Eindexamen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Elektrische scooter, Lise Meitner, Dualiteit, Latin American Tower.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over licht en lenzen (6), geluid en trillingen (6) en straling (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Licht en lenzen16-216
Geluid en trillingen22-276
Straling10-12, 154
Krachten4, 6, 83
Elektriciteit1-22
Beweging5, 92
Magnetisme13-142
Energie en arbeid31
Grootheden en eenheden71

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over geluid en trillingen (22% van de vragen, gemiddeld 7%) en licht en lenzen (22% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en straling (15% van de vragen, gemiddeld 22%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Elektrische scooter

Mees heeft een elektrische scooter figuur 1 aangeschaft om daarmee naar school te reizen. Zie figuur 1. In het accupakket van de scooter kan volgens de fabrikant een energie van 1,74 kWh opgeslagen worden. Het opladen van de accu gebeurt met een oplader die via een elektriciteitskabel aangesloten wordt op de netspanning van 230 V. De oplader zet de netspanning om naar de laadspanning. Mees plaatst een stroommeter tussen het stopcontact en de oplader en meet de stoomsterkte tijdens het opladen.

Op de uitwerkbijlage staat een schematische tekening van het stopcontact, de stroommeter en de kabels naar de oplader en scooter.

Vraag 1 1 punt

Maak het schakelschema op de uitwerkbijlage compleet zodat de stroommeter de juiste stroomsterkte meet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als bijvoorbeeld door het tekenen van extra verbindingen een niet- werkende schakeling is ontstaan: geen punten toekennen.

Om 15.20 uur sluit Mees de scooter aan op de oplader. Op dat moment is de accu nog voor 35% opgeladen. Van het opladen heeft Mees een (I,t)-diagram gemaakt, zie figuur 2. Deze figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage.

[figuur 2: zie het originele examen]

Om 21.00 uur geeft de scooter aan dat de accu 100% opgeladen is. Mees bepaalt hoeveel energie er is gebruikt om de accu op te laden. Hij vindt 1,3 kWh.

Vraag 2 3 punten

Toon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat deze waarde klopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de energie om de accu op te laden geldt E = QU . Het oppervlak onder de (I,t)-grafiek geeft de totale lading Q in C. Dit oppervlak kan bepaald worden met drie rechthoeken: 1,15 · 2,0 · 3600 + 1, 25 · 2, 0 · 3600 + 0, 48 ·1, 7 · 3600 = 2, 02 ·104 C . Invullen geeft E = 230 · 2,1·104 = 4, 65 ·106 J = 1,3 kWh.

Opmerking Als de kandidaat de eenheid niet noteert, dit niet aanrekenen.

Vraag 3 4 punten

Bereken het rendement van het opladen. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: η = 0,87 (= 87%)

voorbeeld van een antwoord: Er is 1,3 kWh nodig om de accu van 35% tot 100% op te laden. Om de accu 1,3 van 0% tot 100% op te laden is dus = 2, 0 kWh nodig. 0, 65 Enuttig 1, 74 Het rendement van het opladen is η = = = 0,87 . Ein 2, 0

In het achterwiel van de scooter zit een elektromotor met een maximaal vermogen van 1,5 kW. De motor is elektronisch begrensd, waardoor de scooter maximaal 25 km h -1 kan rijden. Mees wil de maximum snelheid van scooter weten als deze onbegrensd zou zijn. Hij bepaalt de rol- en luchtweerstandskracht om deze snelheid te kunnen bepalen.

Voor het bepalen van de rolweerstandskracht voert Mees een experiment uit. Hij meet bij verschillende beginsnelheden v0 de afstand s die nodig is om tot stilstand te komen zonder de remmen te gebruiken. Hij voert de metingen uit op een vlakke, rechte, geasfalteerde weg. Omdat het die dag een beetje waait, besluit Mees de metingen ook uit te voeren in tegenovergestelde bewegingsrichting. Van zijn metingen heeft hij een tabel gemaakt (zie figuur 3).

[figuur 3: zie het originele examen]

v0 (km h −1 ) sheen (m) sterug (m) sgem (m)

4 4,2 5,2 4,7

5 6,6 8,0 7,3

6 8,5 10,0 9,3

7 10,8 12,8 11,4

8 14,4 17,0 15,7

9 18,2 20,1 19,1

Vraag 4 2 punten

Leg uit of Mees op de heenweg wind mee of wind tegen had.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit figuur 3 blijkt dat sheen consequent kleiner is dan sterug . De tegenwind levert een extra remkracht, waardoor de remweg korter is bij tegenwind. Dat betekent dat hij op de heenweg wind tegen had.

Mees breidt de tabel uit met een figuur 4 kolom voor de kinetische energie. Hij gebruikt daarbij de totale massa van zichzelf en de scooter samen. Vervolgens maakt hij een ( Ek , sgem ) -diagram en tekent hij een trendlijn door de eerste meetpunten om de rolweerstandskracht 𝐹 , te bepalen. Zijn resultaat is te vinden in figuur 4.

Vraag 5 2 punten

Leg uit waarom Mees alleen de eerste meetpunten kiest voor de trendlijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De luchtweerstandskracht is afhankelijk van de snelheid. Mees gebruikt alleen de meetwaarden bij lage kinetische energieën (en dus lage snelheden) om de invloed van de luchtweerstandskracht zo klein mogelijk te houden.

Vraag 6 2 punten

Bepaal de grootte van 𝐹 , . Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: Fw,rol = 25 N

voorbeeld van een antwoord: Uit de wet van arbeid en kinetische energie volgt dat ΣW = ΔEk . De arbeid wordt hier geleverd door de weerstand: W = Fw s . Omschrijven en invullen W Δ Ek geeft Fw = = . s s De steilheid van de trendlijn door de eerste punten van de grafiek geeft daarom de rolweerstandskracht. ΔE 500 Fw,rol = k = = 25 N Δsgem (20) trendlijn

Mees vereenvoudigt de formule voor Fw,lucht tot:

Fw, lucht = k · v 2 (1)

Vraag 7 3 punten

Leid de eenheid van k af in (grond)eenheden van het SI zoals vermeld in Binas-tabel 3a of Sciencedata-tabel 1.3a.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Fw, lucht Er geldt: k = . Invullen van de eenheden voor Fw,lucht en v geeft v2 kg m s -2 kg [ k ] = 2 -2 = . m s m

Mees bepaalt de (getals)waarde van de constante k. Hierbij gebruikt hij een waarde van 1,2 voor de luchtweerstandscoëfficiënt cw . Ook gebruikt hij de schematische tekening van de scooter die is weergegeven op de uitwerkbijlage.

Mees vindt voor de constante k een waarde van 0,4.

Vraag 8 4 punten

Toon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat deze waarde klopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Uit de rechterfiguur op de uitwerkbijlage volgt het frontale oppervlak A:

50 hokjes × 0,1 m × 0,1 m = 0,5 m2 . 1 Er geldt Fw,lucht = ρ cw Av 2 met ρ = 1,3 kg m−3 voor lucht en cw = 1, 2. 2

1 (1) Omschrijven en invullen geeft k = ρ cw A = ·1,3 ·1, 2 · 0,5 = 0, 4

2 (2)

Mees realiseert zich dat het verband tussen het vermogen dat de scooter levert (Pmotor) en de snelheid van de scooter (v) te beschrijven is met de volgende formule:

Pmotor = Fw,rol · v + k · v3 (2)

Omdat de bepaling in vraag 8 niet erg nauwkeurig uitgevoerd kan worden, lukt het Mees niet om de constante k op meer dan één significant cijfer te bepalen. Hij wil nagaan gaan wat hiervan de invloed is op de bepaling van de maximale snelheid van zijn scooter als die onbegrensd zou zijn. Met behulp van formule 2 maakt hij figuur 5, waarbij hij voor verschillende mogelijke waarden van k het verband tussen Pmotor en de snelheid berekend heeft. Figuur 5 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 5: zie het originele examen]

Met behulp van figuur 5 kan Mees de ondergrens en bovengrens bepalen van de maximale snelheid van zijn scooter als die onbegrensd zou zijn.

Vraag 9 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage zowel deze ondergrens als deze bovengrens, beide in km h -1. Noteer je antwoorden in drie significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: ondergrens v = 49,3 (km h -1 ) (met een marge van 0,7 km h −1 ) bovengrens v = 53,3 (km h -1 ) (met een marge van 0,7 km h −1 )

voorbeeld van een antwoord: Het vermogen van de motor is 1,5 kW. De bovengrens voor de maximale snelheid is 14,8 m/s = 53,3 km/h en de ondergrens is 13,7 m/s = 49,3 km/h.

Lise Meitner

[figuur 1: zie het originele examen] Lise Meitner (1878-1968, zie figuur 1) werd in totaal 48 maal genomineerd voor een Nobelprijs, maar kreeg de prijs nooit.

Rond 1910 deed Meitner onderzoek naar de eigenschappen van β−-straling. Ze gebruikte hierbij preparaten met thorium. Het bestaan van isotopen was in die tijd nog niet bekend. Nu weten we dat het preparaat niet alleen het instabiele Thorium-232 bevatte, maar ook alle vervalproducten van Thorium-232 (ook wel de vervalreeks genoemd). Deze vervalreeks eindigt bij het stabiele isotoop Pb-208.

In de vervalreeks van Th-232 zitten meerdere β−-stralers. Meitner was vooral geïnteresseerd in twee specifieke β−-stralers. Omdat Meitner nog niet in staat was om de afzonderlijke isotopen in het preparaat te identificeren, noemde ze deze β−-stralers ‘Th-A’ en ‘Th-B’. Zie figuur 2, de isotoop ’X’ is een onbekende α-straler.

[figuur 2: zie het originele examen]

Wat Meitner ‘Thorium A’ noemde blijkt een isotoop van lood te zijn.

Vraag 10 3 punten

Leg dit uit aan de hand van de laatste drie vervalprocessen van de vervalreeks in figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: α-verval leidt tot een afname van twee van het atoomnummer van de dochterkern. Bij β--verval neemt het atoomnummer toe met één. Omdat er twee keer β--verval optreedt en een keer α-verval tussen Th-A en 208Pb zal het atoomnummer netto hetzelfde blijven. (Hieruit volgt dat Th-A een isotoop is van het element lood.)

Een aantal van de gebruikte thorium-preparaten wordt nog steeds bewaard in het Max Planck Instituut in Berlijn. De activiteit van de twee β−-stralers, die beide een halveringstijd hebben van minder dan één dag, is in meer dan 100 jaar nauwelijks afgenomen.

Vraag 11 2 punten

Leg uit waardoor de activiteit van de twee β−-stralers constant is gebleven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De vervalreeks begint bij Thorium-232. Omdat dit isotoop een heel grote halveringstijd heeft (1,4·1010 j), zullen continu nieuwe β--stralers ontstaan. Daardoor blijven de hoeveelheid en de activiteit van de β--stralers constant.

Elk van de isotopen in de vervalreeks zendt gammafotonen uit met specifieke energieën. Daardoor straalt een Th-232-preparaat een herkenbaar spectrum van gamma-energieën uit. Figuur 3 geeft meetwaarden weer van een Th-232-preparaat.

[figuur 3: zie het originele examen]

Meitner gebruikte ijzeren plaatjes (dikte 2,5 mm) om haar meetinstrumenten van te maken. Dit materiaal houdt slechts een klein gedeelte van de gammafotonen van het preparaat tegen. In figuur 4 is voor ijzer de relatie weergegeven tussen de energie van de gammastraling en de halveringsdikte.

[figuur 4: zie het originele examen]

Vraag 12 4 punten

Bepaal hoeveel procent van de meest doordringende gammafotonen uit een Th-232-preparaat wordt tegengehouden door het ijzer.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 7(%)

voorbeeld van een antwoord: De meest doordringende gammafotonen hebben een energie van 2,63 MeV. De halveringsdikte van straling van 2,63 MeV bij ijzer bedraagt 2,35 cm. d

1 d Voor de doorgelaten intensiteit geldt: I = I 0 12 . Omschrijven en 2 0,11 I 1 invullen geeft = = 0,93 . Dus 100

  • 93 = 7% van de vrijgekomen I0 2 straling wordt tegengehouden.

Voor haar onderzoek naar β−-deeltjes ontwierp Meitner de zogenaamde magnetische spectrometer. Zie figuur 5.

[figuur 5: zie het originele examen]

Het thorium-preparaat is geplaatst bij I in figuur 5. Vervolgens wordt er een vacuüm gecreëerd in de spectrometer. De β−-straling komt door een spleet (II in figuur 5) met hoge snelheid een halfronde ruimte in. Onder invloed van een sterk homogeen magnetisch veld voeren de β--deeltjes een eenparige cirkelbeweging uit, waarna ze bij III op een fotogevoelige plaat terechtkomen. Op de plaats waar de β−-deeltjes het fotogevoelige materiaal treffen, vindt een verkleuring plaats. De verkleuring is een maat voor het aantal deeltjes dat op die locatie de plaat heeft getroffen.

Figuur 5 staat vereenvoudigd op de uitwerkbijlage.

Vraag 13 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit op de uitwerkbijlage:

  • Geef met een pijl de richting aan van de Lorentzkracht die in punt P op het β−-deeltje werkt.
  • Geef de richting aan van het magnetisch veld in de spectrometer. Licht je keuze toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Op het deeltje in punt P werkt een Lorentzkracht, gericht naar het middelpunt van de cirkelvormige baan. Uit de richting van het negatief geladen deeltje en met toepassing van een richtingsregel volgt dat het magnetisch veld het papier in gericht is.

ρ

Met haar magnetische spectrometer deed Meitner onderzoek aan de twee β−-stralers Th-A en Th-B. In figuur 6 is het meetresultaat van haar onderzoek, de fotogevoelige plaat, weergegeven. De linkerkant van de plaat bevond zich in de opstelling het dichtst bij de spleet (II in figuur 5).

[figuur 6: zie het originele examen]

Voor de straal van de cirkelbaan die een bètadeeltje aflegt in de spectrometer geldt:

p r= (1) Bq

Hierin is:

  • r de straal van de cirkelbaan
  • p de impuls van het β--deeltje
  • B de sterkte van het magnetisch veld in de spectrometer
  • q de lading van het β--deeltje

Vraag 14 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.
  • Leg met behulp van formule (1) en figuur 6 uit welke β−-straler, Th-A of Th-B, de meest energierijke β−-deeltjes produceert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

- Onder invloed van de Lorentzkracht voeren de bètadeeltjes een cirkelbeweging uit. De Lorentzkracht levert de middelpuntzoekende m v2 kracht, waardoor geldt: FL = Fmpz , dus B q v = . Hieruit volgt r mv p r= . Toepassen van p = mv levert r = . Bq Bq

- Omdat B en q constant zijn zullen deeltjes met meer energie, en dus met meer impuls, een grotere cirkelbaan beschrijven, en meer naar rechts op de fotogevoelige plaat terecht komen. Th-B heeft een grotere straal dan Th-A en levert dus de meest energierijke bètadeeltjes.

In eerdere onderzoeken werd via vergelijkbare experimenten het gedrag van α-deeltjes onderzocht. Hierbij produceerde elke α-straler een dunne scherpe lijn. Meitner was daarom erg verrast toen ze geen scherpe lijnen waarnam, maar brede verkleurde gebieden (zie figuur 6). Dit leek direct in te gaan tegen de wet van behoud van energie, want Meitner ging ervan uit dat er tijdens bètaverval een vaste hoeveelheid energie vrijkwam voor het β−-deeltje. Het duurde nog vele jaren voordat deze baanbrekende waarnemingen van Meitner verklaard konden worden. Bij β−-verval ontstaat naast het β−-deeltje namelijk nog een tweede deeltje, het neutrino.

Neutrino’s krijgen tijdens bètaverval niet allemaal dezelfde hoeveelheid energie mee.

Vraag 15 2 punten

Leg uit hoe dit volgt uit de meetresultaten van figuur 6.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De brede banden in de meetresultaten wijzen er op dat de bètadeeltjes van een β--straler niet allemaal dezelfde hoeveelheid energie hebben. Omdat de totale energie die vrijkomt tijdens β--verval constant is en de bètadeeltjes niet allemaal dezelfde energie meekrijgen, volgt hieruit dat ook de andere deeltjes niet dezelfde hoeveelheid energie meekrijgen.

Dualiteit

Een belangrijk principe in de quantumfysica is de golf-deeltjedualiteit. In deze opgave passen we dit dualiteitsprincipe toe op het dubbelspleet- experiment met licht. In dit experiment valt zichtbaar licht met één golflengte op twee smalle spleten en ontstaat op een scherm achter de spleten een interferentiepatroon van maxima en minima. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 16 1 punt

Geef de naam van het soort interferentie dat optreedt bij de pijl op het scherm in figuur 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: (Bij de pijl is een minimum zichtbaar.) Hier treedt destructieve interferentie op. (1)

Bij het dubbelspleet-experiment kan het interferentiepatroon alleen ontstaan als er bij elk van de twee spleten buiging optreedt.

Vraag 17 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit in welke orde van grootte de breedte van de spleten maximaal mag zijn om het patroon van figuur 1 mogelijk te maken. Kies hierbij uit: mm, μm, nm, pm.
  • Geef aan wat je op het scherm zou zien als er geen buiging zou zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

- Om de gewenste buiging te krijgen mogen de openingen een maximale breedte hebben in de orde van grootte van de golflengte van het zichtbare licht. De orde van grootte van de maximale breedte is μm.

- (Als er geen buiging optreedt kan er ook geen interferentie plaatsvinden.) Zonder interferentie zouden er slechts twee smalle lichte vlekken ontstaan op het scherm, recht achter de twee spleten.

Een moderne variant van het dubbelspleetexperiment is het zogenaamde kofferexperiment van de Universiteit Twente. Met dit kofferexperiment kan bijvoorbeeld tijdens een les natuurkunde geëxperimenteerd worden. De koffer bevat een opstelling met een laser. De laserbundel wordt gericht op een filter dat slechts een heel klein gedeelte van de fotonen doorlaat. De fotonen die worden doorgelaten gaan vervolgens door een dubbelspleet. In het gebied achter de dubbelspleet tellen 100 detectoren op een rij de inkomende fotonen. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

De aanwezigheid van de filter zorgt ervoor dat het vermogen van het laserlicht ( λ = 635 nm ) achter de filter extreem laag is, 5 ·10−10 W. Hierdoor zal in de praktijk op elk tijdstip gemiddeld maar één foton te vinden zijn in het gebied tussen de filter en de dubbelspleet.

Vraag 18 5 punten

Toon met een berekening aan dat dit klopt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De energie van één foton van 635 nm is gelijk aan h c 6, 63 ·10−34 · 3, 00 ·108 = −9 = 3,13 ·10 −19 J. Een vermogen van 5 ·10−10 J s −1 λ 635 ·10 P 5 ·10−10 komt overeen met N = = = 1, 6 ·109 fotonen per seconde. Dat Ef 3,13 ·10−19 geeft een gemiddelde afstand tussen twee opeenvolgende fotonen van c 3, 0 ·108 = = 0, 2 m. Deze afstand is in de orde van grootte van / groter N 1, 6 ·109 dan de afstand tussen filter en dubbelspleet. (Dus de uitspraak klopt.)

Het aantal getelde fotonen per detector (nfoton) kan tijdens het experiment zichtbaar gemaakt worden in een diagram. Hoe langer het experiment duurt, hoe meer fotonen door de spleten zijn gegaan en hoe duidelijker een patroon van pieken en dalen in het diagram zichtbaar wordt.

[figuur 3: zie het originele examen]

In figuur 3 is de situatie weergegeven nadat er 1,0 ·1010 fotonen zijn gedetecteerd. Uit figuur 3 volgt dat de kans (of waarschijnlijkheid) dat een foton in de centrale piek (van detector 43 tot en met detector 55) terechtkomt 47% is.

Vraag 19 2 punten

Leg uit hoe je deze kans kunt bepalen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De telwaarden van deze detectoren kunnen bij elkaar opgeteld worden. De kans dat een foton in de centrale piek terecht komt is gelijk aan deze som gedeeld door het totaal aantal van 1, 0 ·1010 fotonen.

Bente is aanwezig bij het kofferexperiment in haar klas. Zij vraagt zich af wat er gebeurt wanneer het allereerste foton door de opstelling gaat. Omdat het patroon van figuur 3 dan nog moet worden opgebouwd, denkt ze dat de kans 13% is dat de middelste detectoren (43 tot en met 55) dit eerste foton detecteren.

Vraag 20 2 punten

Leg uit of Bente gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De kans om het foton te meten in de centrale piek volgt uit de waarschijnlijkheidsverdeling. Deze is onafhankelijk van het aantal getelde fotonen en is ook al aanwezig bij het allereerste foton. Bente heeft dus geen gelijk.

In het kofferexperiment vertoont licht zowel golfgedrag als deeltjesgedrag (golf-deeltjedualiteit).

Vraag 21 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef een voorbeeld van het golfgedrag van licht tijdens het kofferexperiment.
  • Geef een voorbeeld van het deeltjesgedrag van licht tijdens het kofferexperiment.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

- Er ontstaat een interferentiepatroon. Het optreden van dit interferentiepatroon wijst op golfgedrag.

- Tijdens het kofferexperiment worden fotonen één-voor-één geteld bij de detectoren. Dit discrete gedrag wijst op deeltjesgedrag.

Latin American Tower

Op 19 september 1985 trilde de grond onder figuur 1 Mexico-Stad hevig gedurende drie minuten. Vele gebouwen stortten in, maar de 182 m hoge Latin American Tower (zie figuur 1) doorstond de aardbeving zonder noemenswaardige schade. Hetzelfde gold voor de meeste lage gebouwen in de stad.

Gebouwen hebben eigenfrequenties die gemeten kunnen worden. Wanneer een gebouw tijdens een aardbeving begint te trillen in zijn laagste eigenfrequentie (de grondtoon, f grond ), kunnen er ernstige beschadigingen aan het gebouw optreden.

De (u,t)-grafiek in figuur 2 laat een meting zien van de horizontale uitwijking van de top van de Latin American Tower na een kleinere aardbeving dan die van 1985. De toren trilde daarbij in haar grondtoon.

[figuur 2: zie het originele examen]

Figuur 2 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 22 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de frequentie van de grondtoon van de Latin American Tower. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: f grond = 0, 274 Hz (met een marge van 0,003 Hz )

voorbeeld van een antwoord: 29, 25 (1) Er passen 8 trillingen in 29,25 s. Dat geeft T = = 3, 66 s . Uit f =

8 T volgt f grond = 0, 274 Hz.

Op de uitwerkbijlage is de beweging van de top van de toren in de eerste seconden van de meting te zien.

Vraag 23 4 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de gemiddelde versnelling van de top van de Latin American Tower in het traject van u = 0, 20 m naar u = 0 m. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: agem = (−)0,39 m s -2 (met een marge van 0,03 ms−2 )

voorbeeld van een antwoord: Door een raaklijn te tekenen kan de snelheid op t = 0,92 s bepaald worden. Δx −0, 20

  • 0, 20 De steilheid van de raaklijn is = = −0,36 m s −1. Voor de Δt 1, 48
  • 0,36 Δv −0,36 gemiddelde versnelling geldt agem = = = −0,39 m s −2 . Δt 0,92

Voor haar profielwerkstuk onderzoekt Sara het trilgedrag van de Latin American Tower. Het trilgedrag van hoge gebouwen laat ook boventonen zien.

Bij een liniaal die aan één kant is ingeklemd zijn de grond- en boventonen te berekenen met: v f = (2n

  • 1) (1) 4l Hierin is:
  • f de frequentie van de grond- of boventoon
  • n een geheel getal dat verwijst naar de grond- of boventoon
  • v de golfsnelheid
  • l de lengte van de liniaal

Vraag 24 2 punten

Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: 1 Voor een aan één kant ingeklemde liniaal geldt: l = (2n

  • 1) λ. Substitutie, 4 v (2n
  • 1)v v = f λ → λ = , leidt tot l = . Dit is om te schrijven tot f 4f v f = (2n
  • 1) . 4l 1

In figuur 3 zijn twee van de gemeten boventonen van de Latin American Tower weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen] f (Hz) eerste boventoon van de Latin American Tower 0,654 tweede boventoon van de Latin American Tower 1,03

Sara formuleert de hypothese dat de verhouding tussen de eerste en de tweede boventoon van de Latin American Tower overeenkomt met die van een liniaal die aan één kant is ingeklemd.

Vraag 25 4 punten

Toon aan of Sara’s hypothese klopt binnen een marge van 10%.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

Uit formule (1) volgt dat de verhouding tussen de eerste ( n = 2 ) en tweede 3 ( n = 3 ) boventoon gelijk is aan = 0, 6 . Met een marge van 10% moet de 5 gemeten verhouding dan liggen tussen 0,54 en 0,66. De gemeten 0, 654 verhouding is = 0, 635 . De verhouding van de eerste en tweede 1, 03 boventoon van de Latin American Tower komt dus, binnen de marges, overeen met die van een liniaal die aan één kant ingeklemd is.

Van een groot aantal gebouwen zijn zowel de hoogte h als de grondfrequentie fgrond bepaald. In figuur 4 zijn deze meetwaarden uitgezet in een grafiek. In de grafiek is ook de trendlijn getekend. Deze geeft het gemeten verband weer tussen de grootheden h en f grond .

figuur 4 figuur 5

grondfrequentie hoogte (Hz) (m) 0,5 96 1,5 32 2,5 20 4,0 12

Sara vermoedt dat de trendlijn in figuur 4 een omgekeerd evenredig verband laat zien. Ze bepaalt van een aantal punten op de trendlijn de coördinaten. Haar resultaten zijn in figuur 5 weergegeven. Deze tabel staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 26 2 punten

Toon met behulp van de tabel op de bijlage aan of de vier punten aan een omgekeerd evenredig verband voldoen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor een omgekeerd evenredig verband geldt xy = constant. De ingevulde tabel wordt: grondfrequentie hoogte f grond h (Hz) (m) (m s −1 ) 0,5 96 5·101 1,5 32 (48) 2,5 20 (50) 4,0 12 (48)

Het product f grond h heeft (binnen de afleesnauwkeurigheid) een constante waarde. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een omgekeerd evenredig verband.

Opmerking Als de kandidaat de tabelkop in de derde kolom niet invult, dit niet aanrekenen.

Tijdens de aardbeving van 1985 begon de zachte bodem onder Mexico- Stad heftig te trillen. Vooral gebouwen met een hoogte tussen 25 m en

70 m liepen hierbij grote schade op. Uit dit gegeven kan, met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage, bepaald worden tussen welke twee waarden de frequentie van de bodemtrillingen waarschijnlijk heeft gelegen.

Vraag 27 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage deze minimum- en maximumfrequentie. Geef in de figuur iedere frequentie aan met een verticale lijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: minimum = 0,9 Hz (met een marge van 0,2 Hz) maximum = 1,8 Hz (met een marge van 0,2 Hz),

voorbeeld van een antwoord: De frequentie waarmee de bodem trilt moet samenvallen met de grondfrequentie van de gebouwen tussen 25 m en 70 m (er moet resonantie optreden). Het gebied van grondfrequenties waarbij zowel gebouwen van

25 m als die van 70 m aanwezig zijn loopt van 0,9 Hz tot 1,8 Hz.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2024, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-24-2-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over licht en lenzen (6), geluid en trillingen (6) en straling (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-24-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2024, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.