Eindexamen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: v Fres, m, Elektrische gitaar, Elektronendiffractie, Gamma-chirurgie.
Het centraal examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over golven (6), beweging (5) en straling (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Golven | 15-20 | 6 |
| Beweging | 1, 4-7 | 5 |
| Straling | 21-25 | 5 |
| Elektriciteit | 9-11 | 3 |
| Geluid en trillingen | 12-14 | 3 |
| Krachten | 2 | 1 |
| Energie en arbeid | 3 | 1 |
| Magnetisme | 8 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens natuurkunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over golven (24% van de vragen, gemiddeld 2%) en beweging (20% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over astrofysica (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en licht en lenzen (0% van de vragen, gemiddeld 10%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
v Fres
(103 m s-1) (106 N) 1,6 6
1,2 4
0,8 2
0,4 0
0 0,01 0,02 0,03 0,04 t (s) 0
0 0,01 0,02 0,03 0,04 t (s)
Vraag 1 3 punten
Bepaal met behulp van figuur 2a op de uitwerkbijlage de lengte van de loop van het kanon.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: L = 34 m (met een marge van 2 m)
voorbeeld van een bepaling: De lengte van de loop is gelijk aan de door de granaat afgelegde weg. Deze volgt uit de oppervlakte onder de grafiek van figuur 2a: L = 34 ± 2 m.
De granaat bereikt zijn maximale versnelling op t = 0,01 s.
Vraag 2 5 punten
Bepaal met behulp van de figuren 2a en 2b op de uitwerkbijlage de massa van een granaat, en laat zien of deze massa ligt binnen een marge van 10% van de waarde uit de tabel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: = 6, 6 ⋅106 N. Aflezen in figuur 2b op t = 0, 01 s levert: Fres Aflezen in figuur 2a van de helling van de raaklijn op t = 0, 01 s levert: ∆v 1,8 ⋅103 a = = = 5,90 ⋅104 m s −2 . ∆t 0, 034
- 0, 0035 Fres 6, 6 ⋅106 Er geldt: Fres = ma. Invullen levert:= m = = 112 kg. a 5,90 ⋅104 Het verschilpercentage met de waarde uit de tabel is
112
- 106 = 0,= 057 5, 7%. (Dit valt binnen de marge van 10%.) 106
Opmerkingen
- De bepaling mag op elk tijdstip in de grafieken gedaan worden.
- Als de kandidaat geen eenheid geeft bij de berekening van de massa, dit niet aanrekenen.
- Bij deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Er komt 3,0 MJ aan energie vrij per kilogram buskruit.
Vraag 3 4 punten
Bereken het rendement van het afschieten (tot t = 0,04 s) van het kanon. Verwaarloos hierbij de toename van de zwaarte-energie.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
uitkomst: = η 0,=
26 26%
voorbeeld van een berekening: Bij het ontbranden van 180 kg buskruit komt 180 ⋅ 3, 0 ⋅106 = 5, 4 ⋅108 J energie vrij. Deze energie wordt omgezet in onder andere kinetische energie van de granaat. Daarvoor geldt: Ek =12 mv 2 =⋅
1 106 ⋅1640 2 = 2 1, 43 ⋅108 J. Ek 1, 43 ⋅108 η Dus geldt:= = = 0,=
26 26%. Ech 5, 4 ⋅108
Opmerkingen
- Als de kandidaat de massa gebruikt die hij/zij berekend heeft in vraag 2, dit niet aanrekenen.
- Als de kandidaat bij de nuttige energie toch rekening houdt met de toename van de zwaarte-energie, dit niet aanrekenen.
m
v y = v y + a y · dt Fw g
y = y + v y · dt Fwy Fwx t = t + dt Fx Fy ‘stopconditie:…………’ ax ay vx vy v x y
De stopconditie bepaalt wanneer het model moet stoppen.
Vraag 4 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Beschrijf wat de stopconditie in dit model moet zijn.
- Geef aan wat op de stippellijn moet komen in de regel: Fy = ......
- Fwy
- Bereken de juiste waarde van A.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- Het model moet stoppen als de granaat de grond raakt.
- (In de y-richting werkt, naast een luchtweerstand, ook de zwaartekracht op de granaat, in negatieve richting:) Fy =− Fz
- Fwy .
- A = πr 2 = π ⋅ 0,102 = 3,1 ⋅10−2 (m 2 ).
Opmerkingen
- De formulering van de antwoorden hoeft niet volgens de afspraken van een computermodel te zijn.
- Bij de beantwoording hoeven geen modelregels gebruikt te worden.
- Bij de waarde voor A hoeft de eenheid niet gegeven te worden.
Met behulp van het model maakt Fabian een (y,t)-diagram en een (y,x)-diagram van de baan van een granaat. Zie figuur 4a en 4b.
figuur 4a figuur 4b
14 14 y y (km) (km)
12 12
10 10
8 8
6 6
4 4
2 2
0 0
Vraag 5 2 punten
Leg uit welk diagram (figuur 4a of figuur 4b) het (y,t)-diagram van de granaat weergeeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De granaat komt terug op de grond met een lagere snelheid in de y-richting dan dat hij weggeschoten wordt (zonder rekening te houden met de richting van de snelheid). De absolute waarde van de steilheid van de raaklijn is in figuur 4a aan het eind kleiner dan aan het begin. Hieruit volgt dat figuur 4a het (y,t)-diagram is.
Fabian merkt op dat zijn model niet kan verklaren hoe een granaat met een beginsnelheid van 1640 m s−1 een afstand van 120 km kan afleggen. Emily merkt op dat de luchtdichtheid van de atmosfeer afneemt als de hoogte boven zeeniveau toeneemt. Fabian breidt zijn model uit met een variabele luchtdichtheid en met dit model simuleert hij de beweging van de granaat. Dit levert het (v,t)-diagram van figuur 5. Na 190 s slaat de granaat in.
[figuur 5: zie het originele examen] 18 v (102 m s-1) 16
14
12
10
8
6
4
2
0
0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 t (s)
Vraag 6 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef aan waarom de minimale snelheid van de granaat niet gelijk is aan 0.
- Leg uit waarom de snelheid van de granaat aan het eind van de beweging afneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- De granaat heeft gedurende de hele vlucht een snelheid in de x-richting.
- Tijdens de val werken er twee krachten op de granaat, de zwaartekracht en de luchtwrijving. (Doordat de dichtheid van de atmosfeer toeneemt bij het naar beneden gaan zal ook de luchtwrijving groter worden, bij dezelfde snelheid.) De granaat zal door de grote luchtwrijving een resulterende kracht tegen de bewegingsrichting ondervinden. De granaat vertraagt daardoor.
Fabian wil nagaan of hij met dit model de vlucht van de granaat van het kanon realistisch heeft gesimuleerd en of de granaat inderdaad 120 km verderop inslaat. In figuur 5 bepaalt hij daarvoor de oppervlakte onder de grafieklijn, tussen t = 0 en t = 190 s. Emily merkt op dat Fabian nu een fout maakt.
Vraag 7 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit waarom Fabian de afstand tussen het kanon en de inslag van de granaat niet op correcte wijze heeft bepaald.
- Geef aan of de afstand die Fabian heeft gevonden te groot of te klein is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- De oppervlakte onder de grafieklijn geeft de lengte van de baan van de granaat. Fabian wil echter de horizontale afstand die de granaat aflegt, bepalen.
- Aangezien de baan van de granaat een kromme is, zal de lengte van de baan groter zijn dan de gezochte afstand. Fabian komt uit op een te grote afstand.
Opmerking Een antwoord uitgaande van het inzicht dat vx < v goed rekenen.
Elektrische gitaar
Het geluid van een elektrische gitaar wordt versterkt weergegeven via een luidspreker. Op de gitaar zijn zogenaamde elementen gemonteerd, die de mechanische trillingen van de snaren omzetten in elektrische trillingen. Ook zijn er twee draaiknoppen op de elektrische gitaar gemonteerd. Zie figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
De drie elementen zijn met een pijl aangeduid. Een element bestaat uit zes permanente magneten die elk in een spoel geplaatst zijn. Boven elke magneet bevindt zich een snaar. Zie figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
snaar magneet
spoel
De snaren op een elektrische gitaar zijn gemaakt van roestvrij staal. In de situatie van figuur 2 zal de snaar gemagnetiseerd worden. Op de uitwerkbijlage zijn de snaar en de magneet uit figuur 2 schematisch en sterk vergroot weergegeven.
Vraag 8 2 punten
Geef in de figuur op de uitwerkbijlage in elk cirkeltje aan of er op die plaats sprake is van een noordpool of een zuidpool.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat in plaats van de letter Z de letter S gebruikt, dit niet aanrekenen.
Als de gemagnetiseerde snaar in trilling wordt gebracht, ontstaat er een spanning over de spoel. Dit is de uitgangsspanning van het element. Een van de draaiknoppen op de gitaar is de volumeknop. Onder die draaiknop zit een onderdeel, weergegeven in figuur 3a. Dit onderdeel is opgenomen in een schakeling zoals weergegeven in figuur 3b.
figuur 3a figuur 3b
weerstand
L draaiknop uitgangspanning element R naar versterker
Door aan de knop te draaien kan de gitarist de grootte van de spanning regelen die naar de versterker gaat.
Vraag 9 3 punten
Leg uit in welke richting, linksom (L) of rechtsom (R), de knop gedraaid moet worden, zodat een kleinere spanning naar de versterker gaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De schakeling is een spanningsdelingsschakeling. Om een kleinere spanning naar de versterker te sturen moet de weerstand parallel aan de versterker kleiner worden. Dus moet de knop linksom (L) gedraaid worden.
Het verband tussen de golfsnelheid en de spankracht in een snaar wordt gegeven door:
F m v= met μ = μ λ
Hierin is:
- v de golfsnelheid (in m s−1);
- F de spankracht (in N);
- μ de massa per lengte-eenheid (in kg m−1);
- m de massa (in kg);
- λ de lengte van de snaar (in m).
De lengte van de laagst klinkende gitaarsnaar (de E-snaar) is 64,5 cm. De snaar is cilindervormig en massief en heeft een diameter van 1,42 mm. De spankracht in de snaar is 1,5·102 N.
De frequentie van de grondtoon van de E-snaar van deze gitaar is 85 Hz.
Vraag 10 5 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: De massa van de snaar geldt:
( ) ( ) 2 m ρV = = ρ 14 πd 2λ= 7,8 ⋅103 14 π ⋅ 1, 42 ⋅10−3 ⋅ 0, 645= 7,97 ⋅10−3 kg. De golfsnelheid in de snaar kan vervolgens berekend worden: Fλ 1,5 ⋅102 ⋅ 0, 645 =v = = 110 m s −1. −3 m 7,97 ⋅10 Er is sprake van de grondtoon en dus geldt voor de golflengte in de snaar: λ =12 λ → λ =2λ =2 ⋅ 0, 645 =1, 29 m. Voor de frequentie van de toon geldt dan: v 110 f= = = 85 Hz. λ 1, 29
Opmerkingen
- Als de kandidaat voor de dichtheid de waarde voor een andere staalsoort kiest, dit niet aanrekenen.
- Als de kandidaat voor de dichtheid van roestvrij staal de waarde 7,9 ⋅103 kg m −3 gebruikt, dit goed rekenen
- Als de kandidaat de eenheid niet noteert, dit niet aanrekenen.
- Bij deze vraag hoeft geen rekening gehouden te worden met significantie.
Een snaar kan in twee richtingen gaan figuur 4 trillen als deze wordt aangeslagen: een richting evenwijdig aan het element z (de y-richting) en een richting loodrecht x op het element (de z-richting). Zie figuur 4. y Luc bouwt een opstelling waarmee hij een snaar kan laten trillen in alleen de element z-richting of alleen de y-richting. snaar Allereerst laat hij de E-snaar alleen in de z-richting trillen en meet hij de spanning die het element levert. Het resultaat van de meting in de z-richting is weergegeven in figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen] 200 U (mV) 100
0
−100
−200
0 0,01 0,02 0,03 0,04 0,05 t (s)
De frequentie van de spanning als de E-snaar trilt in de z-richting, komt overeen met de frequentie van de grondtoon van de E-snaar.
Vraag 11 2 punten
Toon dit aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een antwoord: In 0,050 s zijn 4,25 trillingen te herkennen. Voor de trillingstijd geldt dan: 0, 050 1 (1) (2)
Luc legt met een bewegingssensor ook de beweging van de E-snaar in de z-richting vast. Dit levert het meetresultaat zoals weergegeven in figuur 6.
[figuur 6: zie het originele examen] 1,0 u (mm) 0,5
0
−0,5
−1,0
0 0,01 0,02 0,03 0,04 0,05 t (s)
Vraag 12 2 punten
Leg uit waarom een maximale waarde van de spanning optreedt op het moment dat de snaar door de evenwichtsstand beweegt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een antwoord: Als de (gemagnetiseerde) snaar door de evenwichtsstand beweegt, is de snelheid en dus de fluxverandering per tijdseenheid het grootst. dΦ Er geldt: U ind ∝ . Hieruit volgt dat de opgewekte spanning dan het dt grootst is.
Hierna laat Luc de E-snaar alleen in de y-richting trillen en meet hij de spanning die het element levert. Het resultaat van deze meting in de y-richting is weergegeven in figuur 7.
[figuur 7: zie het originele examen] 100 U (mV) 50
0
−50
−100
0 0,01 0,02 0,03 0,04 0,05 t (s) De frequentie van de spanning bij trillen in de y-richting is 2 maal zo groot als de frequentie van de spanning bij trillen in de z-richting.
Vraag 13 3 punten
Leg uit hoe dat komt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Bij één trilling in de z-richting wordt de flux één keer groter en kleiner. Bij één trilling in de y-richting wordt de flux twee keer groter en kleiner. (Het element reageert op fluxveranderingen.) Het element levert dus in één trilling van de snaar twee trillingen in de spanning.
In figuur 8 is een elektrische gitaar weergegeven. De snaren trillen tussen de brug en de topkam. Element 1 bevindt zich verder van de brug dan element 2. Met behulp van een schakelaar kiest de gitarist welk element hij gebruikt. Figuur 8 staat vergroot op de uitwerkbijlage.
[figuur 8: zie het originele examen]
De klank die de elektrische gitaar geeft, is anders bij gebruik van element 1 dan bij gebruik van element 2. Dit wordt veroorzaakt door een verschil in de sterkte van de boventonen. Dat komt doordat een element sommige boventonen niet (of nauwelijks) detecteert. Bij element 1 zijn dat andere boventonen dan bij element 2.
Vraag 14 3 punten
Geef aan met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage wat de laagste boventoon is die element 1 niet (of nauwelijks) detecteert. Licht je antwoord toe met een bepaling. a tweede boventoon b derde boventoon c vierde boventoon d vijfde boventoon e zesde boventoon
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Een boventoon wordt niet (of nauwelijks) gedetecteerd als de amplitude van de snaar boven het element (nagenoeg) gelijk is aan 0. Er zal zich dan dus een knoop van de boventoon boven het element bevinden. De afstand op de foto van element 1 tot aan de brug bedraagt 2,8 cm. De afstand van de brug tot de topkam bedraagt op de foto 11,3 cm. 11,3 De verhouding tussen deze twee waarden is = 4, 0. 2,8 Er bevinden zich bij de laagste boventoon die het element niet detecteert dus 4 halve golflengten op de snaar. Dus is het juiste antwoord: b derde boventoon.
Elektronendiffractie
G.P. Thomson toonde experimenteel elektronendiffractie aan. Hij liet zien dat er een interferentiepatroon ontstaat als elektronen op een stukje vaste stof geschoten worden. Hiermee toonde hij aan dat elektronen een golfkarakter hebben. In 1937 ontving hij hiervoor de Nobelprijs.
Bob en Marly gaan het experiment van Thomson uitvoeren met een elektronendiffractiebuis. Zij willen daarmee de afstanden tussen de atomen in grafiet bepalen. Zij gebruiken de opstelling die weergegeven is in figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen] stukje gloeikathode anode grafiet
fosforscherm
0V 0-10 kV elektronen interferentieringen
De gloeikathode levert elektronen. Deze elektronen hebben een verwaarloosbare snelheid. De elektronen doorlopen een versnelspanning die variabel is tot 10 kV. De elektronen gaan door het stukje grafiet, waarna ze op een fosforscherm een interferentiepatroon geven. Dit interferentiepatroon kan worden verklaard doordat de elektronen een golfkarakter vertonen.
Voor de debroglie-golflengte van de elektronen geldt:
h λ= (1) 2emU
Hierin is:
- h de constante van Planck;
- e de lading van het elektron;
- m de massa van het elektron;
- U de versnelspanning.
Vraag 15 3 punten
Leid formule (1) af.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: h h Er geldt: λ= = . Bovendien geldt dat de toename in kinetische energie p mv gelijk is aan de afname van de elektrische energie. In formule: 12 mv 2 = eU . 2eU Omschrijven levert: v = . Invullen in de eerste formule geeft de m h gevraagde formule: λ = . 2emU
h h
Vraag 16 2 punten
Bereken de debroglie-golflengte van de elektronen nadat ze een versnelspanning van 5,0 kV hebben doorlopen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
λ 1, 7 ⋅10−11 m uitkomst: =
voorbeeld van een berekening: h Er geldt: λ = . 2emU 6, 63 ⋅10−34 λ Invullen levert: = = 1, 7 ⋅10−11 m
2 ⋅1, 60 ⋅10−19 ⋅ 9,11 ⋅10−31 ⋅ 5, 0 ⋅103
In grafiet liggen de koolstofatomen in lagen op elkaar. In de afzonderlijke lagen liggen de koolstofatomen in regelmatige zeshoeken. Het effect van elektronendiffractie vindt plaats binnen één laag en niet tussen de lagen. In figuur 2 is één zo’n laag weergegeven. In een laag liggen de atomen in evenwijdige lijnen. Aan deze lijnen vindt reflectie plaats, de zogenaamde Braggreflectie. De elektronengolven die terugkaatsen van de verschillende evenwijdige lijnen hebben een verschil in weglengte waardoor ze interfereren. Dit is schematisch weergegeven in figuur 3.
figuur 2 figuur 3
D α C
A B d
Er treedt constructieve interferentie op als:
2d sin α = nλ met n = 1, 2,3,... (2)
Hierin is:
- d de afstand tussen de roosterlijnen;
- α de hoek waaronder de elektronenbundel de roosterlijn treft;
- λ de debroglie-golflengte van de elektronen.
Figuur 3 staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 17 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef op de uitwerkbijlage het verschil in weglengte tussen de twee stralen aan.
- Leid hiermee formule (2) af.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord:
- De dikke lijnen geven het verschil in weglengte aan:
Constructieve interferentie treedt op als het weglengteverschil gelijk is aan een geheel aantal maal de golflengte: ∆s =nλ. AB 1 ∆s α = 2 . Er geldt: sin= BD d Voor het weglengteverschil geldt dan: ∆s =2d sin α . Combineren levert formule (2).
In figuur 4 zijn verschillende lijnen te zien waaraan reflectie plaats kan vinden. De afstanden tussen verschillende lijnen zijn aangegeven met d1 en d2.
Bij een interferentiepatroon aan een monokristallijne laag grafiet (dat wil zeggen een laag die uit één kristal grafiet bestaat) ontstaat het patroon van figuur 5 op het scherm van de elektronendiffractiebuis uit figuur 1.
figuur 4 figuur 5 figuur 6 d2
d1
Als er in de diffractiebuis geen monokristallijne laag grafiet zit maar een polykristallijne laag (dat wil zeggen dat er vele kristallen kriskras door elkaar zitten), ziet het interferentiepatroon eruit als in figuur 6.
Vraag 18 2 punten
Leg uit of de buitenste ring komt van interferentie aan lijnen met afstand d1 of met afstand d2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Ook voor de verschillende ringen geldt: 2d sin α = nλ. Dus als λ hetzelfde blijft, is bij kleinere d de waarde van sin α groter. Dus is de hoek groter. Dus hoort d1 bij de buitenste ring.
Bob en Marly meten bij verschillende versnelspanningen de straal van de ringen op het scherm. Bij lage versnelspanningen verschijnen geen ringen op het scherm. Dan is alleen de stip in het midden op het scherm te zien.
Vraag 19 2 punten
Leg uit waarom bij lage versnelspanningen geen ringen verschijnen op het scherm.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Bij lage versnelspanningen (krijgen de elektronen een lagere snelheid en) wordt de debroglie-golflengte te groot om interferentie te zien. De debroglie-golflengte moet kleiner zijn dan 2d.
Opmerkingen
- Als de kandidaat voor het tweede scorepunt antwoordt: sin α wordt groter dan 1, dit goed rekenen.
- Als de kandidaat bij het tweede scorepunt antwoordt dat de debroglie- golflengte in de orde van grootte moet zijn van de afstanden tussen de lijnen, dit goed rekenen.
Van de metingen maken Bob en Marly een grafiek waarin ze de straal van beide ringen uitzetten tegen de debroglie-golflengte van de elektronen. Zie figuur 7.
[figuur 7: zie het originele examen] 21 r (10-3 m) 19
17
15
13
11
9
7
0
0 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 1,9 2,0 λ (10-11 m)
Voor kleine afbuigingshoeken geldt bij benadering:
2R r= nλ (3) d
Hierin is:
- r de straal van de ring op het scherm;
- d de afstand tussen roostervlakken;
- λ de debroglie-golflengte;
- R de straal van de bol van de diffractiebuis (65 mm);
- n = 1.
Figuur 7 staat ook op de uitwerkbijlage.
Vraag 20 4 punten
Bepaal met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage zo nauwkeurig mogelijk de grootte van d voor de buitenste ring.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
d 1, 2 ⋅10−10 m (met een marge van 0, 2 ⋅10−10 m ) uitkomst : =
voorbeeld van een bepaling: Door de punten is een lijn te tekenen. 2R De helling van de lijn is gelijk aan . d
Voor de bovenste lijn geldt dan: 0,021
- 0,013 2R helling = −11 −11 = 1, 05 ⋅109 = . 1,98 ⋅10
- 1, 22 ⋅10 d
2 ⋅ 65 ⋅10−3 d Omschrijven levert: = = 1, 2 ⋅10−10 m. 9 1, 05 ⋅10
Opmerking Als de kandidaat een punt neemt dat niet op de lijn ligt, het derde scorepunt niet toekennen.
Gamma-chirurgie
Gamma-chirurgie (‘gamma knife radiosurgery’) figuur 1 wordt toegepast voor de behandeling van tumoren die kleiner zijn dan ongeveer 3 cm en in een gebied van de hersenen liggen dat moeilijk bereikbaar is tijdens een operatie. Er wordt gebruikgemaakt van γ-straling die sterk geconcentreerd kan worden op het aangetaste gebied.
Tijdens de behandeling draagt de patiënt een speciaal soort helm waarin cobalt-60-bronnen geplaatst zijn. Zie figuur 1. Cobalt-60 is een radioactieve stof die vervalt onder uitzending van β−-straling en γ-straling. Het radioactieve verval van cobalt-60 kan op twee manieren verlopen. Deze manieren zijn weergegeven in figuur 2, met 1 en 2.
[figuur 2: zie het originele examen] Co-60 1 - β (0,31 MeV)
β- (1,48 MeV) γ1 2
γ2 (1,33 MeV)
Verreweg de meeste deeltjes vervallen volgens manier 1.
Vraag 21 3 punten
Geef de vervalvergelijking van dit verval.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: 60
27 Co → 60 0 (0)
28 Ni + -1 e + 2 0 γ + (ν e )
Vraag 22 3 punten
Bereken de golflengte van γ 2 .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
λ2 9,32 ⋅10−13 m uitkomst: =
voorbeeld van een berekening: Voor de energie van foton γ2 geldt: Eγ = 1,33 MeV. 2
Voor de golflengte geldt: hc hc 6, 626 ⋅10−34 ⋅ 2,998 ⋅108 Eγ = → λ2 = = −13 = 9,32 ⋅10−13 m.
2 λ2 Eγ 1,33 ⋅1, 602 ⋅10 2
hc
In figuur 3 is de situatie van figuur 1 schematisch weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
De γ-straling vanuit de cobalt-bronnen wordt sterk geconcentreerd op het deel van de hersenen waar zich een tumor bevindt. De gebruikte cobalt-bronnen hebben elk een activiteit van 1,1 TBq.
Vraag 23 4 punten
Bereken de massa van het cobalt-60 in een bron.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
m 2, 6 ⋅10−5 kg uitkomst: =
voorbeeld van een berekening: Het aantal atoomkernen kan berekend worden met behulp van de activiteit: ln 2 At 1 A = N →= N (2) . t1 ln 2 2
jr 1, 66 ⋅108 s. t 1 5, 27= Voor de halveringstijd van cobalt-60 geldt:= 2
Voor het aantal atoomkernen geldt daarmee: At 1 1,1 ⋅1012 ⋅1, 66 ⋅108 N = = (2) = 2, 64 ⋅1020. ln 2 ln 2 De massa van het cobalt-60 in een bron kan berekend worden met de atoommassa: m = Nmat = 2, 64 ⋅1020 ⋅ 60 ⋅1, 66 ⋅10−27 = 2, 6 ⋅10−5 kg.
ln 2
Bij een bepaalde patiënt staat de opstelling zo afgesteld dat een bolvormige tumor met een diameter van 3,0 cm bestraald wordt. Per seconde worden door de tumor 3,5 · 109 γ-fotonparen geabsorbeerd. Om de tumor volledig te kunnen vernietigen is een stralingsdosis nodig van 150 Gy. Hiertoe moet de patiënt gedurende een bepaalde tijd bestraald worden.
Vraag 24 5 punten
Bereken deze tijd. Gebruik voor de tumor de eigenschappen van water. Ga uit van het verval volgens manier 1 (van figuur 2).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
1,5 103 s ( = uitkomst: t =⋅ 25 min )
voorbeeld van een berekening: Voor het volume van de bolvormige tumor geldt: V = 43 πr 3 = 43 π ⋅ (0, 015)3 = 1, 41 ⋅10−5 m3 . De massa van de tumor bedraagt dan: m = ρV = 0,998 ⋅103 ⋅1, 41 ⋅10−5 = 0, 0141 kg. Per radioactief verval van cobalt-60 komen twee γ-fotonen vrij: een γ-foton met een energie van 1, 48
- 0,31 = 1,17 MeV en een γ-foton met een energie van 1,33 MeV. Per verval komt er dus 2,50 MeV aan energie vrij in de vorm van γ-straling. De hoeveelheid geabsorbeerde energie in de tumor in één seconde bedraagt:
E = 3,5 ⋅109 ⋅ 2,50 ⋅1, 602 ⋅10−13 = 1, 40 ⋅10−3 J. Voor de stralingsdosis in één seconde geldt dan:
E 1, 40 ⋅10−3 D= = = 0, 0994 Gy. m 0, 0141 Voor de tijd die de patiënt bestraald moet worden, geldt dan: 150 t= =⋅ 1,5 103 s ( = 25 min ) . 0, 0994
Opmerking ρ 1, 0 ⋅103 kg m −3 , dit goed Als de kandidaat voor water uitgaat van = rekenen.
De cobalt-bronnen worden jaren achter elkaar gebruikt. Om in de loop van die jaren een gelijke stralingsdosis te kunnen realiseren is het noodzakelijk de bestralingstijd bij te stellen.
Vraag 25 2 punten
Leg uit of deze bestralingstijd in de loop van de jaren langer of korter wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een antwoord: Vanwege het radioactieve verval van cobalt-60 zal de activiteit in de loop van de tijd afnemen. (Dit betekent dat er minder energie zal worden uitgestraald door de bronnen en er dus ook minder energie zal worden geabsorbeerd door de tumor.) Dit kan gecompenseerd worden door een langere bestralingstijd.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Natuurkunde 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-19-2-o
Andere examens natuurkunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker natuurkunde per vraagtype nakijkt, lees je op natuurkunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2?
Het centraal examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over golven (6), beweging (5) en straling (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1023-a-19-2-c).
Hoe oefen ik met het examen natuurkunde vwo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.