Eindexamen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Deel 1 Dierenrechten als oplossing voor dierenleed?, Deel 2 Taalpolitie spelen is niet pedant, Deel 3 De economie doen krimpen om het klimaat te redden?.

Kort antwoord

Het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1 telt 35 vragen. De meeste vragen gaan over argumentatie (17), leesvaardigheid (16) en stijlfouten (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Argumentatie1, 3-4, 6, 8, 10-11, 13-14, 22-23, 28, 30-33, 3517
Leesvaardigheid2, 5, 7, 9, 12, 15-21, 25, 27, 29, 3416
Stijlfouten24, 262

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens Nederlands vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over argumentatie (49% van de vragen, gemiddeld 25%). Minder over tekstverbanden en signaalwoorden (0% van de vragen, gemiddeld 7%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Deel 1 Dierenrechten als oplossing voor dierenleed?

De laatste jaren wordt er gesproken over het toekennen van grondrechten aan dieren, onder meer om dierenleed en het uitsterven van diersoorten te voorkomen.

Stel, bij het vak Nederlands ga je deelnemen aan een meningvormende discussie over de volgende vraagstelling: ‘In hoeverre zijn grondrechten voor dieren dé oplossing voor het dierenleed?’

Je moet je ter voorbereiding in eerste instantie baseren op bron 1, waarin een voorstel voor dierenrechten van de filosoof Martha Nussbaum wordt besproken. Je neemt allereerst de gedachtegang van bron 1 stapsgewijs door en controleert of je de inhoud ervan begrijpt.

Bron 1: Het recht om niet verslonden te worden

(1) Ze maakte het zelf niet meer mee. Maar in april vorig jaar was wolaap Estrellita het eerste wilde dier ter wereld dat een rechtspersoon werd. Het aapje had achttien jaar als huisdier geleefd. De autoriteiten hadden het in een dierentuin geplaatst, omdat het in Ecuador verboden is wilde dieren als huisdier te houden. Maar in deze nieuwe, haar vreemde omgeving stierf Estrellita na korte tijd. De eigenaresse daagde de staat op grond van het habeas corpus-beginsel:1) Estrellita zou wederrechtelijk gevangen zijn gezet. De rechter gaf de eigenaresse gelijk en tekende aan dat de rechten van Estrellita niet één keer, maar twee keer waren geschonden: niet alleen door de opsluiting, maar ook al door het feit dat ze als baby uit de jungle was gehaald.

(2) Ook elders proberen natuurbeschermers via rechtszaken te komen tot het toekennen van rechten aan individuele dieren. Pas als dieren echt partij zijn in de conflicten tussen mens en natuur, zo is de gedachte, brengt de mens het op werkelijk rekening te houden met hun belangen.

(3) Geen moment te laat. Eerdere wetten en afspraken hebben niet voorkomen dat zo’n 41 procent van de amfibieën, 37 procent van de haaien en roggen, 27 procent van de zoogdieren en 13 procent van de vogels met uitsterven wordt bedreigd. Miljarden landbouw- en proefdieren leven ellendige, ultrakorte levens. Kan het toekennen van rechten aan dieren dit tij helpen keren? En dat in een wereld waarin wij de alles verstikkende soort zijn, een wereld waarin mensen standaard dieren en dierlijke producten eten en anderszins gebruiken, en een waarin dieren elkáár eten bovendien?

(4) De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum stelt in haar onlangs verschenen Gerechtigheid voor dieren dat het tot nu toe enkel ontbroken heeft aan een “krachtige theoretische strategie om onrechtvaardigheid te diagnosticeren en passende remedies uit te dragen”.

(5) Die strategie komt er kort gezegd op neer dat de rechten van onderdrukte en gemarginaliseerde groepen niet gewaarborgd zijn met enkel vrijwaring van pijn en het voorzien in de primaire levensbehoeften. Een vol en waardig leven is er pas dan als een mens ook zijn vaardigheden kan ontplooien en zijn verlangens na kan streven. Nussbaum noemt dit ook wel de ‘capabiliteitsbenadering’.

(6) Er is, betoogt Nussbaum, gezien de huidige stand van de wetenschap geen reden meer om dieren met een bewustzijn te ontzeggen wat ook voor mensen geldt. Immers: “We zijn allen dieren, samen in deze wereld geworpen, strevend naar dingen die we nodig hebben en vaak gedwarsboomd in die poging.” Teruggrijpend op het (Amerikaanse) verleden constateert ze dat we nu met onbegrip terugkijken op een wereld waarin zwarte mensen en vrouwen golden als bezit. Nu is het tijd voor dierenemancipatie.

(7) Ruwweg de helft van haar boek wijdt Nussbaum aan een academische kritiek op het westerse filosofische denken over dieren tot nu toe, waarbij zij steeds benadrukt dat haar benadering superieur is. Maar haar denkwijze is zeker geen breuk met de traditie. Zij wijst bijvoorbeeld de traditie af die mensen als de meest superieure dieren ziet, maar stelt wel dat wij mensen vanwege onze dominantie en geschiedenis van wreedheid een “ereschuld” hebben jegens dieren en verantwoordelijkheid dragen voor hun welzijn. Ze verwijt utilitaristen2) een te beperkte opvatting omdat zij dieren alleen willen vrijwaren van lijden en pijn, en geen oog hebben voor de andere manieren waarop dieren een vervuld leven willen doormaken. Maar aan dezelfde utilitaristen ontleent ze de grens voor dierenrechten, die zij wil leggen bij dieren die blijkgeven van een bewustzijn. Dat steeds duidelijker blijkt dat ook amfibieën en insecten verbluffende vermogens hebben waarmee die grens achterhaald raakt, negeert ze.

(8) Nussbaum brengt haar eigen benadering naar voren met een aplomb dat grenst aan zelfoverschatting. In het wetenschappelijk denken is immers al leidraad dat welzijn van dieren samenhangt met hun mogelijkheid natuurlijk gedrag te vertonen. Nussbaum levert nu de moraalfilosofische draperie om dit wetenschappelijk bouwwerk: niet-menselijke dieren staan veel dichter bij ons dan we eeuwen konden weten. Nu we dit weten, schept het ook verplichtingen. Jammer dat ze niet ingaat op het feit dat mensen de enige dieren zijn met een dubbele moraal.

(9) Dan de praktische uitwerking. Dieren zouden, net als kinderen en wilsonbekwamen, vertegenwoordigers moeten krijgen die namens hen procesrecht zouden hebben. Nussbaum erkent zelf dat het grootste probleem bij bestaande dierenbeschermingswetten handhaving is. Of die zou vereenvoudigen bij de juridische kluwens die zij aanbeveelt, is sterk de vraag. En van dierenplichten die tegenover rechten staan, kan evenmin veel sprake zijn, al schrijft Nussbaum schijnbaar bloedserieus dat honden, als zij eenmaal “actieve burgers” zijn, moeten afleren “overal te poepen” en “overlast te geven op luchthavens”.

(10) Aan het grootste pijnpunt ter wereld als het om dieren gaat, de veeteelt en de zuivel- en vleesconsumptie, maakt zij relatief weinig woorden vuil. De bio-industrie is onverenigbaar met de capabiliteitsbenadering en moet stoppen. In Nussbaums ogen is het probleem daarmee opgelost. Zij vestigt daarnaast haar hoop op vlees zonder dierenleed: kweekvlees zal het probleem van vlees eten uiteindelijk naar de geschiedenis verwijzen, verwacht zij. Hier is het niet de filosofie, maar de technologie die uitkomst kan bieden.

(11) En wat als het gaat om predatie (dieren die dieren eten), het ultieme dierenrechtendilemma? Welnu, globaal gesproken is Martha Nussbaum er niet voor dat dieren elkaar verscheuren, de capabiliteitsbenadering kent de gazelle immers net zo’n pijnloze dood na een lang leven toe als de leeuw. Het hóéft ook niet per se, schrijft ze. Katten kunnen hun jachtinstinct toch ook botvieren op een speeltje? Kunnen tijgers dan geen bal krijgen om op te jagen, met daarin “humaan gedood vlees”?

(12) (…) Het sterkst aan dit licht wereldvreemde en puur theoretische pleidooi is Nussbaums terugkerende verwoording van alles wat mensen met dieren delen. En waarin ze van hen verschillen. “Mensen zijn niet het sterkste of het snelste. Wel het kwaadaardigste. Geen enkel ander dier is zo verwaand over zijn eigen schoonheid. En tegelijk haat geen enkel ander dier zichzelf zo sterk en is het zozeer op de vlucht voor zichzelf.”

Maartje Somers, NRC, 2 maart 2023. Maartje Somers is recensent en journalist.

Noot 1 habeas corpus: een rechtsmiddel om de wettigheid van een gevangenneming te bepalen.

Noot 2 utilitaristen: aanhangers van een ethische stroming die de morele waarde van een handeling afmeet aan de bijdrage die deze handeling levert aan het welzijn en geluk van alle mensen.

Bron 2: Vlees centrale component in humaan dieet

(1) Vlees is al vele eeuwen dé centrale component in de voedselvoorziening van de mensheid. Toch zijn er voedselautoriteiten die (ten onrechte) het verhaal de wereld in blijven helpen dat vlees vooral een basis zou zijn voor gezondheidsproblemen en dat vlees er voedingstechnisch verder niet veel meer toe zou doen.

(2) Dat schrijft de Vlaamse hoogleraar Leroy in een recente rapportage van het wetenschappelijke tijdschrift Critical Reviews in Food Science and Nutrition. (…) Vlees heeft een eeuwenlange (bewezen) betekenis in het dieet van de mens. De gedachte, zo concludeert Leroy, dat die hoogwaardige rol zomaar overgenomen zou kunnen worden door groenten, fruit en supplementen, is louter speculatief en zelfs onverantwoord als risico’s daarvan (ideologisch) worden genegeerd.

Redactie Vlees.nl, 9 september 2019. Vlees.nl is het communicatieplatform van de stichting Vlees.nl en is een initiatief van de Nederlandse vleessector.

Bron 3: Waarom dierenrechten en veganisme volgens deze filosoof onzin zijn

(1) Dierenrechten vindt de Britse filosoof Roger Scruton onzin, veganisten noemt hij “ecopuriteinen” en de mens is in zijn ogen de meest verheven soort. (…)

(2) Veel dierethici vinden dat er niet zoiets bestaat als ‘humaan doden’ en dat dieren het recht moeten hebben om niet gedood te worden. Maar Scruton vindt dierenrechten onzin. Wie rechten heeft, heeft ook verplichtingen, stelt hij. En daar moet je voor kunnen instaan. Een kat zou dan altijd een massamoordenaar zijn, dus het slaat nergens op om dieren rechten te geven, vindt hij.

(3) (…) Onze liefde voor honden en katten belast de natuurlijke orde, stelt Scruton, en de velddieren zijn daar de dupe van. “Al hebben deze wezens geen rechten, dat betekent niet dat wij geen verantwoordelijkheden jegens hen hebben. Maar wij nemen hun leefgebied in zonder enig gewetensbezwaar.” Scruton vindt het landschap ook waardevol omdat het voor veel dieren hun huis is. Dat de diversiteit in diersoorten behouden wordt, is heel belangrijk voor hem.

Alexandra van Ditmars, Trouw, 1 november 2019. Alexandra van Ditmars is journalist en filosoof.

Bron 4: We zijn verplicht om ons bewust te zijn van het lijden van dieren

Onderstaand fragment komt uit een interview met de Canadese filosoof Will Kymlicka.

(1) Het is even wennen aan de denkwereld over dierenrechten die Will Kymlicka en zijn vaste coauteur en echtgenote Sue Donaldson vijf jaar geleden in hun boek Zoopolis ontvouwden. Het paar schetst een wonderlijk Utopia, waarin we dieren die in het wild leven beschouwen als inwoners van een ander, maar soeverein land, terwijl we de tamme, gedomesticeerde dieren tot volwaardig burger hebben gemaakt. (…)

(2) Kymlicka: “We hebben de gedomesticeerde dieren uit het wild gehaald en ze eeuwen, soms duizenden jaren gefokt om met ons en naast ons te leven en te werken. Onze maatschappij is hun maatschappij. Hun wereld is ónze wereld. We moeten erover nadenken wat dat betekent.”

(3) Als politiek filosoof denk ik dan aan lidmaatschapsrechten. In menselijke samenlevingen bepaalt de vraag van welke gemeenschap je lid bent welke rechten je hebt, en in hoeverre je toegang hebt tot zaken als gezondheidszorg, publieke goederen of de arbeidsmarkt. En in de politieke filosofie is ‘burgerschap’ de categorie waarmee je aangeeft: dit individu is lid van de maatschappij. Net als gedomesticeerde dieren dus.” (…)

(4) Bij burgerschap horen rechten, maar ook plichten. Moeten die dieren straks belasting betalen of zoiets? “Bij burgerplichten denken mensen inderdaad meteen aan belasting betalen of in het leger gaan bij een oorlog. Maar ik wil het breder zien: wat maakt een goede samenleving mogelijk? Daarvoor moeten burgers leren hun impulsen te beheersen, sociaal zijn en niet agressief zijn tegen elkaar.

(5) Ik denk dat gedomesticeerde dieren dat allemaal doen. Ik zit hier met uitzicht op een park: allemaal mensen en honden die met elkaar omgaan. Er is bewijs dat gezelschapsdieren buurten veiliger maken, mensen aangenamer maken. Dieren gaan geen belasting betalen, maar ze dragen bij op een andere manier. Ik denk dat ze goede burgers kunnen zijn.”

(6) Tot ze hun medeburgers opeten. Ik denk aan de katten. “Het geval van de katten is inderdaad lastig. Een complicatie is dat het roofdieren zijn. Ze willen jagen. En in ons verhaal hebben burgers de opdracht om elkaar niet te doden. Dus daar ligt een uitdaging. Mogen we de vrijheid van katten inperken om hun impulsen in te tomen? Daarover is veel discussie in de dierenrechtenbeweging. We hebben er gewoon nog geen perfect antwoord op.”

Maarten Keulemans, de Volkskrant, 18 november 2016. Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant.

Lees bron 1.

Volgens bron 1 ligt er een duidelijke basisaanname achter het toekennen van grondrechten aan dieren om dierenleed te stoppen.

Vraag 1 1 punt

Citeer uit alinea 1 tot en met 3 de zin die deze basisaanname het best weergeeft.

Bekijk het antwoord

“Pas als dieren echt partij zijn in de conflicten tussen mens en natuur, zo is de gedachte, brengt de mens het op werkelijk rekening te houden met hun belangen.” (regels 27-32)

In alinea 5 en 6 wordt een “krachtige theoretische strategie” (regels 55-56) besproken om rechten toe te kennen aan dieren.

Vraag 2 4 punten

Vat deze strategie in vier kernpunten samen. Baseer je antwoord op alinea 5 en 6.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 55 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • Onderdrukte mensen/Gemarginaliseerde groepen moeten (niet alleen) worden gevrijwaard van pijn. / in hun primaire levensbehoeften kunnen voorzien. / De primaire levensbehoeften van onderdrukte mensen/gemarginaliseerde groepen moeten worden gewaarborgd. 1
  • (Onderdrukte) mensen/(Gemarginaliseerde) groepen/Ze moeten (volgens de capabiliteitsbenadering) (ook) vaardigheden kunnen ontplooien. / verlangens kunnen nastreven. 1
  • Dit/De capabiliteitsbenadering geldt ook voor dieren (met een bewustzijn). / Er is geen reden om dieren (met een bewustzijn) te ontzeggen wat voor mensen geldt. 1
  • We zijn (immers) allen dieren. / Dieren en mensen lijken (immers) sterk op elkaar. / Het is (dus) tijd voor dierenemancipatie/dierenrechten. 1

Opmerking: antwoorden bij het eerste en tweede antwoordelement die zich louter op dieren richten, dienen fout te worden gerekend.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 55e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Volgens alinea 7 zit er een tegenstrijdigheid in Nussbaums uitspraken over de superioriteit van mensen.

Vraag 3 2 punten

Leg deze tegenstrijdigheid uit.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 30 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • Mensen worden (enerzijds) niet gezien als superieure/dominante dieren. 1
  • Vanwege hun verantwoordelijkheid voor (het welzijn van) dieren moeten mensen (anderzijds) een superieure/dominante positie innemen. 1

Niet goed: Vanwege hun dominantie hebben mensen een verantwoordelijkheid voor (het welzijn van) dieren.

Opmerking: in beide antwoordelementen moet de superieure of dominante positie van mensen expliciet worden genoemd. Er kan bij bol 2 dus geen scorepunt worden toegekend aan antwoorden die dit impliciet laten, zoals ‘Mensen zijn verantwoordelijk voor het welzijn van dieren’.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 30e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

In alinea 9 tot en met 11 staan drie kritiekpunten centraal bij de “praktische uitwerking” (regel 134) van dierenrechten door Nussbaum.

Vraag 4 3 punten

Vat per alinea het kritiekpunt op de praktische uitwerking samen.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 40 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • (alinea 9) De handhaving (van dierenrechten) is een (groot praktisch) probleem. / Het punt van dierenplichten is praktisch niet uitvoerbaar. / De handhaving levert juridische kluwens/problemen op. 1
  • (alinea 10) Nussbaum vestigt te veel hoop op technologische oplossingen/kweekvlees. / Ze onderschat het probleem van de bio-industrie. / Er wordt (te) weinig aandacht besteed aan de veeteelt en zuivel- en vleesconsumptie. / Ze stelt alleen dat de bio-industrie moet stoppen, zonder daar een (realistisch) alternatief voor te bieden. 1
  • (alinea 11) Nussbaums oplossing voor predatie / voor dieren die dieren eten, is niet realistisch. / Je kunt predatie niet stoppen. 1

Opmerking: antwoorden dienen de kritiek inhoudelijk samen te vatten. Er kunnen geen scorepunten worden toegekend aan antwoorden die slechts het thema van de kritiek noemen zoals ‘Een eerste kritiekpunt is de handhaving van dierenrechten’.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 40e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Je signaleert dat de auteur van bron 1 de theoretische en praktische uitwerking van Nussbaums ideeën herhaaldelijk negatief typeert, met name in alinea 8 en alinea 9.

Vraag 5 2 punten

Citeer uit elk van deze twee alinea’s een zinsgedeelte van maximaal zeven woorden waaruit dit duidelijk blijkt.

Bekijk het antwoord
  • “(met een) aplomb dat grenst aan zelfoverschatting” (regels 118-120) / “(Nussbaum levert nu de) moraalfilosofische draperie (om dit wetenschappelijk bouwwerk)” (regels 124-126) 1
  • “(bij de) juridische kluwens (die zij aanbeveelt)” (regels 143-144) / “(al schrijft Nussbaum) schijnbaar bloedserieus (dat)” (regels 147-148) 1

Opmerking: citaten die langer dan 7 woorden zijn en/of niet uit aaneensluitende tekst bestaan, moeten fout worden gerekend. Bij verkort citeren dient te worden uitgegaan van het aantal woorden in de tekst en niet van dat in het verkorte citaat.

In alinea 8 en alinea 12 plaatst de auteur een principiële kanttekening bij de acceptatie van dierenrechten door mensen.

Vraag 6 1 punt

Welke bewering geeft deze kanttekening het best weer?

  1. A Mensen zijn deels innerlijk tegenstrijdige en kwaadaardige wezens.
  2. B Mensen zijn in feite niets meer dan roofdieren met een bewustzijn.
  3. C Mensen zijn niet consequent in staat tot het doen van het goede.
  4. D Mensen zullen zich uiteindelijk steeds superieur wanen aan dieren.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

Vraag 7 2 punten

Welke bewering geeft de hoofdgedachte van bron 1 het best weer?

Het toekennen van dierenrechten is volgens de auteur van bron 1 weliswaar een zeer zinnig idee, maar

  1. A hieraan moeten mensen dan geen plichten voor dieren koppelen.
  2. B hierbij moet dan Nussbaums capabiliteitsbenadering steeds leidend zijn.
  3. C hierbij moet dan worden recht gedaan aan de verschillen tussen mensen en dieren.
  4. D hierbij moeten dan realiteitszin en praktische uitvoerbaarheid vooropstaan.
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Op basis van bron 1 besluit je de hoofdvraag voor je voorbereiding uit te werken in drie deelvragen:

  • 1) In hoeverre zijn dierenrechten wenselijk?
  • 2) In hoeverre zijn dierenrechten haalbaar?
  • 3) In hoeverre zijn er aanvullingen op het dierenrechtenvoorstel van Nussbaum of alternatieve voorstellen die beter werken?

Je stelt vast dat je deelvraag 1 kunt beantwoorden met bron 1. Voor de beantwoording van deelvraag 2 selecteer je twee aanvullende bronnen: bron 2 en bron 3. Je neemt deze bronnen eerst afzonderlijk door en vergelijkt de gedachtegang ervan met die van bron 1.

Lees bron 2.

In alinea 10 van bron 1 staat een standpunt bij de vraag wat er moet gebeuren met de bio-industrie, “het grootste pijnpunt” bij de haalbaarheid van dierenrechten. Uit bron 2 kan een tegengesteld standpunt worden afgeleid.

Vraag 8 3 punten

Geef per bron het standpunt weer, met het bijbehorende hoofdargument, via onderstaande tabel.

Neem de nummers uit de tabel over en zet daarachter je antwoord.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1a: De bio-industrie/veeteelt moet stoppen. / is overbodig.
  • 1b: De bio-industrie/veeteelt/Deze is (immers) onverenigbaar met de capabiliteitsbenadering. / met de gedachte dat dieren hun vaardigheden moeten kunnen ontplooien. / dat dieren hun verlangens moeten kunnen nastreven.
  • 2a: De bio-industrie/veeteelt moet worden gehandhaafd. / is noodzakelijk.
  • 2b: Vlees is (immers) de centrale component in het menselijk dieet. / Afschaffen van vleesconsumptie is onverantwoord. / heeft (mogelijk) (gezondheids)risico’s. / Er zijn geen goede alternatieven voor vlees.

Niet goed:

  • 1a: Bio-industrie/Veeteelt is slecht.
  • 2a: Bio-industrie/Veeteelt is goed. / Vlees is noodzakelijk.

Indien vier elementen juist 3. Indien drie elementen juist 2. Indien twee elementen juist 1. Indien minder dan twee elementen juist 0.

Beoordeel de spelling.

“De gedachte, zo concludeert Leroy, dat die hoogwaardige rol zomaar overgenomen zou kunnen worden door groenten, fruit en supplementen, is louter speculatief en zelfs onverantwoord als risico’s daarvan (ideologisch) worden genegeerd.” (regels 9-12, bron 2)

Vraag 9 1 punt

Welke oplossing noemt bron 1 voor het probleem dat in dit citaat wordt besproken? Citeer één woord uit alinea 9 tot en met 12 van bron 1.

Bekijk het antwoord

“kweekvlees” (regels 163-164, bron 1)

Opmerking: citaten langer dan één woord moeten fout worden gerekend.

Je twijfelt eraan of bron 2 wel een betrouwbare informatiebron is.

Vraag 10 1 punt

Typeer de betrouwbaarheid van bron 2 door onderstaande zinnen telkens aan te vullen met één woord.

Bron 2 is enerzijds betrouwbaar, omdat het standpunt wordt onderbouwd met …(1)…. . Anderzijds is bron 2 minder betrouwbaar, omdat bron 2 mogelijk …(2)… is.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: onderzoek / wetenschap / feiten / gezag(sargumentatie)
  • 2: partijdig / eenzijdig / bevooroordeeld

Niet goed:

  • 1: argumenten / bronnen
  • 2: subjectief

Indien twee elementen juist 1. Indien minder dan twee elementen juist 0.

Opmerking: bij antwoordelementen langer dan één woord dient het deel na het 1e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling.

Lees bron 3.

In bron 3 wordt Scruton gepresenteerd als een tegenstander van dierenrechten.

Vraag 11 2 punten

Welke twee argumenten voert Scruton aan tegen dierenrechten, volgens bron 3?

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 20 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is: twee van de volgende:

  • De mens is superieur. / is de meest verheven soort. / Er bestaat een natuurlijke orde.
  • Dieren zullen elkaar altijd doden.
  • Dieren kunnen zich niet aan plichten houden. / Dieren kunnen niet instaan voor hun verplichtingen.

Per juist element 1.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 20e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Volgens bron 3 ziet Scruton een oplossing voor dierenleed die afwijkt van de oplossing uit bron 1.

Vraag 12 2 punten

Noem de oorzaak die volgens Scruton tot dierenleed leidt en de oplossing die hij hieraan verbindt, gelet op bron 3.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • (oorzaak) We belasten de natuurlijke orde (met onze liefde voor honden en katten). / We nemen het leefgebied van (veld)dieren in. / We nemen hun leefgebied in. 1
  • (oplossing) We moeten (daarom) de natuurlijke orde bewaken. / We moeten (daarom) de diversiteit in diersoorten behouden. / We moeten (daarom) hun leefgebied beschermen/met rust laten. / We moeten (daarom) onze verantwoordelijkheid nemen tegenover velddieren/wilde dieren. 1

Niet goed: (oplossing) We moeten onze verantwoordelijkheid nemen tegenover dieren. / We moeten onze verantwoordelijkheid nemen.

Beoordeel de spelling.

Voor de beantwoording van deelvraag 3 (‘In hoeverre zijn er aanvullingen op het dierenrechtenvoorstel van Nussbaum of alternatieve voorstellen die beter werken?’) selecteer je nog een laatste aanvullende bron: bron 4.

Je neemt deze bron eerst afzonderlijk door en vergelijkt vervolgens de gedachtegang ervan met die van bron 1 en bron 3.

Lees bron 4.

In alinea 2 van bron 4 staat een constatering over ‘gedomesticeerde dieren’ centraal. Daaraan wordt in alinea 3 tot en met 5 een voorstel over dierenrechten verbonden, met een hoofdargument daarbij.

Vraag 13 3 punten

Vat deze redenering samen via onderstaande tabel. Neem de nummers uit de tabel over en zet daarachter je antwoord.

Geef antwoord in volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 40 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: (constatering) Gedomesticeerde dieren/Ze zijn onderdeel van de (menselijke) maatschappij. / Ze leven en werken al duizenden jaren met mensen. / Onze maatschappij is (ook) hun maatschappij. 1
  • 2: (voorstel) Ze moeten burgerschap/burgerrechten/lidmaatschapsrechten krijgen. / Ze moeten burger kunnen worden. 1
  • 3: (hoofdargument) Ze dragen (net als mensen) bij aan een (betere/veiligere) maatschappij. / Ze gedragen zich (vaak al) als burgers. / Met burgerschap/burgerrechten geef je aan dat individuen/dieren lid zijn van de maatschappij. 1

Niet goed: 3: Ze maken buurten veiliger. / maken mensen aangenamer.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 40e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Het voorstel voor dierenrechten uit bron 4 kan het predatieprobleem uit bron 1 gedeeltelijk oplossen.

Vraag 14 2 punten

Leg dit uit door onderstaande zinnen aan te vullen. Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. Gebruik voor je aanvullingen in totaal niet meer dan 20 woorden.

Het predatieprobleem wordt door het voorstel deels wel opgelost want wilde dieren …(1)… .

Het predatieprobleem wordt door het voorstel deels niet opgelost want gedomesticeerde dieren …(2)… .

Bekijk het antwoord
  • 1: (want wilde dieren) hoeven hun gewelddadige gedrag niet meer te veranderen / kunnen elkaar (blijven) eten / (zijn geen burgers en) hoeven zich (dus) niet te houden aan (de) rechten en plichten (van onze maatschappij) 1
  • 2: (want gedomesticeerde dieren) moeten hun gewelddadige gedrag wel aanpassen / kunnen hun instinct/gewelddadige gedrag niet (allemaal) aanpassen / blijven hun impulsen (tot jagen) houden / blijven (veelal) roofdieren 1

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 20e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling.

Nussbaum in bron 1 denkt duidelijk anders over het schadelijke gedrag van wilde dieren dan Kymlicka en Donaldson in bron 4.

Vraag 15 1 punt

Welke typering maakt dit verschil in denken het best duidelijk?

Anders dan Kymlicka en Donaldson vindt Nussbaum het gedrag van wilde dieren

  1. A destructief en onoverkomelijk.
  2. B gevaarlijk maar begrijpelijk.
  3. C gewelddadig maar aanpasbaar.
  4. D immoreel en onveranderbaar.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

In alinea 1 van bron 4 bespreken Kymlicka en Donaldson de positie van wilde dieren in hun dierenrechtenvoorstel.

Vraag 16 1 punt

Wat is de overeenkomst tussen deze visie en die van Scruton uit bron 3? De visie dat de mens de wilde natuur vooral

  1. A beheersbaar moet houden
  2. B ontoegankelijk moet maken
  3. C veiliger moet inrichten
  4. D wild moet laten blijven
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Je hebt nu naar je idee voldoende informatie verzameld om je voorbereiding voor de meningvormende discussie af te ronden. Met een medeleerling die ook aan de discussie zal deelnemen, controleer je ten slotte voor deelvraag 2 en 3 of je voorbereiding wel volledig is.

Je medeleerling legt je onderstaande vier uitspraken voor over de haalbaarheid van dierenrechten.

Vraag 17 3 punten

Geef per uitspraak aan of deze wel of niet wordt besproken in een of meer van de bronnen 1 tot en met 4. Neem de nummers van de uitspraken over en zet daarachter wel of niet.

  • 1 Het breed toekennen van rechten aan dieren kan ernstige gevolgen hebben voor de mondiale menselijke voedselvoorziening.
  • 2 Het is juridisch erg ingewikkeld om dierenrechten vorm te geven.
  • 3 Het toekennen van rechten aan dieren houdt geen rekening met dieren die zeer schadelijk zijn voor de mens zoals ratten en malariamuggen.
  • 4 In de politiek is er momenteel nauwelijks tot geen aandacht voor het belang van dierenrechten.
Bekijk het antwoord
  • 1 wel/niet
  • 2 wel
  • 3 niet
  • 4 niet

Indien vier elementen juist 3. Indien drie elementen juist 2. Indien twee elementen juist 1. Indien minder dan twee elementen juist 0.

Je medeleerling legt je ook onderstaande vier uitspraken voor over de aanvullingen op en alternatieve voorstellen voor dierenrechten.

Vraag 18 3 punten

Geef per uitspraak aan of deze wel of niet wordt besproken in een of meer van de bronnen 1 tot en met 4. Neem de nummers van de uitspraken over en zet daarachter wel of niet.

  • 1 Het toekennen van dierenrechten wil niet noodzakelijkerwijs zeggen dat dieren in álle opzichten gelijkwaardig aan de mens zijn.
  • 2 Huisdieren moeten in de discussie over dierenrechten zeker een aparte status krijgen.
  • 3 Naarmate dieren meer verwant zijn aan mensen, kunnen ze eerder aanspraak maken op dierenrechten.
  • 4 Ook zonder het invoeren van dierenrechten kun je van mensen eisen dat ze op een goede manier met dieren omgaan.
Bekijk het antwoord
  • 1 wel
  • 2 wel
  • 3 niet
  • 4 wel

Indien vier elementen juist 3. Indien drie elementen juist 2. Indien twee elementen juist 1. Indien minder dan twee elementen juist 0.

Deel 2 Taalpolitie spelen is niet pedant

Tekst 5 Taalpolitie spelen is niet pedant, maar een ode aan de rijkdom van de taal

(1) Een oude, allang besliste oorlog herleeft op de pagina’s van de Volkskrant. Hij sluimerde allereerst in de bespreking door Djuna Kramer van Taalpolitie, de podcast waarin Philip Freriks en ik taal behandelen als een wet die we dienen te handhaven met boetes en handboeien. Dat is het ene kamp van de strijd, de ‘prescriptieve’ school die taal ziet als een voorschrift. De andere opvatting wordt perfect door Kramer verdedigd: “Taal is altijd in beweging, dus observeer haar en laat je verwonderen, in plaats van politieagentje te spelen.” Dat is de positie van de ‘descriptivisten’.

(2) Die laatsten zijn de oorlog aan het winnen, constateerde Elma Drayer vervolgens in haar column. Ze citeert met verbijstering linguïsten die spelfouten bij scholieren willen toestaan, die vinden dat “iedereen moet schrijven zoals ze dat zelf wil”. Het zijn opvattingen die perfect aansluiten bij onze volksaard, allergisch voor elitaire voorschriften. En dus ligt de taalsnob in de touwen. Wie maakt zich nog druk om ‘beter als’? Mensen zeggen het, dus het is taal, dus het is goed. Logisch, toch?

(3) Toch? In zijn essay Authority and American Usage1) demonstreerde David Foster Wallace eens dat strikt descriptivisme bepaald niet zaligmakend is. Dat een taal ongeveer vastgelegd moet worden, is vanzelfsprekend. Je moet haar kunnen leren, en taal moet ondubbelzinnig kunnen zijn in juridische en organisatorische contexten. Geen probleem: descriptivisten noteren misschien geen taalregels, maar wel taalgebruik. Oké, zegt Wallace, maar wiens gebruik dan? Van iedereen? Onmogelijk.

(4) Een kilometer aan taaladministratie is nog onvoldoende om ook maar een fractie van alles uit een taalgebied bij te houden. Dus dan kom je hoe dan ook terecht bij een ongeveer representatieve doorsnede van de betreffende taalgroep, een werkbare consensus, kortom: een woordenboek en wat grammaticaregels. Terug bij af. Dat is eigenlijk ook meteen alles wat de prescriptivisten zeggen: dat het praktisch is om afspraken te maken – niet bijster radicaal in vergelijking met het salonfähige descriptief-fundamentalisme van de postmoderne linguïstiek.

(5) Maar is het ook nuttig om precies te zijn? Taalpolitie te spelen? Dat is immers het punt waarop de discussie zoveel woede oproept. Voor de descriptivist (de Nederlander) is de prescriptieve houding respectloos, en liefdeloos tegenover taal in de praktijk, échte taal. De descriptivist eert immers een levend wezen, de prescriptivist een mausoleum van kille regels.

(6) Maar is dat wel zo? Voor mij zijn taalplezier en -ergernis onvermijdelijk twee kanten van dezelfde medaille die we ‘taalgevoel’ noemen. Genieten van een mooi woord of een knap opgebouwde zin vereist immers hetzelfde oog dat dt-fouten een gat in de pagina ziet branden, hetzelfde oor dat pijn doet wanneer iemand ‘zich’ iets beseft.

(7) Voor mij is descriptivisme juist liefdeloos, een soort taalnihilisme. Daarin meen ik de statistieken aan mijn zijde te hebben. Een kwart van de vijftienjarigen dreigt functioneel analfabeet te worden, boven op de bijna drie miljoen laaggeletterden die we al hebben. De helft van hen ziet lezen als tijdverspilling. Wat het eerst kwam, maakt niet uit: feit is dat taalgevoel en -plezier hand in hand komen en gaan.

(8) ‘Taalzwakken’ doen ondertussen op allerlei manieren niet mee in de samenleving. De dominante taalcultuur is namelijk die waarin alles wordt geregeld, besproken, bedacht. Wie beweert dat die mensen geen probleem hebben (taal is immers een constructie!), is wérkelijk elitair. Descriptivistische taalwetenschappers zien zichzelf als inclusieve democraten, maar ze zijn als de miljonair die gelooft in de zelfredzaamheid van de mens: een linguïst houdt zich inderdaad wel staande in een regelarm Nederlands, maar een laaggeletterde die niet meekan in de arena van de consensustaal, heeft niets aan de leugen dat die niet bestaat.

(9) Want taal is moeilijk. De regels zijn oneindig en ingewikkeld, omdat we het hele scala aan menselijke belevingen, emoties en praktische kwesties erin kwijt moeten. We hebben met de taal een gigantische kathedraal aan nuances, geboden, verboden en uitzonderingen opgetrokken, allemaal om onszelf er maar volledig in te kunnen herkennen.

(10) Daarom doen fouten ertoe: het fijnmazige netwerk van betekenissen en betekenaars is kwetsbaar, en met een beeldenstorm als die van de descriptivisten gaat niet alleen taal, maar ook gelijk betekenis verloren. Daarmee verdwijnt een deel van onszelf, omdat we dit deel niet meer adequaat kunnen uitdrukken. Daarom is (met een knipoog) ‘taalpolitietje spelen’ geen simpele pedanterie maar spelplezier, en een ode aan de rijkdom van de taal.

Gijs van Engelen, de Volkskrant, 31 januari 2023. Gijs van Engelen is historicus, schrijver en podcastmaker.

Noot 1 vertaling: Autoriteit en Amerikaans gebruik.

Lees tekst 5.

Hieronder staan de namen van vier personen die in alinea 1 tot en met 4 worden genoemd in de discussie over het prescriptivisme.

Vraag 19 2 punten

Geef per persoon aan of deze zich waarschijnlijk vooral positief of vooral negatief verhoudt tot het prescriptivisme, gelet op deze alinea’s. Neem de nummers van de personen over en zet daarachter positief of negatief.

  • 1 Djuna Kramer
  • 2 Philip Freriks
  • 3 Elma Drayer
  • 4 David Foster Wallace
Bekijk het antwoord
  • 1 negatief
  • 2 positief
  • 3 positief
  • 4 positief

Indien vier elementen juist 2. Indien drie elementen juist 1. Indien minder dan drie elementen juist 0.

Op basis van een redenering van David Foster Wallace worden in alinea 3 tot en met 5 een belangrijke overeenkomst en een belangrijk verschil aangeduid tussen de taalopvattingen van prescriptivisten en die van descriptivisten.

Vraag 20 2 punten

Noem deze overeenkomst en dit verschil.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 25 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • (overeenkomst) Het is goed/praktisch om afspraken te maken. / Beide groepen willen tot een werkbare consensus komen. / Een woordenboek is / Grammaticaregels zijn volgens beide groepen wenselijk. / Beiden vinden dat taal moet worden vastgelegd. 1
  • (verschil) De opvattingen verschillen over de vraag in hoeverre taalregels moeten worden vastgelegd/nageleefd. / Prescriptivisten willen taalregels precies vastleggen/naleven, descriptivisten niet. / Prescriptivisten vinden precieze taalregels nuttig, descriptivisten niet. / Descriptivisten vinden precieze taalregels liefdeloos/respectloos, prescriptivisten vinden dat niet. / Descriptivisten eren taal als een levend wezen, prescriptivisten eren (kille) regels. 1

Niet goed: (overeenkomst) Beide groepen houden zich met taalgebruik bezig. / Beiden vinden dat taalgebruik moet worden vastgelegd.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 25e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

“De descriptivist eert (…) een levend wezen, de prescriptivist een mausoleum van kille regels.” (regels 74-76)

Vraag 21 1 punt

Welke uitspraak geeft dit verschil in taalopvatting tussen descriptivisten en prescriptivisten het best weer, gelet op alinea 5?

  1. A Voor descriptivisten bepaalt taal het mens-zijn, terwijl voor prescriptivisten taal vooral een communicatiemiddel is.
  2. B Voor descriptivisten is taalvernieuwing van cruciaal belang, terwijl voor prescriptivisten juist de taaltraditie het belangrijkst is.
  3. C Voor descriptivisten kent taal geen regels en grenzen, terwijl voor prescriptivisten de taalregels en het taalsysteem vooropstaan.
  4. D Voor descriptivisten staat taalgebruik centraal, terwijl voor prescriptivisten de kennis en herkenning van taalregels essentieel is.
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

“Voor mij is descriptivisme juist liefdeloos, een soort taalnihilisme. Daarin meen ik de statistieken aan mijn zijde te hebben.” (regels 87-90)

Een kritische lezer zou kunnen twijfelen aan de aanvaardbaarheid van de relatie tussen de argumentatie in dit citaat en de vervolgargumentatie erbij in alinea 7.

Vraag 22 1 punt

Welke drogreden kan een kritische lezer hierin vooral aanwijzen?

  1. A cirkelredenering
  2. B onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema
  3. C ontduiken van de bewijslast
  4. D persoonlijke aanval
  5. E verkeerde vergelijking
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

“Daarmee verdwijnt een deel van onszelf, omdat we dit deel niet meer adequaat kunnen uitdrukken.” (regels 135-138)

Vraag 23 2 punten

Vat uit alinea 9 en 10 de argumentatie bij dit standpunt samen, door onderstaande zinnen aan te vullen. Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord.

Taal is genuanceerd en ingewikkeld, zodat we met taal …(1)… . We moeten daarom …(2)… . Zo niet, dan verdwijnt een deel van onszelf, omdat we dit deel niet meer adequaat kunnen uitdrukken.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: (zodat we met taal) alles kunnen uitdrukken / onszelf volledig kunnen uitdrukken / alle menselijke belevingen, emoties en praktische kwesties kunnen uitdrukken 1
  • 2: (We moeten daarom) (taal)regels blijven hanteren / blijven letten op (taal)fouten / streng zijn op taal / taalpolitie(tje) blijven spelen 1

Niet goed:

  • 1: (zodat we met taal) onszelf kunnen uitdrukken/herkennen
  • 2: (We moeten daarom) fouten blijven maken

Beoordeel de spelling.

In alinea 8 tot en met 10 wordt de betekenisrijkdom van taal een aantal malen benadrukt met figuurlijk taalgebruik.

Vraag 24 2 punten

Citeer uit deze alinea’s twee woordgroepen met dit figuurlijk taalgebruik.

Bekijk het antwoord

Twee van de volgende:

  • “(een gigantische) kathedraal (aan nuances, geboden, verboden en uitzonderingen)” (regels 123-125)
  • “(het) fijnmazige netwerk (van betekenissen en betekenaars)” (regels 129-131)
  • “(met een) beeldenstorm (als die van de descriptivisten)” (regels 132-133)

Per juist element 1.

Hieronder volgen vijf uitspraken.

Vraag 25 3 punten

Geef per uitspraak aan of deze wel of niet overeenkomt met de strekking van tekst 5. Neem de nummers van de uitspraken over en zet daarachter wel of niet.

  • 1 De diepgang van onze taal kan worden gewaarborgd door precieze taalregels in acht te nemen.
  • 2 Door meer oog te hebben voor taalgevoel en taalplezier in onderwijs en maatschappij, kan de toenemende laaggeletterdheid in Nederland worden verminderd.
  • 3 Juist in toetsen op de middelbare school zou niet al te streng moeten worden gekeken naar de taalverzorging.
  • 4 Om verder te komen in de samenleving, zouden laaggeletterden zelfredzamer moeten zijn in het leren van de taalregels.
  • 5 We zouden bij het opstellen van taalregels wat meer rekening moeten houden met hoe onze taal daadwerkelijk in de praktijk wordt gebruikt.
Bekijk het antwoord
  • 1 wel
  • 2 wel
  • 3 niet
  • 4 niet
  • 5 niet

Indien vijf elementen juist 3. Indien vier elementen juist 2. Indien drie elementen juist 1. Indien minder dan drie elementen juist 0.

Bekijk afbeelding 6.

Volgens tekst 5 hebben descriptivisten vaak negatieve opvattingen over prescriptivisten.

Vraag 26 1 punt

Welke negatieve opvatting over prescriptivisten uit tekst 5 kan met afbeelding 6 worden geïllustreerd?

Cartoon van Lectrr met de tekst ‘IEDERE LERAAR ’N TAALLERAAR...’: een leraar zegt ‘OU, OU, OU...’ en een leerling antwoordt ‘Nee, je bedoelt AU, AU, AU!’. Bekijk in Bijlage, pagina 9

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • Prescriptivisten hebben alleen oog voor (kille) taalregels.
  • Prescriptivisten hebben geen oog voor taalgebruikers.
  • Prescriptivisten zijn kil/liefdeloos/respectloos.
  • Prescriptivisten willen altijd/overal taalpolitie(tje) spelen.

Beoordeel de spelling.

Deel 3 De economie doen krimpen om het klimaat te redden?

Tekst 7 De economie doen krimpen om het klimaat te redden? ‘Kaboutersocialisme’, vindt CPB-directeur Pieter Hasekamp

(1) Alleen drastisch bezuinigen op ons consumptiepatroon kan een klimaatcatastrofe voorkomen. Dat is de boodschap van schrijverscollectief Postgroei, een groep dertigers uit twaalf politieke partijen. Een van hen, de Amersfoortse econoom Paul Schenderling, zei vorig jaar tegen de Volkskrant dat het “nonsens” is om te denken dat we als consumenten op de oude voet verder kunnen, alleen dan met windmolens, zonnepanelen en stekkerauto’s.

(2) Pieter Hasekamp gelooft niet dat het minder moet. In de zesde EW Economie-lezing, georganiseerd door opinieweekblad EW, besprak de baas van het Centraal Planbureau (CPB) maandag de zogeheten degrowth-beweging. “Volgens hen moet het huidige economische systeem, dat is gericht op de groei van consumptie en productie, plaatsmaken voor een wereld waarin de nadruk ligt op duurzaamheid, niet-materiële waarden en een eerlijke verdeling van welvaart.”

(3) Dat klinkt “lekker huiselijk en sympathiek”, aldus Hasekamp, “maar het is een slecht idee, omdat het ingaat tegen de fundamentele behoefte van de mens om het eigen bestaan te verbeteren en zelf keuzes te maken. Van boven opgelegde krimp leidt algauw tot een soort kaboutersocialisme, waarin een autoritaire overheid gaat voorschrijven welke auto je wel en welke je niet mag rijden.”

(4) De Kabouterbeweging was een anticulturele beweging die eind jaren zestig protesteerde tegen het consumentisme en de aantasting van het milieu, en streefde naar een eenvoudige levensstijl. Oprichter Roel van Duijn zag de kabouter als “symbool van het bondgenootschap van mens en natuur in hun strijd tegen de verwoestende technologie”.

(5) Volgens Hasekamp moet de oplossing komen van de overstap naar nieuwe technologie. “Nederland kan als welvarende en innoverende economie helpen om daar het verschil te maken.”

(6) Er zijn volgens hem al heldere doelstellingen op het vlak van klimaatbeleid. “Wat vooral nodig is, is een overheid die daarop consistent stuurt. Door een combinatie van regelgeving, CO2-beprijzing en het faciliteren van infrastructuur en innovatie.”

(7) Niet alle bedrijven zullen de overgang naar die emissiearme economie kunnen maken, geeft Hasekamp aan. “En dat is ook niet erg. Ook dat zou de overheid moeten durven zeggen. Want dat sommige bedrijven het niet redden, is van alle tijden. Die dynamiek is goed voor de economie, en de bron van onze welvaart.” (…)

Daan Ballegeer, de Volkskrant, 26 juni 2023. Daan Ballegeer is econoom en journalist.

Reactie 8: Sturende overheid

(1) In het artikel ‘De economie doen krimpen om het klimaat te redden?’ stelt Pieter Hasekamp, directeur van het Centraal Planbureau (CPB), dat ons huidige consumptiepatroon weliswaar leidt tot uitputting van grondstoffen, aantasting van biodiversiteit en klimaatverandering, maar dat “van boven opgelegde krimp” niet de oplossing is. Dan gaat de overheid te veel voorschrijven.

(2) Over de wenselijkheid van een sturende rol van de overheid valt te twisten, maar waarom staan we toe dat bedrijven jaarlijks miljarden uitgeven om ons met reclame over te halen tot de meest schadelijke consumptie (ongezond eten, spullen, vakantiereizen)? Dat is nergens goed voor.

(3) Stop al die reclame, geef de Consumentenbond1) een extra groot budget en maak iedereen gratis lid. Plus een site waar iedereen kan zoeken naar informatie over nieuwe producten.

(4) Als de overheid ons niet mag voorschrijven wat we wel of niet mogen consumeren, dan mogen de bedrijven ons ook niet manipuleren om meer te consumeren, en niet sturen in wat we consumeren. Dan hebben we in ieder geval een gelijk speelveld.

Peter Simon, de Volkskrant, 27 juni 2023. Noot 1 De Consumentenbond is een belangenorganisatie voor consumenten.

Reactie 9: Zooi

Pieter Hasekamp zegt over consuminderen: “Het is een slecht idee, omdat het ingaat tegen de fundamentele behoefte van de mens om het eigen bestaan te verbeteren en zelf keuzes te maken.” Precies om die redenen is het een goed idee. Ik denk dat het bestaan van heel wat mensen erop vooruit zou gaan wanneer ze met hulp van de overheid ervoor zouden kiezen minder zooi aan te schaffen.

Henk Meeuwsen, de Volkskrant, 27 juni 2023.

Reactie 10: Groei

(1) CPB-directeur Pieter Hasekamp heeft blijkbaar nooit gehoord van een vals dilemma. Hoezo zouden we moeten kiezen tussen minder consumeren en produceren en meer innoveren? En hoezo zou permanente economische groei nodig zijn om te voldoen aan de fundamentele behoefte van de mens om het eigen bestaan te verbeteren en zelf keuzes te maken?

(2) Gewone burgers hebben helemaal niks aan economische groei die zich alleen vertaalt in hogere uitkeringen voor aandeelhouders, et cetera.

(3) Ik schrik ervan dat een directeur van zo’n belangrijk instituut zo politiek blijkt te zijn. Media moeten in het kader van ‘neutraliteit’ altijd verschillende meningen vertegenwoordigen. Waarom geldt dat niet voor de directie van instituten als het CPB?

(4) Graag een iets minder ‘neoliberale’1) persoon naast Hasekamp die uitlegt wat een vals dilemma is, en aantoont dat minder groei en innoveren juist voldoen aan de behoefte het menselijk bestaan te verbeteren.

Jolanda van der Lee, de Volkskrant, 27 juni 2023. Noot 1 neoliberalisme: stroming binnen het liberalisme, waarin de overheid de rol heeft van schepper en handhaver van markten en concurrentie, met de nadruk op het maximaliseren van individuele vrijheid.

Na publicatie van tekst 7 verschenen in de Volkskrant verscheidene reacties van lezers. Drie van deze reacties staan in het tekstboekje, na tekst 7.

Lees tekst 7.

In tekst 7 staan vier visies op de vraag of de economie wel of niet moet krimpen om de klimaatproblemen tegen te gaan. Aan elke visie kan een algemene maatregel tegen klimaatproblemen worden verbonden, gelet op de tekst.

Vraag 27 4 punten

Geef deze visies weer, met de bijbehorende maatregelen, aan de hand van onderstaande tabel. Neem de nummers uit de tabel over en zet daarachter je antwoord.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

groep/persoonMoet de economie wel of niet krimpen vanwege de klimaatproblemen?algemene maatregel tegen klimaatproblemen
Schrijverscollectief Postgroei1a: wel1b: (We moeten drastisch) bezuinigen op ons consumptiepatroon. / minder consumeren.
Degrowth-beweging2a: wel2b: (We moeten) duurzaamheid, niet-materiële waarden en een eerlijke verdeling van welvaart prioriteit geven. / (We moeten) een duurzamer/eerlijker economisch systeem inrichten.
Pieter Hasekamp3a: niet3b: (We moeten) / (De overheid moet) overstappen op innovatie/nieuwe technologie. / consistent aansturen op klimaatbeleid. / op (een combinatie van regelgeving, CO2-beprijzing en het faciliteren van infrastructuur en) innovatie.
Kabouterbeweging4a: wel4b: (De overheid moet) het consumptiegedrag voorschrijven. / de consumptie verminderen. / (We moeten) een eenvoudige levensstijl aanhouden/nastreven.

Niet goed bij 2b: (We moeten) het huidige economische systeem veranderen. / een duurzame wereld inrichten.

Per juist ingevulde rij 1.

Beoordeel de spelling.

“Wat vooral nodig is, is een overheid die daarop consistent stuurt.” (regels 61-63)

Bij dit standpunt wordt in het vervolg van de tekst een tegenargument gegeven. Dit tegenargument wordt daarna met twee argumenten ontkracht.

Vraag 28 3 punten

Vat dit tegenargument en de ontkrachting daarvan samen. Neem de nummers uit onderstaande tabel over en zet daarachter je antwoord. Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 30 woorden.

tegenargument 1:
ontkrachting 2a:
2b:
Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: Sommige bedrijven zullen het niet redden. / Niet alle bedrijven kunnen de overgang (naar een emissiearme economie) maken.
  • 2a: Dat (sommige bedrijven het niet redden,) is van alle tijden.
  • 2b: Dat is goed voor de economie. / Dat is de bron van onze welvaart. 1

Opmerking: de antwoorden bij 2a en 2b mogen worden verwisseld.

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 30e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Vraag 29 2 punten

Welke uitspraak geeft de hoofdgedachte van tekst 7 het best weer, met name gelet op de uitlatingen van CPB-directeur Hasekamp?

Om klimaatproblemen tegen te gaan moet de overheid

  1. A de krimp van consumeren en produceren reguleren en niet-materiële waarden vooropstellen.
  2. B het bewuster consumeren en produceren stimuleren en inzetten op duurzame maatregelen.
  3. C het eerlijker consumeren en produceren controleren en een betere welvaartsverdeling nastreven.
  4. D het hedendaagse consumeren en produceren faciliteren en vernieuwende technologie aanmoedigen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Lees reactie 8.

In tekst 7 staat een standpunt van Hasekamp centraal over de rol van de overheid. Een kritische lezer zou kunnen vinden dat reactie 8 dit centrale standpunt (impliciet) afwijst.

Vraag 30 2 punten

Geef twee redenen waarom een kritische lezer dat zou kunnen vinden, gelet op de inhoud van reactie 8.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is: twee van de volgende:

  • (Hasekamps voorstel is betwistbaar:) Over (de wenselijkheid van) een sturende rol valt te twisten (volgens reactie 8). / Het standpunt van Hasekamp is (volgens reactie 8) betwistbaar.
  • (Hasekamp negeert een belangrijk probleem bij bedrijven:) Bedrijven sturen burgers wél (en dat neemt Hasekamp niet mee). / Bedrijven manipuleren burgers / zetten ons tot schadelijke consumptie aan (en dat probleem lost Hasekamps voorstel niet op). / Burgers worden gemanipuleerd door bedrijven in wat ze consumeren (en daarvoor heeft Hasekamp geen aandacht).
  • (Reactie 8 bepleit oplossingen waarbij de overheid wél stuurt:) De overheid moet wel degelijk een sturende rol spelen (blijkens reactie 8). / De overheid moet aansturen op een gelijk speelveld (voor burgers en bedrijven). / De overheid moet bedrijven bijsturen (zo blijkt uit reactie 8). / De overheid moet burgers helpen tegen het sturen/manipuleren van bedrijven. / De overheid moet burgers informatie aanreiken, zodat burgers zelfstandig kunnen kiezen. / De overheid moet tegengaan dat bedrijven ons aanzetten tot meer consumptie.

Per juist element 1.

Opmerking: bovenstaande argumenten gaan in tegen Hasekamps centrale standpunt dat van boven opgelegde krimp (oftewel: een sturende rol van de overheid) niet de oplossing is (vgl. regels 36-38, tekst 7, en regel 5-6, reactie 8).

Beoordeel de spelling.

Volgens reactie 8 moeten overheid en bedrijven ander gedrag gaan vertonen, zodat er voor consumenten een “gelijk speelveld” ontstaat (regel 18).

Vraag 31 3 punten

Leg dit uit door onderstaande zinnen aan te vullen. Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. Gebruik voor je aanvullingen in totaal niet meer dan 30 woorden.

De overheid moet vooral …(1)… .

De bedrijven moeten vooral …(2)… .

Daarmee ontstaat voor consumenten een gelijk speelveld, want daardoor kunnen consumenten …(3)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: (De overheid moet vooral) ervoor zorgen dat consumenten (correct/beter) geïnformeerd worden (over producten) / bedrijven verbieden consumenten te manipuleren / bedrijven verbieden ongezonde producten te promoten 1
  • 2: (De bedrijven moeten vooral) stoppen met reclame maken / stoppen met het manipuleren van consumenten (om meer te consumeren) / juiste informatie (over producten) verstrekken 1
  • 3: (daardoor kunnen consumenten) juiste/weloverwogen keuzes (voor producten) maken / zelf(standig) beslissen/onderzoeken wat ze consumeren 1

Niet goed: 1: (De overheid moet vooral) consumenten niet voorschrijven wat ze consumeren / een sturende rol aannemen / de Consumentenbond een (groot) budget geven

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 30e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling.

Lees reactie 9.

Reactie 9 bevat een standpunt dat met één argument wordt onderbouwd. Een kritische lezer zou kunnen vinden dat in deze argumentatie twee drogredenen zijn te vinden.

Vraag 32 2 punten

Welke drogredenen zijn dat? Noteer de nummers van de twee juiste drogredenen.

  1. A cirkelredenering
  2. B onjuist beroep op een kenmerkschema
  3. C onjuist beroep op een vergelijkingsschema
  4. D onjuist beroep op een voor- of nadeelschema
  5. E ontduiken van de bewijslast
  6. F overhaaste generalisatie
Bekijk het antwoord

Antwoord: D en E

  • 4 1
  • 5 1

Aanvulling: bij vraag 32 moet ‘• 4 1 • 5 1’ vervangen worden door ‘• 4 2’. De twee scorepunten dienen te worden toegekend indien kandidaten ‘4’ als enige, eerste of tweede antwoord geven; aan overige antwoorden kunnen geen scorepunten worden toegekend.

Lees reactie 10.

In reactie 10 worden drie kritiekpunten gegeven op de visie van Hasekamp uit tekst 7.

Vraag 33 3 punten

Vat deze kritiekpunten samen.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 50 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • Hasekamp/Hij gaat uit van een vals dilemma. / redeneert onjuist. / Er hoeft niet te worden gekozen tussen minder consumeren en produceren en meer innoveren. / Er hoeft niet te worden gekozen voor (permanente economische) groei (om te voldoen aan de fundamentele behoeften van de mens). 1
  • Gewone burgers hebben helemaal niks aan (economische) groei. / (Economische) groei vertaalt zich in hogere uitkeringen voor aandeelhouders. 1
  • Hasekamp is niet neutraal. / Een CPB-directeur zou neutraal moeten zijn. / Hasekamp heeft een politieke agenda. / vertegenwoordigt (vooral) één mening. / Hij is neoliberaal. / is politiek gemotiveerd. 1

Opmerking: bij langere antwoorden dient het deel na het 50e woord noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Een kritische lezer zou kunnen vinden dat in reactie 10 meermaals een persoonlijke aanval staat op de geïnterviewde in tekst 7.

Vraag 34 2 punten

Citeer de vier zinnen uit reactie 10 waarin deze persoonlijke aanval staat.

Bekijk het antwoord
  • “CPB-directeur Pieter Hasekamp heeft blijkbaar nooit gehoord van een vals dilemma.” (regels 1-2, reactie 10)
  • “Ik schrik ervan dat een directeur van zo’n belangrijk instituut zo politiek blijkt te zijn.” (regels 9-10, reactie 10)
  • “Waarom geldt dat niet voor de directie van instituten als het CPB?” (regels 11-12, reactie 10)
  • “Graag een iets minder ‘neoliberale’ persoon naast Hasekamp (die uitlegt … te verbeteren.)” (regels 13-16, reactie 10)

Indien vier elementen juist 2. Indien drie elementen juist 1. Indien minder dan drie elementen juist 0.

Reactie 8, reactie 9 en reactie 10 hebben elk een eigen relatie met de gedachtegang uit tekst 7.

Hieronder staan zeven mogelijke relaties met de gedachtegang uit tekst 7.

Vraag 35 3 punten

Kies per reactie de relatie die er het best bij past. Neem de nummers van de reacties 8, 9 en 10 over en zet daarachter telkens de letter van de juiste relatie. Let op: je kunt elke letter maar één keer kiezen; er blijven dus vier letters over.

  • a de actualiteit van de opvattingen in tekst 7 ter discussie stellen
  • b de basisvoorwaarden bij de oplossing in tekst 7 schetsen
  • c een aanvullende oplossing bij tekst 7 voorstellen
  • d een historische achtergrond bij de ideeën in tekst 7 geven
  • e een standpunt formuleren dat verschilt van dat in tekst 7
  • f het gezag van de autoriteit in tekst 7 in twijfel trekken
  • g mogelijke tegenargumenten bij het standpunt in tekst 7 ontkrachten
Bekijk het antwoord
  • (Reactie) 8: c 1
  • (Reactie) 9: e 1
  • (Reactie) 10: f 1

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Nederlands 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens Nederlands vwo

Hoe ToetsChecker Nederlands per vraagtype nakijkt, lees je op Nederlands toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1?

Het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1 telt 35 vragen. De meeste vragen gaan over argumentatie (17), leesvaardigheid (16) en stijlfouten (2).

Wat zijn de antwoorden van het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van Nederlands vwo 2026, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1001-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.