Eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Massa meten in de ruimte, ECG in MRI, Adelaarsnevel, LEO-satelliet.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (9), krachten (4) en energie en arbeid (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Astrofysica | 14-17, 19-21, 24-25 | 9 |
| Krachten | 1-3, 7 | 4 |
| Energie en arbeid | 5-6, 22-23 | 4 |
| Magnetisme | 10-12 | 3 |
| Straling | 13, 18 | 2 |
| Beweging | 4 | 1 |
| Geluid en trillingen | 8 | 1 |
| Elektriciteit | 9 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over astrofysica (36% van de vragen, gemiddeld 10%) en krachten (16% van de vragen, gemiddeld 5%). Minder over straling (8% van de vragen, gemiddeld 22%) en licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Massa meten in de ruimte
Astronauten verblijven soms langdurig figuur 1 in een ruimtestation dat om de aarde cirkelt. Om te voorkomen dat de astronauten spier- en botmassa verliezen moeten ze oefeningen doen. Daarom moet gedurende het verblijf hun massa gemonitord worden.
Om in de ruimte de massa van astronauten te bepalen, is speciale apparatuur nodig. Anders dan op aarde kan de massa niet worden bepaald door de astronauten op een gewone personenweegschaal te laten staan.
Vraag 1 2 punten
Leg uit waarom dat niet kan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Een weegschaal waar je op moet staan, meet je gewicht. In het ruimtestation ben je gewichtloos, dus kan je de schaal niet indrukken.
Figuur 1 toont een foto van een astronaute in een speciale stoel waarmee haar massa kan worden bepaald. Deze stoel is via twee veren, aan de voor- en achterkant van de stoel, verbonden aan twee vaste ophangpunten. Als de stoel een horizontale uitwijking krijgt, gaat hij trillen. Door de trillingstijd te meten, kan de massa van de astronaute worden bepaald. Jasper en André doen een experiment waarbij ze dit simuleren. Ze gebruiken een luchtkussenbaan met daarop een slede die met twee identieke veren is vastgemaakt aan twee vaste klemmen (zie figuur 2). De veerconstante van elke veer is 25 N m-1.
[figuur 2: zie het originele examen]
De klemmen A en B zijn zo ver uit elkaar gezet dat de veren gespannen zijn als de slede in de evenwichtsstand staat. In de figuur op de uitwerkbijlage zijn drie situaties getekend:
1 De veren zijn nog niet bevestigd aan de slede. L0 is de rustlengte van de veren.
2 De slede is aan twee gespannen veren bevestigd en bevindt zich in de evenwichtsstand. De uitrekking van beide veren is nu u0 .
3 De slede heeft een uitwijking x uit de evenwichtsstand. De uitrekking van beide veren is respectievelijk u L en uR .
André beweert dat het massa-veersysteem, bestaande uit de slede en de twee veren, een totale veerconstante heeft van 50 Nm-1.
In de figuur op de uitwerkbijlage is in de situaties 2 en 3 de veerkracht FL van de linker veer op de slede getekend.
Vraag 2 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken in de figuur op de uitwerkbijlage de veerkracht FR van de rechter veer op de slede in de situaties 2 en 3.
- Leg hiermee uit dat André gelijk heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
(In de evenwichtsstand is FL gelijk aan FR , maar tegengesteld gericht, dus Fres = FR
- FL = Cu0
- C u0 = 0 .) Bij een uitwijking x uit de evenwichtsstand naar rechts, wordt FL groter en FR evenveel kleiner. Deze verandering is gelijk aan Cx .
De verandering van de resulterende kracht is twee keer zo groot, dus Fres = 2Cx . De veerconstante van de twee veren samen is dus 2C .
Opmerking Als de kandidaat een redenering heeft in de trant van twee veren dus twee keer zo groot, de laatste twee scorepunten niet toekennen.
Nadat de slede een uitwijking uit de evenwichtsstand heeft gekregen, beweegt deze wrijvingsloos over de luchtkussenbaan. Jasper en André maken een videometing van de beweging van de slede. Het ( x, t ) -diagram van deze meting staat in figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 3 3 punten
Bepaal de massa van de slede met behulp van figuur 3. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: m = 0,22 kg (met een marge van 0,01 kg)
voorbeeld van een antwoord: Uit het ( x, t ) -diagram volgt dat de trillingstijd T = 0, 42 s. m Voor de trillingstijd geldt: T = 2π . Omschrijven geeft voor de massa: C T 2C 0, 422 · 50 m= = = 0, 22 kg 4π 2 4π 2
Jasper en André maken een computermodel om het massa-veersysteem in het ruimtestation te beschrijven. De waardes van alle grootheden zijn dus niet hetzelfde als bij de vorige vragen. Net als bij het experiment zijn in het model de veren gespannen als de stoel met de astronaut zich in de evenwichtsstand bevindt.
Jasper en André maken met het model een grafiek voor x als functie van de tijd. Zie figuur 4. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 4: zie het originele examen]
Vraag 4 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bepaal met behulp van het ( x, t ) -diagram op de uitwerkbijlage de maximale snelheid van de stoel. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
- Teken in de figuur op de uitwerkbijlage het bijbehorende (v, t ) -diagram.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: vmax = 0,84 m s −1 (met een marge van 0,10 m s −1 )
voorbeelden van een antwoord: Methode 1: 2πA
- Voor de maximale snelheid geldt: vmax = . T Bepalen van de amplitudo en de periode levert: 2π · 0,375 vmax = = 0,84 m s −1 2,8 −
- inzicht dat de maximale snelheid overeenkomt met de helling van het ( x, t ) -diagram als x = 0 (1) Δx
Opmerking Het laatste scorepunt kan alleen toegekend worden als het volledige bereik van 11 s is gebruikt, het getekende diagram een vloeiende kromme is en de volgende elementen correct zijn: vmax consequent met de berekening en corresponderend met x = 0 , T in overeenstemming met het (x,t)-diagram.
of Methode 2: Δx
- Voor de maximale snelheid geldt vmax = als x = 0 m . Δt raaklijn 0,80 m Tekenen van een raaklijn en aflezen levert: vmax = = 0,84 m s −1 0,95 s −
Opmerking Het laatste scorepunt kan alleen toegekend worden als het volledige bereik van 11 s is gebruikt, het getekende diagram een vloeiende kromme is en de volgende elementen correct zijn: vmax consequent met de berekening en corresponderend met x = 0 , T in overeenstemming met het (x,t)-diagram.
Dan bedenkt Jasper dat er in het ruimtestation wrijving is. Hij past het model aan door een wrijvingskracht toe te voegen. Hij voegt ook de formules toe voor de kinetische energie Ek , de veerenergie Ev en de totale energie Et van het massa-veersysteem. Hierbij is Et = Ek + Ev .
Vraag 5 1 punt
Welke formule voor de veerenergie is de juiste?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Jasper maakt met het aangepaste model grafieken voor de kinetische energie, de veerenergie en de totale energie als functie van de tijd. Zie figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen]
Uit figuur 5 blijkt dat de veerenergie niet tot 0 J daalt.
Vraag 6 1 punt
Geef hiervoor de natuurkundige verklaring.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De veren zijn voorgespannen dus de veerenergie zal nooit 0 J worden.
André constateert dat het totale energieverlies per seconde afwisselend toe- en afneemt, waardoor de grafiek van Et er nogal hobbelig uitziet. Hij ziet ook dat Et het snelst daalt als Ek maximaal is. André vermoedt dat dit komt doordat in het model voor de wrijvingskracht de formule voor luchtweerstand is gebruikt. Omdat deze afhankelijk is van de snelheid zal het energieverlies per seconde het grootst zijn als de snelheid maximaal is. Om deze hypothese te toetsen past André de modelformule voor de wrijvingskracht aan zodat de grootte van de wrijvingskracht constant is. Vervolgens maakt André met het model de grafieken van Ek en Et opnieuw. Hij verwacht dat de grafiek van Et nu geen hobbels meer vertoont.
Vraag 7 2 punten
Leg uit of de verwachting van André terecht is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor het energieverlies per seconde geldt P = Fw v . Dit is dus afhankelijk van de snelheid van de stoel, ook als Fw niet van de snelheid afhangt. De grafiek zal dus na de aanpassing van het model nog steeds vergelijkbare hobbels vertonen. André’s verwachting is dus niet terecht.
ECG in MRI
Het hart pompt het bloed door het lichaam. Dit gebeurt doordat een elektrische prikkel de hartspier laat samentrekken. Tijdens de samentrekkingen treedt scheiding op van elektrische lading. Dit kun je meten en vervolgens zichtbaar maken met een elektrocardiogram (ECG). In figuur 1 is een ECG weergegeven van een gezonde persoon. Dit ECG is getekend door een pen die met een snelheid van 25 mm s −1 van links naar rechts beweegt. Figuur 1 is op ware grootte.
[figuur 1: zie het originele examen]
Het hartritme is gedefinieerd als het aantal slagen van het hart per minuut.
Vraag 8 3 punten
Bepaal met behulp van figuur 1 het hartritme van deze persoon. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 68 ( min −1 ) met een marge van 1 ( min −1 )
voorbeeld van een antwoord: De afstand op het ECG tussen de eerste en vijfde top is 8,8 cm. Dit komt 8,8 overeen met = 3,5 s . Dit zijn vier periodes, dus T = 0,88 s . 2,5 60 Het hartritme is dus = 68 min −1 . 0,88
Bij het maken van een ECG in het ziekenhuis worden er vaak drie elektroden op de huid van de patiënt geplakt: op de rechterarm (A) , op de linkerarm (B) en op het linkerbeen (C). Zie figuur 2. De spanningen die tussen de elektroden worden gemeten leveren drie verschillende ECG’s op.
[figuur 2: zie het originele examen]
De spanningsmeters in figuur 2 meten respectievelijk de spanning U AB tussen A en B, de spanning U AC tussen A en C en de spanning U BC tussen B en C. De plus- en minaansluitingen van de spanningsmeters zijn aangegeven in figuur 2. Het ECG van figuur 1 is een meting van de spanning tussen A en C. Dit ECG kan ook verkregen worden door de spanning tussen A en B en de spanning tussen B en C te meten en deze spanningen voor ieder tijdstip bij elkaar op te tellen.
Vraag 9 2 punten
Leg dit uit met behulp van de spanningswet van Kirchhoff.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De spanningswet van Kirchhoff geeft voor de spanningen in een kring: ∑ U i = 0 . Dus geldt: U AB + U BC + U CA = 0 i Hieruit volgt dat −U CA = U AB + U BC . Omdat U AC = −U CA volgt: U AC = U AB + U BC (Dus de spanning over AC is hetzelfde als de som van de spanningen over AB en BC.)
Bij mensen die een traag hartritme hebben, wordt vaak een pacemaker ingebracht. Dit apparaat meet voortdurend het hartritme en kan met kleine stroomstootjes het ritme bijsturen. Voor het plaatsen van een pacemaker wordt een dun slangetje, een katheter, in het hart aangebracht. Om tijdens het inbrengen de katheter te volgen wordt een CT-scan van de patiënt gemaakt. Tegelijkertijd wordt de hartfunctie in de gaten gehouden met een ECG. In plaats van gebruik te maken van een CT-scan zou het voor de patiënt beter zijn als het inbrengen van de katheter gevolgd zou worden met een MRI-scan.
Vraag 10 1 punt
Geef een natuurkundige reden waarom dit beter is voor de patiënt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Bij een MRI-scan wordt de patiënt niet bestraald met ioniserende straling.
Het maken van een MRI-scan heeft ook nadelen. Het sterke magneetveld van de MRI-scanner zorgt ervoor dat het ECG van de patiënt er anders uitziet, zelfs als het hart normaal functioneert. De verandering komt doordat in het bloed positieve en negatieve ionen zitten. Door de stroming van het bloed en het uitwendige magneetveld van de MRI-scanner ontstaat een lorentzkracht op de ionen. Hierdoor treedt in het bloed ladingsscheiding op waardoor een elektrische spanning ontstaat die de ECG-meting beïnvloedt. In figuur 3 staat een voorbeeld van de verandering van een ECG als het magneetveld verandert. Dit is vooral te zien bij de pijlen.
figuur 3 figuur 4
In figuur 4 is schematisch een doorsnede van de borstkas in zijaanzicht weergegeven. Het bloed verlaat het hart onder andere via het grootste bloedvat in het lichaam, de aorta. De aorta is in figuur 4 overdreven groot weergegeven. ρ Het uitwendige magnetisch veld B0 is aangegeven met pijlen die in de figuur van onder naar boven lopen. De horizontale pijlen in de aorta geven de ρ stroomsnelheid v van het bloed aan. In het bovenste deel van de aorta staan de stromingsrichting van het bloed en de richting van het magneetveld loodrecht op elkaar. Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 11 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef in de cirkel in de figuur op de uitwerkbijlage de richting aan van de lorentzkracht op de positieve ionen.
- Leg uit dat er in de aorta ladingsscheiding optreedt.
- Leg hiermee uit op welke spanning ( U AB , U BC of U AC ) de invloed van deze ladingsscheiding het grootst is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: −
− De stroom I, veroorzaakt door de positieve ionen, heeft dezelfde ρ richting als v . De negatieve ionen zorgen voor een stroom I in ρ tegengestelde richting van v . Met een richtingsregel volgt dan dat de lorentzkracht op de positieve en de negatieve ionen in tegengestelde richting staat. Dus treedt er ladingsscheiding op.
- De lorentzkracht staat in de richting van AB, dus de ladingsscheiding ontstaat ook langs deze lijn en zal dus U AB het meest beïnvloeden.
Samira en Fatima willen controleren of de verandering in het ECG verklaard kan worden door de ladingsscheiding in de aorta als gevolg van het magneetveld in de MRI-scanner. Ze leiden een formule af voor de spanning die ontstaat als gevolg van deze ladingsscheiding:
U ls = v · B0 · d (1)
Hierin is:
- U ls de spanning in de aorta als gevolg van de ladingsscheiding in V
- v de stroomsnelheid van het bloed in ms −1
- B0 de sterkte van het magneetveld in de MRI-scanner in T
- d de gemiddelde afstand tussen de positieve en negatieve lading in m
Samira en Fatima zien dat op een bepaald moment bij een magnetische veldsterkte van 3, 0 T de toename van de spanning in het ECG 1 mV is ten opzichte van de situatie bij 0 T . Ze vinden in een informatieboek dat er op dat moment tijdens een hartslag per seconde 600 mL bloed door de aorta stroomt en dat de diameter van de aorta 3 cm is. Ze leiden af dat voor de stroomsnelheid in het bloed geldt:
Q v= (2) A
Hierin is:
- Q de hoeveelheid bloed die per seconde door de aorta stroomt in m3 s −1
- A de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de aorta in m 2
Samira en Fatima realiseren zich dat de bovenstaande verklaring alleen kan kloppen als d kleiner is dan de diameter van de aorta.
Vraag 12 4 punten
Leg met behulp van een berekening uit of de verandering van het ECG verklaard zou kunnen worden door ladingsscheiding in de aorta.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 2 Invullen van formule (2) met A = 14 πdao rta geeft voor de stroomsnelheid:
600 ·10−6 v= = 0,85 m s −1
1 π (3 ·10 −2 ) 2 4
Invullen van formule (1) en uitwerken levert: U ls 1 ·10−3 d= = = 4 ·10−4 m vB0 0,85 · 3, 0
De berekende afstand is kleiner dan de diameter van de aorta. (De gegeven verklaring kan dus kloppen.)
Adelaarsnevel
Een interstellaire wolk is een groot figuur 1 gebied in het heelal, van vele tientallen lichtjaren in omvang, dat zeer ijl gas bevat. Dit gas bestaat voor het grootste deel uit atomair waterstof. Onder bepaalde omstandigheden kan een interstellaire wolk zelf licht uitzenden. De wolk wordt dan een emissienevel genoemd. Figuur 1 is een foto van zo’n nevel, de Adelaarsnevel. In een emissienevel wordt voortdurend waterstof geïoniseerd, waarna de protonen en elektronen weer recombineren tot atomen. Hierbij wordt zichtbaar licht uitgezonden. De lijnen van het waterstofspectrum zijn altijd terug te vinden in het spectrum van een emissienevel. Eén van de waterstoflijnen overheerst in het zichtbare spectrum, namelijk de lijn met een golflengte van 656,28 nm. Emissienevels hebben daardoor vaak een karakteristieke rode kleur.
Vraag 13 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bereken, uitgaande van de gegeven golflengte, de fotonenergie in eV van de overheersende waterstoflijn in het spectrum van een emissienevel. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.
- Toon met behulp van de formule voor de energie van het waterstofatoom aan dat deze lijn hoort bij de overgang tussen de eerste en de tweede aangeslagen toestand van waterstof.
- Geef aan of het een overgang is van eerste naar tweede aangeslagen toestand of andersom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: Ef = 1,8892 (eV)
voorbeeld van een antwoord: hc
- Er geldt: Ef = λ 6, 62607 ·10−34 · 2,99792 ·108 Invullen levert Ef = −9 = 3, 02682 ·10−19 J 656, 28 ·10 Omrekenen naar eV geeft: 3, 02682 ·10−19 Ef = = 1,8892 eV 1, 60218 ·10−19 13, 6 eV
- Voor de energieniveaus van het waterstofatoom geldt En =
- . n2 Het eerste aangeslagen niveau is n = 2 en het tweede is n = 3 , dus voor de energie van de overgang geldt:
1 1 E2→3 = 2
- 2 ·13, 6 eV = 1,89 eV .
2 3 (Deze energie is gelijk aan de fotonenergie van de 656,28 nm-lijn.)
- (Het gaat om een emissielijn, dus) de overgang is van de tweede aangeslagen toestand naar de eerste.
Opmerking Als de kandidaat voor het omrekenen van J naar eV gebruikmaakt van ScienceData tabel 1.3 is het juiste aantal significante cijfers twee.
Om van een interstellaire wolk een emissienevel te maken moet aan twee voorwaarden worden voldaan:
1 er moet een ster in de nevel aanwezig zijn,
2 deze ster moet vooral straling uitzenden met frequenties die groter zijn dan van zichtbaar licht.
Vraag 14 2 punten
Leg uit waarom voorwaarde 2 noodzakelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor het aanslaan of het ioniseren van waterstof is veel energie nodig (respectievelijk 12,1 eV en 13,6 eV). De fotonenergie van zichtbaar licht is daarvoor niet voldoende. (Dus moet de frequentie van de uitgezonden straling groter zijn dan van zichtbaar licht.)
Het valt Eva en Isa op dat ster HD168076 op dezelfde plek aan de hemel staat als de Adelaarsnevel. Deze ster wordt in de rest van deze opgave ‘de ster’ genoemd. Eva en Isa willen de hypothese toetsen dat de ster één van de sterren is die van de interstellaire wolk een emissienevel maakt. De planckkromme van de ster is in figuur 2 weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 15 2 punten
Leg met behulp van figuur 2 uit dat de ster aan voorwaarde 2 voldoet.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De ster zendt het overgrote deel van de straling uit in het golflengtegebied onder 380 nm. (Dus met een frequentie groter dan van zichtbaar licht.)
Vraag 16 3 punten
Toon met behulp van figuur 2 aan dat de ster een temperatuur van
4 ·104 K heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De top van het spectrum ligt bij λmax = 0, 07 μm . Er geldt: λmaxT = kW . kW 2,90 ·10−3 Invullen levert: T = = −6 = 4 ·104 K λmax 0, 07 ·10
Op de uitwerkbijlage is een Hertzsprung-Russelldiagram weergegeven. Op de verticale as staat het uitgezonden vermogen ten opzichte van de zon, op een logaritmische schaal. Op de horizontale as staat de temperatuur, aflopend van links naar rechts, eveneens op een logaritmische schaal. De ster is een ster op de hoofdreeks. Eva en Isa benaderen de hoofdreeks met een lijn. Deze lijn is getekend in de figuur op de uitwerkbijlage. Ze gaan ervan uit dat hoofdreekssterren op deze lijn liggen.
Vraag 17 5 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Toon met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage aan dat het uitgestraald vermogen van de ster gelijk is aan 2 ·1032 W .
- Bereken hiermee de straal van de ster.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: R = 1·1010 m
voorbeeld van een antwoord:
- Voor een ster op de hoofdreeks volgt uit het HR-diagram bij P T = 4 ·104 K dat = 105,7 . Pzon Dus Pster = 105,7 · Pzon = 105,7 · 3,85 ·1026 W = 1,93 ·1032 W . Dit is gelijk aan 2 ·1032 W .
Voor het uitgestraalde vermogen geldt: P = σ AT 4 met A = 4 πR 2 . Invullen en uitwerken levert: 1 1
P 2 2 ·1032 (2) R= (4) = −8 4 4 = 1·1010 m 4πσ T 4π · 5, 6 ·10 · (4 ·10 ) P
Opmerking In Science Data staat voor het vermogen van de zon 3,84 ·1026 W.
Eva en Isa gebruiken een optische telescoop om de stralingsintensiteit van de ster te bepalen die op aarde wordt ontvangen. De telescoop detecteert 60% van de stralingsintensiteit in het golflengtegebied van 400 tot 800 nm. Eva en Isa meten met deze telescoop een stralingsintensiteit van 4,7 ·10−11 W m −2 in dit golflengtegebied. Uit hun meting bepalen ze met behulp van figuur 2 dat de totale ontvangen stralingsintensiteit op aarde van de ster 3, 4 · 10−9 W m −2 is.
Figuur 2 staat vergroot op de uitwerkbijlage. Het gebied onder de grafiek tussen 400 nm en 800 nm is gearceerd. De oppervlakte van dit gebied is gelijk aan 0,2 hokje.
Vraag 18 4 punten
Voer de bepaling van Eva en Isa uit en toon aan dat de uitkomst inderdaad tussen 3 ·10−9 W m −2 en 4 ·10−9 W m −2 ligt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De stralingsintensiteit tussen 400 en 800 nm is 4, 7 ·10−11 W m −2 = 7,8 ·10−11 W m −2 . Dit komt overeen met 0,2 hokje in het 0, 60 diagram. De oppervlakte onder de grafiek tussen 0 en 0, 4 μm is 8,5 hokjes. (De totale oppervlakte is dus 8,7 hokje.) Dus de totale ontvangen 8, 7 stralingsintensiteit is · 7,8 ·10−11 = 3, 4 ·10−9 W m −2 0, 2
De Adelaarsnevel bevindt zich op een afstand van 7 ·103 lichtjaar .
Vraag 19 3 punten
Toon met behulp van een berekening aan of aan voorwaarde 1 kan zijn voldaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 1 P P 2 Er geldt: I = dus r = . 4πr 2 4 πI 1
2 ·1032 2 (19) Invullen levert: r = = 7 ·10 m . −9 4π · 3,4 ·10
7 ·1019 Omrekenen geeft: r = (15) = 7 ·103 lichtjaar . De ster bevindt zich dus 9, 46 ·10 in of nabij de Adelaarsnevel. (Dus aan voorwaarde 1 kan zijn voldaan.)
LEO-satelliet
Low Earth Orbit (LEO) satellieten figuur 1 worden gebruikt voor onderzoek aan het broeikaseffect. Deze satellieten draaien betrekkelijk laag boven het aardoppervlak. Zie figuur 1.
De snelheid van een satelliet kan worden berekend met de formule:
GM v= (1) r
Hierin is:
- v de snelheid in m s−1
- G de gravitatieconstante in N m2 kg-2
- M de massa van de aarde in kg
- r de baanstraal van de satelliet in m
De totale energie Et van een satelliet is de som van de kinetische energie en de gravitatie-energie. De totale energie van een satelliet kan berekend worden met de formule:
1 mM Et =
- G (2p)
2 r
Hierin is:
- Et de totale energie van de satelliet in J
- G de gravitatieconstante in N m2 kg-2
- m de massa van de satelliet in kg
- M de massa van de aarde in kg
- r de baanstraal van de satelliet in m
Vraag 20 4 punten
Leid de formules (1) en (2) af met behulp van formules uit het informatieboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: mv 2 mM Er geldt: Fmpz = Fg met Fmpz = en Fg = G 2 r r GM GM Invullen en omschrijven geeft: v 2 = , dus v = r r
Er geldt: Et = Ek + Eg , waarbij GM mM Ek = 12 mv 2 met v = en Eg = −G r r
1 mM mM 1 mM Invullen en omschrijven geeft: Et = G −G =− G
2 r r 2 r
Een bepaalde LEO-satelliet bevindt zich op een hoogte van 425 km.
Vraag 21 3 punten
Toon aan dat deze satelliet een snelheid heeft van 7,658 km s−1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Voor de snelheid van de satelliet geldt: GM v= . Opzoeken van de waarden van G, M en r, met r gelijk aan de r straal van de aarde plus de hoogte van de satelliet, en invullen geeft: 6, 674 ·10 −11 · 5, 972 ·10 24 v= 6 (3) = 7, 658 ·103 m s −1 6, 371 ·10 + 425 ·10 (Op een hoogte van 425 km heeft de LEO-satelliet dus een snelheid van 7, 658 km s −1 .)
Op deze hoogte is de atmosferische wrijving niet helemaal verwaarloosbaar. De dichtheid van de atmosfeer hangt sterk af van de hoogte h boven het aardoppervlak. Het verloop van de dichtheid tussen h = 400 km en h = 450 km is weergegeven in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
De satelliet heeft een cw -waarde van 2,2 en een frontaal oppervlak van 0,385 m2.
Vraag 22 4 punten
Bepaal de energie die deze satelliet elke seconde verliest ten gevolge van atmosferische wrijving.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 0, 43 J s −1
voorbeeld van een antwoord: Voor het energieverlies per seconde geldt: P = Fv Het energieverlies wordt veroorzaakt door de wrijving: Fw = 12 ρ cw Av 2 Combineren van deze formules geeft: P = 12 ρ cw Av3 De dichtheid van de lucht op 425 km hoogte is 2, 28 ·10−12 kg m−3 . Invullen van de gegevens levert: 1 P = · 2, 28 ·10−12 · 2, 2 · 0,385 · (7, 658 ·103 )3 = 0, 43 J s −1 2
De totale energie uit formule (2) is een functie van r en kun je dus ook noteren als Et ( r ) =
- 12 G mMr −1 .
Vraag 23 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit: d Et
- Geef de afgeleide door Et ( r ) te differentiëren. dr d Et
- Leg aan de hand van het teken van uit dat door de wrijving de dr hoogte van de LEO-satelliet steeds kleiner wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: d Et 1
- = 2 GmMr −2 dr d Et
- ( G , m , M en r zijn positief, dus) is positief. dr Door wrijving neemt Et af, dus dEt is negatief. Hieruit volgt dat dr negatief is. (Dus door de wrijving neemt de hoogte van de satelliet af.)
Als er niet gecorrigeerd zou worden voor het hoogteverlies door de wrijving zou de hoogte van de LEO-satelliet afnemen volgens figuur 3. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
[figuur 3: zie het originele examen]
Aan het eind van de levensduur van de satelliet wordt er niet meer gecorrigeerd voor het hoogteverlies.
Vraag 24 4 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage het hoogteverlies per omwenteling om de aarde van de satelliet die zich op een hoogte van
425 km bevindt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: 61 m (met een marge van 10 m)
voorbeeld van een antwoord: Het hoogteverlies per dag is gelijk aan de steilheid van de raaklijn aan de grafiek bij h = 425 km . Tekenen van de raaklijn en bepalen van de helling Δh 450, 0
- 399,5 levert: = = 0,953 km dag −1 . Δt raaklijn 60, 0
- 7, 0
2π r De omlooptijd van de satelliet kan berekend worden met v = , met T r = Raarde + h . Invullen en uitwerken levert: 2π · (6,371 ·106 + 425 ·103 ) T= (3) = 5,576 ·103 s = 6, 454 ·10−2 dag 7, 658 ·10 Dus het hoogteverlies per omwenteling is 0,953 ·103 · 6, 454 ·10−2 = 61 m
Opmerking Als de kandidaat bij vraag 21 het inzicht dat r = Raarde + h niet heeft getoond of hierin een rekenfout heeft gemaakt en dit antwoord opnieuw gebruikt, dan dit bij deze vraag niet opnieuw aanrekenen.
Aan het eind van de levensduur verandert de baansnelheid van de satelliet.
Vraag 25 2 punten
Leg met behulp van formule (1) uit of deze baansnelheid steeds kleiner of steeds groter wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Omdat de hoogte h afneemt, neemt ook de straal r af. ( G en M zijn GM constant,) dus volgens de formule v = neemt de snelheid toe. r
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-22-2-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over astrofysica (9), krachten (4) en energie en arbeid (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-22-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.