Eindexamen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Deel 1 Straattaal, Deel 2 Gedachten op de crosstrainer, Deel 3 Het verschijnsel haat.

Kort antwoord

Het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over leesvaardigheid (27), argumentatie (8) en stijlfouten (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Leesvaardigheid2-3, 5, 7, 9, 12, 14-16, 18-19, 21-22, 25-26, 28-3927
Argumentatie1, 6, 8, 10-11, 17, 24, 278
Stijlfouten4, 13, 20, 234

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens Nederlands vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over leesvaardigheid (69% van de vragen, gemiddeld 50%). Minder over tekstverbanden en signaalwoorden (0% van de vragen, gemiddeld 7%) en argumentatie (21% van de vragen, gemiddeld 27%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Deel 1 Straattaal

Lees tekst 1.

Tekst 1 Straattaal en lidwoorden: grijs gebied

(1) Ook aan taalkundigen is het nederlands het lidwoord ‘het’ mee gebruik van het lidwoord niet onop- 45 moeten krijgen. De enige manier om gemerkt voorbijgegaan. Het is dat te weten te komen is door het te waarschijnlijk een van de meest leren, bijvoorbeeld door het vaak onderzochte aspecten van straattaal. genoeg te horen als kind. Maar er is Zo deed de taalkundige Leonie iets vreemds aan de hand met de Cornips al een tijd geleden onder- 50 laatste zin. Daar krijgt het verkleinzoek naar de verwerving van het woord ‘mannetje’ ook ‘die’ in plaats lidwoord bij kinderen. Zij vergeleek in van ‘dat’. Hoewel je de lidwoorden eerste instantie eentalige Nederland- altijd moet leren, geldt er één se kinderen met tweetalige kinderen. uitzondering in het Nederlands: Beide groepen hadden het ‘juiste’ 55 verkleinwoorden krijgen namelijk gebruik van het lidwoord pas laat altijd ‘het’.

onder de knie, rond hun achtste (4) Het lijkt me sterk dat de levensjaar. Het bleek echter dat Marokkaans-Nederlandse jongeren tweetaligen achterliepen, dus vaker die regel niet kennen. Ze zijn ‘de’ gebruikten voor een het-woord. 60 allemaal naar school geweest en

(2) Het leren van het juiste gebruik hebben vaak genoeg verkleinvan lidwoorden is een van de woorden gehoord. Als je ze ernaar moeilijkste aspecten van het vraagt, weten ze ongetwijfeld dat het Nederlands. Dat kunnen mensen die ‘dat mannetje’ is. Dat werpt de vraag op latere leeftijd Nederlands hebben 65 op waarom jongeren dat doen. geleerd beamen. Ze kunnen nog zo (5) Daarmee zijn we aangekomen bij vloeiend en accentloos Nederlands het tweede deel van Leonie Cornips’ spreken, toch zullen ze vaak erover onderzoek, namelijk dat het gebruik twijfelen of ze ‘de’ of ‘het’ moeten deels een identiteitskwestie is: gebruiken. 70 jongeren gebruiken opzettelijk het

(3) Ook Marokkaans-Nederlandse andere lidwoord om ‘straat’ te (en andere meertalige) jongeren die klinken. Zo praat je nu eenmaal in Nederland zijn geboren, gebruiken onderling. Onzijdige woorden zijn vaak ‘de’ voor een het-woord. In mijn veel te netjes in straattaal. eigen onderzoek is er een over- 75 (6) Een deel van de jongeren heeft vertegenwoordiging van de-woorden. dus moeite om de juiste lidwoorden Een aantal voorbeelden: toe te passen, terwijl dat, hoe je het

  • “Ja, om de jaar” ook wendt of keert, een belangrijk
  • “Bij de centrum, weet je waar” aspect is van het Nederlands. Een
  • “Deze land is niet alleen maar 80 werkgever zal een sollicitant er

voor Nederlanders” waarschijnlijk op beoordelen. Het

  • “Die mannetje, de eigenaar van onderwijs dient, het liefst op de

die ding” basisschool al, hier zijn pijlen op te ‘Jaar’, ‘centrum’, ‘land’ en ‘ding’ zijn richten. Het is echter niet het hele stuk voor stuk onzijdige woorden en 85 verhaal. Veel jongeren spelen ook zouden dus in het Standaard- met de lidwoorden en kunnen in verschillende contexten schakelen. Dan krijg je zinnen zoals ‘Het hond Ze weten het wel, maar gebruiken heeft het kaas opgegeten.’ En dat, opzettelijk het andere lidwoord. Soms waarde matties, klinkt zelfs op school gaat het zelfs de andere kant op en 95 te netjes.

gebruiken ze ‘het’ in plaats van ‘de’.

Bronnen

  • Cornips, L. (2008). Loosing grammatical gender in Dutch. The result of

bilingual acquisition and/or an act of identity. International Journal of Bilingualism, 12(1 & 2), 105-124.

  • Mourigh, K. (2014-2017). Gouda Corpus.

Khalid Mourigh, blog op khalidmourigh.nl, 5 januari 2023

Dr. Khalid Mourigh is onderzoeker linguïstiek en taalvariatie bij het Meertens Instituut, dat onderzoek doet naar de Nederlandse taal en cultuur. Mourigh houdt zich vooral bezig met jongerentaal en Berbertalen.

In alinea 1 tot en met 3 van tekst 1 worden onderzoeken besproken onder eentalige en tweetalige kinderen en onder Marokkaans-Nederlandse jongeren. Uit deze onderzoeken wordt een conclusie getrokken.

Vraag 1 1 punt

Welke conclusie is dat, gelet op alinea 1 tot en met 3?

  1. A Eentalige en tweetalige kinderen maken vaak meer fouten in lidwoordgebruik dan Marokkaans-Nederlandse jongeren.
  2. B Eentalige kinderen maken vaak meer fouten in lidwoordgebruik dan tweetalige kinderen en Marokkaans-Nederlandse jongeren.
  3. C Tweetalige kinderen en Marokkaans-Nederlandse jongeren maken vaak meer fouten in lidwoordgebruik dan eentalige kinderen.
  4. D Tweetalige kinderen maken vaak meer fouten in lidwoordgebruik dan eentalige kinderen en Marokkaans-Nederlandse jongeren.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

Uit alinea 3 tot en met 5 kun je twee algemene oorzaken afleiden van het onjuist gebruik van lidwoorden onder Marokkaans-Nederlandse jongeren.

Vraag 2 2 punten

Noem deze twee oorzaken.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 25 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • Er zijn weinig regels bij het gebruik van lidwoorden. / Je kunt de juiste lidwoorden alleen weten door ze (per woord) te leren. / Het (juiste) gebruik van lidwoorden is moeilijk te leren. (1)
  • Jongeren gebruiken lidwoorden verkeerd om hun identiteit vorm te geven. / Ze willen ‘straat’ klinken. / Het is een identiteitskwestie. (1)

Niet goed:

Jongeren zijn (vaak) meertalig.

Maximumlengte van het antwoord: 25 woorden. Beoordeel de spelling en grammatica.

Stel, je wilt advies geven over hoe het onderwijs moet omgaan met het onjuist lidwoordgebruik onder jongeren.

Vraag 3 2 punten

Welke twee van onderstaande vijf adviezen zijn dan het meest in lijn met alinea 5 en 6?

Noteer de nummers van de twee juiste adviezen. Het onderwijs moet jongeren leren 1 dat een onjuist gebruik van lidwoorden geen probleem is. 2 dat ze lidwoorden in alle situaties correct moeten gebruiken. 3 hoe taalgebruik zoals lidwoordgebruik varieert per taalsituatie. 4 hoe ze creatief kunnen zijn door te spelen met lidwoorden. 5 in welke context ze lidwoorden wel en niet naar eigen voorkeur kunnen gebruiken.

Bekijk het antwoord
  • 3 (1)
  • 5 (1)

De woordgroep ‘grijs gebied’ in de titel van tekst 1 is beeldspraak.

Vraag 4 2 punten

Welke interpretatie van deze beeldspraak doet het meest recht aan de hoofdgedachte van tekst 1?

Het onjuist lidwoordgebruik in straattaal

  1. A is een schijnprobleem, doordat jongeren dit soort taalfouten bewust inzetten om hun identiteit en plaats in de groep vorm te geven.
  2. B is in het onderwijs jongeren moeilijk af te leren, doordat het samenhangt met identiteitsvorming en in veel taalsituaties niet optreedt.
  3. C laat zich niet eenduidig verklaren, omdat het deels ontstaat vanuit gebrekkige taalkennis en deels vanuit bewust afwijken van de norm.
  4. D moet verder worden onderzocht, omdat nog onduidelijk is in welke mate het samenhangt met taalproblemen van meertalige jongeren.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (2)

Lees tekst 2.

Tekst 2 Taal is voortdurend in beweging, zeker bij jongeren

Een pleidooi voor lossere regels Onderstaand fragment komt uit een interview met taalkundige Kristel Doreleijers.

(1) Jongerentaal is geen statische, negatief, als onbeschofte of asociale afgebakende taal met een eigen taalvariant, getypeerd. En bij grammatica. Er komt veel cultuur bij 40 sommige jongeren moet je ook niet kijken, er zijn verschillende variaties met die term aankomen.

en ze is continu aan verandering (4) (…) Jongeren weten heus wel dat onderhevig. Jongeren gebruiken de het ‘dat huis’ is. Dat gebruiken ze op taalvariaties in een bepaalde levens- school of werk, maar onderling fase, in een periode waarin ze ont- 45 zeggen ze ‘die huis’. Eigenlijk is het dekken wie ze zijn, bij welke groep onmogelijk om al deze taalvariaties in ze willen horen. Het is taal die gaat hokjes te vatten; de praktijk is zo over identiteits- en groepsvorming: dynamisch. Wat vroeger ‘de straat’ een codetaal waar volwassenen de was, is nu vooral online. nuances, uitspraak, grammatica, 50 (5) Rond de eeuwwisseling lag de zinsbouw en woordvorming niet van focus op het willen beschrijven van kennen. de taal die jongeren gebruikten.

(2) Een belangrijk kenmerk is dat Inmiddels is de gedachte dat taal niet jongeren een grote registergevoelig- één vaste vorm heeft, dat jongeren heid hebben in hun taal. Ze weten 55 afhankelijk van met wie ze spreken vaak precies wanneer bepaald meerdere taalvariaties in kunnen taalgebruik of een woordkeuze wel of zetten. Er is zoveel meer taal dan de niet gepast is. Hun variaties zijn standaardtaal. Sprekers spelen met zelden een kwestie van slechte taal, mixen taalvarianten en talen taalvaardigheid, maar juist van taal- 60 door elkaar, geven nieuwe betekelenigheid. Jongeren spelen met taal, nissen aan oude woorden. hanteren hun eigen linguïstische (6) En het is ook niet zo dat een spelregels. jongere die op een bepaalde plek is

(3) Jongerentaalvariaties zijn lastig te geboren, met een bepaalde etnische vatten, want gebruiken mensen ze 65 of sociaal-economische achtergrond, alleen als ze jong zijn of nemen ze voorbestemd is om op een bepaalde deze mee in hun leven als ze ouder manier te spreken. Er is taalvrijheid worden? Ook is het ingewikkeld om en zelfbeschikking. Jongeren kiezen een goed label te bedenken zonder de taal die ze spreken door hun dat het stigmatiserend is, zoals de 70 keuze voor de groep waar ze bij term ‘straattaal’. (…) Ik zou het liever willen horen. En dat is meteen meer een omgangstaal of mengtaal dan taal, het is ook smaak, muziek, noemen. In politiek-maatschappelijke kledingstijl en vrijetijdsbesteding. discussies wordt straattaal vaak

Ianthe Sahadat, de Volkskrant, 20 januari 2025

Dr. Kristel Doreleijers is onderzoeker taalvariatie bij het Meertens Instituut. Ianthe Sahadat is onderzoeksjournalist en schrijver, met bijzondere aandacht voor cultuur en geschiedenis.

Deel 2

Volgens tekst 2 is jongerentaal “geen statische, afgebakende taal” (regels 1-2).

Hieronder staan zes mogelijke oorzaken van dit verschijnsel.

Vraag 5 2 punten

Welke twee oorzaken worden duidelijk niet in tekst 2 besproken? Noteer de nummers van de twee niet besproken oorzaken.

1 De plek waar jongerentaal wordt gesproken, verandert in de loop der tijd.

2 De woorden in jongerentaal worden ontleend aan steeds weer andere brontalen.

3 Het taalspel in jongerentaal zorgt steeds weer voor nieuwe vondsten.

4 Jongeren geven met jongerentaal steeds weer opnieuw vorm aan hun identiteit en hun positie tegenover volwassenen.

5 Of jongeren jongerentaal spreken, hangt af van hun gesprekspartner.

6 Taalcodes blijven geheim en worden steeds weer vernieuwd.

Bekijk het antwoord
  • 2 (1)
  • 6 (1)

De ondertitel van tekst 2 luidt: ‘Een pleidooi voor lossere regels’. Hieronder staan vijf mogelijke argumenten bij dit pleidooi.

Vraag 6 2 punten

Noteer de nummers van de twee argumenten die in tekst 2 dit pleidooi ondersteunen.

1 Jongeren geven met hun taallenigheid vorm aan hun zelfbeschikking en taalvrijheid.

2 Jongeren leren de taalfouten vanzelf weer af als ze ouder worden.

3 Jongeren variëren hun taalgebruik per situatie, waarbij ze bewust kunnen afwijken van de taalnorm.

4 Jongeren verrijken de standaardtaal met nieuwe taalvondsten.

5 Jongeren worden vanwege hun onzorgvuldige taalgebruik ten onrechte vaak weggezet als asociaal.

Bekijk het antwoord
  • 1 (1)
  • 3 (1)

Je vergelijkt nu de beschrijving van de kenmerken van straattaal in tekst 1 en tekst 2.

Tekst 1 besluit met de zin: “En dat, waarde matties, klinkt zelfs op school te netjes.” (regels 93-95)

Met deze zin, en dan met name de woordgroep “waarde matties”, wordt een kenmerk van straattaal geïllustreerd dat in tekst 2 wordt besproken.

Vraag 7 1 punt

Citeer drie afzonderlijke, duidelijk verschillende woorden uit tekst 2 die elk op zich dit kenmerk van straattaal benoemen.

Bekijk het antwoord

drie van de volgende:

− “taalvariaties” (regel 7, 46 en 56) / “Jongerentaalvariaties” (regel 27) / “taalvarianten” (regel 59)

− “registergevoeligheid” (regels 17-18) − “taallenigheid” (regels 23-24) − “omgangstaal” (regel 35) − “mengtaal” (regel 35) − “taalvrijheid” (regel 67)

indien drie elementen juist (1)

indien minder dan drie elementen juist (0)

In alinea 1 tot en met 4 van tekst 2 staat een constatering over foutief taalgebruik als kenmerk van straattaal. Deze constatering kun je op basis van tekst 1 van kritiek voorzien.

Vraag 8 2 punten

Welke constatering uit tekst 2 is dat, en welke kritiek kun je hierop geven op basis van tekst 1?

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • (constatering) Volgens tekst 2 weten jongeren vaak precies of hun (lid)woordgebruik passend/correct is. / is onjuist lidwoordgebruik geen kwestie van slechte taalvaardigheid. (1)
  • (kritiek) Gelet op tekst 1 weten sommige jongeren (echter) niet of hun lidwoordgebruik correct is. / heeft een deel van de jongeren (echter) moeite met correct lidwoordgebruik. (1)

Beoordeel de spelling.

Hieronder staan zes uitspraken over kenmerken van straattaal.

Vraag 9 4 punten

Geef per uitspraak aan of deze aansluit bij tekst 1 en/of tekst 2. Neem de nummers van de uitspraken over en zet daarachter tekst 1, tekst 2, allebei of geen van beide.

1 Het spreken van straattaal kan je schoolcarrière in de weg zitten.

2 Het spreken van straattaal kan je werkcarrière in de weg zitten.

3 Of iemand wel of niet straattaal spreekt, hangt slechts beperkt samen met diens etnische achtergrond.

4 ‘Straattaal’ doet als term geen recht aan de omgangstaal van jongeren.

5 Straattaal heeft onder jongeren een aanzienlijk hogere status dan standaardtaal.

6 Straattaal is een verschijnsel dat kan variëren per taalsituatie.

Bekijk het antwoord
  • 1 geen van beide
  • 2 tekst 1
  • 3 allebei
  • 4 tekst 2
  • 5 geen van beide
  • 6 allebei

indien zes elementen juist (4)

indien vijf elementen juist (3)

indien vier elementen juist (2)

indien drie elementen juist (1)

indien minder dan drie elementen juist (0)

Stel, je werkt aan een werkstuk over algemene kenmerken van straattaal en bepaalt daarvoor de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van tekst 1 en 2.

Je stelt vast dat tekst 1 een betrouwbare bron is voor je werkstuk: de auteur ervan is een deskundige. Je twijfelt echter aan de inhoudelijke relevantie van tekst 1 voor je werkstuk.

Vraag 10 1 punt

Om welke reden kun je hieraan twijfelen? Baseer je antwoord op de inhoud van tekst 1.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

Het gaat alleen/vooral over lidwoordgebruik (in straattaal). / Er wordt nauwelijks ingegaan op straattaal in het algemeen. / Straattaal omvat meer dan lidwoordgebruik (en vooral dat wordt in tekst 1 besproken).

Niet goed:

Er wordt niet ingegaan op straattaal.

Beoordeel de spelling en grammatica.

Van je docent Nederlands moet je voor je werkstuk wetenschappelijke bronnen van taalkundigen gebruiken.

Vraag 11 2 punten

Welke van de twee teksten voldoet het meest aan deze voorwaarde, gelet op de inhoud ervan? Leg je antwoord uit door onderstaande zinnen aan te vullen.

Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. (1) (Kies uit: Tekst 1/Tekst 2) voldoet het meest aan deze voorwaarde. In tegenstelling tot de andere tekst worden de uitspraken in deze tekst inhoudelijk …(2)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: Tekst 1 (1)
  • 2: (expliciet) onderbouwd met onderzoeken / voorzien van (verwijzingen naar) wetenschappelijke literatuur/bronnen (1)

Beoordeel de spelling.

Deel 2 Gedachten op de crosstrainer

Lees tekst 3.

Tekst 3 Gedachten op de crosstrainer

(1) Op mijn favoriete crosstrainer die van het apparaat als in een keek ik onlangs naar een realityshow 45 futuristische natte droom, maar mij over aquariumbouwers. Een vrouw doet zo’n exercitie eerder denken vroeg hun om een aquarium dat op aan de nachtmerrie van marcherende haar leek, een aquarium als zelf- bejaarden met lichtgewicht wandelportret. Wat ze daarbij in gedachte stokken: iets vliegt daarbij uit de had, was niet meteen duidelijk. Ze 50 bocht. Liever zie ik mezelf niet uit de was mollig en ging gehuld in een bocht vliegen, dus vermijd ik crosswijde bloemetjesjurk, maar een mollig trainers die voor een spiegelwand aquarium in een wijde bloemetjesjurk staan. Als het een beetje meezit, lukt zal ze niet bedoeld hebben. Ook kon het me dan mezelf al trappende en ik me niet voorstellen dat ze zichzelf 55 trekkende helemaal te vergeten. als een aquarium met kwallen of (3) In mijn fitness zijn de meeste piranha’s zag. Haar zelfportret moest apparaten voor een spiegel een ideaal zelfportret worden, een geplaatst: behalve crosstrainers ook aquarium zonder smet of sombere loopbanden en fietsen die nooit gedachten, een aquarium dat bruiste 60 vooruitkomen. Dat is ook gebruikelijk. van enthousiasme, vol vrolijke vissen Je ziet het bij elke fitness: apparaten en wuivend wier. Ze kon niet wachten en spiegel onderhouden een nauw tot de twee mannen klaar waren en verbond. Er is een grote behoefte haar in een aquarium hadden uit- jezelf te zien bewegen. In verstrengegedrukt, en eerlijk gezegd kon ook ik 65 ling met het apparaat werk je aan niet wachten. Ik was er bijna langer jezelf, zoals dat heet, en de spiegel voor gaan trainen. houdt je voor waarvoor je het alle-

(2) Ik keek om me heen en vroeg me maal doet: je probeert het tij van je af of het ieders wens zou zijn zich verval te keren en zoveel mogelijk te uitgedrukt te zien. Als je daarvoor 70 worden wie je zou willen zijn. zelfs aquaria aangrijpt, moet dat (4) Dat modelleren van jezelf mag verlangen wel diep zitten. Naast mij wel de obsessie van deze tijd zag ik ook anderen op crosstrainers genoemd worden, de collectieve trainen. Er zijn ongetwijfeld lezers die waan van de westerse wereld. niet weten wat een crosstrainer is, 75 Fitness, kleding, huisinrichting, dus wil ik voor de gelegenheid wel Facebook en smartphonehoesjes: even uitleggen welke handeling je alles wordt ingezet om jezelf vorm te met een crosstrainer kunt verrichten. geven en vervolgens aan de wereld Beurtelings rechts en links trap je te slijten als op een markt. Wat reuzenpedalen omlaag, met je armen 80 kunstenaars of schrijvers daaraan trek je tegelijk aan staande staven nog toe te voegen hebben in hun die gedwee meebewegen. Misschien onstuitbare scheppingsdrift, doet er dat die beweging in de ogen van eigenlijk nauwelijks meer toe. sommigen nog enige gratie heeft Specialisten met bijzondere gaven vanwege de op elkaar afgestemde 85 zijn niet meer nodig, het demoritmes van armen en benen, één met cratisch ideaal is gerealiseerd. Iedereen is met niets anders bezig een opgave waarvan ik liever vrijdan zichzelf te scheppen en te gesteld word, ik ben mezelf liever herscheppen, iedereen is een 130 kwijt dan rijk. Over mezelf nadenken kunstenaar geworden en heeft daar en mezelf vervolgens willen verbeook nog eens zijn handen vol aan. teren en vervolmaken, altijd maar Aandacht voor de scheppingen van weer, is een bezoeking, erger dan anderen schiet erbij in en zou je bij die van Sisyphus met zijn beruchte het boetseren van jezelf ook alleen 135 kei.¹⁾ Sisyphus kon bovendien de maar onzeker kunnen maken. Elke schuld nog bij die kei leggen, en via schepping van een ander is een zijn kei bij de goden, maar ik ben er, weerspreking van je eigen schepping net als mijn overbewuste lotgenoten – zeker als je die schepping zélf (iedereen tegenwoordig, bent – of het moet zijn dat je jezelf in 140 overbewustzijn is dé vloek van de het werk van anderen herkent en er moderniteit), zelf verantwoordelijk bevestiging in vindt. voor – mijn kei, dat ben ik zelf.

(5) Het mag geen toeval heten dat (7) Maar misschien vergis ik me en romans waarin de lezer zichzelf op ligt in dat dwangmatige beloeren en de een of andere manier weer- 145 herscheppen van jezelf niet alleen spiegeld ziet, de literatuur is die door een kwelling maar ook de mogelijkhet grote publiek het innigste aan de heid van een bevrijding besloten. Je borst wordt gedrukt. Mij hebben der- zou een ideale versie van jezelf tot gelijke romans echter altijd benauwd. stand kunnen brengen, iemand die Mezelf nog eens door de strot 150 jou met goed fatsoen kan vertegengeduwd krijgen terwijl ik mezelf door woordigen, je stralendste zelfportret, te lezen juist probeer te vergeten, is en die kun je het werk in de buitenals die nachtmerrie waar je bij het wereld laten opknappen. Zelf zou je opnieuw inslapen telkens in terugvalt. er vervolgens achter kunnen weg- Mijn lievelingsromans zijn die romans 155 duiken en je gang kunnen gaan, door waarin zich een ongekende wereld niemand gezien, door niemand lastigopent, een wereld die ook tijdens het gevallen, vooral niet door jezelf. In de lezen ongekend blijft en zich maar luwte van dat vooruitgeschoven zelfniet prijs wil geven. portret zou je dan, mag je hopen,

(6) Ongetwijfeld impliceert de verdub- 160 eindelijk je versmade vrijheid kunnen belende werking van ons bewustzijn terugvinden.

een spiegelpaleis – ergens in ons (8) Wat is er ook tegen een aquarium hoofd zien we onszelf continu in de als zelfportret? Je kunt het je gasten meest fantastische gestalten met trots tonen en er, zonder dat wie opduiken, afwisselend groot en klein, 165 dan ook er erg in heeft, tegelijk in dik en dun, weerzinwekkend en rondzwemmen en voor even in de glorieus, als in lachspiegels – maar illusie verkeren dat het geen mezelf beloeren en herscheppen is aquarium maar de zee is.

Edzard Mik, De Gids, 2016, nr. 6

Edzard Mik is schrijver en hoofdredacteur van De Gids, een literair en algemeen cultureel tijdschrift.

noot 1 Sisyphus is een figuur uit de Griekse mythologie. Als straf voor zijn opstand tegen de goden moest Sisyphus voor eeuwig een zware kei een steile berg opduwen, waarna de kei weer naar beneden rolde en hij opnieuw moest beginnen.

Deel 3 Het verschijnsel haat

De ik-figuur bekijkt in alinea 1 een realityshow waarin een vrouw vraagt om “een aquarium dat op haar leek” (regels 4-5).

Uit het taalgebruik in deze alinea blijkt een bepaalde houding van de ik-figuur tegenover deze realityshow.

Vraag 12 1 punt

Met welk woord kan deze houding het best worden getypeerd?

  1. A beschaamd
  2. B geïrriteerd
  3. C sarcastisch
  4. D verwonderd
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D (1)

In alinea 1 en 2 is herhaaldelijk sprake van een humoristische toon. Hieronder staan zes zinnen uit alinea 1 en 2.

Vraag 13 2 punten

Uit welke drie zinnen blijkt deze humoristische toon het meest? Noteer de nummers van de drie juiste antwoorden.

1 “Op mijn favoriete crosstrainer keek ik onlangs naar een realityshow over aquariumbouwers.” (regels 1-3)

2 “Ook kon ik me niet voorstellen dat ze zichzelf als een aquarium met kwallen of piranha’s zag.” (regels 11-14)

3 “Haar zelfportret moest een ideaal zelfportret worden, een aquarium zonder smet of sombere gedachten, een aquarium dat bruiste van enthousiasme, vol vrolijke vissen en wuivend wier.” (regels 14-19) 4 “Ik keek om me heen en vroeg me af of het ieders wens zou zijn zich uitgedrukt te zien.” (regels 25-27)

5 “mij doet zo’n exercitie eerder denken aan de nachtmerrie van marcherende bejaarden met lichtgewicht wandelstokken” (regels 45-49)

6 “Als het een beetje meezit, lukt het me dan mezelf al trappende en trekkende helemaal te vergeten.” (regels 53-55)

Bekijk het antwoord

2, 3, 5

indien drie elementen juist (2)

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

Volgens alinea 2 en 3 gaat de ik-figuur anders om met crosstrainers en spiegels dan de meeste andere bezoekers aan de fitness.

Vraag 14 2 punten

Leg dit uit door onderstaande tabel in te vullen.

Neem de nummers uit de tabel over en zet daarachter je antwoord.

reden trainen op crosstrainerin spiegel willen kijken
ik-figuur1a:1b: (kies uit: wel/niet)
anderen2a:2b: (kies uit: wel/niet)
Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

reden trainen op crosstrainerin spiegel willen kijken
ik-figuur1a: (De ik-figuur wil) zichzelf vergeten/verliezen.1b: niet
anderen2a: (Anderen willen) het verval keren. / worden wie ze willen zijn. / zichzelf verbeteren. / werken aan een ideale versie van zichzelf. / zichzelf modelleren.2b: wel

per juiste rij (1)

Beoordeel de spelling.

“Ik keek om me heen en vroeg me af of het ieders wens zou zijn zich uitgedrukt te zien.” (regels 25-27)

Vraag 15 1 punt

Is dit volgens tekst 3 over het algemeen wel of niet ieders wens, en uit welke zin in alinea 3 tot en met 5 blijkt dat expliciet?

Neem de nummers uit onderstaande zin over en zet daarachter je antwoord.

De ik-figuur concludeert dat het over het algemeen (1) (kies uit: wel/niet) ieders wens is, en dat blijkt uit het volgende citaat: …(2)…

Bekijk het antwoord

1 wel 2 een van de volgende:

− “Iedereen is met niets anders bezig dan zichzelf te scheppen en te herscheppen(, iedereen is een kunstenaar geworden en heeft daar ook nog eens zijn handen vol aan.)” (regels 87-91)

− “Dat modelleren van jezelf mag wel de obsessie van deze tijd genoemd worden(, de collectieve waan van de westerse wereld.)” (regels 71-74)

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

“Aandacht voor de scheppingen van anderen (...) zou je bij het boetseren van jezelf ook alleen maar onzeker kunnen maken.” (regels 92-95)

Vraag 16 2 punten

Vat via onderstaande zinnen samen wanneer scheppingen van anderen je wel en wanneer ze je niet onzeker maken, gelet op alinea 4.

Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. Je wordt wel onzeker door de scheppingen van anderen als deze scheppingen …(1)… .

Je wordt echter niet onzeker door de scheppingen van anderen als …(2)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: je eigen schepping weerspreken / anders zijn dan je eigen schepping (1)
  • 2: je jezelf erin herkent / deze scheppingen jezelf bevestigen (1)

Niet goed:

2: deze scheppingen niet je eigen schepping weerspreken / deze scheppingen niet anders zijn dan je eigen schepping

Beoordeel de spelling.

“Wat kunstenaars of schrijvers daaraan nog toe te voegen hebben in hun onstuitbare scheppingsdrift, doet er eigenlijk nauwelijks meer toe.” (regels 79-83)

Hieronder volgen vijf mogelijke argumenten bij dit standpunt.

Vraag 17 2 punten

Met welke twee argumenten wordt dit standpunt onderbouwd in alinea 4? Noteer de nummers van de twee juiste argumenten.

1 Iedereen beschikt inmiddels over de onstuitbare scheppingsdrift en buitengewone gaven waarover vroeger alleen kunstenaars beschikten.

2 In de goed functionerende democratie van vandaag de dag hebben kunstenaars nog nauwelijks toegevoegde waarde.

3 Kunstwerken van kunstenaars maken mensen onzeker over hun eigen ‘kunst’.

4 Mensen hebben het tegenwoordig te druk met zichzelf om zich druk te maken over het werk van kunstenaars.

5 Mensen vinden de kunstwerken van kunstenaars niet langer uniek en oorspronkelijk.

Bekijk het antwoord
  • 3 (1)
  • 4 (1)

Uit alinea 4 en 5 blijkt dat de ik-figuur en de meeste andere mensen een tegengestelde voorkeur voor kunstwerken hebben.

Vraag 18 1 punt

Vat deze tegenstelling samen door onderstaande zinnen aan te vullen. Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. De ik-figuur heeft een voorkeur voor kunstwerken waarin …(1)… . De meeste andere mensen hebben juist een voorkeur voor kunstwerken waarin …(2)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

1 (kunstwerken waarin) een ongekende wereld zich opent / een wereld ook tijdens het lezen ongekend blijft / een wereld zich maar niet prijs wil geven / de ik-figuur zichzelf kan vergeten / hij zichzelf niet herkent 2 (kunstwerken waarin) ze zichzelf herkennen / je bevestiging (van jezelf) vindt / ze zichzelf weerspiegeld zien

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

Beoordeel de spelling.

“een bezoeking, erger dan die van Sisyphus met zijn beruchte kei” (regels 133-135)

De ‘bezoeking’ van de ik-figuur lijkt om twee redenen erger dan die van Sisyphus, gelet op alinea 6.

Vraag 19 2 punten

Welke twee redenen zijn dat?

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 25 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • De ik-figuur moet/wil zichzelf (altijd maar weer) verbeteren/vervolmaken. / zichzelf (steeds) beloeren en herscheppen. (1)
  • De ik-figuur kan alleen zichzelf de schuld geven van de zware taak. / is zelf verantwoordelijk voor de bezoeking. / Sisyphus kon de schuld bij de goden leggen, en niet bij zichzelf. (1)

Maximumlengte van het antwoord: 25 woorden. Beoordeel de spelling en grammatica.

De ik-figuur gebruikt in alinea 6 de beeldspraak van een “spiegelpaleis” met “lachspiegels”.

Vraag 20 1 punt

Welke uitspraak geeft de betekenis van deze beeldspraak het best weer, gelet op alinea 6?

Ons bewustzijn

  1. A geeft nooit een juist beeld van onszelf, omdat een goede zelfreflectie principieel onmogelijk is.
  2. B is niet in staat onszelf realistisch waar te nemen, doordat de werkelijkheid steeds verandert.
  3. C vertekent onszelf, doordat we onszelf steeds te positief of te negatief waarnemen.
  4. D vervormt de beelden die we van onszelf maken, omdat we te weinig oordeelkundig vermogen hebben.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

In alinea 7 bespreekt de ik-figuur de mogelijkheid om een zelfportret te creëren. Eerder al, in alinea 1, liet een vrouw in een realityshow een portret van zichzelf maken.

Vraag 21 2 punten

Vergelijk de bedoeling van de vrouw met die van de ik-figuur, door onderstaande zinnen aan te vullen.

Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. De vrouw wil met haar portret hoogstwaarschijnlijk vooral …(1)… . Daarmee heeft ze dus (2) (kies uit: wel/niet) dezelfde bedoeling als de ik-figuur met diens zelfportret.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: zichzelf uitdrukken / zichzelf modelleren / zichzelf zo mooi mogelijk weergeven (1)
  • 2: niet (1)

Beoordeel de spelling.

“In de luwte van dat vooruitgeschoven zelfportret zou je dan, mag je hopen, eindelijk je versmade vrijheid kunnen terugvinden.” (regels 157-161)

Vraag 22 2 punten

Welke uitspraak geeft de betekenis van deze zin het best weer, gelet op alinea 7 en 8?

Je kunt een ideale versie van jezelf

  1. A gebruiken als een afscherming van je echte wezen, waarachter je vrij en echt kunt zijn.
  2. B het best afdoen als een illusie, zodat je bevrijd bent van de last van de moderne herscheppingsdrift.
  3. C nooit helemaal bereiken, omdat het onmogelijk is vrije keuzes te maken zonder inbreng van anderen.
  4. D pas creëren wanneer er rust is, want dan kun je eindelijk onafhankelijk van anderen keuzes maken.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A (2)

Het aquarium als zelfportret uit de inleiding komt in alinea 8 terug als beeldspraak. Elk onderdeel van deze beeldspraak kan worden uitgelegd met een citaat uit alinea 7.

Vraag 23 3 punten

Citeer per onderdeel een zinsgedeelte uit alinea 7 van maximaal 10 woorden dat de beeldspraak uitlegt, via onderstaande tabel. Neem de nummers uit de tabel over en zet daarachter je antwoord.

onderdeel beeldspraak alinea 8citaat uit alinea 7 dat als uitleg hierbij kan gelden
“een aquarium als zelfportret” (regels 162-163)1:
“Je kunt het je gasten met trots tonen” (regels 163-164)2:
“er, zonder dat wie dan ook er erg in heeft, tegelijk in rondzwemmen” (regels 164-166)3:
“voor even in de illusie verkeren dat het geen aquarium maar de zee is” (regels 166-168)4:
Bekijk het antwoord

1 “(een) ideale versie van jezelf” (regel 148)

2 “(iemand die jou) met goed fatsoen kan vertegenwoordigen” (regels 149-151) / “(die kun je) het werk in de buitenwereld laten opknappen” (regels 152-153)

3 “je gang kunnen gaan, door niemand gezien(, door niemand lastiggevallen)” (regels 155-157) / “(er vervolgens achter kunnen) wegduiken en je gang kunnen gaan” (regels 154-155) 4 “(dan, mag je hopen, eindelijk) je versmade vrijheid kunnen terugvinden” (regels 159-161)

indien vier elementen juist (3)

indien drie elementen juist (2)

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

Stel, de leerlingen Dora, Joram en Khalid werken aan een beschouwing voor het vak Nederlands, elk vanuit een eigen onderzoeksvraag. Hieronder staat per leerling de onderzoeksvraag.

Vraag 24 2 punten

Geef per leerling aan of tekst 3 niet bruikbaar is of dat deze vooral bruikbaar is voor inhoudelijke argumentatie of voor een pakkend voorbeeld.

Neem de nummers over en schrijf daarachter niet, argumentatie of voorbeeld. Let op: je mag elk woord maar één keer gebruiken.

1 Dora schrijft over de vraag of hedendaagse realityshows deelnemers nog wel confronteren met levensechte problemen en situaties.

2 Joram schrijft over de vraag in hoeverre onze cultuur mensen ertoe aanzet zich vooral te richten op het imago dat anderen van hen hebben.

3 Khalid schrijft over de vraag of er iets gedaan moet worden aan influencers die jongeren aanzetten tot anabolengebruik tijdens sportschoolbezoek.

Bekijk het antwoord

1 voorbeeld 2 argumentatie 3 niet

indien drie elementen juist (2)

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

Deel 3 Het verschijnsel haat

Deel 3 van dit examen bestaat uit opgaven bij vijf teksten (tekst 4 tot en met 8) die elk op een eigen manier ingaan op het verschijnsel haat.

Tekst 4 Hoe komt het dat je iemand zo kunt haten?

(1) Haat is een stabiel en intens groep de mensen uit jouw eigen gevoel van afkeer tegen een persoon 45 groep teniet probeert te doen door of groep personen. Haat ontstaat in onbegrip, leidt ertoe dat er een soort de afwezigheid van compassie. Het oerinstinct omhoogkomt om je eigen zich niet kunnen verplaatsen in de soort te beschermen. Deze ander kan ervoor zorgen dat er geen ‘beschermreactie’ leidt vervolgens begrip meer is. Haatgevoelens 50 weer tot weerstand bij de andere ontstaan als we ons gekleineerd groep. En zo ontstaat een cirkel van voelen, als we ons inferieur voelen of haat.

als we jaloers zijn. (4) Als we ergens van overtuigd zijn,

(2) Er wordt gezegd dat niet iedereen gaan we bovendien vaak (on)bewust haatgevoelens kan hebben, omdat 55 op zoek naar bevestiging. Dit gevoelens van haat pas ontstaan noemen we ook wel de confirmation onder bepaalde omstandigheden. Dit bias. Je wilt je gelijke vinden in zie je bijvoorbeeld terug in een stukje mensen die dezelfde overtuigingen evolutie. Lang geleden leefden hebben. Je zoekt naar verhalen die bonobo’s en chimpansees aan 60 jouw overtuiging bevestigen. Feiten weerszijden van een rivier. Waar aan die jouw overtuiging ondersteunen, de ene kant een overvloed aan staan ook sterker in je geheugen. voedsel was, was aan de andere Dingen die botsen met jouw kant een schaarste. Je raadt het referentiekader, lijken eigenlijk niet misschien al: aan de kant van 65 zo goed te kloppen. Je ontwijkt ze schaarste heerste een constante liever, waarmee je een vertekend territoriumstrijd en was er oorlog. De beeld creëert. Je zult niet gauw kant van overvloed leefde in andere overtuigingen tot in de diepte harmonie samen. Hoe kleiner de onderzoeken. Het voelt misschien overlevingskansen, hoe meer haat. 70 wel een beetje als zelfverloochening

(3) Het wij-tegen-zij-principe zie je als je ineens je diepgewortelde nog steeds terug in bijvoorbeeld normen en waarden moet politiek en geloof, maar ook in sport. aanpassen!

Van kinds af aan leren we bepaalde (5) Helaas is deze confirmation bias normen en waarden. Onze omgeving 75 ook een medeveroorzaker van het helpt ons het beeld van de wereld te bestaan van haat en kan deze zelfs vormen, inclusief vooroordelen over leiden tot extremisme, helemaal nu andere groepen mensen. Negatieve sociale media een grote rol spelen in ervaringen kunnen jouw beeld foutief het dagelijks leven. De algoritmes bevestigen, waardoor er een grote 80 van sociale media zijn er namelijk op tegenstrijdigheid kan ontstaan. gericht om jou dingen te laten zien Wanneer het gevoel heerst dat die passen bij jouw voorkeuren. anderen jou niet begrijpen, maar je Hierdoor worden jouw overtuigingen tegelijkertijd niet de capaciteit hebt steeds sterker en komt er minder om hen te begrijpen, kan er haat 85 ruimte voor de visies van anderen. ontstaan. Het gevoel dat een andere Als je dan iets van die visies voorbij ziet komen, is de kans groot dat het extreme vorm van continue wordt beschouwd als kritiek op jouw bevestiging is het helaas nog steeds eigen visie, waardoor weer nog meer realiteit dat er dingen als racisme, haat wordt aangewakkerd. Door deze nazisme en oorlogen bestaan.

Wouter Schippers, NiceDay, 12 juli 2021

Wouter Schippers is psycholoog en coach.

Lees tekst 4.

“Er wordt gezegd dat niet iedereen haatgevoelens kan hebben, omdat gevoelens van haat pas ontstaan onder bepaalde omstandigheden.” (regels 11-14)

Vraag 25 1 punt

Met welke typering kunnen deze “bepaalde omstandigheden” het best worden samengevat, gelet op alinea 1 en 2?

Haat ontstaat vooral wanneer er

  1. A een hevige stammenstrijd uitbreekt.
  2. B een onevenwichtige voedselverdeling is.
  3. C een situatie met ernstige schaarste optreedt.
  4. D een territoriumstrijd tussen groepen woedt.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

Hieronder staan zeven mogelijke oorzaken van haat.

Vraag 26 2 punten

Welke drie oorzaken worden genoemd in tekst 4?

Noteer de nummers van de drie juiste oorzaken.

1 een afkeer binnen de groep van kwetsbare, afwijkende individuen 2 een afwezigheid van sociale controle in een maatschappij 3 een drang om je naasten te behoeden voor gevaar 4 een sterk impulsieve omgang met je eigen emoties 5 een vervormd beeld van de werkelijkheid 6 historische patronen van vijandigheid tussen groepen 7 vooroordelen die je van de mensen om je heen meekrijgt

Bekijk het antwoord

3, 5, 7

indien drie elementen juist (2)

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

In alinea 1 wordt samenvattend gesteld: “Haat ontstaat in de afwezigheid van compassie.” (regels 3-4)

Een kritische lezer kan vinden dat deze uitspraak niet helemaal aanvaardbaar is, gelet op het vervolg van tekst 4.

Vraag 27 1 punt

Waarom kan een kritische lezer dat vooral vinden? Deze uitspraak

  1. A benoemt gebrek aan medelijden als oorzaak van haat, terwijl dit in het vervolg van de tekst uitdrukkelijk als oorzaak wordt uitgesloten.
  2. B legt de oorzaak van haat bij een individueel gebrek aan medelijden, terwijl in het vervolg van de tekst vooral maatschappelijke oorzaken zoals groepsdruk voorbijkomen.
  3. C stelt gebrek aan medelijden centraal als oorzaak van haat, terwijl dit in het vervolg van de tekst vooral impliciet voorbijkomt.
  4. D typeert gebrek aan medelijden als de belangrijkste oorzaak van haat, terwijl in het vervolg van de tekst alleen andere oorzaken voorbijkomen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

Lees tekst 5.

Tekst 5

Het verschijnsel blijft stom, de haat wordt saai en sleets

(1) Bij het oversteken werd ik aangereden door een alom gehaat verschijnsel. Beetje boem, weinig au, want het alom gehate verschijnsel beschikte over extra dikke, verrassend zachte banden.¹⁾ Vanaf het diepgelegen zadel mompelde de piepjonge berijder dat hij de snelheid van het elektrisch aangedreven verschijnsel had onderschat. Precies het soort voorval dat het verschijnsel zo gehaat maakt, vooral in de drukke stad.

(2) Jammer, dacht ik, dat dit me pas overkomt nu het verschijnsel al in zoveel toonaarden is verketterd dat de haat een verschijnsel op zichzelf is geworden – een grote klont weerzin waar ik niet graag aan bijdraag omdat er niets nieuws meer te zeggen valt. Het verschijnsel blijft even stom als het was, het haten ervan wordt saai en sleets.

(3) Langzaamaan zal de haat dan ook verstommen, en ondergronds voortleven tot iedereen is vergeten dat het verschijnsel ooit niet bestond, zonder dat iemand het miste of haatte. Ook zullen nieuwe verschijnselen de aandacht opeisen, smekend om frisse, verse haat.

Sander Donkers, de Volkskrant, 24 oktober 2023

Sander Donkers is columnist voor de Volkskrant.

noot 1 Het gaat hier om een fatbike: een elektrische fiets met zeer dikke banden.

Uit tekst 4 en tekst 5 zijn duidelijk verschillende antwoorden af te leiden op de vraag waarop haat zich in zijn algemeenheid richt.

Vraag 28 2 punten

Geef dit verschil weer door onderstaande zinnen aan te vullen. Geef geen voorbeelden.

Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. In tekst 4 is haat vooral gericht op …(1)… .

In tekst 5 is haat juist vooral gericht op …(2)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: (groepen) mensen / anderen (1)
  • 2: objecten / dingen / verschijnselen (1)

Niet goed: 2: fatbikes / voertuigen

Beoordeel de spelling.

Tekst 4 en tekst 5 lijken te verschillen in hun visie op de ontwikkeling van haat door de tijd heen.

Vraag 29 2 punten

Leg dit verschil uit door onderstaande zinnen aan te vullen. Neem de nummers uit de zinnen over en zet daarachter je antwoord. Volgens tekst 4 is het kenmerkend voor haat dat deze door de tijd heen ...(1)... .

Volgens tekst 5 is het juist kenmerkend voor haat dat deze door de tijd heen ...(2)... .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: stabiel is / even sterk blijft / toeneemt (1)
  • 2: (langzaam) slijt / sleets wordt / verstomt / verdwijnt (1)

Beoordeel de spelling.

Lees tekst 6.

Tekst 6

Waarom we poëzie haten? Vraag het eens aan een niet-dichter

De Amerikaanse dichter Ben Lerner schreef een essay over de vraag waarom hij en zovele andere mensen die dichten poëzie haten. Onderstaand fragment komt uit een reactie op dat essay.

(1) En toch heeft Lerner, zegt hij, zijn leven om poëzie heen gebouwd en ervaart hij dat niet als een tegenstrijdigheid, omdat poëzie en de haat jegens poëzie voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. (…) Zoals Lerner de conclusie van een van zijn leermeesters samenvat: daadwerkelijke gedichten zijn gedoemd door een bittere logica die niet kan worden overwonnen door welke virtuositeit dan ook. Het uiteindelijke probleem van de poëzie? De gedichten. “Poëzie is niet moeilijk, ze is onmogelijk.”

(2) Uiteindelijk draait het allemaal om onvermogen en hoe er met het eigen onvermogen, of eigenlijk dus het onvermogen van de poëzie, wordt omgegaan. “(…) avant-gardedichters haten gedichten omdat het gedichten blijven en geen bommen worden; en nostalgici haten gedichten omdat deze er niet in slagen datgene te doen wat poëzie, volgens hun onjuiste en vage beweringen, ooit zou hebben gedaan.”

(3) Lerner heeft vooral oog voor hoe mensen die van poëzie houden poëzie haten. Mensen met wier worsteling hij zich identificeert. Waar hij minder goed mee uit de voeten kan, is de blik van buiten. Met hoe poëzie soms als pretentie in haar meest pure vorm wordt gezien. Of de wijze waarop ze wordt gezien als iets dat de weinigen insluit door de velen uit te sluiten. Hij lijkt wel vaag door te hebben dat zulke dingen meespelen, maar zijn eigen ervaring met die sociale context komt, terwijl Lerner hem voor universeel laat doorgaan, op mij nogal particulier over. Hij zegt dat we op jonge leeftijd te horen krijgen dat wij allen dichters zijn, simpelweg omdat we mensen zijn. Dat ons wordt verteld dat iedereen vol gevoelens zit en dat poëzie de puurste wijze is om uitdrukking te geven aan die gevoelens. En wie daar niet toe in staat is, is in zekere zin minder mens en is zich daar voortdurend van bewust.

Jan Postma, Hollands Maandblad, 30 augustus 2023

Jan Postma is schrijvend redacteur bij De Groene Amsterdammer.

Gelet op tekst 6 heeft Lerner een andere reden om poëzie te haten dan niet-dichters.

Vraag 30 2 punten

Waarom haat Lerner poëzie, en waarom lijken niet-dichters poëzie te haten?

Neem de nummers uit onderstaande zinnen over en zet daarachter je antwoord.

Lerner haat poëzie, omdat poëzie …(1)… .

Niet-dichters lijken poëzie te haten, omdat poëzie …(2)… .

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • 1: onmogelijk is / tekortschiet / het (menselijk) onvermogen aantoont (1)
  • 2: pretentieus is / mensen uitsluit / mensen het gevoel geeft dat ze inferieur zijn (1)

Beoordeel de spelling.

In alinea 3 worden drie persoonlijke opvattingen van Lerner beschreven over de sociale context rondom poëzie.

Vraag 31 3 punten

Noem deze drie persoonlijke opvattingen.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 50 woorden.

Bekijk het antwoord

De kern van een goed antwoord is:

  • We krijgen (volgens Lerner) op jonge leeftijd te horen dat we (allen) dichters zijn. (1)
  • Poëzie is de puurste wijze om gevoelens uit te drukken(, zo wordt ons volgens Lerner verteld). (1)
  • Wie niet zijn gevoelens goed kan uitdrukken in poëzie, is (volgens Lerner) minder mens. / voelt zich (volgens Lerner) minder mens. (1)

Maximumlengte van het antwoord: 50 woorden. Beoordeel de spelling en grammatica.

De oorzaak van de haat van niet-dichters tegen poëzie uit tekst 6 kent een overeenkomst met het “wij-tegen-zij-principe” in alinea 3 van tekst 4.

Vraag 32 1 punt

Welke overeenkomst is dat?

Bij beide teksten gaat het er uiteindelijk om dat een groep mensen

  1. A afkeer koestert van al te pretentieus gedrag van anderen.
  2. B een andere groep mensen niet goed begrijpt.
  3. C een vertekend beeld van de werkelijkheid heeft.
  4. D elkaar onderling probeert te beschermen tegen andere groepen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (1)

Volgens tekst 4 lijkt haat op een andere manier te ontstaan dan volgens tekst 6.

Vraag 33 1 punt

Welke uitspraak geeft dit verschil het best weer? Volgens tekst 4 ontstaat haat vooral vanuit

  1. A een gebrek aan inlevingsvermogen, terwijl haat volgens tekst 6 vooral ontstaat vanuit een diep gevoel van falen.
  2. B een grote afkeer van anderen, terwijl haat volgens tekst 6 vooral ontstaat vanuit een gebrek aan identificatie met anderen.
  3. C een sterke overlevingsdrang, terwijl haat volgens tekst 6 vooral ontstaat vanuit een onvermogen betekenis te geven aan het bestaan.
  4. D harde sociale tegenstellingen, terwijl haat volgens tekst 6 vooral ontstaat vanuit individuele emoties en opvattingen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A (1)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Lees tekst 7.

Tekst 7

Hieronder staat een embleem: een afbeelding die een symbolische betekenis heeft, met een kort toelichtend gedicht.

Gravure van een man en een vrouw in een landschap met een schildpad, in een sierlijst.

Licht en zwaar worden nooit een paar De dartele apin die enkel lol kan trappen Zal proberen aan de schildpad te ontsnappen Zij haat dat brave dier dat waakt over zijn huis En niet zo vlot is, als veel ander wild gespuis. Een rustig meisje zal niet snel de aandacht trekken Van iemand die alleen maar zin heeft om te gekken Maar luister, vrijers, luister, zorg dat je onthoudt: Met wie je ’t fijnste vrijen kan, moet niet zijn wie je trouwt.

Jacob Cats, Sinne- en minnebeelden (1627). Hertaling: Paul Schot. Afbeelding: literatuurgeschiedenis.org

Jacob Cats was dichter, jurist en politicus.

Tekst 7 bespreekt een oorzaak van haat die al werd genoemd in een van de eerdere teksten.

Vraag 34 1 punt

Welke oorzaak van haat is dat?

  1. A ongeduld
  2. B ongelijkheid
  3. C onrecht
  4. D onveiligheid
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (1)

Lees tekst 8.

Tekst 8

Haat

(1) Haat is een gevoel dat de nieuwsgierigheid prikkelt. Maar wat is haat precies? En wat zijn de triggers? Het gaat om een zeer sterke afkeer die iemand heeft ten aanzien van een persoon, groep of autoriteit. Bovendien strekt haat zich uit over de tijd, zeker als je het vergelijkt met een vluchtige emotie als boosheid. Soms wordt haat aangewakkerd door één grove normovertreding, maar vaker wordt interpersoonlijke haat ingegeven door herhaalde, negatieve ervaringen. Denk aan een collega van wie je vindt dat deze bij vrijwel elk project ten koste van jou de eer opstrijkt. (…)

(2) Meer dan wantrouwen, voedt haat een strijdvaardigheid, een volhardende houding die vaak gericht is op herstel of erkenning van ervaren onrecht. Daar zit dan ook de kracht van haat. (…)

Paul van Lange, De Psycholoog, 6 december 2019

Paul van Lange is hoogleraar Psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

In tekst 8 worden kenmerken van haat op een rijtje gezet. Een van deze kenmerken lijkt vooral van toepassing op de haat die in tekst 5 centraal staat.

Vraag 35 1 punt

Citeer een zin uit tekst 8 die dit kenmerk bevat.

Bekijk het antwoord

“Soms wordt haat aangewakkerd door één grove normovertreding(, maar vaker wordt interpersoonlijke haat ingegeven door herhaalde, negatieve ervaringen.)” (regels 5-7)

of:

“Bovendien strekt haat zich uit over de tijd(, zeker als je het vergelijkt met een vluchtige emotie als boosheid.)” (regels 3-5)

“Maar wat is haat precies?” (regels 1-2, tekst 8)

Het vervolg van tekst 8 benoemt een aspect van haat dat in geen van de vier eerdere teksten werd besproken.

Vraag 36 1 punt

Citeer de zin uit tekst 8 waarin dat aspect wordt samengevat.

Bekijk het antwoord

“Meer dan wantrouwen, voedt haat een strijdvaardigheid, een volhardende houding die vaak gericht is op herstel of erkenning van ervaren onrecht.” (regels 10-12)

De Chinese filosoof Hung Tzu-ch’eng (1572-1620) schreef ooit: “Diepe haat vindt zijn oorsprong in de liefde.”

Liefde als oorsprong van haat kwam al naar voren in een eerdere tekst.

Vraag 37 1 punt

In welke tekst is dat?

  1. A tekst 4
  2. B tekst 5
  3. C tekst 6
  4. D tekst 8
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

Stel, je overweegt een werkstuk te schrijven over haat in de moderne samenleving en wilt daarvoor uitsluitend objectieve informatiebronnen gebruiken.

Vraag 38 1 punt

Welke twee van de vijf teksten over haat voldoen het meest aan dit selectiecriterium?

Noteer de nummers van de twee juiste teksten.

Bekijk het antwoord

(tekst) 4, 8

indien twee elementen juist (1)

indien minder dan twee elementen juist (0)

Stel, je zoekt voor een literatuuropdracht voor het schoolvak Nederlands een kort literair verhaal over haat. Tekst 7 lijkt je daarvoor erg geschikt.

Vraag 39 1 punt

Welke tekst is daarnaast het meest geschikt voor deze opdracht?

  1. A tekst 4
  2. B tekst 5
  3. C tekst 6
  4. D tekst 8
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Nederlands 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens Nederlands vwo

Hoe ToetsChecker Nederlands per vraagtype nakijkt, lees je op Nederlands toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over leesvaardigheid (27), argumentatie (8) en stijlfouten (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van Nederlands vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1001-a-26-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen Nederlands vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.