Eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Schakeling van LED’s, zon goed te observeren., Radon in de kelder, Parasailing, Compton, Viool.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over straling (9), elektriciteit (4) en astrofysica (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Straling | 8, 10-14, 18-19, 21 | 9 |
| Elektriciteit | 1-4 | 4 |
| Astrofysica | 5-7, 9 | 4 |
| Geluid en trillingen | 22-25 | 4 |
| Beweging | 15-16 | 2 |
| Krachten | 17 | 1 |
| Grootheden en eenheden | 20 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over straling (36% van de vragen, gemiddeld 20%) en geluid en trillingen (16% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%) en magnetisme (0% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Schakeling van LED’s
Twee leerlingen willen de stroom-spanning-karakteristiek van een (rode) LED opmeten. Daartoe maken ze een schakeling waarin opgenomen zijn: de LED, een weerstand die in serie staat met de LED, een spanningsbron, een spanningsmeter en een stroommeter. Deze zijn weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 1 3 punten
Teken op de uitwerkbijlage de benodigde verbindingen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als, bijvoorbeeld door het tekenen van extra verbindingen, een niet- werkende schakeling is ontstaan: maximaal 2 scorepunten toekennen.
In figuur 1 staat het resultaat van de metingen.
[figuur 1: zie het originele examen]
Bij een stroom van 10 mA door de LED, komen per seconde 4,2·1016 fotonen met een golflengte van 645 nm vrij.
Vraag 2 4 punten
Bepaal het rendement waarmee de LED bij deze stroomsterkte elektrische energie omzet in lichtenergie. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: η = 0, 70 = 70% (met een marge van 0,02 (2%))
voorbeeld van een berekening: Voor de energie van één foton geldt: hc 6,63 ·10−34 · 3,00 ·108 E= = −9 = 3,08 ·10−19 J. λ 645 ·10 Per seconde komt dus totaal aan lichtenergie vrij:
E = 4, 2 ·1016 · 3, 08 ·10−19 = 1,30 ·10−2 J. Voor het elektrisch vermogen van de LED geldt: P = UI = 1,85 · 0, 010 = 1,85 ·10−2 W. 1, 30 ·10 −2 Voor het rendement geldt dan: η = = 0, 70 = 70%. 1,85 ·10 −2
hc
Om ‘wit’ licht te maken zijn drie LED’s, een rode, een groene en een blauwe, vlak bij elkaar geplaatst. De menging van deze drie kleuren geeft de indruk van wit licht. De LED’s worden in serie geschakeld met een weerstand R en aangesloten op een spanningsbron van 9,0 V, zoals in figuur 2 is weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
In figuur 3 staan de stroom-spanning-karakteristieken van de drie LED’s.
[figuur 3: zie het originele examen]
De gewenste stroomsterkte door de LED’s bedraagt 10 mA.
Vraag 3 4 punten
Bepaal de grootte die de weerstand R moet hebben zodat hieraan voldaan is. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: R = 1, 7 ·102 Ω (met een marge van 0,1·102 Ω )
voorbeeld van een berekening: Voor de serieschakeling geldt: U batt = U R + U rood + U groen + U blauw = 9, 0 V. Bij 10 mA lezen we de spanning over de LEDs af: Urood = 1,85 V; Ugroen = 2,57 V; Ublauw = 2,85 V. Hieruit volgt: U R = 9,0
- (1,85 + 2,57 + 2,85) = 1,73 V. Voor de stroom door R geldt: I = 0,010 A. U 1, 73 Hieruit volgt: R = = = 173 Ω = 1,7 ·102 Ω. . I 0,010
Het kan voorkomen dat in het licht van deze LED’s samen te veel blauw zit. In dat geval willen de leerlingen de schakeling aanpassen zodat de stroomsterkte door de blauwe LED minder wordt, terwijl de stroomsterkte door de andere LED’s niet verandert. Ze doen dit door in de schakeling van figuur 2 twee (regelbare) weerstanden aan te brengen. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 4 2 punten
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de twee (regelbare) weerstanden op de juiste plaatsen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- inzicht dat een (regelbare) weerstand parallel staat aan de blauwe LED (1)
- inzicht dat een andere (regelbare) weerstand in de seriekring geplaatst moet worden (1)
zon goed te observeren.
In deze opgave bestuderen we de twee Lagrangepunten L1 en L2 die dichtbij de aarde liggen.
De ruimtesonde Soho bevindt zich in L1. In L1 heeft Soho net als de aarde een omlooptijd om de zon van één jaar. L1 bevindt zich tussen de aarde en de zon op 1,5 miljoen kilometer van de aarde. Zie figuur 1. In deze figuur zijn twee posities van de aarde, L1. en L2 weergegeven, met een tussentijd van ongeveer drie weken. Figuur 1 is niet op schaal. [figuur 1: zie het originele examen]
Voor de middelpuntzoekende kracht op de ruimtesonde geldt: 4π 2 mr Fmpz = (1) T2 Hierin is: m de massa van de ruimtesonde in kg r de straal van de baan in m T de omlooptijd in s
Vraag 5 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit.
- Leid formule (1) af met behulp van formules uit een tabellenboek.
- Leg met deze formule uit of Soho zonder de aanwezigheid van de aarde bij dezelfde omlooptijd verder van of dichter bij de zon zou staan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: mv 2 2πr
- Voor de middelpuntzoekende kracht geldt: Fmpz = met v = . r T 4π2 mr Invullen levert: Fmpz = . T2
- De gravitatiekracht van de aarde werkt in tegengestelde richting aan die van de zon. Zonder de gravitatiekracht van de aarde is de netto aantrekkingskracht groter. Uit de formule blijkt dat (bij gelijke m en T ) de baanstraal dan groter is.
mv 2 2πr
Soho bevindt zich in L1 op 148 miljoen kilometer van de zon en heeft een massa van 1850 kg.
Vraag 6 2 punten
Bereken de middelpuntzoekende kracht die in L1 op Soho moet werken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: Fmpz = 10,9 N
voorbeeld van een antwoord: 4π2 mr Er geldt: Fmpz = (2) , met m = 1850 kg, r = 1, 48 ·1011 m en T één jaar. T 4π2 ·1850 ·1, 48 ·1011 Invullen levert: Fmpz = = 10,9 N. (3,15 ·10 )
7 2
4π2 mr
De middelpuntzoekende kracht op Soho wordt geleverd door de gravitatiekracht van de zon en die van de aarde samen. Zie ook figuur 1.
Vraag 7 4 punten
Bereken de grootte van elk van deze gravitatiekrachten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: Fga = 0,33 N en Fgz = 11, 2 N
voorbeeld van een berekening: mM Er geldt: Fg = G 2 . r Voor de gravitatiekracht van de aarde op Soho geldt:
1850 · 5,972 ·1024 Fg = 6,674 ·10−11 = 0,33 N. ( 1,5 ·10 9 2 ) Voor de gravitatiekracht van de zon op Soho geldt:
1850 ·1,988 ·1030 Fg = 6, 674 ·10−11 = 11, 2 N. (1, 48 ·1011 2 ) mM
Opmerking Als één van de krachten berekend is, mag de andere kracht ook berekend worden met behulp van de waarde van de middelpuntzoekende kracht van vraag 6.
Soho bestudeert onder andere zonnevlekken. Dit zijn donkere vlekken op het oppervlak van de zon. Het spectrum van een zonnevlek is weergegeven in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 8 2 punten
Bepaal de temperatuur van deze zonnevlek. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: T = 5, 0 ·103 K
voorbeeld van een bepaling: Het spectrum van de zonnevlek vertoont een maximum bij λ = 580 nm.
methode 1 Dit komt overeen met de op één na laagste Planck-kromme uit BiNaS tabel
22 / de op twee na laagste Planck-kromme uit ScienceData tabel 5.1.f, en dus met T = 5, 0 ·103 K.
- gebruik van BiNaS tabel 22 / ScienceData tabel 5.1.f en completeren van de bepaling en significantie (1p)
of
methode 2 kW 2,9 ·10−3 Uit de wet van Wien volgt: T = = −7 = 5, 0 ·103 K. λmax 5,8 ·10
Lagrangepunt L2 bevindt zich op 1,5 miljoen kilometer afstand van de aarde aan de ‘buitenkant’ van de aardbaan. Zie figuur 1. L2 draait in één jaar met de verbindingslijn aarde-zon mee. L1, de aarde en L2 blijven in hun baan dus steeds op één lijn liggen.
In de tabel op de uitwerkbijlage worden vier grootheden van L1 en L2 met elkaar vergeleken.
Vraag 9 3 punten
Geef in de tabel op de uitwerkbijlage van elke grootheid van L1 aan of deze in vergelijking met dezelfde grootheid van L2 groter, gelijk of kleiner is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- antwoord: baanstraal r (L1) < r (L2 ) omlooptijd T (L1 ) = T (L2 ) baansnelheid v(L1) < v(L2 ) middelpuntzoekende kracht Fmpz (L1 ) < Fmpz (L2 ) indien vier antwoorden goed (3) indien drie antwoorden goed (2) indien twee antwoorden goed (1) indien één of geen antwoord goed (0) (3)
Radon in de kelder
Radon is een radioactief edelgas dat uit figuur 1 de bodem en uit bouwmaterialen vrijkomt en zich ophoopt in kelders en kruipruimtes als die slecht geventileerd worden. De meest voorkomende isotoop is Rn-222. In figuur 1 zijn het verval van Rn-222 en de daarop volgende vervalstappen met de bijbehorende halveringstijden schematisch weergegeven.
NB: uit de gegevens in het informatieboek zou ook een alternatieve vervalroute kunnen worden afgeleid. Deze komt echter zo weinig voor, dat we hem in deze opgave verwaarlozen.
De vier isotopen die in figuur 1 grijs zijn weergegeven worden ‘radondochters’ genoemd, omdat ze een veel kortere halveringstijd hebben dan Rn-222 zelf.
Als een Rn-222-kern vervalt, vervallen vrij snel daarna ook de radondochters.
Vraag 10 2 punten
Geef aan welke isotoop vervalproduct X is en geef de reden waarom het niet tot de radondochters wordt gerekend.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Het vervalproduct X van Po-214 is Pb-210. De halveringstijd van dit isotoop bedraagt 22 jaar. Dit is veel langer dan de halveringstijd van Rn-222. (En dus is Pb-210 geen radondochter).
Hoewel de toevoer van nieuw radon constant is, groeit de hoeveelheid radon in een gesloten kelderruimte niet eindeloos door. De activiteit A van het radon zal een bepaalde maximale waarde bereiken en daarna niet verder stijgen.
Vraag 11 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- leg uit waarom de activiteit A van Rn-222 een bepaalde maximale waarde niet overstijgt;
- leg uit waarom enkele uren na het bereiken van de maximale activiteit elk van de radondochters dezelfde activiteit heeft als Rn-222.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- De activiteit A van Rn-222 is evenredig met de hoeveelheid die aanwezig is. Er komt een moment waarop per seconde evenveel kernen vervallen als dat er nieuwe bijkomen. Vanaf dat moment is het aantal Rn-222-kernen constant en dus ook de activiteit.
- De radondochters hebben een veel kortere halveringstijd dan Rn-222, dus iedere keer als er een Rn-222-kern vervalt, vervallen de radondochters snel daarna.
De radondochters hechten zich aan microscopische stofdeeltjes die in de lucht zweven. De lucht in een gesloten kelderruimte bevat dus radon en radondochters. De aanwezigheid van de radondochters kan op de volgende manier aangetoond worden met behulp van een elektrisch geladen ballon. Een gewone ballon wordt opgeblazen, opgewreven (om hem elektrisch te laden) en dan in de kelderruimte gehangen. De geladen ballon trekt stofdeeltjes uit de omgeving naar zich toe en wordt radioactief.
Na een half uur wordt de ballon weggehaald en voorzichtig lek geprikt. De leeggelopen ballon wordt in een bakje gelegd en onder een Geigerteller gezet. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Een Geigerteller kan alfadeeltjes, bètadeeltjes en gammastraling meten. In dit geval is de instelling zo dat alleen bètadeeltjes worden geregistreerd.
Vraag 12 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Beschrijf een eenvoudige manier om te controleren dat er inderdaad geen alfadeeltjes geregistreerd worden,
- Beschrijf een eenvoudige manier om te controleren dat er inderdaad geen gammastraling geregistreerd wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Leg een velletje papier tussen de radioactieve bron en de Geigerteller. Als hierdoor de gemeten activiteit niet (of nauwelijks) afneemt, worden geen alfadeeltjes gemeten.
- Leg een (dun) plaatje metaal tussen de radioactieve bron en de Geigerteller. Als hierdoor de gemeten activiteit (vrijwel) nul wordt, worden geen gammadeeltjes gemeten.
Opmerking Als de kandidaat in plaats van papier of metaal een ander geschikt materiaal noemt kunnen alle scorepunten worden toegekend.
In figuur 3 staat het resultaat van een meting.
[figuur 3: zie het originele examen]
Het verloop wijkt af van een gewone vervalcurve.
Vraag 13 2 punten
Geef daarvoor twee oorzaken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Een gewone vervalcurve heeft betrekking op één isotoop en hier worden twee isotopen tegelijkertijd gemeten.
- Er vindt ook nieuwe aanmaak van de isotopen plaats.
De normwaarde voor de radonactiviteit in gesloten kelderruimtes bedraagt
100 Bq per m3 voor de isotoop Rn-222. De activiteit van Rn-222 kan worden bepaald uit die van de radondochters. De activiteit van elke radondochter is gelijk aan de activiteit van het aanwezige radon, omdat dit radon al lang geleden de maximale activiteit heeft bereikt. Ga ervan uit dat de Geigerteller 1/6 van de uitgezonden bètadeeltjes opvangt.
Vraag 14 4 punten
Ga na, met behulp van een bepaling, of de radonactiviteit in de lucht van de kelder de normwaarde overschrijdt. Neem daarbij aan dat de geladen ballon alle radondochters in een volume van 1 m3 heeft aangetrokken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De Geigerteller registreert in het begin ongeveer 29000 deeltjes in 29000
5 minuten. Dit komt overeen met = 96, 7 deeltjes per seconde. 300 Deze zijn in gelijke mate afkomstig van Bi-214 en Pb-214. 96, 7 Per isotoop dus = 48 deeltjes per seconde. Oorspronkelijk zijn 2 daarvoor dus 48 kernen van Rn-222 per seconde vervallen. Het werkelijk aantal uitgezonden deeltjes is een factor 6 groter. De activiteit van elk isotoop en dus ook van Rn-222 bedraagt dus
6 · 4 8 = 2 8 8 B q. Dit is meer dan de norm van 100 Bq.
Opmerking Het laatste scorepunt voor completeren kan alleen behaald worden als het eerste scorepunt is behaald.
Parasailing
Bij ‘parasailing’ wordt iemand voortgetrokken door een motorboot terwijl hij of zij aan een parachute hangt. Zie figuur 1. In figuur 2 is de situatie schematisch weergegeven. Deze figuur is op schaal.
figuur 1 figuur 2
Als de motorboot vertrekt, staat de parachutist op het strand. Als de kabel strak komt te staan, gaat de parachutist omhoog. In figuur 3 staat het (v,t)-diagram van de beweging van de boot.
[figuur 3: zie het originele examen]
Figuur 3 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 15 3 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de afstand die de boot heeft afgelegd op t = 8,0 s. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: s = 13 m (met een marge van 1 m ).
voorbeeld van een antwoord: De oppervlakte onder het (v,t)-diagram tot t = 8,0 s is 6,5 hokje. Elk hokje komt overeen met 2, 0 m . De afgelegde afstand tot t = 8,0 s is dus 13 m.
Vraag 16 3 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de versnelling van de boot op tijdstip t = 6,0 s. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: a = 0,88 m s −2 (met een marge van 0, 06 m s −2 ).
voorbeeld van een bepaling: De versnelling kan bepaald worden uit de helling van (de raaklijn aan) het Δv (v,t)-diagram. Voor de versnelling geldt: a = = 0,88 ms−2 Δt
Punt P in figuur 2 is het punt waar de parachutist vastzit aan het koord en aan de parachute. In punt P werken drie krachten:
- F1: de zwaartekracht op de parachutist,
- F2: de kracht van de parachute,
- F3: de spankracht van het koord naar de boot.
De figuur op de uitwerkbijlage geeft de situatie weer, waarbij de snelheid van de parachutist constant is. In deze figuur is de zwaartekracht F1 op schaal getekend. De massa van de parachutist bedraagt 85 kg. De richting van de kracht van de parachute F2 is ook aangegeven.
Vraag 17 4 punten
Bepaal in de figuur op de uitwerkbijlage met behulp van een constructie de grootte van kracht F2. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: F2 = 1, 7 ·103 N (met een marge van 0,3 ·103 N )
voorbeeld van een bepaling:
De lengte van de vector F2 kan worden opgemeten als 39 mm. De schaalfactor kan worden bepaald met behulp van de vector F1 die een lengte heeft van 19 mm.
39 39 (3) Er geldt: F2 = mg = · 85 · 9,81 = 1,7 ·10 N.
19 (19)
Compton
In 1905 introduceerde Albert Einstein het figuur 1 fotonmodel voor straling, waarvoor hij pas in
1926 de Nobelprijs kreeg. Het duurde namelijk tot 1923 voordat dit model algemeen geaccepteerd werd. Het was Arthur Compton (zie figuur 1) die toen het fotonmodel toepaste in de verklaring voor de verstrooiing van röntgenstraling door de elektronen in grafiet. In
1927 ontving Compton hiervoor de Nobelprijs.
[figuur 2: zie het originele examen]
In figuur 2 staat het zogenaamde comptoneffect schematisch weergegeven. Een invallend röntgenfoton botst hierbij op een stilstaand vrij elektron. Het röntgenfoton wordt verstrooid en het elektron krijgt een snelheid v . Het invallende röntgenfoton heeft een golflengte λ en het verstrooide foton een golflengte λ’. Omdat een foton als een deeltje beschouwd wordt heeft het ook een h impuls. Hiervoor geldt p = λ
Vraag 18 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit dat de golflengte λ’ groter is dan de golflengte λ.
- Leg uit dat de impuls van het verstrooide foton kleiner is dan die van het invallende foton.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Voor de botsing geldt de wet van behoud van energie: Ef, voor = Ef, na + Ek, elektron Hieruit volgt dat moet gelden: Ef, na < Ef, voor hc hc Dit levert: < ⇔ λ'>λ λ' λ h
- Voor de impuls van het foton geldt: p = . λ Als de golflengte toeneemt zal de impuls van het foton dus afnemen.
Voor het meten van de verstrooiing figuur 3 van röntgenstraling gebruikte Compton de opstelling zoals weergegeven in figuur 3. In deze opstelling wordt röntgenstraling op een blokje grafiet geschoten. De intensiteit van de verstrooide straling wordt door een detector gemeten als functie van de golflengte. De detector kan om het grafiet gedraaid worden waarbij de hoek φ varieert van 0o tot 135o.
In figuur 4 staan de meetresultaten figuur 4 van Compton weergegeven voor een hoek ϕ van 135°. Er zijn duidelijk twee pieken te zien, bij golflengtes λ en λ ′ . Om dit resultaat te verklaren nam Compton aan dat er twee mogelijkheden zijn:
1 De fotonen kunnen verstrooien aan elektronen die gebonden zijn aan de grafietatomen. Hierbij verandert de golflengte van de fotonen niet.
2 De fotonen kunnen verstrooien aan de vrije elektronen in het grafiet. Hierbij verandert de golflengte van de fotonen wel.
Op basis van deze aannames en Einsteins fotonmodel leidde Compton af dat er een relatie bestaat tussen de verstrooiingshoek φ en het gemeten verschil in golflengte tussen λ en λ ′ . Deze relatie wordt beschreven met de formule van Compton: h Δλ = λ '− λ = (1
- cosϕ ) mc Hierin is:
- Δλ het verschil in golflengte
- φ de verstrooiingshoek
- h de constante van Planck
- m de massa van een elektron
- c de lichtsnelheid
Als de hoek φ kleiner wordt gemaakt dan 135° zal de afstand tussen de pieken in figuur 4 veranderen.
Vraag 19 3 punten
Leg voor elk van beide pieken uit of deze naar links zal verschuiven, naar rechts zal verschuiven of op dezelfde plaats zal blijven.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De linker piek in figuur 4 zal op dezelfde plaats blijven. Deze piek wordt immers veroorzaakt door de fotonen die geen verandering in golflengte laten zien. Als de hoek φ kleiner wordt dan 135° zal de factor cos ϕ veranderen. De factor (1
- cos ϕ ) wordt daarbij kleiner. Volgens de formule h Δλ = λ '− λ = (1
- cos ϕ ) zal het verschil in golflengte Δλ dan kleiner mc worden. De rechter piek verplaatst daarmee naar links.
De meetresultaten van Compton figuur 5 zijn weergegeven in figuur 5. Passend bij de meetpunten is een rechte lijn door de oorsprong getrokken.
h De factor uit de formule van Compton mc wordt ook wel de comptongolflengte voor een elektron genoemd.
Vraag 20 3 punten
Toon aan dat de comptongolflengte de eenheid m heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: h De comptongolflengte is gelijk aan de factor . mc Voor de eenheid geldt: [ h] = J ·s = N · m ·s = kg · m s −2 · m · s = m. [ m ][c ] kg · m s −1 kg · m s −1 kg · m s −1
Figuur 5 stemt overeen met de formule van Compton.
Vraag 21 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit dat volgens de formule van Compton de lijn door de meetpunten een rechte lijn door de oorsprong moet zijn.
- Bepaal de comptongolflengte uit figuur 5. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
- Toon aan dat deze waarde binnen een marge van 5% overeenkomt h met de theoretische waarde van de factor . mc
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Op de horizontale as staat de waarde (1
- cos ϕ ) uitgezet en op de verticale as Δ λ . Volgens de formule van Compton is Δ λ evenredig met (1
- cos ϕ ) , dus moet de bijhorende grafiek een rechte lijn door de oorsprong zijn.
h
- De comptongolflengte is de evenredigheidsconstante en volgt dus mc uit de steilheid van de grafiek. Voor de steilheid van de grafiek geldt: Δ ( Δλ ) 0, 0040 ·10−9 = = 2, 4 ·10−12 m. Δ (1
- cos ϕ ) 1, 7
h Voor de theoretische waarde van de factor geldt: mc h 6, 63 ·10 −34 = = 2, 43 ·10 −12 m. mc 9,11 ·10−31 · 3, 00 ·108 2, 43
- 2, 4 De experimentele waarde wijkt dus = 1% van de theoretische 2, 43 waarde. (Dit is inderdaad minder dan 5%.)
Viool
Figuur 1 is een foto van een viool. In de foto zijn enkele onderdelen benoemd.
[figuur 1: zie het originele examen]
Met een microfoon is het geluid opgenomen dat ontstaat bij het aanstrijken van een snaar. Op een computerscherm wordt het (u,t)-diagram van figuur 2 zichtbaar. Het geluid blijkt een combinatie van verschillende tonen. De toon met de kleinste frequentie is de grondtoon.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 22 3 punten
Bepaal de frequentie van de grondtoon van deze snaar. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: f = 2, 6 ·102 Hz
voorbeeld van een bepaling: Voor 2 perioden wordt een afstand gemeten van 7,8 cm. Dat komt overeen met een tijd van 7,8 ·10−3 s. 7,8 ·10 −3 Daarmee geldt: T = = 3,9 ·10 −3 s. 2
1 (1) Er geldt: f = = . T 3,9 ·10−3 Hieruit volgt: f = 2,6 ·102 Hz.
De onderste snaar in figuur 1 is de E-snaar. Na aanstrijken hiervan ontstaat in de snaar een staande transversale golf met knopen op de kam en op het kielhoutje. Zie figuur 1. De frequentie van de grondtoon van de E-snaar is 660 Hz.
Vraag 23 3 punten
Bereken de voortplantingssnelheid van de golven in de E-snaar.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: v = 425 m s−1
voorbeeld van een berekening: v = f λ. Hierin is 12 λ = 32, 2 ·10
- 2 m zodat v = 2 · 32, 2 ·10−2 · 660 = 425 ms −1.
Voor de frequenties van de tonen van een snaar geldt:
fn = nfgrondtoon (1)
Hierin is n een positief geheel getal, waarbij n = 1 de grondtoon aangeeft en n = 2, 3, ... de boventonen.
Vraag 24 3 punten
Leid formule (1) af met behulp van formules uit een tabellenboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor staande golven in een snaar met lengte λ geldt: λ = n · 12 λ . Dus voor 2λ de golflengtes van de grondtoon en boventonen geldt: λn = . n v v Voor de frequentie geldt: f = . Combineren geeft: f n = n . λ 2λ v Dus f n = nf grondtoon met fgrondtoon = . 2λ
Naast de E-snaar bevindt zich de A-snaar. De frequentie van de grondtoon van de A-snaar is lager dan die van de E-snaar. Wanneer de viool zuiver gestemd is, is de verhouding van deze frequenties 2 : 3. Door deze manier van stemmen zijn er frequenties die zowel bij een boventoon van de A-snaar horen als bij een boventoon van de E-snaar.
Vraag 25 2 punten
Geef twee van die frequenties. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor de frequenties van boventonen in een snaar geldt f n = n · f grondtoon . De frequenties van de grondtonen verhouden zich als 2 : 3. Als de factoren n in bovenstaande formule zich voor de twee snaren verhouden als 3 : 2, geeft dit dezelfde frequentie van de boventonen. Dit is dus het geval bij f = 1320 Hz en f = 2640 Hz enz.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1023-a-22-3-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over straling (9), elektriciteit (4) en astrofysica (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1023-a-22-3-c).
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.