Eindexamen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Brandgevaar, Referentiewaarden, De aardbeving van l’Aquila, BMR, Lunchen, Voetafdruk.
Het centraal examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 21. Van 20 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (11), statistiek (6) en machtsverbanden (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Formules en grafieken | 1-5, 10-11, 13-15, 21 | 11 |
| Statistiek | 6-7, 17-20 | 6 |
| Machtsverbanden | 8-9 | 2 |
| Veranderingen en afgeleide | 12 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over formules en grafieken (55% van de vragen, gemiddeld 28%) en machtsverbanden (10% van de vragen, gemiddeld 1%). Minder over exponentiële groei (0% van de vragen, gemiddeld 19%) en lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 15%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Brandgevaar
In de zomer kan in natuurgebieden met veel bos gemakkelijk brand ontstaan. Het risico op bosbrand wordt vooral bepaald door de temperatuur van de lucht en door de hoeveelheid vocht in de lucht. Om het risico op bosbrand goed in beeld te krijgen, wordt gebruikgemaakt van een brandgevaarindex. In Scandinavië gebruikt men als brandgevaarindex de Angström Index, die wordt berekend met de volgende formule: V 27
- T IA = +
20 10 Hierin is I A de Angström Index, V de relatieve luchtvochtigheid in procenten en T de temperatuur in °C. De relatieve luchtvochtigheid V geeft de hoeveelheid vocht in de lucht aan ten opzichte van de hoeveelheid vocht die de lucht maximaal kan bevatten. De relatieve luchtvochtigheid kan niet meer dan 100% zijn.
Vraag 1 3 punten
Bereken de minimale en de maximale waarde van de Angström Index bij een temperatuur van 24 °C.
Bekijk het antwoord
- V is minimaal 0 en maximaal 100 (1)
- De minimale waarde is I A =+ =0,3 (1)
- De maximale waarde is I A = + =5,3 (1)
Hoe lager de waarde van I A , hoe groter het risico op bosbrand. In tabel 1 kun je zien hoe de waarden van I A worden vertaald naar het risico op bosbrand.
[tabel 1: zie het originele examen]
IA risico op bosbrand
4 of groter zeer klein van 2,5 tot 4 klein van 2 tot 2,5 groot kleiner dan 2 zeer groot
Op een bepaalde zomerdag is de relatieve luchtvochtigheid 35%.
Vraag 2 5 punten
Bereken bij welke temperaturen er op deze dag sprake is van een zeer groot risico op bosbrand.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Voor het antwoord ‘temperaturen vanaf 24,5 (°C)’ 1 scorepunt in mindering brengen.
- Voor het antwoord ‘temperaturen hoger dan of gelijk aan 25 (°C)’ geen scorepunten in mindering brengen.
- Voor het vermelden van een bovengrens T = 44,5 (°C) (bij I A = 0 ) geen scorepunten in mindering brengen.
- Als is gerekend met I A = 1,9 (of I A = 1,99), hiervoor 1 scorepunt in mindering brengen.
Als de temperatuur constant is, dan neemt het risico op bosbrand toe als de relatieve luchtvochtigheid afneemt.
Vraag 3 3 punten
Beredeneer zonder getallenvoorbeelden dat de formule hiermee in overeenstemming is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Als T constant is, verandert niet (1)
- Als V afneemt, (neemt af en dus) neemt I A af (1)
- Als I A afneemt, neemt het risico op bosbrand toe (1)
Een andere index voor brandgevaar is de Chandler Burning Index I C , die in Noord-Amerika wordt gebruikt. Deze wordt berekend met de volgende formule: I C = (216
- 2,84V + 1,12T ) · 0,97V Ook in deze formule is V de relatieve luchtvochtigheid in procenten en T de temperatuur in °C.
Als de relatieve luchtvochtigheid bekend is, dan is de formule van I C te herleiden tot de vorm I C = a · T + b , waarbij a en b getallen zijn.
Vraag 4 4 punten
Geef deze herleiding voor het geval dat de relatieve luchtvochtigheid 43% is. Rond de waarden van a en b af op twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- I C= (216 − 2,84 ⋅ 43 + 1,12T ) ⋅ 0,97 43 (1)
- I C = (93,88 + 1,12T ) ⋅ 0,97 (1)
- =I C 0,30T + 25,34 (of = I C 25,34 + 0,30T ) (2)
In tabel 2 kun je zien hoe de waarden van I C worden vertaald naar het risico op bosbrand.
[tabel 2: zie het originele examen]
IC risico op bosbrand kleiner dan 50 zeer klein van 50 tot 75 klein van 75 tot 90 groot
90 of groter zeer groot
De Angström Index en de Chandler Burning Index proberen beide het risico op bosbrand zo goed mogelijk weer te geven. Toch zijn er situaties waarin het risico volgens de ene index groot is en volgens de andere juist klein. Wellicht zijn er zelfs situaties waarin het risico op bosbrand volgens de Angström Index zeer groot is en volgens de Chandler Burning Index zeer klein. Een brandgevaarexpert onderzoekt of er zo’n situatie mogelijk is bij een temperatuur van 25 °C. Bij deze temperatuur kan de Angström Index geschreven worden als I A = 0,05V + 0, 2 De Chandler Burning Index kan bij 25 °C geschreven worden als I C = (244
- 2,84V ) · 0,97V De expert berekent met behulp van deze formules voor verschillende relatieve luchtvochtigheden het risico op bosbrand.
Vraag 5 5 punten
Onderzoek of er een relatieve luchtvochtigheid mogelijk is waarbij het risico volgens de Angström Index zeer groot is en volgens de Chandler Burning Index zeer klein. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Er moet volgens de Angström Index gelden 0, 05V + 0, 2 < 2 (1p)
- Er moet volgens de Angström Index gelden 0, 05V + 0, 2 < 2 (1p)
- Met een berekening laten zien dat dan geldt V < 36 (1p)
- Er moet volgens de Chandler Burning Index gelden (244
- 2,84V ) ⋅ 0,97V < 50 (1)
- Met een berekening laten zien dat dan geldt V > 34,9... (1p)
Referentiewaarden
Bij een bloedonderzoek worden het hemoglobinegehalte en de hoeveelheid rode bloedcellen gemeten. In de uitslag van het onderzoek staan van beide de gemeten waarden. Om deze uitslag te kunnen beoordelen, worden de gemeten waarden vergeleken met de bijbehorende referentiewaarden. Dit zijn de waarden zoals ze gevonden worden bij 95% van de gezonde mensen. In deze opgave bekijken we de referentiewaarden van volwassenen.
Het hemoglobinegehalte wordt uitgedrukt in millimol per liter (mmol/L) (een mol is een eenheid voor het aantal deeltjes) en de hoeveelheid rode bloedcellen in biljoenen per liter (1 biljoen = 1012). We gaan ervan uit dat het hemoglobinegehalte en de hoeveelheid rode bloedcellen van gezonde mannen normaal verdeeld zijn. Dit geldt ook voor het hemoglobinegehalte en de hoeveelheid rode bloedcellen van gezonde vrouwen.
In de tabel staan de referentiewaarden van het hemoglobinegehalte en van de hoeveelheid rode bloedcellen. Deze referentiewaarden liggen symmetrisch om het gemiddelde. Zo kun je in de tabel bijvoorbeeld aflezen dat 95% van de gezonde mannen een hemoglobinegehalte heeft tussen 8,6 mmol/L en 11,0 mmol/L.
tabel geslacht referentiewaarden hemoglobine man 8,6
- 11,0 vrouw 7,6
- 10,0 rode bloedcellen man 4,4
- 5,8 vrouw 4,0
- 5,3
Vraag 6 3 punten
Bereken de standaardafwijking van de hoeveelheid rode bloedcellen van gezonde vrouwen. Geef je antwoord in biljoenen per liter en rond af op één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Ongeveer 95% van de waarnemingen bij een normale verdeling ligt tussen µ − 2σ en µ + 2σ (1)
- Bij 95% van de gezonde vrouwen ligt het aantal rode bloedcellen tussen 4,0 en 5,3 (biljoen per liter) (1)
- Hieruit volgt: 4 keer de standaardafwijking is ( 5,3 − 4, 0 = ) 1,3 (biljoen per liter), dus het antwoord: 1,3 ( =) 0,3 (biljoen per liter) (1)
De standaardafwijking van het hemoglobinegehalte van zowel gezonde mannen als gezonde vrouwen is 0,6 mmol/L.
Vraag 7 4 punten
Bereken met behulp van het formuleblad of het verschil tussen het hemoglobinegehalte van gezonde mannen en gezonde vrouwen gering, middelmatig of groot is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- • (4)
De aardbeving van l’Aquila
Aardbevingen verschillen in kracht. De kracht van een aardbeving wordt meestal weergegeven op de schaal van Richter.
In de nacht van 5 op 6 april 2009 werd de Italiaanse stad l’Aquila getroffen door een zware aardbeving. De avond ervoor werd er al een lichte beving gevoeld die een kracht had van 3,3 op de schaal van Richter. De zware aardbeving ’s nachts, die veel schade aanrichtte, had een kracht van 6,3 op de schaal van Richter.
Bij elke aardbeving komt energie vrij. Volgens een wetenschapper geldt de volgende vuistregel: als de kracht op de schaal van Richter met 1 toeneemt, dan is de hoeveelheid vrijgekomen energie ongeveer 30 keer zo groot.
Er is bij de zware aardbeving ’s nachts veel meer energie vrijgekomen dan bij de lichte beving van de avond daarvoor.
Vraag 8 3 punten
Bereken met behulp van de vuistregel hoeveel keer zoveel energie er ’s nachts vrijkwam vergeleken met de avond ervoor.
Bekijk het antwoord
- Het verschil in kracht is ( 6,3 − 3,3 = )3 (1)
- Er komt (ongeveer) 30 keer zoveel energie vrij (1)
- Het antwoord: (ongeveer) 27 000 (1)
Bij een aardbeving kan de hoeveelheid vrijgekomen energie worden berekend met de formule
E = 0,06 · 32 R In deze formule is R de kracht van de aardbeving op de schaal van Richter en E de hoeveelheid vrijgekomen energie in MJ (megajoule).
Na de zware nachtelijke aardbeving waren er nog verschillende kleine naschokken. Bij de naschok van 7 april ’s avonds was de hoeveelheid energie die vrijkwam slechts 9% van de hoeveelheid energie die bij de zware nachtelijke aardbeving vrijkwam. Toch was deze naschok ook een zware schok.
Vraag 9 5 punten
Bereken welke kracht deze naschok had op de schaal van Richter. Rond je antwoord af op één decimaal.
Bekijk het antwoord
- ( Voor de nachtelijke beving geldt E =0, 06 ⋅ 326,3 =1,8... ⋅108 ) (1)
- ( 9% hiervan is 0, 09 ⋅ 0, 06 ⋅ 326,3 = 1, 6... ⋅107 ) (1)
- De vergelijking 0, 06 ⋅ 32 R = 0, 09 ⋅ 0, 06 ⋅ 326,3 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- Het antwoord: 5,6 (1)
Op de uitwerkbijlage staat een assenstelsel afgebeeld, waarbij op de verticale as een logaritmische schaal is gebruikt. In dat assenstelsel kun je een grafiek tekenen waarin je de vrijgekomen energie uitzet tegen de kracht op de schaal van Richter. Deze grafiek blijkt een (rechte) lijn te zijn.
Vraag 10 3 punten
Teken deze grafiek in de figuur op de uitwerkbijlage voor bevingen met een kracht van minimaal 1 en maximaal 8 op de schaal van Richter.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij één foutief getekend punt 1 scorepunt in mindering brengen; als beide punten fout zijn, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.
BMR
Mensen krijgen energie binnen via voedsel. De hoeveelheid energie in voedsel wordt uitgedrukt in kilocalorieën (kcal). De minimale hoeveelheid energie die iemand per dag nodig heeft om op gewicht te blijven, wordt aangeduid met de Engelse afkorting BMR (Basal Metabolic Rate). Diëtisten maken gebruik van formules om deze hoeveelheid te berekenen. Een formule van de BMR voor mannen luidt: BMR = 10 · G
- 5 · J + 6, 25 · L + 5 In deze formule is G het gewicht in kg, J de leeftijd in jaren, L de lengte in cm en BMR in kcal.
Luuk is 1,88 meter lang en weegt 77 kg. Hij is 25 jaar oud.
Vraag 11 2 punten
Bereken zijn BMR.
Bekijk het antwoord
- BMR = 10 ⋅ 77 − 5 ⋅ 25 + 6, 25 ⋅188 + 5 (1)
- Het antwoord: 1825 (kcal) (1)
Marcio is in precies 1 jaar 5 kg afgevallen. Zijn lengte is niet veranderd.
Vraag 12 3 punten
Bereken aan de hand van de formule, zonder gebruik te maken van een getallenvoorbeeld voor G en J, hoeveel Marcio’s BMR in die periode van
1 jaar verminderd is.
Bekijk het antwoord
Opmerking Als voor G en J uitsluitend getallenvoorbeelden gekozen zijn, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.
Voor 30-jarige mannen met een BMR van 2000 kcal kun je het gewicht uitdrukken in de lengte. Er geldt dan G = a · L + b , waarbij a en b getallen zijn.
Vraag 13 3 punten
Bereken de waarden van a en b in één decimaal nauwkeurig.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het kiezen van twee getallenparen ( L, G ) , bijvoorbeeld (160;114,5) en (200; 89,5) (1) 89,5
- 114,5
- a= (= –0,625), dus het antwoord: a = −0, 6 (1p)
200
- 160
- b= 114,5 + 0, 625 ⋅160= 214,5 (1p)
In de figuur is voor 30-jarige mannen met een BMR van 1600 een grafiek getekend die het verband tussen G en L weergeeft. De figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
figuur BMR voor 30-jarigen 120
G (kg) 100
80
60
40 BMR = 1600
20
0
150 160 170 180 190 200 210 220 L (cm)
Je kunt voor 30-jarige mannen ook bij andere BMR-waarden de grafiek tekenen die het verband tussen G en L weergeeft.
Vraag 14 3 punten
Teken in de figuur op de uitwerkbijlage voor 30-jarige mannen de grafiek die hoort bij een BMR van 1800. Licht je werkwijze toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Als de BMR 200 hoger is, moet gelden dat de waarde van G 20 kg meer is bij dezelfde waarde van L, want 10 ⋅ 20 =200 (1p)
- De grafiek ligt 20 (kg) hoger dan de grafiek die hoort bij BMR = 1600 (1p)
In de Verenigde Staten hanteert men soortgelijke formules maar met andere variabelen. Men gebruikt voor het gewicht de variabele W (weight) in pounds, voor de lengte de variabele H (height) in feet en voor de leeftijd in jaren de variabele Y (years). Er geldt: W = 2, 2 · G Y=J
H = 0,033 · L Met deze gegevens kun je de formule van BMR opstellen zoals die in de Verenigde Staten gebruikt wordt in de vorm BMR = ... · W
- 5 · Y + ... · H + 5 Hierbij staan op de puntjes getallen.
Vraag 15 4 punten
Bereken welke getallen op de puntjes moeten staan en rond af op één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gerekend wordt met =
G 2, 2 ⋅ W en = L 0, 033 ⋅ H , voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
Lunchen
Een paar jaar geleden heeft men in de Verenigde Staten een onderzoek gehouden onder mensen die in hun lunchpauze ergens gaan eten. Men wilde weten wat er zoal als lunch besteld werd en hoeveel kilocalorieën (kcal) de bestelde lunch bevatte.
Het onderzoek werd uitgevoerd in New York City. Uit alle
1064 lunchrestaurants die op hun website calorie-informatie hadden staan, werden er willekeurig 167 uitgekozen waar het onderzoek werd uitgevoerd. Verschillende teams van onderzoekers gingen rond lunchtijd naar deze lunchrestaurants om klanten te informeren over het onderzoek. Alleen klanten van 18 jaar en ouder mochten meedoen. Ze moesten dan een individuele bestelling plaatsen. Wie vervolgens zijn kassabonnetje inleverde, kreeg als beloning een metrokaartje van 2 dollar. Vrijwel alle klanten wilden meedoen met het onderzoek, mede vanwege de beloning. De onderzoekers kregen op deze manier heel wat kassabonnetjes in handen. Achteraf bleek dat 5,6% van de ingeleverde kassabonnetjes onbruikbaar was. De overige 7318 kassabonnetjes konden worden gebruikt voor het onderzoek.
Vraag 16 3 punten
Bereken hoeveel dollar de onderzoekers kwijt waren aan metrokaartjes.
Bekijk het antwoord
Opmerking 105, 6 Als het aantal kassabonnetjes is berekend met ⋅ 7318 , voor deze 100 vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
Omdat op de kassabonnetjes precies vermeld stond wat er besteld was, konden onderzoekers met de calorie-informatie van de betreffende lunchrestaurants berekenen hoeveel kcal elke lunch bevatte. Een samenvatting van de resultaten staat in tabel 1.
[tabel 1: zie het originele examen] percentage type aantal aantal kcal klanten dat aantal per kassa-bonnetje meer dan … lunch- geldige restau- kcal bestelde restau- kassa- rants rant bonnetjes standaard- 1000 1250 gemiddelde afwijking kcal kcal broodjes 49 1989 734 361 20,0 8,8 pizza 17 272 766 449 20,6 15,1 ham-
75 3857 857 336 38,6 16,5 burgers tex-mex 3 96 900 295 41,7 17,7 kip 14 649 931 264 47,5 18,0 gemengd 9 455 821 256 35,6 16,9 totaal 167 7318 827 458 33,5 14,5
Van één type lunchrestaurant uit tabel 1 zijn de resultaten ook weergegeven in een relatieve cumulatieve frequentiepolygoon. Deze polygoon staat op de uitwerkbijlage.
Vraag 17 3 punten
Van welk type lunchrestaurant zijn de resultaten in de polygoon weergegeven? Licht je antwoord toe. Je kunt daarbij de figuur op de uitwerkbijlage gebruiken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het cumulatieve percentage bij 1000 kcal is ongeveer 58(%) (1)
- Ongeveer (100 – 58 =) 42% van de klanten bestelt meer dan 1000 kcal (1)
- Het antwoord: tex-mex (1)
De aanbevolen hoeveelheid kcal voor een lunch is 750 kcal. Het lijkt erop dat die hoeveelheid in hamburgerrestaurants ruimschoots overschreden wordt. Het steekproefgemiddelde was daar immers veel hoger dan
750 kcal.
Vraag 18 3 punten
Onderzoek of de aanbevolen hoeveelheid van 750 kcal in het 95%-betrouwbaarheidsinterval van het populatiegemiddelde in hamburgerrestaurants ligt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het 95%-betrouwbaarheidsinterval is 857 ± 2 ⋅ (1)
- De ondergrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval is 846,… (kcal) (1)
- Het antwoord: nee (, de aanbevolen hoeveelheid van 750 kcal ligt er niet in) (1)
De Amerikaanse overheid is geschrokken van de resultaten van dit onderzoek. Ze trekt de conclusie: ‘Veel volwassenen nuttigen bij de lunch meer dan de aanbevolen hoeveelheid kcal.’
Door de gekozen onderzoeksopzet, zoals die beschreven staat in de inleiding van deze opgave, is de conclusie van de Amerikaanse overheid echter te algemeen.
Vraag 19 2 punten
Noem hiervoor twee aspecten uit de gekozen onderzoeksopzet.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van juiste aspecten: − Het onderzoek is alleen gehouden onder volwassenen die in hun lunchpauze ergens gaan lunchen (terwijl er ook volwassenen zullen zijn die hun eigen lunch meenemen of helemaal niet lunchen). − Het onderzoek is alleen gehouden onder volwassenen in New York City. − Het onderzoek is alleen gehouden in lunchzaken die op hun website calorie-informatie hadden staan. per juist aspect (1) (2)
Een van de deelnemende lunchrestaurants probeert zijn klanten bewust te maken van de hoeveelheid kcal die ze bestellen. Dit restaurant presenteert daarom de calorie-informatie niet alleen op de website, maar ook duidelijk zichtbaar bij het bestelpunt. De onderzoekers hebben aan de klanten van dit restaurant gevraagd of deze informatie effect had op hun bestelling. Die informatie hebben zij per klant gekoppeld aan zijn of haar kassabonnetje. De resultaten staan in tabel 2.
[tabel 2: zie het originele examen] aantal kcal percentage dat meer aantal geldige dan 1000 kassabonnetjes gemiddelde standaardafwijking kcal bestelt calorie- informatie
568 713 301 17,5 wel gelezen calorie- informatie
1237 766 584 23,0 niet gelezen
Op grond van de resultaten in tabel 2 bespreken de onderzoekers de volgende stelling: ‘Er bestaat een groot verschil in het aantal kcal per bestelling tussen klanten die de calorie-informatie wel hebben gelezen en klanten die de calorie-informatie niet hebben gelezen.’
Vraag 20 4 punten
Onderzoek met behulp van het formuleblad of deze stelling door de gegevens in tabel 2 wordt ondersteund.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Het berekenen van de effectgrootte: = E = 0,1... (1) 0,5 ⋅ (301 + 584)
- Bij de laatste kolom van tabel 2 een kruistabel maken, bijvoorbeeld 99 469 (1) 285 952
Opmerking Als in de kruistabel percentages worden gebruikt in plaats van absolute aantallen, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Voetafdruk
De (ecologische) voetafdruk is de hoeveelheid aardoppervlak die iemand jaarlijks nodig heeft vanwege zijn manier van leven. Zo heeft iemand die veel consumeert een grotere voetafdruk dan iemand die weinig consumeert. Deze voetafdruk wordt uitgedrukt in mha (mondiale hectares), waarbij mha staat voor een hectare aardoppervlak die gebruikt kan worden voor onder andere landbouw, visserij of industrie.
Als de totale voetafdruk van alle mensen op de wereld 10 miljard mha (of minder) is, dan heeft de aarde voldoende mogelijkheid om zichzelf te herstellen. Is de totale voetafdruk meer dan 10 miljard mha, dan zal de aarde op den duur uitgeput raken.
Al sinds lange tijd neemt zowel de wereldbevolking als de totale voetafdruk toe. In 1974 kwam de totale voetafdruk al boven de genoemde grens van 10 miljard mha uit. In 2010 bestond de wereldbevolking uit 6,9 miljard mensen en was de gemiddelde voetafdruk per persoon 2,85 mha. De totale voetafdruk in
2010 was dus 6,9 miljard × 2,85 ≈ 19,7 miljard mha.
Vanaf 2010 zijn er maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de totale voetafdruk op termijn weer onder de 10 miljard mha komt.
We doen de volgende aannames voor de periode 2010
- 2050:
− Vanaf 2010 neemt de gemiddelde voetafdruk per persoon af met 0,11 mha per jaar, totdat een gemiddelde voetafdruk per persoon van 1,20 mha bereikt is. De jaren daarna blijft de gemiddelde voetafdruk per persoon 1,20 mha.
- De wereldbevolking neemt elk jaar toe met 0,7%.
De gemiddelde voetafdruk neemt dus af (tot 1,20 mha), maar de wereldbevolking neemt toe. Het is daarom de vraag of de genomen maatregelen voldoende zijn om de totale voetafdruk te laten dalen tot onder de 10 miljard mha. Dit blijkt een aantal jaren het geval te zijn, maar na verloop van tijd komt de totale voetafdruk toch weer boven de
10 miljard mha.
Vraag 21 8 punten
Onderzoek in welke jaren in de periode 2010
- 2050 de totale voetafdruk minder dan 10 miljard mha is.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Deze formule geldt tot= en met t = 15 (dus tot en met 2025) (1) 0,11
- De vergelijking (2,85
- 0,11 ⋅ t ) ⋅ 6,9 ⋅1, 007 =
10 moet worden opgelost (1)
- Dit geeft t = 13,9... (1p)
- Voor t > 15 moet de vergelijking 1, 20 ⋅ 6,9 ⋅1, 007t =
10 worden opgelost (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-18-1-o
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 21. Van 20 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (11), statistiek (6) en machtsverbanden (2).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2018, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-18-1-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.