Eindexamen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Lampjespracticum, Springende hydrogelballetjes, Sterrenlicht, Experiment van Millikan, Lever zichtbaar maken, WASP.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over elektriciteit (8), energie en arbeid (4) en astrofysica (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Elektriciteit1-4, 13, 15-178
Energie en arbeid5-84
Astrofysica20-234
Licht en lenzen9-113
Straling18-192
Grootheden en eenheden121
Krachten141

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over elektriciteit (35% van de vragen, gemiddeld 11%) en energie en arbeid (17% van de vragen, gemiddeld 6%). Minder over straling (9% van de vragen, gemiddeld 22%) en beweging (0% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Lampjespracticum

In een practicum worden de eigenschappen van een gloeilampje onderzocht. In figuur 1 is hiervan het (I,U)-diagram weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 1 3 punten

Leg met behulp van figuur 1 uit of het lampje beschouwd kan worden als een PTC of als een NTC. figuur 2 Twee van deze lampjes worden in serie aangesloten op een regelbare gelijkspanningsbron. Zie figuur 2. Een spanningsmeter wordt toegevoegd aan de schakeling om de spanning over lampje L1 te meten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: U In figuur 1 is te zien dat , dus de weerstand, groter wordt als I groter I wordt. Bij een grotere stroomsterkte zal ook de temperatuur van het gloeilampje toenemen. De weerstand neemt dus toe als de temperatuur toeneemt. Het lampje kan dus beschouwd worden als een PTC.

De spanningsbron wordt zo ingesteld dat de spanningsmeter 5,0 V aangeeft.

Vraag 2 4 punten

Bepaal met behulp van figuur 1 de grootte van de totale weerstand van beide lampjes samen. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 1,6·102 Ω

voorbeeld van een antwoord: De stroomsterkte door L1 bij U = 5, 0 V is 64 mA. U 5, 0 Voor de weerstand van L1 geldt: R = = = 78,1 Ω . De lampjes staan I 0, 064 in serie, dus de vervangingsweerstand is gelijk aan 2R , dus 1,6·102 Ω.

  • completeren van de bepaling en significantie (1p)

opmerking Als de kandidaat het inzicht in de serieschakeling niet toont, kan ook de laatste deelscore niet toegekend worden.

Vervolgens wordt parallel aan lampje L1 een ohmse weerstand toegevoegd. De bronspanning blijft gelijk en toch gaan beide lampjes hierdoor anders branden. Met een stroommeter wordt de totale stroomsterkte gemeten.

Vraag 3 2 punten

Maak op de uitwerkbijlage het schakelschema van de opstelling compleet, inclusief beide meters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • stroommeter in de hoofdtak in serie met de spanningsbron en spanningsmeter parallel aan lampje L1 (1p)

opmerking Als bijvoorbeeld door het tekenen van extra verbindingen een niet- werkende schakeling is ontstaan: maximaal 1 scorepunt toekennen

Vraag 4 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit of de totale stroomsterkte nu groter of kleiner is geworden.
  • Leg voor elk lampje uit of dit nu feller of minder fel brandt dan eerst.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Door de extra (parallelle) weerstand wordt de weerstand van het linkerdeel van de serieschakeling kleiner en dus wordt de totale weerstand van de schakeling kleiner. Omdat de bronspanning gelijk blijft wordt dus de totale stroomsterkte groter.
  • De stroomsterkte door L2 is gelijk aan de totale stroomsterkte, dus dit lampje zal feller branden. Omdat de stroomsterkte door L2 groter wordt, wordt de spanning over L2 groter. Omdat de totale spanning gelijk blijft, wordt dus de spanning over L1 kleiner. Dit lampje zal dus minder fel branden.

Springende hydrogelballetjes

Op internet zijn verschillende filmpjes te vinden van hydrogelballetjes, die in een hete koekenpan hevig op en neer stuiteren. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen] Hydrogelballetjes zijn elastische balletjes die voor het grootste deel uit water bestaan. Ze hebben een massa van 1,75 gram per balletje.

Nathalie en Karim zijn gefascineerd door de filmpjes en onderzoeken de beweging van de hydrogelballetjes. In hun eerste experiment laten ze een hydrogelballetje los vanaf een hoogte van 9,2 cm boven een koude koekenpan. Met behulp van videometen maken ze een ( y,t)-diagram van de beweging van het balletje. Zie figuur 2. Hierin is y de positie van de onderkant van het balletje.

[figuur 2: zie het originele examen]

De hele stuiterbeweging is de beweging van top tot top. Nathalie en Karim delen deze beweging op in drie delen: I het naar beneden vallen van het balletje II het stuiteren op de koekenpan, dit noemen ze de “stuit” III het naar boven bewegen van het balletje

Na een stuit bereikt het balletje een kleinere maximale hoogte dan daarvoor. Het balletje verliest dus energie.

Op de uitwerkbijlage staat een deel van figuur 2 vergroot weergegeven.

Vraag 5 3 punten

Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het energieverlies van het balletje tijdens de eerste hele stuiterbeweging. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 4,1·10−4 J

voorbeeld van een antwoord: Het balletje wordt losgelaten op een hoogte van 9,2 cm. In de figuur is te zien dat het balletje na de stuit een hoogte bereikt van 6,8 cm. De afname in zwaarte-energie is dus: Δ Ez = mg Δh = 1, 75 ·10 −3 · 9,81 · 0, 02 4 = 4,1 ·10−4 J .

Nathalie en Karim willen weten wat de oorzaak van het energieverlies is. Daarvoor hebben ze twee mogelijkheden bedacht:

1 Het energieverlies wordt veroorzaakt door luchtweerstand.

2 Het energieverlies wordt veroorzaakt tijdens de stuit.

mogelijkheid 1 Het energieverlies door de luchtweerstand kan berekend worden uit de beginhoogte van 9,2 cm en de snelheid waarmee het balletje de pan raakt. Helaas blijkt de bepaling van deze snelheid uit de beschikbare metingen zo onnauwkeurig te zijn dat het energieverlies zowel 0% als 13% kan zijn en alles daar tussenin.

Vraag 6 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de snelheid waarmee het balletje de pan raakt als het energieverlies door luchtweerstand gelijk is aan 13%.
  • Toon aan dat deze snelheid zonder energieverlies door luchtweerstand even groot is, als je de berekende snelheden in het juiste aantal significante cijfers noteert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 1,3 ms−1

voorbeeld van een antwoord:

  • bij 13% energieverlies: Ek = 0,87 Ez , dus v = 0,87 · 2 gh = 0,87 · 2 · 9,81 · 0, 092 = 1, 25 m s −1
  • bij 0% energieverlies: Ek = Ez , dus v = 2 gh = 2 · 9,81 · 0, 092 = 1, 34 m s −1 Aangezien de beginhoogte gegeven is in twee significante cijfers, moet de berekende snelheid ook in twee cijfers genoteerd worden, dus in beide gevallen 1,3 m s−1.

Opmerking Als de kandidaat het verliespercentage toepast op de berekende snelheid, maximaal 1 scorepunt toekennen

mogelijkheid 2

Vraag 7 4 punten

Leg uit hoe je met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage zou kunnen bepalen hoe groot het energieverlies, in procenten, is tijdens de stuit. Laat duidelijk zien hoe je de figuur hierbij moet gebruiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • inzicht dat de hellingen van de raaklijnen bepaald moet worden (1)
  • tekenen van de raaklijnen vlak voor en direct na de stuit (1)
  • inzicht dat Ek berekend moet worden (1)
  • inzicht dat energieverli es = k,voor (·1 0 0%) (1)

Helaas blijken de metingen van Nathalie en Karim te onnauwkeurig om te bepalen wat de oorzaak van het energieverlies is. Onderzoekers in Leiden hebben het gedrag van de hydrogelballetjes ook onderzocht. Om het energieverlies nauwkeurig te kunnen bepalen hebben zij de stuiterbeweging gefilmd met een hogesnelheidscamera. Ze lieten de balletjes van verschillende hoogtes vallen op een koude koekenpan. Bij elke valhoogte h bepaalden zij hoe groot het energieverlies is bij één stuiterbeweging. Zie figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vervolgens lieten de onderzoekers de balletjes vallen op een hete koekenpan. Ze namen waar dat de balletjes gedurende enkele minuten bleven stuiteren en dat hun stuiterhoogte al na een paar seconden niet meer afnam. Dit laatste noemen we de ‘stabiele situatie’. De massa van de balletjes verandert in deze situatie niet. In figuur 4 is het y(t)-diagram weergegeven van balletjes die stuiteren op een hete koekenpan.

[figuur 4: zie het originele examen]

De figuren 3 en 4 zijn vergroot op de uitwerkbijlage weergegeven.

Vraag 8 2 punten

Bepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage hoeveel energie de hete koekenpan per stuit overdraagt aan het balletje tijdens de stabiele situatie. Noteer je antwoord in één significant cijfer.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 9 ·10−5 J of 1·10−4 J

voorbeeld van een antwoord: In figuur 4 is te zien dat bij een stuiterhoogte van ongeveer 4 cm deze niet verandert. In figuur 3 is af te lezen dat dan de energie-overdracht per stuit gelijk is aan 1·10−4 J .

Sterrenlicht

Het spectrum van een ster is een belangrijke bron van informatie over de natuurkundige eigenschappen ervan. Om dit spectrum zichtbaar te maken is niet per se een dure ingewikkelde professionele telescoop nodig. Dit kan al met een amateurtelescoop en een gewone digitale camera waar een tralie voor geplaatst wordt. Zie figuur 1. [figuur 1: zie het originele examen]

De afbuighoek α van de eerste-orde-maxima hangt af van de kleur van het sterrenlicht. De cameralens beeldt deze maxima af op een beeldchip. Hierbij geldt: hoe groter hoek α, des te verder het afgebeelde maximum van het midden van de chip ligt.

Op de chip worden nu beide eerste-orde-spectra van de ster zichtbaar. Het nulde-orde-maximum is een afbeelding van de ster zelf. Zie figuur 2. [figuur 2: zie het originele examen]

Er zijn tralies verkrijgbaar met 200 lijnen per millimeter en met 100 lijnen per millimeter. Met beide tralies worden de eerste-orde-spectra op de chip afgebeeld. Om deze spectra zo nauwkeurig mogelijk te kunnen waarnemen moet de afbeelding zo groot mogelijk zijn.

Vraag 9 2 punten

Leg uit welke van de tralies hiervoor gekozen moet worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Het tralie met 200 lijnen per millimeter heeft de kleinste tralieconstante d. Voor de afbuighoek geldt dat d sin α = nλ , dus bij de kleinste d hoort de grootste α . Bij dit tralie is dus de afbeelding het grootst. (En dus moet het tralie met 200 lijnen pet millimeter gekozen worden.)

In figuur 2 zijn met Gr de plekken aangegeven waar groen licht, met een golflengte van 0,58 μm, wordt afgebeeld. Het gebruikte tralie heeft

100 lijnen per millimeter.

Vraag 10 3 punten

Bereken de afbuighoek α waarover het licht met deze kleur door het tralie wordt afgebogen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 3,3°

voorbeeld van een antwoord: nλ Voor de afbuighoek geldt: d sin α n = nλ , dus sin α n = . d 1 De tralieconstante is gelijk aan: d = −1 = 1, 00 ·10−5 m .

100 mm 1· 0,58 ·10−6 Invullen van de gegevens geeft: sin α = = 0, 058 , dus α = 3,3° . 1, 00 ·10−5

Luna vergelijkt de afbeelding die met behulp van een tralie gemaakt wordt met het interferentiepatroon van een dubbele spleet. Zij weet dat dit interferentiepatroon een weergave is van de waarschijnlijkheid om het foton op een bepaalde plaats te kunnen detecteren. Bij een tralie liggen de plaatsen van de maxima op de chip bij een gegeven golflengte vast. Hieruit concludeert Luna dat fotonen met dezelfde golflengte bij een tralie op dezelfde plaats op de chip vallen en dat er dus geen sprake is van een waarschijnlijkheidsverdeling voor de detectie van fotonen op de chip.

Vraag 11 2 punten

Leg uit dat Luna geen gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bij een tralie ontstaan meerdere maxima per golflengte. Het is dus nog steeds niet mogelijk om precies te voorspellen op welke plaats een foton op de chip valt. Er is dus wel degelijk sprake van een waarschijnlijkheidsverdeling. (Dus Luna heeft geen gelijk.)

Experiment van Millikan

In 1909 voerden Robert Millikan en Harvey Fletcher een experiment uit waarmee ze de lading van het elektron bepaalden. In figuur 1 staat een opstelling voor dit experiment afgebeeld. In figuur 2 is de opstelling schematisch weergegeven. In het bovenste gedeelte wordt olie verneveld tot kleine druppeltjes. De druppeltjes krijgen met behulp van ioniserende straling een lading. Door een kleine opening in de bovenste van twee platen kunnen enkele druppels omlaag vallen in het onderste gedeelte. Tussen deze platen kan een homogeen elektrisch veld gecreëerd worden door een spanningsbron aan te sluiten op de platen. Wanneer daar geen spanning over staat, vallen de druppels naar beneden. Als er wel een spanning staat kunnen de druppels ook omhoog bewegen. Tijdens het experiment lieten Millikan en Fletcher een druppel een aantal keren op en neer bewegen.

figuur 1 figuur 2

Om de lading van één zo’n druppel te bepalen moet eerst de straal van die druppel bepaald worden. Deze kan bepaald worden door de valsnelheid van de druppel te meten op het moment dat er geen spanning over de platen staat. Tijdens het vallen werken er dan twee krachten op de druppel, de zwaartekracht Fz en de wrijvingskracht Fw. Voor de wrijvingskracht geldt: Fw = 6πη rv (1)

Hierin is:

  • η de viscositeit van de lucht, ook wel stroperigheid genoemd
  • r de straal van de druppel
  • v de snelheid van de druppel

De grootte van de viscositeit is 1,828 ·10−5 , uitgedrukt in SI-eenheden.

Vraag 12 3 punten

Leid met behulp van formule (1) de eenheid van de viscositeit η af in (grond)eenheden van het SI, zoals ze staan in Binas-tabel 3A en ScienceData-tabel 1.3a.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Fw Omschrijven van formule (1) geeft: η = . 6πrv [F ] N Dus voor de eenheden geldt: [η ] = w = . [r ][v] m m s −1 kg m s −2 Invullen van N = kg ms−2 geeft uiteindelijk: [η ] = −1 = kg m −1 s −1 . m ms

Opmerking Als de kandidaat het tweede scorepunt niet behaalt mag het laatste scorepunt niet worden toegekend.

De bolvormige druppel valt met een constante valsnelheid. Door deze snelheid te meten kan de straal van een druppel bepaald worden. Voor de straal geldt dan: 9η v r= (2)

2 g ρ olie

Hierin is:

  • g de valversnelling
  • ρolie de dichtheid van de olie

De overige grootheden zijn dezelfde als in formule (1).

Vraag 13 4 punten

Leid formule (2) af met behulp van formule (1) en formules uit het informatieboek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De constante snelheid betekent dat er krachtenevenwicht is: Fw = Fz . Invullen van formule (1) en Fz = mg geeft: 6πη rv = mg . 4 Voor de massa van de druppel geldt: m = ρolieV = ρolie · πr 3 . 3 9η v Invullen en uitwerken levert dan: r = .

2 g ρolie

Tijdens het vallen werkt er eigenlijk nog een tweede omhoog gerichte kracht op de druppel. Dit is de opwaartse kracht. De grootte van deze kracht is gelijk aan de zwaartekracht op de hoeveelheid lucht die door de druppel wordt verplaatst. Het volume van de verplaatste lucht is dus gelijk aan het volume van de oliedruppel. De opwaartse kracht is verwaarloosbaar klein ten opzichte van de zwaartekracht op de druppel. Millikan vond voor de druppel een valsnelheid van 0,084 cm s−1. De straal van de druppel is dan gelijk aan 2,7 μm.

Vraag 14 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Toon aan dat de dichtheid van de olie, die Millikan gebruikte, gelijk is aan 9,7 ·102 kg m −3 .
  • Leg uit dat de opwaartse kracht verwaarloosbaar is ten opzichte van de zwaartekracht op de druppel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Omschrijven van formule (2) en invullen van de gegevens geeft: 9η v 9 ·1,828 ·10−5 · 0, 084 ·10−2 ρolie = (2) = −6 2 = 9, 7 ·102 kg m −3 .

2 gr 2 · 9,81· (2, 7 ·10 )

  • De zwaartekracht op de druppel is gelijk aan Fz = ρolieVg . De opwaartse kracht is gelijk aan Fop = ρ luchtV g . De dichtheid van lucht is veel kleiner dan de dichtheid van de olie. (Dus de opwaartse kracht is verwaarloosbaar ten opzichte van de zwaartekracht.)

Door de ioniserende-stralingsbron ontstaan er in het bovenste gedeelte van de opstelling vrije elektronen in de lucht. Deze elektronen hechten aan de oliedruppel, waardoor de druppel een lading krijgt.

Om het homogene elektrisch veld te maken wordt een spanning aangesloten tussen de platen. Zie figuur 2.

Voor de elektrische veldsterkte tussen de platen geldt: U E= (3) d Hierin is:

  • E de sterkte van het elektrisch veld
  • U de spanning
  • d de afstand tussen de platen

De gebruikte spanning is 5,1 kV. De afstand tussen de platen is 16 mm. De richting van het elektrisch veld is zodanig dat de druppel uiteindelijk met een constante snelheid omhoog beweegt.

Een deel van figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage.

Vraag 15 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in de figuur op de uitwerkbijlage het elektrisch veld tussen de platen. Gebruik daarbij minimaal vijf veldlijnen.
  • Toon aan dat de grootte van het elektrisch veld tussen de platen gelijk is aan 3, 2 · 105 N C −1 .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: −

U 5,1 ·103

  • Invullen van formule (1) geeft: E = = −3 = 3, 2 ·105 NC −1 . d 16 ·10

Op de uitwerkbijlage staat de druppel weergegeven. In de figuur zijn de zwaartekracht en de wrijvingskracht op de druppel op schaal weergegeven.

Vraag 16 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de elektrische kracht op de druppel.
  • Bepaal de lading van de druppel. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 2,8 ·10−18 C met een marge van 0,1·10−18 C

voorbeeld van een antwoord: −

De grootte van de zwaartekracht is gelijk aan 4 ( ) 3 Fz = mg = π 2,7 ·10−6 · 9, 7 ·102 · 9,81 = 7,8 ·10−13 N . 3 De grootte van de elektrische kracht volgt uit de tekening en is gelijk aan 8,9 ·10−13 N . Voor deze kracht geldt: Fel = qE . Dus de lading van Fel 8,9 ·10−13 de druppel is gelijk aan q = = (5) = 2,8 ·10−18 C .

Millikan heeft op deze manier de lading voor veel verschillende druppels bepaald. Hij kwam erachter dat de lading elke keer een veelvoud van hetzelfde getal was. Dit getal is het elementair ladingsquantum. In figuur 3 staat de lading van 15 verschillende druppels op een horizontale as. De streepjes boven de as geven de verschillende metingen aan. Je mag aannemen dat het elementair ladingsquantum uit deze metingen te bepalen is. In 1909 drukte men de lading standaard uit in ESU. Er geldt:

1 ESU = 3,34 ·10−10 C . [figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 17 3 punten

Bepaal met behulp van figuur 3 het elementair ladingsquantum in coulomb. Noteer je antwoord in drie significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 1, 62 ·10−19 C , met een marge van 0, 05 ·10−19 C

voorbeeld van een antwoord: De afstand tussen twee streepjes is steeds een veelvoud van het elementair ladingsquantum. De kleinste afstand tussen twee streepjes komt dan overeen met het elementair ladingsquantum. Deze kleinste afstand past 33 keer tussen 0 en 160 ·10 −10 ESU . Dus er geldt: 33e = 160 ·10−10 · 3,34 ·10−10 C . Dus e = 1, 62 ·10−19 C .

Lever zichtbaar maken

Voor een bepaald medisch onderzoek figuur 1 is het nodig om de lever van een patiënt in beeld te brengen. Dit kan onder andere met röntgenstralen. De patiënt ligt dan boven een röntgenbron en boven de patiënt bevindt zich een fotodetector die meet hoeveel röntgenstraling er door de patiënt heen gaat. Dit is schematisch weergegeven in figuur 1.

De röntgenfotonen hebben een energie van 100 keV. De romp van de patiënt laat gemiddeld 1,2% van de fotonen door. Neem aan dat de gemiddelde halveringsdikte van lichaamsweefsel gelijk is aan de halveringsdikte van water.

Vraag 18 3 punten

Bereken de gemiddelde dikte van de romp van de patiënt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 26 cm

voorbeeld van een antwoord: d

1 d Voor de doorgelaten intensiteit geldt: I = I 0 12 . De halveringsdikte van 2 water bij een fotonenergie van 100 keV is 4,1 cm. d I 1 4,1 Invullen van de gegevens: = 0, 012 = . I0 (2) Uitwerken levert d = 26 cm .

d

1 d

De halveringsdikte van de lever verschilt enigszins van de halveringsdikte van ander lichaamsweefsel. Door dit verschil is het mogelijk om op de röntgenfoto de lever te onderscheiden van het omliggende lichaamsweefsel. Voor leverweefsel geldt: d 1 2, leverweefsel = 0,9 · d 1 2, water

Om de lever goed te kunnen zien moet het contrast in de afbeelding zo groot mogelijk zijn. Dit contrast wordt gedefinieerd als de verhouding van de doorgelaten intensiteiten van lever- en lichaamsweefsel. In formulevorm: I

I 0 leverweefsel contrast = (1) I

I 0 lichaamsweefsel Op de uitwerkbijlage staat een grafiek waarin voor water de doorgelaten stralingsintensiteit ten opzichte van de opvallende intensiteit van de röntgenstraling is uitgezet tegen het aantal halveringsdiktes van water.

Vraag 19 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de grafiek voor leverweefsel.
  • Leg met behulp van de grafiek en Binas-tabel 28F of ScienceData- tabel 5.9 uit of het contrast het grootst is bij kleine of juist grote fotonenergie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: I Uit de figuur blijkt dat gelijk is aan 0,004 bij acht I 0 lichaamsweefsel I halveringsdiktes. Omdat d 1 2, leverweefsel = 0, 9 · d 1 2, water , is I 0 leverweefsel dus gelijk aan 0,004 bij 0,9 maal acht halveringsdiktes van water, dus bij 7, 2 d 1 2,water .

De verhouding van de doorgelaten intensiteiten bij water (lichaamsweefsel) en de lever is groter als het aantal halveringsdiktes groter wordt. Dus het contrast is groter bij een groot aantal halveringsdiktes. Voor een zo groot mogelijk contrast moet de halveringsdikte dus zo klein mogelijk zijn. De halveringsdikte is kleiner bij kleinere fotonenergieën, dus de lever is beter zichtbaar bij kleinere fotonenergieën.

WASP

WASP-31b is een zogenaamde exoplaneet. Exoplaneten zijn planeten die niet om de zon draaien, maar om een andere ster. De exoplaneet WASP- 31b draait om de ster WASP-31. Zie figuur 1 voor een zogenaamde artist’s impression. In de rest van deze opgave wordt WASP-31b de exoplaneet genoemd en WASP-31 de ster. In 2021 is een team van Europese astronomen erin geslaagd om de aanwezigheid van verschillende moleculen aan te tonen in de atmosfeer van de exoplaneet.

[figuur 1: zie het originele examen]

Het totale stralingsvermogen P van de ster is 2,0 keer zo groot als dat van de zon. De oppervlaktetemperatuur van de ster is 6,30·103 K.

Op de uitwerkbijlage staat een Hertzsprung-Russelldiagram weergegeven.

Vraag 20 3 punten

Teken in het diagram op de uitwerkbijlage de positie van de ster. Licht je antwoord toe met een berekening.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Voor de ster geldt: P log T = log(6,30 ·103 ) = 3, 80 en log = log(2, 0) = 0,30 Pzon

Exoplaneten worden vaak ontdekt met figuur 2 behulp van de zogenaamde transitmethode. Als de exoplaneet voor een ster langs beweegt, wordt dat een transit genoemd. Zie figuur 2.

Tijdens een transit wordt een figuur 3 gedeelte van het licht van de ster geblokkeerd en zal de gemeten intensiteit van de ster tijdelijk afnemen. Zie figuur 3.

De exoplaneet behoort tot de zogenaamde ‘hete jupiters’, een type exoplaneet dat goed te observeren is via de transitmethode. Deze hete jupiters kenmerken zich doordat:

  • ze relatief groot zijn, namelijk vergelijkbaar met de grootte van de planeet Jupiter,
  • de baanstraal relatief klein is en de exoplaneet daardoor een kleine omlooptijd heeft.

Vraag 21 2 punten

Geef, voor elk van beide kenmerken, een reden waardoor dit kenmerk zorgt voor een grotere kans op ontdekking via de transitmethode.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord:

  • Bij een grotere exoplaneet wordt er tijdens een transit méér licht van de ster geblokkeerd. Dat leidt tot een grotere (en makkelijker waar te nemen) dip in de intensiteit van de ster.
  • Als de omlooptijd van de exoplaneet kleiner is, zullen er méér transits per tijdseenheid plaatsvinden waardoor ook de kans groter wordt dat de transit waargenomen wordt.

De massa van de ster is 1,2 keer zo groot als de massa van de zon. De exoplaneet voert een cirkelbeweging uit met een baansnelheid van 1,5 ·105 ms −1 .

Vraag 22 4 punten

Bereken de verhouding tussen de baanstraal van de exoplaneet en die van Jupiter.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: 9, 0 ·10−3

voorbeeld van een antwoord: Voor de eenparige cirkelbeweging van de exoplaneet geldt Fmpz = Fg met mexoplaneet v 2 mexoplaneet ·1, 2 mzon Fmpz = en Fg = G (2) . Omschrijven en invullen rexoplaneet rexoplaneet

G ·1, 2mzon 6, 674 ·10−11 ·1, 2 ·1,988 ·1030 geeft: rexoplaneet = = = 7, 08 ·109 m . v2 5 2 (1,5 ·10 ) rexoplaneet 7, 08 ·109 Dus = (12) = 9, 0 ·10−3 . rJupiter 0, 788 ·10

De exoplaneet heeft een eigen atmosfeer. Het licht van de ster kan hier doorheen schijnen (transmissie). Zie figuur 4. Door dit licht te onderzoeken kan informatie verkregen worden over de samenstelling van de atmosfeer van de exoplaneet. [figuur 4: zie het originele examen]

Vraag 23 1 punt

Geef aan of het licht dat op aarde wordt waargenomen een absorptiespectrum of een emissiespectrum van de atmosfeer van de exoplaneet laat zien.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het betreft hier een absorptiespectrum. (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-25-2-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over elektriciteit (8), energie en arbeid (4) en astrofysica (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-25-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.