Eindexamen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Looping, Beker van Lycurgus, SPECT-scan bij parkinson, Joystick met Hall-sensor.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), energie en arbeid (5) en licht en lenzen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling12-176
Energie en arbeid1-2, 4-65
Licht en lenzen7-8, 10-114
Magnetisme20-234
Elektriciteit18-192
Beweging31
Grootheden en eenheden91

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over energie en arbeid (22% van de vragen, gemiddeld 6%) en magnetisme (17% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en geluid en trillingen (0% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Looping

Een spectaculair onderdeel van veel figuur 1 achtbanen is de looping. Als het treintje van de achtbaan vanaf punt A door de looping beweegt, gaat de passagier ‘over de kop’. Zie figuur 1.

Voordat het treintje bij punt A komt, rijdt het vanuit stilstand vanaf een bepaalde hoogte h boven punt A langs een helling naar beneden. (Dit is niet te zien in figuur 1.) Het treintje heeft in punt A een snelheid van 27,8 m s−1.

Vraag 1 3 punten

Bereken hoe groot deze hoogte h boven punt A minimaal moet zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: h = 39,4 m

voorbeeld van een berekening:

methode 1 Voor het berekenen van de minimale hoogte geldt dat de wrijvingskracht te verwaarlozen is. Voor de wet van behoud van energie geldt dan:

2 v2 27,82 mgh = 2 mv ⇔ h =

1 = = 39, 4 m.

2 g 2 · 9,81

  • completeren van de berekening (1p)

of

methode 2 De eindsnelheid van het treintje is gelijk aan de snelheid die een voorwerp krijgt dat van dezelfde hoogte valt. Dat voorwerp wordt versneld met 9,81 m s−2 tot een snelheid van 27,8 m s−1. Er geldt: Δv a= . Dit geeft Δ t = 2,834 s. Δt 27,8 Met een gemiddelde snelheid van = 13,9 ms−1 geldt voor de hoogte: 2 h = 13,9 · 2,834 = 39, 4 m.

  • inzicht veind = gt (1p)

De passagier beweegt in baandeel CDE in een halve cirkel met een diameter van 11,0 m. Als de passagier zich in het hoogste punt van de looping bevindt (en dus ondersteboven hangt), mag hij niet uit het treintje vallen. Hiervoor moet het treintje in het hoogste punt van de looping minimaal een bepaalde snelheid hebben.

Vraag 2 3 punten

Bereken deze snelheid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 7,35 m s−1

voorbeeld van een berekening: Bij de minimale snelheid geldt in het hoogste punt van de looping dat de middelpuntzoekende kracht gelijk is aan de zwaartekracht. mv 2 Er geldt dus: = mg ⇔ v = gr = 9,81· 5,50 = 7,35 ms −1. r

Ineke en Rob onderzoeken met videometen de beweging van het treintje door de looping. Ze hebben de beweging van het midden van de middelste wagon van het treintje gemeten. Punt B in figuur 1 wordt twee keer gepasseerd: één keer als het treintje de looping in beweegt en één keer als het treintje de looping weer verlaat. De richtingen omhoog en naar rechts worden als positief genomen. Uit de videometing krijgen ze de grafieken van figuur 2 en 3. In figuur 2 ((x,t)-diagram) is de beweging in de horizontale richting te zien. In figuur 3 ((y,t)-diagram) is de beweging in de verticale richting te zien.

figuur 2 figuur 3

Figuur 2 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage. Op t = 0 s passeert het treintje punt B.

Vraag 3 1 punt

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage aan op welk tijdstip het treintje punt E passeert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • aangeven punt E op (het tijdstip horend bij) het laagste punt in het (x,t)- diagram (1)

Ineke en Rob willen de snelheid bepalen op het moment dat het treintje in punt B de looping ingaat. De grootheid snelheid is een vectorgrootheid, net als de grootheid kracht. Je kunt daarom de grootte van de snelheid op dezelfde manier uit zijn componenten berekenen als bij kracht. Op de uitwerkbijlage staan figuur 2 (nogmaals) en figuur 3 vergroot weergegeven.

Vraag 4 5 punten

Bepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage de grootte van de snelheid op het moment dat het treintje in punt B de looping ingaat.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 30 m s −1

voorbeeld van een bepaling: De snelheid op het moment dat het treintje in punt B de looping ingaat, heeft een component in de x-richting en een component in de y-richting. De snelheid in de x-richting is gelijk aan de steilheid van de raaklijn aan het (x,t)-diagram op tijdstip t = 0 s. Dus geldt: Δ x 8, 0 vx = = = 20 m s

  • 1. Δ t 0, 4 De snelheid in de y-richting is gelijk aan de steilheid van de raaklijn aan het (y,t)-diagram op tijdstip t = 0 s. Dus geldt: Δ y 16 vy = = = 23 m s −1. Δ t 0, 7

De snelheid in punt B is te berekenen met: v = v x 2 + v y 2 = 20 2 + 232 = 30 m s −1 .

Opmerking De vierde en vijfde deelscore kunnen alleen worden behaald, als de kandidaat vx en vy op hetzelfde tijdstip heeft bepaald.

Ineke beweert dat de voorste wagon van het treintje het hoogste punt D met een grotere snelheid passeert dan de middelste wagon (zie figuur 1). Rob beweert dat de achterste wagon van het treintje het hoogste punt D met een grotere snelheid passeert dan de middelste wagon.

Vraag 5 3 punten

Leg voor Ineke uit of ze gelijk heeft en leg voor Rob uit of hij gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: In de situatie van figuur 1 is de zwaarte-energie van het treintje het grootst en de kinetische energie van het treintje dus het kleinst. In de andere situaties is de zwaarte-energie van het gehele treintje kleiner en de kinetische energie en de snelheid dus groter. Omdat alle wagons van het treintje op een bepaald moment met dezelfde snelheid bewegen, hebben Ineke en Rob allebei gelijk.

Punt B in figuur 1 wordt gepasseerd als het treintje de looping in beweegt en als het treintje de looping weer verlaat. Door wrijvingskrachten in de looping komt er warmte vrij. In figuur 4 staan de kinetische energie en de zwaarte-energie tijdens de beweging van de middelste wagon door de looping (het traject BCDEB) uitgezet als functie van de tijd.

[figuur 4: zie het originele examen]

Vraag 6 4 punten

Bepaal met behulp van de figuren 1 en 4 de gemiddelde wrijvingskracht die het treintje in het traject BCDEB ondervindt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Fw = 6,8 ·103 N ( 6,5 ·103 N ≤ Fw ≤ 7,1·103 N )

voorbeeld van een bepaling: Het bovenste deel van de looping heeft een lengte van

1 πd = 1 π ·11, 0 = 17,3 m.

2 (2) Uit een schaalbepaling volgt voor de stukken BC en EB een lengte van ongeveer 12 m. De totale lengte van de looping kan daarmee bepaald worden op 41 m. Als het treintje de looping verlaat, is de kinetische energie kleiner dan wanneer het treintje de looping in beweegt. Uit dit energieverlies volgt de gemiddelde wrijvingskracht: Ww = Ek,in

  • Ek,uit = 0,88 ·106
  • 0, 60 ·106 = 0, 28 ·106 J; Ww = Fw s → 0, 28 ·106 = Fw · 41 → Fw = 6,8 ·103 N .

Beker van Lycurgus

In het British Museum staat de beker van Lycurgus (zie figuur 1a en 1b). De kleur van het glas van deze beker hangt af van de belichting. Als de beker van binnenuit wordt beschenen met wit licht, dan heeft de beker een rode kleur. Als de beker van buitenaf wordt beschenen met wit licht, dan heeft de beker een groene kleur.

figuur 1a figuur 1b

rode kleur groene kleur

Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van nanodeeltjes goud in het glas. Nanodeeltjes zijn deeltjes die kleiner zijn dan 100 nm. Als het glas wordt beschenen, wordt een deel van het licht door het glas geabsorbeerd en wordt de rest van het licht doorgelaten. De mate van absorptie is afhankelijk van de golflengte van het licht dat erop valt. Een deel van het geabsorbeerde licht wordt weer uitgezonden met dezelfde golflengte. Dit is zichtbaar als gereflecteerd licht. In figuur 2 is weergegeven hoe de mate van absorptie door de nanodeeltjes in de beker van Lycurgus afhangt van de golflengte van het licht.

[figuur 2: zie het originele examen]

De buitenkant van de beker kleurt bij belichting van binnenuit rood (figuur 1a) en bij belichting van buitenaf groen (figuur 1b).

Vraag 7 3 punten

Leg dit uit met behulp van figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit figuur 2 blijkt dat vooral groen (en blauw) licht wordt geabsorbeerd en rood licht nauwelijks. Rood licht wordt dus doorgelaten. Daarom kleurt de beker in figuur 1a rood. Groen licht wordt gereflecteerd. Daarom kleurt de beker in figuur 1b groen.

Opmerking Als de kandidaat in zijn antwoord geen gebruik maakt van figuur 2, geen scorepunten toekennen.

Het ontstaan van de absorptiepiek in figuur 2 kan worden begrepen met behulp van het zogenaamde plasmonmodel. Uitgangspunt van dit model is dat elk metalen nanodeeltje bestaat uit veel positieve ionen, omringd door geleidingselektronen. Deze geleidingselektronen reageren op licht. Een lichtgolf heeft een sinusvormig variërend elektrisch veld, dat de geleidingselektronen als één geheel in trilling brengt. Deze trillende wolk van geleidingselektronen wordt ook wel een ‘plasmon’ genoemd.

In figuur 3 is de situatie voor een plasmon op twee verschillende tijdstippen weergegeven. De lichtgolf in figuur 3 beweegt naar rechts. Op tijdstip t1 heeft het elektrisch veld het negatieve plasmon naar zijn hoogste stand getrokken en op een later tijdstip t2 naar zijn laagste stand. De positieve ionen blijven op hun plaats, waardoor een ladingsscheiding in het nanodeeltje optreedt. De richting van het elektrisch veld 𝐸⃗ is in de figuur aangegeven. Op de positie van het nanodeeltje wisselt 𝐸⃗ dus voortdurend van richting. Dit is een reden waarom het plasmon telkens weer in de richting van de evenwichtspositie beweegt.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 8 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef aan waardoor de metaalionen op hun plaats blijven.
  • Geef een andere reden dan het elektrisch veld van de lichtgolf waarom het plasmon telkens weer in de richting van de evenwichtspositie beweegt.
  • In figuur 3 is aangegeven dat de lichtgolf naar rechts beweegt. Leg aan de hand van de figuur uit dat dit inderdaad het geval is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • De metaalionen zijn veel zwaarder en trager dan de elektronen. / De metaalionen zitten vast in het rooster.
  • De positieve en negatieve ladingen die ontstaan zijn door de ladingsscheiding trekken elkaar aan, waardoor de elektronen steeds weer naar de evenwichtsstand teruggaan.
  • Bij een naar rechts bewegende golf passeert tussen tijdstip t1 en tijdstip t2 een omhoog gericht elektrisch veld. Er werkt dus tussen tijdstip t1 en tijdstip t2 een omlaag gerichte elektrische kracht op het plasmon. Dit komt overeen met de figuur: het plasmon beweegt tussen tijdstip t1 en tijdstip t2 omlaag.

Opmerking Als de kandidaat juist redeneert vanuit één grafiek op tijdstip t1 of tijdstip t2, dit goed rekenen.

De absorptiepiek in figuur 2 is het gevolg van resonantie. De sterkste absorptie van licht vindt plaats als de eigenfrequentie van het plasmon overeenkomt met de frequentie van het licht dat erop valt. Het plasmonmodel is vergelijkbaar met een massa-veersysteem waarbij de elektrische kracht de rol van veerkracht heeft. Voor de resonantiefrequentie van het plasmonmodel geldt:

ne 2 f f res = k (1) πm

Hierin is:

  • fres de frequentie waarbij resonantie optreedt in Hz
  • n het aantal geleidingselektronen per m3
  • e de lading van het elektron in C
  • f de constante (in de wet) van Coulomb in Nm2C-2
  • m de massa van een elektron in kg
  • k een constante

Vraag 9 3 punten

Leid af of k een eenheid heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit formule (1) volgt voor de eenheid van k: f res s −1 s −1 [ ] k = = (1) = (1) . ne 2 f −3 2 2 −2 −1 m C Nm C 2 Nm 2 πm kg

kg

s −1 s −1 Invullen van N = kg m s −2 geeft: [ k ] = = .

  • − 1 s −1 kg m s m 2

2 (1)

kg

Opmerking Als de kandidaat bij een verkeerd gekozen eenheid voor een grootheid in formule (1) consequent de afleiding completeert, kan het derde scorepunt nog worden toegekend.

Goud bevat één geleidingselektron per ion. Voor goud geldt: n = 5,90 ·1028 m −3 .

Vraag 10 3 punten

Toon dat aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Omdat elk ion maar één geleidingselektron heeft, is n gelijk aan het aantal ρ atomen per m3, dus n = . mat Er geldt: mat = 197, 0 ·1, 661·10−27 = 3, 272 ·10−25 kg. ρ 19,3 ·103 Dit geeft: n = = −25 = 5,90 ·1028 m −3 . mat 3, 272 ·10

ρ

Opmerking Als de kandidaat voor de massa van een goudatoom neemt 3,3 ·10−25 kg (uit tabel 6A van Binas), dit goed rekenen. Dan wordt het antwoord 5,85 ·1028 m−3.

De constante k hangt onder andere af van de grootte en de vorm van het nanodeeltje.

Vraag 11 4 punten

Bepaal met behulp van formule (1) de waarde van de constante k die hoort bij de absorptiepiek in figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Uitkomst: k = 0,262

voorbeeld van een bepaling: De absorptiepiek in figuur 2 zit bij 5, 25 ·102 nm. c 2,998 ·108 Uit c = f λ volgt dat f res = = −7 = 5, 710 ·1014 Hz. λ 5, 25 ·10 Invullen in formule (1) geeft:

( ) · 8,988 ·10 = k · 2,181·10 , 2 14 5,90 ·1028 · 1, 602 ·10−19 (9) 15 5, 710 ·10 = k −31 π · 9,109 ·10 dus: 5, 710 ·1014 k= = 0, 262. 2,181 ·1015

Opmerking Als de kandidaat bij vraag 9 een eenheid voor k bepaald heeft en deze hier opnieuw gebruikt, dit niet aanrekenen.

SPECT-scan bij parkinson

Bij de SPECT-scan figuur 1 (Single Photon Emission Computer Tomography) worden tracers gebruikt die zich ophopen in de cellen die bestudeerd worden. Met een SPECT-scanner (zie figuur 1) kan parkinson aangetoond worden. Dit is een hersenaandoening waarbij bewegingsklachten optreden. Als tracer wordt vaak een verbinding met jood-123 gebruikt, dat vervalt onder uitzending van een γ-foton.

Om jood-123 te maken wordt telluur-123 beschoten met protonen.

Vraag 12 3 punten

Geef hiervan de reactievergelijking.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

123 1 123 (1) 52Te + 1 p → 53 I + 0 n

Opmerking Als de kandidaat extra deeltjes in de vergelijking heeft opgenomen, maximaal twee scorepunten toekennen.

Een jood-123-kern vervalt met een halveringstijd van 13,2 h .

Het jood-123 wordt 24 uur vóór gebruik geproduceerd.

Vraag 13 2 punten

Bereken welk percentage van het geproduceerde jood-123 na 24 uur vervallen is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: percentage = 72(%)

voorbeeld van een berekening: t

1 t Er geldt: N = N 0 12 . Het percentage overgebleven jood volgt dus 2 t N 1 t1 uit: = 2 . N0 2 t (24) N 1 t 1 1 13,2 Invullen van t 1 = 13, 2 h geeft: = 2 = = 0, 284 = 28, 4%. 2 N0 2 (2) Dus vervallen is 100

  • 28, 4 = 72%.

t

1 t

Het γ-foton dat wordt uitgezonden heeft een energie van 160 keV.

Vraag 14 4 punten

Bereken de golflengte van het γ-foton in vacuüm.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: λ = 7, 75 ·10−12 m

voorbeeld van een berekening: Voor de fotonenergie geldt: E = 160 ·103 ·1, 602 ·10−19 = 2,563 ·10−14 J . hc 6, 626 ·10−34 · 2,998 ·108 Er geldt: Ef = . Invullen geeft: 2,563 ·10−14 = . λ λ Dit geeft: λ = 7,75 ·10−12 m.

hc

Om de stralingsbelasting te verkleinen, moet de patiënt de blaas minstens vijf keer in 24 uur legen. In een vereenvoudigd model wordt aangenomen dat de patiënt (massa 70 kg) elke 4,8 uur het toilet bezoekt en elke keer hetzelfde percentage van de aanwezige jood-123-kernen uitscheidt. Dit noemen we het verliespercentage. Het verloop van het totale door de patiënt geabsorbeerde stralingsvermogen P tegen de tijd is weergegeven in figuur 2 op de volgende bladzijde. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 2: zie het originele examen]

Uit deze grafiek is het verliespercentage af te leiden dat gehanteerd is in dit model.

Vraag 15 3 punten

Bepaal dit verliespercentage met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: percentage = 22(%) (met een marge van 3(%))

voorbeeld van een bepaling: Het stralingsvermogen is evenredig met het aantal aanwezige deeltjes. Op t = 4,8 h vindt deze verschuiving plaats: P = 3, 7 μW → 2, 9 μW. 3, 7

  • 2, 9 Dit is een afname gelijk aan = 0, 22 = 22%. 3, 7

Vraag 16 4 punten

Bepaal de geabsorbeerde stralingsdosis na 50 uur met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: D = 2,8 mGy

voorbeeld van een bepaling: E Er geldt: D = , met E de oppervlakte onder de kromme van figuur 2. m De oppervlakte onder de grafiek is ongeveer 21,5 hokje. Elk hokje komt overeen met 0,5 ·10−6 · 5 · 3600 = 9,0 ·10−3 J. Dit geeft: E = 21,5 · 9, 0 ·10−3 = 0,19 J. 0,19 Dus geldt: D = = 2,8 mGy. 70

Patiënten met parkinson hebben een tekort aan dopamine door een verminderd dopaminetransport. De tracer met jood-123 bindt zich specifiek aan structuren in de hersenen die zorgen voor het dopaminetransport. In de figuren 3a en 3b zijn SPECT-scans te zien van een patiënt met parkinson en een patiënt zonder parkinson. Witte gebieden in de afbeeldingen tonen de hoogste stralingsintensiteit.

figuur 3a figuur 3b

Vraag 17 2 punten

Leg uit welke figuur, 3a of 3b, hoort bij de patiënt met parkinson.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Witte gebieden tonen een hoge stralingsintensiteit en dus goed functionerende transportstructuren. De patiënt in figuur 3b heeft parkinson, want de dopaminetransportstructuren zijn deels verdwenen.

Joystick met Hall-sensor

Een joystick kan worden gebruikt bij figuur 1 het gamen. Zie figuur 1. De onderkant van de joystick bevat twee beugels die draaibaar zijn: een voor de beweging in de x-richting (naar links en rechts) en een voor de beweging in de y-richting (naar voren en achteren). Zie figuur 2. Als de joystick wordt bewogen, draaien de asjes waaraan de beugels bevestigd zijn. Op deze asjes zit een metalen lipje dat contact maakt met een weerstandsdraad in punt C. Zie figuur 2, deze figuur is op schaal.

[figuur 2: zie het originele examen]

De weerstandsdraad heeft een weerstand van 100 kΩ, een lengte van

14 cm en een soortelijke weerstand van 0,54 Ω m.

Vraag 18 3 punten

Bereken de diameter van de weerstandsdraad.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: d = 9,8 ·10−4 m

voorbeeld van een berekening: RA Er geldt: ρ = . λ λρ 14 ·10−2 · 0,54 Omschrijven geeft: A = = (3) = 7,56 ·10−7 m 2 . R 100 ·10

4 · 7,56 ·10−7 Bovendien geldt: A = 14 πd 2 . Dit geeft: d = = 9,8 ·10−4 m. π

De spanning tussen A en B is 5,0 V. De spanning tussen A en C wordt gemeten. Op deze manier is de stand van de joystick in de x-richting te bepalen.

Vraag 19 2 punten

Bepaal met behulp van figuur 2 de spanning tussen A en C.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: U = 3,3 V (met een marge van 0,2 V)

voorbeeld van een bepaling: Het punt C zit op twee derde van de booglengte AB. Dit geeft voor de spanning tussen A en C: U AC = 0, 667 · 5, 0 = 3,3 V.

Deze manier van positie bepalen heeft figuur 3 het nadeel dat het contactpunt met de weerstandsdraad gevoelig is voor slijtage en vuil. Een manier om contactloos de stand van de joystick te detecteren, is door gebruik te maken van een zogenaamde Hall-sensor. Daarvoor wordt de weerstandsdraad weggehaald en wordt op het asje een hoefijzermagneet bevestigd. Als de joystick beweegt, draait de hoefijzermagneet om de Hall-sensor heen. Zie figuur 3. De Hall-sensor bevindt zich dus in het homogene veld van de magneet.

De Hall-sensor bevat een geleidende strip waar geleidingselektronen vrij doorheen kunnen bewegen. Er loopt een stroom I door de Hall-sensor. Zie figuur 4. De bron die deze stroom levert, staat niet aangegeven in de tekening. Het homogene magneetveld staat in deze figuur loodrecht op de strip in de aangegeven richting.

[figuur 4: zie het originele examen]

Door de lorentzkracht op de elektronen bewegen de elektronen naar de zijkant van de strip. Daardoor ontstaat aan de ene kant een negatieve lading en aan de andere kant een positieve lading. Deze ladingsverdeling veroorzaakt een elektrisch veld EHall in de strip. Dit geeft over de breedte van de strip een spanning die de Hall-spanning U Hall genoemd wordt. Een bovenaanzicht van de strip is getekend in figuur 5. Op de uitwerkbijlage staat ook een bovenaanzicht van de strip getekend.

[figuur 5: zie het originele examen]

Vraag 20 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit in de figuur op de uitwerkbijlage:

  • Leg uit waar de negatieve lading ontstaat en waar de positieve lading ontstaat en geef dit aan in de witte cirkels.
  • Geef met een pijl de richting van het elektrisch veld EHall aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

Met een richtingsregel is te vinden dat de lorentzkracht naar boven staat. Dus zitten de elektronen aan de bovenkant en zit de positieve lading aan de onderkant. De richting van het elektrisch veld gaat van plus naar min, dus is het elektrisch veld naar boven gericht.

Op een gegeven moment is de elektrische kracht op de elektronen als gevolg van het elektrisch veld EHall even groot als de lorentzkracht op de elektronen. Voor de Hall-spanning geldt dan: U Hall = Bbv (1) U Voor een elektrisch veld geldt: E= (2) Δx

Hierin is:

  • UHall de Hall-spanning in V
  • B de grootte van het magneetveld in T
  • b de breedte van de strip in m
  • v de driftsnelheid (gemiddelde snelheid in de lengterichting van de strip) van de elektronen in m s−1
  • E de elektrische veldsterkte in V m−1
  • U de spanning in V
  • Δx de afstand waarover de spanning staat in m

Vraag 21 4 punten

Leid formule (1) voor de Hall-spanning af met behulp van formule (2) en formules uit een tabellenboek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: U U Hall FL = Fel → Bqv = qE → Bv = E = = → U Hall = Bbv Δx b

Als de joystick met het asje draait, staat het magneetveld niet meer loodrecht op de Hall-sensor. Daardoor verandert UHall.

In figuur 6 is schematisch de stand van de magneet ten opzichte van de Hall-sensor getekend wanneer de joystick recht omhoog staat. We noemen deze stand 0°. Als de joystick naar links beweegt, kan hij tot –90° draaien. Als hij naar rechts beweegt, kan hij tot 90° draaien.

[figuur 6: zie het originele examen]

In figuur 7 staan vier grafieken van UHall als functie van de stand van de joystick.

[figuur 7: zie het originele examen]

Vraag 22 3 punten

Leg uit welke grafiek (I, II, III of IV) UHall als functie van de hoek juist weergeeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De Hall-spanning is het grootst als het magneetveld loodrecht op het Hall- plaatje staat. Dat is dus bij –90⁰ en bij 90⁰. Figuur II en IV vallen dan af. De Hall-spanning is evenredig aan de component van de lorentzkracht evenwijdig aan het Hall-plaatje en daarmee evenredig met de sinus van de hoek en dus niet met de hoek zelf. Dus is het figuur I.

Opmerking Als de kandidaat redeneert vanuit de loodrechte component van het B-veld en concludeert dat deze component niet lineair verloopt, dit goed rekenen.

De sterkte van de gebruikte magneet is ongeveer 0,1 T.

Vraag 23 3 punten

Kies de beste schatting van de orde van grootte van de driftsnelheid zoals gebruikt in formule (1). Licht je antwoord toe. a 10-3 m s−1 b 10 m s−1 c 103 m s−1 d de lichtsnelheid

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De grootte van B is in de orde van 0,1 T. De grootte van de Hall-spanning is in de orde van 1 ·10 −6 V. De grootte van b is in de orde van 1 ·10 −2 m. Dus is de grootte van de snelheid in de orde van 10−3 m s −1 . Antwoord a.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-21-2-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over straling (6), energie en arbeid (5) en licht en lenzen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-21-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.