Eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Vrije worp bij basketbal, Qled-tv, Practicum warmtestraling, Om het hoekje, Speciale fluit.

Kort antwoord

Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over straling (9), beweging (5) en licht en lenzen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Straling8-9, 13-17, 21-229
Beweging1-55
Licht en lenzen6-7, 103
Magnetisme18-203
Geluid en trillingen23-253
Warmte11-122

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over straling (36% van de vragen, gemiddeld 20%) en beweging (20% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over elektriciteit (0% van de vragen, gemiddeld 13%) en astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Vrije worp bij basketbal

figuur 1 figuur 2 basketbal massa bal 600 g diameter bal 24 cm hoogte ring 3,05 m diameter ring 45 cm horizontale afstand van vrijeworplijn tot midden van de ring 4,6 m

Bij basketbal scoor je door de bal van bovenaf door een metalen ring te gooien waaraan een netje bevestigd is. Rens en Dyon onderzoeken de beweging van de bal bij een vrije worp. Bij een vrije worp probeert de speler de bal door de ring te gooien terwijl hij achter de ‘vrijeworplijn’ staat. Zie figuur 1. In figuur 2 staat een tabel met een aantal gegevens over basketbal. Met behulp van een videometing is de beweging van de bal na de worp geanalyseerd. Je kunt de beweging van de bal beschouwen als een combinatie van een horizontale beweging (in de x -richting) en een verticale beweging (in de y -richting). De videometing levert het ( x, t )-diagram en het ( y, t )-diagram van de beweging van het middelpunt van de bal. Zie de figuren 3a en 3b. Hierin is x de horizontale afstand vanaf de vrijeworplijn en y de hoogte boven de grond. Op t = 0 s verlaat de bal de hand van de speler. De grootheid snelheid is een vectorgrootheid, net als de grootheid kracht. Je kunt daarom de grootte van de snelheid op dezelfde manier uit haar componenten berekenen als bij kracht.

figuur 3a figuur 3b

Figuur 3a en figuur 3b staan vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 1 4 punten

Bepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage de grootte van de snelheid op het moment dat de bal de hand van de speler verlaat. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: v = 7,5 m s −1

voorbeeld van een antwoord: Zowel de snelheid in de x-richting als de snelheid in de y-richting kan bepaald worden uit de steilheid van de grafiek. Voor de snelheidscomponent in de x-richting geldt: Δx 4,55

  • 0,35 vx = = = 3,5 m s −1 . Δt 1, 2 De snelheidscomponent in de y-richting volgt uit de helling van (de raaklijn aan) de grafiek op t = 0 s: Dit levert: Δy 5, 0
  • 2,3 vy = = = 6, 6 m s −1 . Δ t raaklijn 0, 41 De componenten van de snelheid kunnen gecombineerd worden met de stelling van Pythagoras om de totale snelheid te berekenen: v = vx2 + v 2y = (3,5) 2 + (6, 6) 2 = 7,5 m s −1 .

Opmerking Als de kandidaat v y bepaalt met Δ v = g Δ t en Δt de tijd van het begin tot de top van de baan dit goed rekenen.

In figuur 4 zijn foto’s te zien van een figuur 4 andere vrije worp. Op de linker foto is het begin van de worp te zien, waarbij de speler extra spierkracht begint uit te oefenen op de bal om hem een snelheid te geven. Op de rechter foto is het einde van de worp te zien, waarbij de bal net is losgekomen van de hand van de speler. Bij deze vrije worp verlaat de bal de hand met een snelheid van 7,1 m s −1. Figuur 4 is vergroot weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 2 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bepaal met behulp van de foto’s op de uitwerkbijlage en figuur 2 de verplaatsing van de bal tijdens de worp. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.
  • Bereken hiermee het gemiddelde van de resulterende kracht op de bal tijdens de worp.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: s = 0, 28 m (met een marge van 0,03 m ) en Fres = 55 N

voorbeelden van een antwoord: methode 1

  • De diameter van de bal is in werkelijkheid 24 cm. Dan geldt voor de afstand die de bal aflegt tussen de twee foto’s: s (15) = → s = 0, 277 m = 0, 28 m 0, 24 m 13
  • Tijdens de worp wordt er arbeid verricht door de resulterende kracht op de bal. Deze arbeid wordt omgezet in kinetische energie van de bal. 2 Er geldt: W = ΔEk . Uitschrijven geeft: Fres s = 12 mveind . 2 mveind 0, 600 · 7,12 Dit geeft: Fres = = = 55 N . 2s 2 · 0, 277
  • completeren van de bepaling en de berekening en significantie van s (1p)

of

methode 2:

  • De diameter van de bal is in werkelijkheid 24 cm. Dan geldt voor de afstand die de bal aflegt tussen de twee foto’s: s (15) = → s = 0, 277 m = 0, 28 m 0, 24 m 13
  • De tijd waarin de bal deze afstand aflegt kan worden berekend met s 0, 277 m Δt = , met vgem = 12 veind . Dus Δt = −1 = 0, 0780s . vgem 1 · 7,1 m s

2 . De gemiddelde resulterende kracht op de bal wordt gegeven door v 7,1 Fres = ma , met agem = eind . Dit geeft Fres = 0, 600 · = 55 N . Δt 0, 0780

  • gebruik van Fres = ma met het inzicht dat agem = eind (1) Δt s

Om een beter inzicht te krijgen in de beweging van de bal na de worp, ontwerpen Rens en Dyon een vereenvoudigd model. Dit model is weergegeven in figuur 5. Ook hier is t = 0 s het moment dat de bal de hand van de speler verlaat.

[figuur 5: zie het originele examen] modelformules startwaarden dx = vx · dt x = 0,35 (m) x = x + dx y = 2,32 (m) dv y = g · dt vx = 4,6 (m s −1 ) v y = v y + dv y v y = 5, 4 (m s −1 ) dy = v y · dt g = −9,81 (m s −2 ) y = y + dy t = 0 (s) t = t + dt dt = 0,0001 (s)

Rens en Dyon laten de computer het model een aantal keren doorrekenen. Rens kiest eerst een aantal keren een andere startwaarde voor v x , zonder die van v y te veranderen. Vervolgens zet hij de waarde van v x terug naar de oorspronkelijke startwaarde. Daarna varieert Dyon een aantal keren de startwaarde van v y , zonder die van v x te veranderen. De resultaten van vijf berekeningen zijn weergegeven in figuur 6.

[figuur 6: zie het originele examen]

In het model is ingebouwd dat de berekeningen stoppen als aan twee voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden worden in de instellingen van het programma ingevoerd.

Vraag 3 2 punten

Geef de twee voorwaarden zodat het model stopt zoals in figuur 6 is weergegeven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: (Het model moet stoppen als de bal van bovenaf de hoogte van de ring bereikt.) De verticale snelheid moet negatief zijn en de y-waarde moet lager dan 3,05 zijn. (In het kort: als y < 3,05 en vy < 0.)

Opmerkingen

  • De formulering van de antwoorden hoeft niet volgens de afspraken van een computermodel te zijn.
  • Omdat bij de beoordeling geen rekening gehouden hoeft te worden met significantie kunnen bij het eerste scorepunt 3 en 3,1 ook goed gerekend worden.

Bij resultaat C in figuur 6 wordt er gescoord.

Vraag 4 2 punten

Leg uit hoe dat blijkt uit figuur 6 in combinatie met figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bij resultaat C eindigt de bal op x = 4,6 m en op y = 3,05 m. Uit figuur 2 blijkt dat daar de ring hangt.

De verschillende resultaten in figuur 6 zijn het gevolg van variaties in de startwaarde van v x door Rens of van variaties in de startwaarde van v y door Dyon. Op de uitwerkbijlage staat een tabel.

Vraag 5 3 punten

Geef in de tabel op de uitwerkbijlage aan voor de resultaten A, B, D en E of de verschuiving ten opzichte van resultaat C een gevolg is van een variatie in de startwaarde van v x of van een variatie in de startwaarde van v y . Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als de startwaarde van v y verandert, verandert ook de maximale hoogte die de bal bereikt. (Als alleen de startwaarde van v x verandert, blijft de maximale hoogte gelijk.) Bij de resultaten A en E is er sprake van een kleinere en een grotere maximale hoogte in vergelijking met resultaat C. Hier moet dus sprake zijn van een variatie in de startwaarde van v y . Bij de resultaten B en D is de maximaal bereikte hoogte gelijk aan die bij resultaat C. (De horizontaal afgelegde afstand is hier echter anders.) Dit betekent dat er sprake moet zijn van een variatie in de startwaarde van vx.

is het gevolg van een variatie in de resultaat startwaarde van …

Qled-tv

In het scherm van een Qled-tv valt violet licht figuur 1 afkomstig uit leds op een laagje met quantum- dots. Quantum-dots zijn kleine bolletjes met afmetingen variërend van 1 tot 20 nm, gemaakt van een speciaal materiaal. In figuur 1 staat een artist’s impression van één quantum-dot (opgebouwd uit atomen). De quantum-dots absorberen het violette licht waarmee ze bestraald worden en zenden daarna zelf licht uit met een andere kleur dan violet. Voor de werking van een Qled-tv zijn quantumdots nodig die blauw, groen of rood licht uitzenden. De kleur van het uitgezonden licht hangt af van de grootte van de quantum-dot. Zie figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

De quantum-dots in een Qled-tv worden met violet licht bestraald.

Vraag 6 2 punten

Leg uit waarom gekozen is voor violet licht in plaats van een andere kleur uit het zichtbare spectrum.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De quantum-dot zal altijd een foton uitzenden dat maximaal de energie heeft van het invallende foton. Een violet foton heeft meer energie dan een blauw, groen of rood foton.

Halfgeleider Een quantum-dot is gemaakt van een figuur 3 zogenaamd halfgeleidermateriaal. In een halfgeleider kan een elektron slechts in banden van zeer dicht bij elkaar gelegen energieniveaus bestaan. Voor de werking van een quantum-dot zijn slechts twee van deze energiebanden van belang: de valentieband en de geleidingsband. Daartussen zit bij een halfgeleider een energieverschil, de zogeheten bandgap Egap . Zie figuur 3.

Als een foton geabsorbeerd wordt maakt het één elektron vrij uit het atoomrooster. De energie van dat foton moet daarvoor groot genoeg zijn. Het elektron gaat dan van een energieniveau in de valentieband naar een energieniveau in de geleidingsband. Dit betekent dat het loskomt uit het atoomrooster van de halfgeleider. Het achterblijvende gat in de valentieband kan worden opgevat als een positief deeltje dat door het rooster beweegt. Het aangeslagen elektron en het achterblijvende gat worden samen een elektron-gatpaar genoemd. In figuur 4 is van enkele halfgeleiders de bandgap gegeven.

[figuur 4: zie het originele examen] halfgeleider Egap (eV) Si 1,12 CdSe 1,74 Si3 N 4 5,00 GaAs 1, 43 GaP 2, 26

Neem aan dat de fotonenergie van het gebruikte violette licht tussen 2,75 eV en 3,10 eV ligt.

Vraag 7 2 punten

Geef in de tabel op de uitwerkbijlage voor elke halfgeleider aan of deze op grond van de bandgap geschikt is voor gebruik in een Qled-tv. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De fotonenergie moet groter zijn dan de bandgap. (Dus halfgeleiders met een bandgap kleiner dan 2,75 eV zijn geschikt / halfgeleiders met een bandgap groter dan 3,10 eV zijn niet geschikt.)

halfgeleider Egap (eV)

Si 1,12 geschikt

CdSe 1,74 geschikt

Si3 N 4 5 ongeschikt

GaAs 1, 43 geschikt

In goede benadering kunnen elektron en gat van een elektron-gatpaar worden opgevat als vrije deeltjes. Als gevolg van de invloed van het atoomrooster op hun beweging zijn de massa’s van deze deeltjes echter niet gelijk aan de elektronmassa me . Ze krijgen beide een zogenaamde effectieve massa meff . Voor de halfgeleider die wordt gebruikt in een Qled-tv geldt: meff, elektron = 0,13 me en meff, gat = 0, 45 me .

Voor de debroglie-golflengte λB van het elektron of het gat geldt:

h λB = (1) 2meff Ek

Hierin is:

  • h de constante van Planck
  • meff de effectieve massa
  • Ek de kinetische energie

Neem voor de kinetische energie van het elektron 1 eV.

Vraag 8 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.
  • Bereken λB van het elektron.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: λB = 3 ·1 0−9 m

voorbeeld van een antwoord: h

  • Er geldt: λB = . p p2 Bovendien geldt: Ek = 12 mv 2 . Met p = mv levert dit: Ek = 2m Omschrijven levert: p = 2mEk . h Met m = meff levert dit uiteindelijk λB = . 2meff Ek
  • Invullen levert: h 6, 6 ·10
  • 34 λB = = = 3 ·10
  • 9 m.

2 meff Ek

  • 31
  • 19

2 · 0,13 · 9,1 ·10 ·1 ·1, 6 ·10

h

Quantum-dot In een oneindig grote halfgeleider kan de energie van het elektron-gatpaar Eeg elke waarde hebben boven de bandgap. In een quantum-dot wordt het elektron-gatpaar in een kleine ruimte opgesloten. Daardoor worden de energieniveaus van het elektron-gatpaar gequantiseerd. Hoe kleiner de ruimte, hoe groter de afstand tussen de afzonderlijke energieniveaus. Zie figuur 5.

[figuur 5: zie het originele examen]

In een vereenvoudigd model kan de quantum-dot beschouwd worden als een energieput met oneindig hoge wanden. Voor de nulpuntsenergie van een deeltje in deze energieput kan worden uitgegaan van een eendimensionale put, waarvan de lengte L gelijk is aan de straal R van de quantum-dot. De energie Enul in figuur 5 is de som van de nulpuntsenergieën van elektron en gat in deze energieput. Dus Enul = Enul,elektron + Enul,gat .

Na zijn ontstaan komt het elektron-gatpaar door wisselwerking met het atoomrooster uiteindelijk in de grondtoestand van de energieput terecht. Als het elektron vervolgens terugvalt in het gat zendt de quantum-dot een foton uit. In figuur 5 is dit schematisch weergegeven.

Voor de energie van het uitgezonden foton Ef geldt:

C Ef = Egap + (2) R2 Hierin is C een constante met de eenheid J m2 , die afhangt van meff, elektron , meff, gat en h .

Vraag 9 4 punten

Bereken de waarde van de constante C. Leid hiertoe eerst formule (2) af met behulp van een formule uit het informatieboek en figuur 5.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: C = 6, 0 ·10−37 Jm 2( ) voorbeeld van een antwoord: Voor de nulpuntsenergie van een deeltje in een eendimensionale energieput n2h2 met oneindig hoge wanden geldt: En = met n = 1 . 8mL2 Voor de nulpuntsenergie van de twee (onafhankelijke) deeltjes in de quantum-dot geldt dus h2 h2 Enul = + met L = R. 8meff, elektron L2 8meff, gat L2

Voor de fotonenergie geldt Ef = Egap + Enul en dus

h2 h2 h2 h2 1 Ef = Egap + + = E + gap + 2. 8meff, elektron R (2) 8meff, gat R 2 8 m 8 m R eff, elektron eff, gat

C h2 h2 Dus ( Ef = Egap + , met) C = + . R2 8meff, elektron 8meff, gat Invullen en uitrekenen levert:

1 ( 6, 63 ·10 ) 1

2 −34 2 C= h 1 + = 8me 0,13 0, 45 + 1 = 6, 0 ·10

8 · 9,11·10 −31 0,13 0, 45 −37 ( Jm ) . 2

Een fabrikant van Qled-tv’s wil quantum-dots selecteren die na bestraling met het violette licht groen licht uitzenden met een golflengte van 534 nm. Door een coördinatentransformatie toe te passen, is van formule (2) een lineaire grafiek gemaakt. Zie figuur 6.

[figuur 6: zie het originele examen]

Vraag 10 4 punten

Bepaal met behulp van figuur 6 de straal van de quantum-dots die de fabrikant zoekt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: R = 2,4 nm

voorbeeld van een antwoord: hc Voor de fotonenergie geldt: Ef = . Invullen levert: λ 6, 63 ·10−34 · 3, 00 ·108 Ef = −9 = 3, 72 ·10−19 J .

534 ·10 Omrekenen naar elektronvolt geeft: Ef = 2,33 eV

Aflezen in figuur 6 geeft: R −2 = 0,17 nm −2 → R 2 = 5,9 nm 2 → R = 2, 4 nm . hc

Opmerkingen

  • Als de kandidaat Egap bepaalt door extrapoleren van de grafiek naar R−2 = 0 en vervolgens bij de berekening gebruik maakt van een foutief antwoord uit vraag 9, dit niet aanrekenen.
  • Als de kandidaat de golflengte omzet in een energie met behulp van het informatieboek, kunnen scorepunt 1 (en eventueel 2) toegekend worden.

Practicum warmtestraling

Tess en Fem voeren een practicum uit over warmtestraling waarmee ze de constante van Stefan-Boltzmann gaan bepalen. Ze gebruiken de opstelling zoals weergegeven in figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

In de opstelling zie je een oven. In de oven is figuur 2 een verwarmingselement aangesloten op gelijkspanning. Zie figuur 2.

Het verwarmingselement bestaat uit een draad van constantaan met een diameter van 4,0 ·10−5 m en een lengte van 0,35 m. De spanning wordt ingesteld op 120 V.

Vraag 11 4 punten

Bereken het vermogen dat het verwarmingselement direct na inschakelen opneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: P = 1,1·102 W

voorbeeld van een antwoord: Voor de doorsnede van de draad geldt:

( ) = 1, 26 ·10 m . 2

Voor de weerstand van de draad geldt dan: λ 0,35 R = ρ = 0, 45 ·10−6 · −9 = 1, 25 ·102 Ω.

A 1, 26 ·10 Voor het opgenomen elektrische vermogen geldt dan: U2 1202 P= = (2) = 1,1 ·102 W. R 1, 25 ·10

Opmerking ScienceData geeft ρ = 50 ·10−8 Ω m. Dat geeft P = 1,0 ·102 W.

De soortelijke weerstand van metaal is afhankelijk van de temperatuur volgens de formule: ρT = ρ 0 (1 + α (T

  • T0 ) ) (1p)

Hierin is:

  • ρT de soortelijke weerstand bij temperatuur T in Ω m
  • ρ0 de soortelijke weerstand bij kamertemperatuur in Ω m
  • α de weerstandstemperatuurcoëfficiënt in K−1 (te vinden in het informatieboek)
  • T de temperatuur in K
  • T0 de kamertemperatuur: 293 K

Het elektrisch vermogen dat het verwarmingselement opneemt, is omgekeerd evenredig met de soortelijke weerstand ρT. Daardoor verandert dit vermogen als de temperatuur toeneemt.

Tess en Fem discussiëren over de grootte van de verandering van de soortelijke weerstand als de temperatuur toeneemt van 20 °C naar

300 °C. Tess beweert dat deze verandering kleiner dan 5% is. Fem beweert dat deze verandering groter dan 5% is.

Vraag 12 3 punten

Leg uit met een berekening wie van beiden gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De weerstandstemperatuurcoëfficiënt voor constantaan is 0,05 ·10−3 K−1. De factor waarmee ρ0 vermenigvuldigd wordt is

1 + α (T

  • T0 ) . Invullen levert 1 + 0, 05 ·10−3 (300
  • 20) = 1, 014 . De toename is dus 1,4 %. Deze waarde is kleiner dan 5%. Tess heeft dus gelijk.

Opmerking ScienceData geeft voor de weerstandstemperatuurcoëfficiënt α = 0,02 ·10−3 K −1. De factor wordt dan 1,0056.

In figuur 3 is de opstelling schematisch in bovenaanzicht getekend.

[figuur 3: zie het originele examen]

De temperatuur van de oven kan gevarieerd worden. Midden in de oven is een temperatuursensor geplaatst. De stralingsdetector staat vóór dit geheel. De opstelling is zo afgesteld dat de stralingsdetector de P uitgezonden stralingsintensiteit in W m−2 van de oven meet als functie A van de temperatuur.

P Tess en Fem maken van hun resultaten een grafiek waarin ze uitzetten A tegen T 4 . De grafiek staat in figuur 4. Figuur 4 staat ook op de uitwerkbijlage.

[figuur 4: zie het originele examen]

Vraag 13 5 punten

Voer de volgende opdrachten uit: P

  • Toon aan dat het plaatsen van op de verticale as en T 4 op de A horizontale as theoretisch een rechte lijn door de oorsprong oplevert.
  • Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage de constante van Stefan-Boltzmann die uit deze resultaten volgt. Noteer je antwoord in twee significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: σ = 5,8 ·10−8 W m −2 K −4 (met een marge van 0, 2 ·10−8 W m −2 K −4 )

voorbeeld van een antwoord:

Een rechte lijn door de oorsprong duidt op een recht evenredig verband tussen beide grootheden langs de assen. Het verband tussen het stralingsvermogen en de temperatuur wordt gegeven door de wet van Stefan-Boltzmann: P = σ AT 4 P P Ofwel: = σ T 4 . Dus is recht evenredig met T 4 . De bijbehorende

A A grafiek zal dus een rechte lijn door de oorsprong zijn.

  • De helling van de lijn is gelijk aan de constante van Stefan-Boltzmann σ. P Δ 11, 6 ·103 Dit geeft: σ = 4 = A = 5,8 ·10−8 W m −2 K −4 . ( ) Δ T 20, 0 ·1010

De oven bereikt uiteindelijk een maximale temperatuur van 383 °C.

Vraag 14 3 punten

Bereken de golflengte van de straling met de grootste intensiteit die de oven bij die temperatuur uitzendt. Noteer je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

uitkomst: λmax = 4, 42 ·10−6 m

voorbeeld van een antwoord: Met behulp van de wet van Wien kan de golflengte berekend worden waarbij er sprake is van de maximale stralingsintensiteit bij een temperatuur van 383 oC = 656 K. Er geldt: λmaxT = kW . Invullen geeft: λmax · 656 = 2,898 ·10−3 → λmax = 4, 42 ·10−6 m.

Tess en Fem gaan een ander experiment doen: ze houden de temperatuur van de oven constant, maar ze variëren de afstand van de stralingsdetector tot de oven. Ze willen hiermee controleren of in deze situatie de kwadratenwet geldt. Ze meten hierbij de stralingsintensiteit I die op de stralingsdetector valt als functie van de afstand. Hun meetresultaten staan weergegeven in figuur 5.

[figuur 5: zie het originele examen] x (cm) I (W m-2)

40 4810

50 1740

60 980

70 620

Vraag 15 4 punten

Toon aan of de kwadratenwet hier geldt. Doe dat aan de hand van de meetresultaten in figuur 5.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: 2

1 I x Volgens de kwadratenwet is I evenredig met 2 , dus 1 = 2 . x I 2 x1 Invullen van de eerste en de laatste meting geeft: I1 4810 = = 7, 76 I2 620 en 2 x2 70 2 = = 3,1 . x1 (40) Deze verhoudingen zijn niet gelijk, dus geldt hier de kwadratenwet niet.

  • completeren van de berekeningen en consequente conclusie (1p)

opmerking: als de kandidaat het eerste scorepunt niet behaald heeft kan ook het laatste scorepunt niet toegekend worden

Om het hoekje

Niels voert een practicum uit waarin hij het gedrag van bètadeeltjes in de lucht onderzoekt. Hij gebruikt een radioactief preparaat als bron voor β

  • -deeltjes. Neem aan dat deze bron bij de start van het practicum maar één isotoop bevat. Tijdens het vervalproces van deze isotoop ontstaat Yttrium-90 als vervalproduct. Bij dit vervalproces komt geen gammastraling vrij.

Vraag 16 3 punten

Geef de vervalvergelijking van dat vervalproces.

Bekijk het antwoord
  • alleen een bètadeeltje en Y-90 rechts van de pijl (1)
  • alleen Sr links van de pijl mits verkregen via kloppende atoomnummers (1)
  • aantal nucleonen links en rechts gelijk (1)

Toch komt er gammastraling vrij uit de bron.

Vraag 17 1 punt

Geef aan hoe het mogelijk is dat er gammastraling uit de bron vrijkomt.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Y-90 (of een eventuele andere dochterkern is zelf instabiel en) vervalt onder uitzending van (onder andere) gammastraling.

Niels bouwt de opstelling zoals weergegeven in figuur 1. Een loden blok is zó geplaatst dat straling niet in een rechte lijn van de bron naar de Geiger-Müller-sensor (GM-sensor) kan bewegen.

[figuur 1: zie het originele examen]

Verwaarloos bij het vervolg van deze opgave de eventuele invloed van de gammastraling op de metingen.

Met behulp van een sterke hoefijzermagneet wil Niels bètadeeltjes om het blok heen afbuigen richting de GM-sensor. Dit is weergegeven in figuur 2.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 18 3 punten

Leg uit aan welke kant (L of R) van de hoefijzermagneet zich de noordpool bevindt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: De richting van de stroom is tegengesteld aan de richting van de beweging van de β−-deeltjes. De lorentzkracht zorgt voor een afbuiging van de β−-deeltjes. Toepassen van een richtingsregel geeft dat de magnetische veldlijnen van R naar L lopen. De noordpool moet zich dus bevinden op plaats R.

Niels wil met zijn opstelling de snelheid van de bètadeeltjes bepalen. Hij neemt aan dat in deze situatie de zwaartekracht op de bètadeeltjes verwaarloosd mag worden. Verder neemt hij aan dat het magneetveld homogeen is en dat de bètadeeltjes dus een cirkelbeweging uitvoeren. Met behulp van formules uit het informatieboek leidt Niels de volgende formule af voor de snelheid v van een bètadeeltje: Bqr v= (1) m Hierin is:

  • B de sterkte van het magnetisch veld
  • q de lading van het bètadeeltje
  • r de straal van de cirkelbaan
  • m de massa van het bètadeeltje

Vraag 19 3 punten

Leid formule (1) af met behulp van formules uit het informatieboek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: mv 2 Er geldt dat Fmpz = FL , met Fmpz = en FL = Bqv . Invullen en r Bqr omschrijven geeft v = . m

Wanneer de snelheid van een deeltje groter is dan 10% van de lichtsnelheid, moet er rekening gehouden worden met zogenaamde relativistische effecten.

Het magnetisch veld tussen de polen is 0,1 T . Niels bepaalt de gemiddelde straal van de cirkelbaan van de bètadeeltjes die op de GM- sensor vallen en vindt 0, 20 m .

Vraag 20 3 punten

Leg uit of er in deze situatie rekening gehouden moet worden met relativistische effecten. Bereken daartoe eerst de snelheid van de bètadeeltjes volgens de methode van Niels.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Bqr Er geldt volgens formule (1): v = . m 0,1 ·1, 6 ·10−19 · 0, 20 Invullen geeft: v = = 4 ·109 m s −1 . 9,1 ·10 −31

Deze snelheid is veel groter dan de lichtsnelheid. Er moet dus rekening gehouden worden met relativistische effecten.

Voordat Niels de bron en de magneet in de opstelling plaatst, doet hij eerst driemaal een meting met de GM-sensor (figuur 3, reeks 1). Vervolgens plaatst Niels de bron in de opstelling zonder magneet en doet hij weer drie metingen (reeks 2). Ten slotte plaatst Niels ook de hoefijzermagneet in de opstelling en doet hij nogmaals drie metingen (reeks 3).

[figuur 3: zie het originele examen] reeks 1 reeks 2 reeks 3 zonder bron met bron met bron zonder magneet zonder magneet met magneet (tellen per minuut) (tellen per minuut) (tellen per minuut)

34 160 479

27 155 497

31 165 486

Vraag 21 1 punt

Geef aan hoe het kan dat Niels in de eerste meetreeks straling meet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een antwoord: In de eerste meetreeks wordt de achtergrondstraling gemeten. (1)

In de tweede meetreeks worden de bètadeeltjes nog niet afgebogen door de magneet. Toch meet de GM-sensor al meer straling dan in de eerste meetreeks.

Vraag 22 1 punt

Geef hiervan een mogelijke oorzaak.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor alleen het noemen van gammastraling als oorzaak het scorepunt niet toekennen.

Speciale fluit

In figuur 1 zie je een speciale fluit met twee gesloten uiteinden en slechts drie gaten. We gaan uit van een kamertemperatuur van 20 oC.

[figuur 1: zie het originele examen]

Het middelste gat wordt gebruikt om de fluit aan te blazen. Zie figuur 2. De andere twee gaten kunnen met een vinger afgesloten worden.

[figuur 2: zie het originele examen]

Daniël en Jonathan gaan onderzoeken hoe de toonvorming in de fluit plaatsvindt.

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Op de fluit kun je twee tonen spelen met één gat gesloten: toon I en toon II. In figuur 3a en in figuur 3b zijn de twee mogelijkheden om een toon te spelen met één gat gesloten schematisch weergegeven. Een wit bolletje betekent een geopend gat en een zwart bolletje een gat dat is gesloten met een vinger. De fluit wordt aangeblazen door het middelste gat, dat is aangegeven met grijs.

figuur 3a

figuur 3b

Volgens het model van de staande golven ontstaat er bij het uiteinde aan de kant van het gesloten gat een knoop (K) en ergens in de buurt van het open gat een buik (B). De plaats van de knoop bij toon I en toon II is weergegeven met een letter K. In beide gevallen is sprake van de grondtoon. Op de uitwerkbijlage staat figuur 3a nogmaals weergegeven. De lengte van de afbeelding van de fluit is precies de helft van de werkelijke lengte. De frequentie van toon I is 6, 0 · 10 2 Hz.

Vraag 23 6 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef in de figuur op de uitwerkbijlage met een letter B de plaats van de buik bij toon I aan. Licht je antwoord toe met een berekening.
  • Leg uit of de frequentie van toon II hoger of lager is dan de frequentie van toon I.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: −

Er geldt: v = f λ. Omschrijven en invullen geeft: v 343 λ= = = 0,572 m. Dus geldt voor de afstand van het uiteinde f 6, 0 ·102 van de buis tot de buik: 14 λ = 14 · 0, 572 = 0,143 m. Omdat het plaatje op schaal 1 : 2 getekend is, ligt in de figuur de buik op 7,1 cm van het gesloten uiteinde met de knoop K.

  • Bij toon II is de afstand van het gesloten uiteinde tot het open gat kleiner dan bij toon I. De golflengte van toon II zal daarom kleiner zijn dan de golflengte van toon I. De frequentie van toon II is dus hoger dan die van toon I.

Daniël blaast de fluit aan door het middelste gat, met beide andere gaten open. Jonathan ontdekt dat de toon die daardoor ontstaat veel hoger is dan toon I en II. Op de uitwerkbijlage is de fluit in deze situatie schematisch weergegeven.

Vraag 24 3 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage een mogelijkheid van de ligging van de knopen (K) en buiken (B) aan, in het gebied tussen de stippellijnen. Ga daarbij uit van het model van de staande golf. Een berekening is niet nodig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • een afwisseling van knopen en buiken met minimaal 2 buiken en 1 knoop in het gebied tussen de stippellijnen (1)
  • inzicht dat de onderlinge afstanden tussen alle knopen en buiken gelijk zijn (1)
  • in de buurt van beide open gaten bevindt zich een buik (1)

Daniël en Jonathan hebben al een tijdje op de fluit geblazen, waardoor de lucht in de fluit een hogere temperatuur heeft gekregen.

Vraag 25 3 punten

Leg uit hoe de toonhoogte verandert als de temperatuur van de lucht in de fluit toeneemt. Neem aan dat de golflengte niet verandert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een antwoord: Als de temperatuur stijgt, neemt de geluidssnelheid toe. (De golflengte in de fluit blijft constant.) Volgens v = λ f zal de frequentie en dus de toonhoogte toenemen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2022, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-22-1-o

Andere examens natuurkunde vwo

Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1?

Het centraal examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over straling (9), beweging (5) en licht en lenzen (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-1/vw-1023-a-22-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2022, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.