Eindexamen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Mechanische doping, Gravitron, Kleurstoflaser, Ontspannen lopen, (W kg-1), Wijnfraude opsporen.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (7), energie en arbeid (5) en licht en lenzen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Straling | 2, 19-24 | 7 |
| Energie en arbeid | 1, 15-18 | 5 |
| Licht en lenzen | 11-14 | 4 |
| Magnetisme | 4-6 | 3 |
| Krachten | 8-10 | 3 |
| Elektriciteit | 3 | 1 |
| Beweging | 7 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over energie en arbeid (21% van de vragen, gemiddeld 6%) en straling (29% van de vragen, gemiddeld 21%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en elektriciteit (4% van de vragen, gemiddeld 13%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Mechanische doping
Begin 2016 werd in de wielrennerij ‘mechanische doping’ ontdekt: in het frame van een racefiets zaten een elektromotortje en een accu verborgen. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen] elektromotor schakelaartje
trapas
Het motortje is via tandwielen met de trapas verbonden. Het kan aangezet worden met een schakelaartje aan het stuur. Het elektromotortje moet minstens figuur 2 een half uur lang een vermogen Accu van 250 W leveren. Stel dat het rendement van het Spanning per cel (V) 3,6-3,7 −1 elektromotortje 80% is. Energiedichtheid ( Wh kg ) 190 In figuur 2 staat een tabel met Dichtheid (103 kg m−3) 3,0 gegevens van de accu.
Vraag 1 5 punten
Bereken met behulp van gegevens in de tabel het minimale volume van de accu.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
V 2, 7 ⋅10−4 m3 uitkomst: =
voorbeeld van een berekening: Er geldt: Enuttig = Pt = 250 ⋅ 0,5 =125 Wh. Enuttig 125 Ein Dus geldt: = = = 156 Wh. η 0,80 De batterij heeft een energiedichtheid van 190 Wh kg−1. 156 Dus geldt voor de massa van de batterij:=m = 0,822 kg. 190 m 0,822 Dus geldt voor het volume: V = = = 2, 7 ⋅10−4 m3 = 0, 27 dm3 . ρ 3, 0 ⋅103
Om erachter te komen figuur 3 wie gebruikmaakt van deze mechanische doping maakt men tijdens de race met een thermografische camera een opname. Zie figuur 3. Daarin is bij de pijl te zien dat in het frame iets zit dat net zo warm is als de kuiten van de wielrenner.
Vraag 2 3 punten
Leg met behulp van een berekening en met Tabel 19B van Binas of Tabel 5.1.c van Sciencedata uit voor welke soort straling deze camera gevoelig is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Er geldt: λmaxT = k W . De temperatuur van de kuit zal ongeveer 300 K zijn. Dus geldt voor de maximale golflengte: kw 2,90 ⋅10−3 λmax = → λmax = (2) =9, 7 ⋅10−6 m. T 3, 0 ⋅10 Dit is infrarood. (Hiervoor is de camera gevoelig.)
Opmerkingen
- In deze vraag significantie uiteraard niet aanrekenen.
- Bij het derde scorepunt ‘warmtestraling’ goed rekenen.
Een andere manier om sneller vooruit te komen is met behulp van elektromagneten. In de velg van een kunststof achterwiel zijn
24 elektromagneten weggewerkt. Zie figuur 4.
[figuur 4: zie het originele examen]
De elektromagneten staan in serie en zijn aangesloten op de batterij in de velg, die een spanning van 1,5 V levert. De batterij heeft een capaciteit van 2,3 Ah. (Dit houdt in dat de volledig opgeladen batterij gedurende 1,0 uur een stroom van 2,3 A kan leveren, of gedurende 2,0 uur een stroom van 1,15 A, enzovoort.)
De elektromagneten bestaan uit koperdraad met een diameter van 0,50 mm. In elke elektromagneet is 3,0 m koperdraad gebruikt.
Vraag 3 5 punten
Bereken hoe lang de elektromagneten werken op de batterij als die in het begin volledig opgeladen is. (Verwaarloos de lengte van de draden tussen de elektromagneten.)
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: t = 9, 4 h
voorbeeld van een berekening: Voor de weerstand van één elektromagneet geldt: λ 3, 0 R= ρ = 16,8 ⋅10−9 =0, 257 Ω.
A π(0, 25 ⋅10−3 ) 2 Dus geldt voor de totale weerstand: Rtotaal =⋅ 24 0, 257 = 6,16 Ω. U 1,5 Voor de stroomsterkte geldt: = I = = 0, 243 A. R 6,16
C 2,3 Dus geldt voor de gebruikstijd: = t = = 9, 4 h. I 0, 243
λ
Opmerking De waarde 16,8 ⋅10−9 Ω m zoals gebruikt voor de soortelijke weerstand staat in ScienceData. Als de kandidaat in plaats daarvan 17 ⋅10−9 Ω m heeft gebruikt zoals gegeven in Binas, dit uiteraard goed rekenen.
In de buizen van het frame (zie figuur 4) zijn de spoelen K en L verborgen. Spoel K vangt het magneetveld op van de elektromagneten. Op grond van het signaal van spoel K zorgt het computertje ervoor dat spoel L iedere keer op het juiste moment een stroomstoot krijgt, zodat de elektromagneet in de velg bij spoel L een zetje krijgt.
Vraag 4 1 punt
Hoe heet het verschijnsel waardoor in spoel K een signaal opgewekt wordt?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- antwoord: (elektromagnetische) inductie (1)
In figuur 5 staan twee elektromagneten uit de velg samen met spoel L afgebeeld met de veldlijnen van de elektromagneten. De pijl rechts geeft de bewegingsrichting van de spoelen in het wiel aan. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 5: zie het originele examen] N
Z A
spoel L bewegings- richting C B N
Z
Vraag 5 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef in de figuur op de uitwerkbijlage in de punten A, B en C met een pijl de richting van de magnetische veldlijnen aan.
- Geef in de figuur op de uitwerkbijlage met een pijl de stroomrichting in spoel L aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- juiste richting van de pijl in punt A (1)
- juiste richting van de pijl in punt B (1)
- juiste richting van de pijl in punt C (1)
- stroomrichting in spoel L consequent aan de richting in C (1)
Vraag 6 2 punten
Leg uit waarom de frequentie waarmee spoel L stroomstoten krijgt aangepast moet kunnen worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Spoel L moet een magneetveld geven op het moment dat de tussenruimte ter hoogte van de spoel is, op andere momenten moet er geen magneetveld zijn. Dus bij een grotere / kleinere snelheid moet de stroom sneller / langzamer aan- en uitgaan (en moet de frequentie dus aangepast worden).
Gravitron
Figuur 1 toont de kermisattractie Gravitron. Hierbij nemen de passagiers plaats in een soort ton die gaat draaien. De passagiers blijven vanaf een bepaald toerental aan de wand van de ton ‘plakken’. Zie figuur 2.
figuur 1 figuur 2
In figuur 3 staat voor een rit in de Gravitron het toerental (het aantal omwentelingen per minuut) uitgezet tegen de tijd. De Gravitron heeft op de plaats waar de passagiers zich bevinden een diameter van 6,4 m. Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 3: zie het originele examen] 25 toerental (min-1) 20
15
10
5
0
0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 220 t (s)
Een passagier die in de Gravitron rondjes draait, legt tijdens de rit een aanzienlijke afstand af langs de cirkelbaan.
Vraag 7 4 punten
Bepaal deze afstand met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
s 1,3 ⋅103 m uitkomst: =
voorbeeld van een bepaling: 22 (Het toerental van 22 (min−1 ) komt overeen met een omwentelingen per 60 seconde.) Uit de oppervlakte onder het diagram van figuur 3 volgt het aantal omwentelingen tijdens een rit. Hiervoor geldt:
22 22 (22) n =12 ⋅ ⋅ 40 + ⋅140 + 12 ⋅ ⋅ 30 =64 omwentelingen.
60 60 (60) Voor de afstand die de passagier dan aflegt, geldt: s= n ( πd = ) 64 ⋅ π ⋅ 6, 4= 1,3 ⋅103 m.
In figuur 4 is schematisch een passagier getekend figuur 4 in de Gravitron. De passagier heeft een massa van
71 kg en ligt tegen de schuine wand van de ton. De Gravitron staat nog stil. Om te begrijpen hoe de krachten werken, gaan we uit van het volgende model:
- De kracht van de vloer op de passagier staat Z evenwijdig aan de wand.
- De wrijvingskracht stellen we op nul.
Figuur 4 staat vergroot op de uitwerkbijlage. Daarin is 70˚ de zwaartekracht aangegeven met een vectorpijl. Op de passagier werken nog twee andere krachten.
Vraag 8 4 punten
Construeer de grootte en de richting van die twee andere krachten op de passagier. Laat in de tekening de krachten aangrijpen in punt Z.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor de zwaartekracht op de passagier geldt: Fz = mg = 71 ⋅ 9,81 =697 N. Dit is aangegeven in de figuur met een pijl van 7,0 cm lengte. De vectorpijl van de kracht van de vloer op de passagier is 6,6 cm lang. Dus geldt voor de grootte van deze kracht: 6, 6 Fz// = ⋅ 697 =6, 6 ⋅102 N (met een marge van 0, 4 ⋅102 N). 7, 0 Analoog geldt voor de kracht loodrecht op de wand: 2, 4 Fz ⊥ = ⋅ 697 = 2, 4 ⋅102 N (met een marge van 0, 4 ⋅102 N). 7, 0
Als de Gravitron begint te draaien, verandert de normaalkracht van de wand op de passagier.
Vraag 9 2 punten
Leg uit dat die normaalkracht groter wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Als de Gravitron draait, is er een middelpuntzoekende kracht nodig om de passagier in de cirkelbeweging te houden. Deze kracht wordt geleverd door (de horizontale component van) de normaalkracht. (In een draaiende Gravitron zal de normaalkracht dus groter moeten worden.)
In werkelijkheid is er natuurlijk wel wrijvingskracht. Tijdens de rit halen veel passagiers allerlei capriolen uit tegen de wand. Zo kan een passagier ook ondersteboven tegen de wand gaan hangen. Zie figuur 5. Deze figuur is niet op schaal.
[figuur 5: zie het originele examen]
A B
70˚
Een passagier probeert in de draaiende Gravitron zijn hoofd op te lichten van de wand met het hoofd boven (A) en met het hoofd beneden (B).
Vraag 10 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Toon aan dat bij constante omlooptijd T voor de middelpuntzoekende kracht op een voorwerp met massa m in een cirkelbaan met straal r 4π2 mr geldt: Fmpz = . T2
- Leg hiermee uit in welke situatie, A of B, het meer moeite kost om het hoofd op te lichten van de wand.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: mv 2 2 πr
- Voor de middelpuntzoekende kracht geldt: Fmpz = met v = . r T 4π2 mr Dit levert: Fmpz = . T2
- Als de straal van de baan groter is, is de benodigde middelpuntzoekende kracht ook groter. Als het hoofd boven is (situatie A), is de straal van de baan groter en zal het voor de passagier dus meer moeite kosten het hoofd op te lichten.
mv 2 2 πr
Kleurstoflaser
Een laser is een lichtbron die een smalle, figuur 1 evenwijdige en intense lichtbundel produceert. De bundel wordt geproduceerd in de laserruimte, die zich tussen spiegel S1 en de halfdoorlatende S1 S2 spiegel S2 bevindt. Zie de artist’s impression in figuur 1. In de laserruimte worden heen en weer kaatsende fotonen laserruimte geproduceerd.
Bij laserwerking ontstaat een lawine van fotonen doordat reeds aanwezige fotonen aangeslagen moleculen dwingen om zelf fotonen uit te zenden. Het oorspronkelijke foton is daarbij identiek aan het geproduceerde foton: ze hebben dezelfde fase en dezelfde golflengte. Hierdoor heeft een laser een hogere intensiteit dan een gewone lichtbron, die fotonen produceert die niet dezelfde fase hebben. In figuren 2a en 2b zijn een aantal individuele lichtgolven geschetst van respectievelijk een gewone lichtbron en een laser.
figuur 2a figuur 2b
Ook als de amplitude van de individuele golven gelijk is, is de totale amplitude (en dus de intensiteit) van het laserlicht groter dan die van de gewone lichtbron.
Vraag 11 2 punten
Leg uit hoe dit komt aan de hand van de figuren 2a en 2b.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: (Alle fotonen in de laserruimte zijn identiek en de individuele golven hebben dus (gereduceerd) faseverschil nul.) Door constructieve interferentie worden de amplitudes bij elkaar opgeteld en wordt de totale amplitude en dus de laserintensiteit groot. Dit is niet zo bij een gewone lichtbron, omdat er zonder een vast faseverschil geen constructieve interferentie optreedt.
Opmerkingen
- Als de kandidaat (gedeeltelijke) destructieve interferentie bij een gewone lichtbron noemt: goed rekenen.
- Het begrip constructieve interferentie hoeft niet genoemd te worden.
Anders dan bij gaslasers zenden vloeistoflasers een breedbandig spectrum van meer golflengtes tegelijk uit. Voor een bepaalde breedbandige vloeistoflaser wordt de kleurstof Rhodamine 6G gebruikt. Bij complexe moleculen als de kleurstof Rhodamine 6G bestaat zowel de grondtoestand (g) als de aangeslagen toestand ( a) uit veel zeer dicht op elkaar gelegen energieniveaus. Zie figuur 3a. Zo’n stof heeft daardoor geen lijnenspectrum maar een bandenspectrum. In figuur 3b is links de absorptieband en rechts de emissieband van Rhodamine 6G weergegeven. Omdat de aangeslagen moleculen eerst een gedeelte van hun energie afgeven in de vorm van warmte (interne stralingsloze overgangen), is in figuur 3b het emissiespectrum naar rechts verschoven ten opzichte van het absorptiespectrum.
figuur 3a figuur 3b
25 nm interne relatieve 100 (a) stralingsloze intensiteit 90 overgangen (%) 80 70 60 50 absorptie emissie
E absorptie emissie 40 30 20 10 0
450 500 550 600 650 700 golflengte (nm) (g)
Vraag 12 2 punten
Leg uit waarom het emissiespectrum naar rechts verschoven is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: hc Er geldt: ∆E = . Bij emissie is ∆E door het (stralingsloze) energieverlies λ kleiner geworden ten opzichte van ∆E bij absorptie. Dat betekent dat λ groter is geworden. (Dat wil zeggen dat de piek meer naar het rechts verschoven is.)
Een Rhodamine-6G-molecuul kan men ook beschrijven met een eenvoudig model van een eendimensionale energieput waarin
22 elektronen opgesloten zijn. Hierbij zijn een aantal energieniveaus (n-waarden) steeds gevuld met twee elektronen per niveau. Samen vormt dit de grondtoestand (g). Als het molecuul door absorptie van een foton aangeslagen wordt, gaat één elektron van de hoogste bezette n-waarde naar de volgende n-waarde. λ · (122
- 112 ) · h Dan geldt voor de lengte van de energieput: L = . 8mc
Hierin is:
- λ de golflengte die vereist is om het molecuul aan te slaan;
- h de constante van Planck;
- m de massa van een elektron;
- c de lichtsnelheid.
Vraag 13 4 punten
Leid deze formule af gebruikmakend van formules uit een tabellenboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De grondtoestand heeft 22 elektronen. De hoogste n-waarde is dus: 22 n = 11. De laagste onbezette toestand wordt daarmee n = 12. = 2
E E12
- E11. Dus geldt: Δ= n2h2 Voor de energie van een toestand geldt: En = . 8mL2
Invullen levert: ∆E= E
- E = (12
- 11 ) h . 2 2 (2p)
12 (11) 8mL2 hc Er geldt: ΔE = . λ λ ⋅ (122
- 112 ) ⋅ h Omschrijven levert: L = . 8mc
Figuur 4 geeft de structuur van figuur 4 Rhodamine 6G weer. De waarde L 1,70 nm komt bij benadering overeen met N de waarde in figuur 4.
Vraag 14 3 punten
Toon dit aan met een berekening. H 3C CH3 N S N+ CH3 CH3
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: λ 5, 6 ⋅10−7 m (met een Aflezen voor de linkerpiek in figuur 3b levert: = marge van 0, 2 ⋅10−7 m ). 5, 6 ⋅10−7 ⋅ 23 ⋅ 6, 63 ⋅10−34 Invullen levert: L = 2, 0 ⋅10−9 m = = 2, 0 nm.
8 ⋅ 9,11 ⋅10−31 ⋅ 3, 00 ⋅108 (Dit komt bij benadering overeen met de waarde in figuur 4.)
Opmerkingen
- De kandidaat mag de rechterpiek, de linkerpiek of het gemiddelde aflezen.
- In deze vraag significantie uiteraard niet aanrekenen.
Ontspannen lopen
Daniël en Lotte willen met een eenvoudig model de loopsnelheid bepalen die energetisch het voordeligst is. Daartoe laten ze 25 proefpersonen met elk een verschillende snelheid op een loopband lopen. Zie figuur 1. Van elke proefpersoon wordt de massa bepaald en het vermogen dat hij levert tijdens het lopen.
figuur 1 figuur 2 450 P (W) 400
350
300
250
200
150
100
50
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 v (m s-1)
De proefpersonen hebben allemaal een verschillende massa m, en dat heeft een storende invloed op de resultaten. Zie figuur 2. Om het effect van de massa te elimineren en daardoor de meetresultaten onderling beter te kunnen vergelijken, rekenen Lotte en Daniël alle vermogens om P naar een genormaliseerd vermogen: P% = . m Ze veronderstellen dat P% alleen afhangt van de snelheid.
Vraag 15 2 punten
Leg uit of het verband tussen P en m dan recht evenredig of omgekeerd evenredig is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Het genormaliseerde vermogen P% is onafhankelijk van de massa. Omdat P = mP% , geldt de aanname dat het geleverde vermogen P recht evenredig is met de massa m.
Bij het lopen van volwassenen gaan Daniël en Lotte in hun eenvoudige model uit van de volgende aannames:
- er is een constant vermogen nodig om recht overeind te staan;
- de netto spierkracht die nodig is voor de voortbeweging is recht evenredig met de snelheid.
Met deze uitgangspunten volgt voor het genormaliseerde vermogen van een volwassene die met een snelheid v loopt, de formule: P% = pv 2 + q .
Vraag 16 3 punten
Leg dit uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Het vermogen om recht overeind te staan is onafhankelijk van de snelheid en dus gelijk aan de constante q: Pstil = q. Voor de voortbeweging geldt dat de netto spierkracht evenredig is met de snelheid: F = pv, zodat Pbew = Fv = pv 2 . Opgeteld: P% = P + P = pv 2 + q. bew stil
(W kg-1)
5
4
3
2
1
0
0 1 2 3 4 5 6 7 v2 (m2 s-2)
Om de benodigde energie te kunnen leveren, gebruiken de proefpersonen chemische energie uit voedsel. Lotte en Daniël nemen aan dat dit met een rendement van 20% gaat. Zij volgen een proefpersoon van 80 kg, die −1 gedurende 1,0 uur loopt met een snelheid van 7,0 km h .
Vraag 17 5 punten
Bepaal aan de hand van figuur 3 hoeveel chemische energie deze proefpersoon daarvoor volgens het model aan voedsel moet binnenkrijgen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: E= in 5, 6 ⋅106 J
voorbeeld van een bepaling: 2 2 7, 0 −2 −2 Er geldt: = v = 3, 78 m s . 3, 6 Aflezen in figuur 3 geeft: P% = 3,90 W kg −1. Er geldt: P = mP% = 80 ⋅ 3,90 =312 W. Er geldt: Enuttig =Pt = 1,12 ⋅106 J.
312 ⋅ 3600 = 1,12 ⋅106 Dus geldt: E= in = 5, 6 ⋅106 J. 0, 20
Niet alleen het genormaliseerd vermogen P% , maar ook de stapgrootte S blijkt af te hangen van de snelheid v. Voor het aantal stappen per seconde geldt: v f = . S
Bewegingswetenschappers kijken bij inspanning bij lopen niet naar de geleverde energie per seconde, maar naar de geleverde energie per afgelegde meter. Voor deze grootheid geldt de uitdrukking: P% R= . v
De resultaten van dit model zijn weergegeven in de figuren 4a en 4b.
figuur 4a f (Hz)
1,8
1,5
1,2
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 v (m s-1) figuur 4b 2,5 R (J kg-1 m-1)
2,0
1,5 0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 v (m s-1)
Vraag 18 3 punten
Bepaal met behulp van de figuren 4a en 4b de optimale stapgrootte van een proefpersoon die de minimale energie per afgelegde meter R levert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: S = 0, 76 m (met een marge van 0,08 m)
voorbeeld van een bepaling: De optimale stapgrootte komt overeen bij het minimum in R. Dit minimum ligt in figuur 4b bij v = 1, 25 m s −1 . Aflezen bij deze snelheid in figuur 4a levert: f = 1,65 Hz. v 1, 25 Hieruit volgt: S= = = 0, 76 m. f 1, 65
Wijnfraude opsporen
Om na te gaan of het jaartal op het etiket van een wijnfles klopt met de inhoud van de fles, zijn verschillende methodes mogelijk. Bij methode 1 wordt gekeken naar de activiteit van de β-straling van de isotopen in de wijn. Maar daarvoor moet de fles geopend worden. Bij oude dure wijn wil je de fles niet openmaken. Dan kan men met methode 2 kijken naar de γ-straling van Cs-137. Deze isotoop komt pas sinds 1950 voor in de atmosfeer ten gevolge van kernproeven. Vanaf die tijd is er Cs-137 in de wijndruiven terechtgekomen.
over methode 1 In wijn komen de radioactieve isotopen C-14, O-15 en H-3 voor. De activiteit van deze isotopen in wijn is gemeten als de wijn de fles in gaat en dus bekend. Bij een fles wijn waar op het etiket staat dat deze 5 jaar oud is, wil men uit de afname van de activiteit afleiden hoe oud deze wijn werkelijk is. Voor deze methode is alleen H-3 geschikt.
Vraag 19 3 punten
Leg uit waarom voor deze methode alleen H-3 geschikt is, met behulp van gegevens uit het tabellenboek. Geef daartoe aan waarom de twee andere isotopen niet geschikt zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: t 1 van C-14 is 5730 jaar. Dit is te lang, dan is er na 5 jaar nog geen 2
meetbare verandering in activiteit. t 1 van O-15 is 122 seconde. Dit is te kort, na 5 jaar is er geen activiteit 2
meer. t 1 van H-3 is 12,3 jaar. Dit is goed, na 5 jaar is er meetbaar verschil. 2
In figuur 1 is het verband uitgezet van het product van de dichtheid (in g cm −3 ) en de dracht R (in cm) tegen de energie van het β-deeltje.
figuur 1 10-1 ρR (g cm-2) 10-2
10-3
10-4
10-5
10-6 0,001 0,01 0,1 1
E (MeV) Door het glas van een wijnfles met een dikte van 3,5 mm komt geen β-straling van H-3.
Vraag 20 4 punten
Toon dat aan met behulp van figuur 1 en een berekening van de dracht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De energie van de β-straling van H-3 bedraagt 0,018 MeV. Aflezen in de grafiek van figuur 1 geeft ρ R= 4 ⋅10−4 g cm −2 . Er geldt: ρglas = 2,5 g cm−3 of hoger. Dus geldt voor de maximale waarde van de dracht:
4 ⋅10−4 =R = 1, 6 ⋅10−4 cm. 2,5 (Dit is veel minder dan de dikte van het glas. Dus komt er geen β-straling door het glas.)
Opmerking In deze vraag significantie uiteraard niet aanrekenen.
over methode 2 figuur 2 Bij de tweede methode kijkt men 137 Cs naar Cs-137, dat vervalt onder 55 uitzending van β-deeltjes. 0,51 MeV (95%) β− 95% van de kernen van Cs-137 vervalt naar een metastabiele 1,17 MeV (5%) β− toestand, waarna het onder γ uitzending van een γ-foton de grondtoestand bereikt. Zie figuur 2.
Vraag 21 3 punten
Geef de vergelijking van het meest voorkomende verval van Cs-137 naar de grondtoestand.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: −
137 137 0 (0)
55 Cs → 56 Ba + −1 e + 0 γ( +ν e )
Opmerking De vervalvergelijking mag ook in twee stappen gegeven worden.
Vraag 22 3 punten
Bereken de golflengte van het γ-foton.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
λ 1,9 ⋅10−12 m uitkomst: =
voorbeeld van een berekening: Voor de energie van het γ-foton geldt: Ef =1,17
- 0,51 = 0, 66 MeV = 0, 66 ⋅1, 602 ⋅10−13 =1, 06 ⋅10−13 J. hc 6, 63 ⋅10−34 ⋅ 3, 00 ⋅108 λ Dan geldt voor de golflengte: = = −13 = 1,9 ⋅10−12 m. Ef 1, 06 ⋅10
Opmerking Als het eerste scorepunt niet behaald is, kan het derde scorepunt wel behaald worden.
De activiteit van de γ-straling van een groot aantal Franse wijnen waarvan het productiejaar met zekerheid was vastgesteld, is gemeten. Om de meetwaarden te kunnen vergelijken zijn de gemeten activiteiten omgerekend alsof alles gemeten is op 1 januari 2000. Zie figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen] 1200 activiteit van 137Cs (mBq L−1) 1000
800
600
400
200
0
1950 1960 1970 1980 1990 2000
Op het etiket van een wijnfles (75 cL) staat dat de wijn uit 1960 komt. Halverwege 2018 meet men de activiteit van de γ-straling van Cs-137 van die fles wijn.
Vraag 23 4 punten
Bepaal wat de verwachte activiteit van Cs-137 (γ-straling) van die fles wijn is als die echt uit 1960 komt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
2, 0 ⋅102 mBq = uitkomst: A = 0, 20 Bq
voorbeeld van een bepaling: Uit figuur 3 volgt dat een fles wijn uit 1960 in 2000 een activiteit had van
400 mBq L−1. Halverwege 2018 is dus 18,5 jaar later. t 1 van Cs-137 bedraagt 30 jaar. 2
Dus geldt voor de activiteit van de wijn halverwege 2018: t 18,5 1 t1 1 30
A A0 = = 2 400 = 2, 6 ⋅102 mBq L−1. 2 2 2, 0 ⋅102 mBq = Dus geldt voor een fles van 75 cL: A = 0, 20 Bq.
t 1 t
Opmerking Als de kandidaat voor het tijdsverschil 18 jaar neemt: niet aanrekenen.
Als bij een test van een fles wijn de omgerekende activiteit 50 mBq L−1 bedraagt, is niet exact vast te stellen uit welk jaar die wijn komt.
Vraag 24 1 punt
Geef de reden waarom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een antwoord: De omgerekende activiteit per liter was in meerdere jaren gelijk aan 50 mBq L−1. (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-18-2-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over straling (7), energie en arbeid (5) en licht en lenzen (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-18-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.