid van het deeltje heeft niet alleen een component loodrecht op de veldlijn, maar ook een component in de richting van de veldlijn. Die laatste component zorgt ervoor dat het deeltje richting de magnetische noordpool of zuidpool beweegt. Deze beweging langs de veldlijn levert in combinatie met de cirkelbeweging om de veldlijn de schroefvormige baan in figuur 4 op.

Vraag 13 2 punten

Leg met behulp van figuur 4 uit waarom de straal van de cirkelbeweging steeds kleiner wordt naarmate het deeltje dichter bij de pool komt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Naarmate je dichter bij de polen komt (is de afstand tussen de magnetische veldlijnen steeds kleiner, dus) wordt de magnetische veldsterkte steeds groter. De lorentzkracht op de geladen deeltjes wordt dus steeds groter (en daardoor wordt de straal van de cirkelbeweging steeds kleiner).

Het plasma wordt dus door het aardmagnetisch veld afgebogen naar de polen en zorgt daar voor het ontstaan van het poollicht. Het poollicht ontstaat vooral als gevolg van botsingen van de plasmadeeltjes met zuurstofatomen O en stikstofmoleculen N2. De volgende processen komen voor:

  • Een aangeslagen N2-molecuul zendt bij terugvallen een combinatie van golflengtes uit, die wij zien als de kleur magenta.
  • Een aangeslagen O-atoom zendt bij het terugvallen vooral rood licht uit, tenzij het botst met een N2-molecuul.
  • Bij een botsing tussen een aangeslagen O-atoom en een N2-molecuul draagt het N2-molecuul energie over aan het O-atoom, dat vervolgens de dominante kleur in het poollicht uitzendt. De fotonen van dit licht hebben een energie van 2,22 eV.

Vraag 14 4 punten

Geef aan wat de dominante kleur in het poollicht is. Bereken daarvoor eerst de golflengte van de fotonen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: hc Er geldt: E = . λ 6, 626 ⋅10−34 ⋅ 2,998 ⋅108 Invullen geeft: 2, 22 ⋅1, 602 ⋅10−19 = . λ Dit geeft: λ = 559 nm. Dit is de kleur groen / geel.

hc

In figuur 5 is het aantal deeltjes per cm3 uitgezet tegen de hoogte.

[figuur 5: zie het originele examen]

De dominante kleur in het poollicht ontstaat vooral op hoogtes tussen ongeveer 100 km en 200 km.

Vraag 15 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit. Maak daarvoor gebruik van figuur 5:

  • Leg uit dat deze kleur op grote hoogte (> 300 km) nauwelijks ontstaat.
  • Geef aan welke kleur op hoogtes kleiner dan 100 km vooral ontstaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Boven 300 km is de dichtheid van N2 veel kleiner dan van O. De kans dat de O-atomen met N2-moleculen botsen is dus klein (waardoor ze vooral rood licht zullen uitzenden).
  • Magenta (is de overheersende kleur, omdat onder 100 km de dichtheid van N2 veel groter is dan van O).

Boomwhackers

Jelle heeft een set van acht boomwhackers. Zie figuur 1. Boomwhackers zijn kunststof buizen met twee open uiteinden waarmee je muziek kunt maken. Als je met een boomwhacker ergens tegenaan tikt, ontstaat er een toon doordat er staande golven in de buis ontstaan. De lengte van de buis bepaalt de hoogte van de toon.

[figuur 1: zie het originele examen]

Jelle meet de frequenties van de grondtoon en de boventonen van buis 1. Zijn meetresultaten wijken een klein beetje af van wat hij verwacht op basis van de lengte van de buis. Dit komt doordat de buiken niet exact samenvallen met de uiteinden van de buis. De afstand tussen de buiken aan beide uiteinden van de buis wordt de akoestische lengte genoemd. Deze akoestische lengte bepaalt dus de toonhoogte.

In figuur 2 staat weergegeven welke frequenties vóórkomen in de toon van buis 1. De meting is gedaan bij een temperatuur van 20 °C.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 16 4 punten

Bepaal de akoestische lengte van buis 1 met behulp van figuur 2. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: λ = 0, 64 m

voorbeeld van een antwoord: De frequentie van de grondtoon kan worden afgelezen en is 2, 7 ⋅102 Hz . v 343 Voor de golflengte van de grondtoon geldt: λ = = = 1, 27 m . f 2, 7 ⋅102

1 (1) De akoestische lengte moet daarvoor zijn: λ = λ = ⋅1, 27 = 0, 64 m .

2 (2)

Jelle gaat op zoek in de literatuur en vindt de volgende formule voor de akoestische lengte:

La = L + 2 ⋅ 0,31 ⋅ d (1)

Hierin is:

  • La de akoestische lengte van de buis in m
  • L de werkelijke lengte van de buis in m
  • 0,31 een experimenteel bepaalde correctiefactor
  • d de binnendiameter van de buis in m
  • 2 het aantal open uiteinden van de buis

Vraag 17 2 punten

Leg uit met behulp van formule (1) of de buiken aan de uiteinden van de buis binnen of buiten de buis vallen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Volgens de gegeven formule is de akoestische lengte groter dan de buislengte. Dit betekent dat de buiken van de staande golf buiten de buis zullen liggen.

Jelle meet de lengte en de binnendiameter van de buizen op met een meetlint. Voor buis 8 vindt hij een lengte van 30,1 cm. Hij meet voor elke buis een binnendiameter van 4,0 cm.

Jelle bedenkt dat hij de binnendiameter ook kan meten met een schuifmaat. De meetwaarde voor de binnendiameter wordt dan nauwkeuriger en kan daardoor worden opgegeven in één significant cijfer méér dan met het meetlint. Jelle beweert dat de akoestische lengte, en dus de golflengte van de toon, nu weergegeven kan worden met een groter aantal significante cijfers.

Vraag 18 3 punten

Leg uit of Jelle gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Het gebruik van een van beide methodes is voldoende om de vraag te beantwoorden.
  • Als de kandidaat bij gebruik van methode 2 concludeert dat het antwoord één significant cijfer heeft vanwege de waarde 2 in de formule, maximaal 1 scorepunt toekennen.

Jelle wil nu de geluidssnelheid bepalen. Daarom berekent hij, uit zijn metingen met het meetlint, met behulp van formule (1) de golflengte van de grondtoon van elke buis. Bovendien meet hij van elke buis de frequentie f van de grondtoon. Van zijn resultaten maakt hij de grafiek van figuur 3. Hij geeft hierbij ook de meetonnauwkeurigheid in de frequentie f aan.

[figuur 3: zie het originele examen]

De meetonnauwkeurigheid in de frequentie is vastgesteld op 2 ⋅101 Hz. Dat betekent dat elke frequentie in werkelijkheid 2 ⋅101 Hz naar onder of naar boven kan afwijken. In de grafiek is deze meetonnauwkeurigheid, ook wel foutmarge genoemd, aangegeven met verticale streepjes van

2 ⋅101 Hz onder tot 2 ⋅101 Hz boven elk grafiekpunt.

De berekende golflengte kent ook een foutmarge.

Vraag 19 2 punten

Leg uit dat de foutmarge in de golflengte te klein is om zichtbaar weergegeven te kunnen worden in figuur 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De lengte en de binnendiameter van de buizen zijn tot op een mm nauwkeurig gemeten. De foutmarge van de akoestische lengte, en daarmee ook van de golflengte, is in de orde van grootte van een mm. Deze foutmarge is te klein om zichtbaar weergegeven te worden in figuur 3.

Om de geluidssnelheid zo nauwkeurig mogelijk te bepalen voert Jelle een coördinatentransformatie uit. Het resultaat hiervan is weergegeven in figuur 4. Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 4: zie het originele examen]

Jelle voert de volgende drie handelingen uit:

  • Hij zet bij de horizontale as het juiste bijschrift.
  • Hij trekt in het diagram twee rechte lijnen door de oorsprong die net binnen alle foutmarges liggen.
  • Hij bepaalt hieruit in twee significante cijfers de minimale en de maximale geluidssnelheid die uit de metingen volgen.

Vraag 20 4 punten

Voer de drie bovenstaande handelingen van Jelle uit in de figuur op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomsten: vmin = 3,3 ⋅102 m s−1 vmax = 3,5 ⋅102 m s−1

voorbeeld van een antwoord:

1 Er geldt: v = λ f . Dus geldt een recht evenredig verband tussen f en . λ Voor de minimale waarde van de geluidssnelheid geldt dan: Δf 593 vmin = = = 3,3 ⋅102 m s −1 .

1 1,80 Δ λ Voor de maximale waarde van de geluidssnelheid geldt dan: Δf 600 vmax = = = 3,5 ⋅102 m s −1 .

1 1, 72 Δ λ

1

Ramsauer en Townsend

Het botsende-deeltjesmodel is een veelgebruikt model om verschijnselen in materie te verklaren. In dit model worden atomen en elektronen beschouwd als kleine, harde knikkertjes die tegen elkaar botsen. Het botsende-deeltjesmodel is een klassiek model.

In een experiment wordt een bundel elektronen door een gas geschoten. Dit proces beschrijven we met een model waarin de gasatomen stilstaan en de elektronen bewegen. De intensiteit van de bundel is gedefinieerd als de grootte van de elektronenstroom in de richting van de bundel per oppervlakte-eenheid. De bewegende elektronen kunnen botsen met de gasatomen, waardoor de intensiteit van de bundel kan veranderen. Zie figuur 1 voor een schematische tekening.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 21 2 punten

Leg uit met behulp van het botsende-deeltjesmodel dat de intensiteit van de bundel afneemt naarmate er een grotere afstand door het gas is afgelegd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bij een botsing met een gasatoom zal de richting van de snelheid van het elektron veranderen. Het elektron maakt daarmee geen deel meer uit van de bundel. De kans op een botsing neemt toe met de afstand. (De intensiteit van de bundel neemt dus af bij toenemende afstanden.)

De transmissie T is de verhouding tussen de intensiteit van de bundel nadat hij een afstand x door het gas heeft afgelegd en de intensiteit van de bundel bij de bron. Volgens het botsende-deeltjesmodel geldt voor T:

x I

  • T = =e λ (1) I0

Hierin is:

  • x de afstand die door de bundel in het gas is afgelegd in m
  • λ de gemiddelde vrije weglengte, dat wil zeggen de gemiddelde afstand die een elektron aflegt voordat het botst, in m
  • I de intensiteit van de bundel na een afstand x in m−2 s−1
  • I0 de intensiteit van de bundel bij de bron in m−2 s−1

In figuur 2 is T als functie van x weergegeven. In de figuur staat ook λ aangegeven.

[figuur 2: zie het originele examen]

De vorm van het (T, x)-diagram is vergelijkbaar met die van een doorlaatkromme bij ioniserende straling. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 22 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef in de figuur op de uitwerkbijlage de grootte van de halveringsdikte d 1 aan. 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

−

Als x = λ volgt uit formule (1) dat T = e−1 = 0,368 . In de grafiek is te zien dat dit overeenkomt met het aangegeven punt.

Toon aan, met behulp van een berekening, dat λ in figuur 2 correct is weergegeven.

Quantumrevolutie: het Ramsauer-Townsend-effect Rond 1920 deden de wetenschappers Carl Ramsauer en John Townsend (zie figuur 3), los van elkaar, een verrassende ontdekking. Bij experimenten met xenongas bleek de transmissie T van de elektronen sterk afhankelijk te zijn van de energie van de elektronen Eelek.

[figuur 3: zie het originele examen]

Carl Ramsauer John Townsend

Figuur 4 is een (T, Eelek)-grafiek van metingen aan xenongas. Bij een elektronenenergie Eelek van 1, 0 eV gebeurt er iets verrassends: de elektronen lijken plotseling geen hinder meer te ondervinden van de xenonatomen. De transmissie wordt dan gelijk aan 1, ongeacht de grootte van de afgelegde weg.

[figuur 4: zie het originele examen]

Om dit effect te verklaren beschreven Ramsauer en Townsend het elektron niet als een deeltje, maar als een golf met bijbehorende debroglie-golflengte.

Vraag 23 3 punten

Bereken de debroglie-golflengte van een vrij elektron met een energie van 1, 0 eV .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: λ = 1, 2 nm

voorbeeld van een antwoord: h Voor de debroglie-golflengte geldt: λ = . p 1 Uit p = mv en Ek = m v 2 volgt: p = 2mEk . 2 h 6, 63 ⋅10−34 Invullen geeft: λ = = = 1, 2 nm . 2mEk 2 ⋅ 9,11⋅10−31 ⋅1, 60 ⋅10−19

h

Ramsauer en Townsend benaderden het xenonatoom als een eendimensionale energieput met een diepte Eput en een lengte L. In figuur 5 is schematisch de situatie getekend van een elektron dat een xenonatoom passeert. Het elektron beweegt van gebied I (voor het xenonatoom) via gebied II (het xenonatoom) naar gebied III (na het xenonatoom).

[figuur 5: zie het originele examen]

Bij bepaalde waarden van Eelek blijkt de golf van het elektron te resoneren in gebied II. Deze resonantie leidt ertoe dat het elektron ongehinderd zijn weg kan vervolgen naar gebied III.

Resonantie in gebied II treedt op als aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:

λ L = n II (2) 2

Hierin is:

  • L de diameter van het xenonatoom
  • n een positief geheel getal (1, 2, 3, …)
  • λII de debroglie-golflengte van het elektron in gebied II

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Voor de kinetische energie van het elektron in gebied II geldt:

Ekin = Eelek + Eput (3)

In figuur 4 zijn meerdere pieken te zien waarbij T = 1 . Er zijn dus verschillende waarden van Eelek waarbij resonantie optreedt. Dit is te verklaren met behulp van de formules (2) en (3) en ten minste één formule uit het informatieboek.

Vraag 24 4 punten

Geef deze verklaring.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Volgens formule (2) treedt resonantie op bij verschillende waarden van de 2L golflengte: λII = . n h Voor de golflengte geldt ook λ = , dus bij verschillende waarden van de p impuls in gebied II treedt resonantie op en dus ook bij verschillende waarden van de kinetische energie in gebied II. Volgens formule (3) geldt in gebied II: Eelek = Ekin

  • Eput . Dus er treedt resonantie op bij verschillende waarden van Eelek .

De waarden van de energie Ekin in gebied II, waarbij resonantie optreedt, komen overeen met de energieniveaus van een deeltje in een eendimensionale energieput met oneindig hoge wanden. Neem aan dat de eerste piek in figuur 4 hoort bij n = 1 in de formule van deze energieniveaus. De diameter van het xenonatoom is 0, 22 nm .

Vraag 25 4 punten

Bereken Eput in eV. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Eput = 6,8 eV

voorbeeld van een antwoord: Er treedt resonantie op bij Eelek = 1,0 eV . Voor de energieniveaus van een deeltje in een put met oneindig hoge n2h2 wanden geldt: En = . 8mL2 h2 De eerste piek komt overeen met n = 1 , dus: Ekin = E1 = . 8mL2 (6, 63 ⋅10−34 ) 2 Invullen geeft: Ekin = −31 −9 2 = 1, 2 ⋅10−18 J .

8 ⋅ 9,11 ⋅10 ⋅ (0, 22 ⋅10 ) Omrekenen naar eV geeft: E kin = 7,8 eV .

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2023, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-23-1-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over geluid en trillingen (5), straling (5) en beweging (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-23-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2023, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.