Eindexamen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Huisartsenzorg, Mobiel dataverbruik, Bewegen jongeren genoeg?, Formules in de F1, Wel het huis, maar niet de grond.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (8), formules en grafieken (7) en exponentiële groei (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Statistiek1, 5, 7, 10-148
Formules en grafieken2-4, 15-17, 197
Exponentiële groei6, 8-93
Veranderingen en afgeleide18, 202

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over veranderingen en afgeleide (10% van de vragen, gemiddeld 2%) en statistiek (40% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over lineaire verbanden (0% van de vragen, gemiddeld 15%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Huisartsenzorg

De uitgaven aan huisartsenzorg voor één persoon per jaar kan je volgens een eenvoudig model berekenen met de volgende formule: U = 60 + 10 ⋅ A (formule 1) Hierin is U het bedrag in euro dat voor één persoon per jaar aan huisartsenzorg wordt uitgegeven en A het aantal huisartsconsulten van die persoon per jaar.

In 2018 was het gemiddelde aantal huisartsconsulten per persoon gelijk aan 4,5.

Stel dat in 2020 het gemiddelde aantal huisartsconsulten per persoon 10% hoger was dan in 2018. Volgens formule 1 zouden in 2020 de gemiddelde uitgaven aan huisartsenzorg dan ook hoger zijn geweest dan in 2018.

Vraag 1 4 punten

Bereken hoeveel procent hoger. Geef je antwoord in hele procenten.

Bekijk het antwoord
  • Het gemiddelde aantal consulten per persoon was in 2020 1,1 ⋅ 4, 5 (= 4,95) (1)
  • De gemiddelde uitgaven aan huisartsenzorg per persoon waren U = 60 + 10 ⋅ 4, 5 (= 105) in 2018 en U = 60 + 10 ⋅ 4, 95 (= 109,50) in 2020 (1)
  • ⋅100 (%) (1)
  • Het antwoord: 4(%) (1)

In de rest van de opgave bedoelen we met de uitdrukkingen ‘het aantal huisartsconsulten’ en ‘de uitgaven aan huisartsenzorg’ steeds de gemiddelde waarden.

Voor ouderen is het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar hoger dan voor jongeren. Voor personen van 5 jaar tot en met 64 jaar geldt voor het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar A de volgende formule:

A = 1,75 + 0,05 ⋅ l (formule 2) Hierin is l de leeftijd van de persoon in jaren.

Vraag 2 3 punten

Bereken bij welke leeftijden volgens formule 2 het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar lager is dan 4,5.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor een antwoord als ‘55 jaar en jonger’ 1 scorepunt in mindering brengen.

Door de formules 1 en 2 te combineren kan voor personen van 5 jaar tot en met 64 jaar een formule worden afgeleid waarin de uitgaven aan huisartsenzorg per persoon per jaar (U) worden uitgedrukt in de leeftijd (l) van de persoon. Deze formule kan worden geschreven in de vorm U = ... ⋅ l + ... waarbij op de puntjes getallen staan.

Vraag 3 3 punten

Geef de afleiding van de formule in deze vorm.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij het eerste antwoordelement geen haakjes heeft genoteerd en tot het antwoord U = 0, 05 ⋅ l + 77,5 komt, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

We kijken nu naar personen van 65 jaar of ouder. Neem ook voor deze leeftijdsgroep aan dat het verband tussen het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar (A) en de leeftijd in jaren (l) lineair is. Voor personen van

65 jaar is het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar gelijk aan 5. Voor personen van 80 jaar is dit aantal gelijk aan 9.

Vraag 4 3 punten

Bereken met deze gegevens het aantal huisartsconsulten per persoon per jaar voor personen die 92 jaar oud zijn. Geef je antwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • Per jaar komen er (= 0, 26...) huisartsconsulten bij (1)
  • Voor personen van 92 jaar is het aantal huisartsconsulten 9 + (92 − 80) ⋅ 0, 26...( = 12, 2) (1)
  • Het antwoord: 12 (huisartsconsulten per jaar) (1)

Mobiel dataverbruik

Op de hele wereld gebruiken mensen hun mobiele telefoon steeds meer. De hoeveelheid verbruikte mobiele data neemt daardoor elk jaar toe.

In Nederland was in 2017 het totale mobiele dataverbruik

325 miljoen gigabyte (GB), een stijging van 1050% ten opzichte van 2013.

Vraag 5 3 punten

Bereken het totale mobiele dataverbruik in Nederland in 2013. Geef je antwoord in hele miljoenen GB.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als gerekend wordt met een groeifactor van 10,5, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

In figuur 1 is te zien dat het mobiele dataverbruik per simkaart 1) in diverse Europese landen in de periode 2008-2017 enorm is gestegen. figuur 1 mobiel dataverbruik per simkaart per maand

Je kunt in figuur 1 aflezen dat in Finland in het jaar 2013 het mobiele dataverbruik per simkaart 1,6 GB per maand was. Dit was in 2017 gegroeid naar 12,0 GB per maand. Neem aan dat er in deze periode sprake was van exponentiële groei.

Vraag 6 4 punten

Bereken het jaarlijkse groeipercentage van het mobiele dataverbruik per simkaart per maand in deze periode in Finland. Geef je antwoord in hele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen 1

  • Als gerekend wordt met (12
  • 1, 6) 4 , voor deze vraag maximaal

2 scorepunten toekennen. 12

  • Als gerekend wordt met : 4 , voor deze vraag maximaal 1, 6

2 scorepunten toekennen.

noot 1 Een simkaart is een chip die in een mobiel apparaat gedaan wordt. In deze opgave wordt steeds het gemiddelde mobiele dataverbruik per simkaart bedoeld. SIM staat voor Subscriber Identity Module.

In 2017 was het mobiele dataverbruik per simkaart per maand in Finland

12 keer zo groot als in Nederland. Dit is deels te verklaren door het feit dat het dataverbruik in Finland een stuk goedkoper was. De providers in Nederland brachten in 2017 gemiddeld ongeveer 14 keer zoveel in rekening als de providers in Finland voor het verbruik van dezelfde hoeveelheid mobiele data.

Vraag 7 4 punten

Bereken hoeveel procent de inwoners van Finland in 2017 in totaal minder uitgaven aan mobiele data dan de inwoners van Nederland. Geef je antwoord in hele procenten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De totale kosten zijn in Finland keer zo groot als in Nederland (2) 14 2

Opmerking Voor het eerste antwoordelement van het tweede antwoordalternatief mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.

In figuur 2 is voor het jaar 2017 het verband tussen de gemiddelde prijs (P) van het mobiele dataverbruik en het verbruik (V) per simkaart per maand weergegeven. [figuur 2: zie het originele examen]

In figuur 2 is te zien: hoe hoger de prijs in een bepaald land is, hoe lager het dataverbruik. Bij de trendlijn hoort een omgekeerd evenredig verband.

Vraag 8 3 punten

Stel een formule op van dit verband.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Bij het tweede antwoordelement mag de waarde van P worden afgelezen met een marge van 0,3 eurocent per GB en de waarde van V met een marge van 0,3 GB.

In figuur 1 zie je bij de vier Europese landen dat het mobiele dataverbruik toenemend stijgt. In Zuid-Korea en Japan, die niet zijn opgenomen in figuur 1, is de sterke groei al wat afgenomen. In de tabel staan de gegevens van deze landen van de jaren 2014 en 2015.

tabel mobiel dataverbruik per simkaart per maand

2014 2015 Zuid-Korea 1,711 GB 2,198 GB Japan 1,631 GB 1,945 GB Neem aan dat de toename van het mobiele dataverbruik per simkaart per maand in beide landen vanaf 2014 lineair is. Dan zal men in Zuid-Korea eerder gemiddeld 10 GB per simkaart per maand verbruiken dan in Japan.

Vraag 9 5 punten

Bereken hoeveel jaar eerder dit zal gebeuren. Geef je antwoord in hele jaren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De toename per jaar is 0,487 (GB per simkaart per maand) in Zuid- Korea en 0,314 in Japan (1)
  • In Zuid-Korea is in 2031 het mobiele dataverbruik 9,99 (GB per simkaart per maand) (1)
  • In 2032 is het mobiele dataverbruik daar 10,477 (GB per simkaart per maand) (1)
  • In Japan is in 2040 het mobiele dataverbruik 9,795 (GB per simkaart per maand) (1)
  • In 2041 is het mobiele dataverbruik daar 10,109 (GB per simkaart per maand), dus het antwoord is (2041 – 2032 =) 9 (jaar) (1)

Bewegen jongeren genoeg?

Het lijkt erop dat een aanzienlijk deel van de jongeren in Nederland te weinig beweegt. Het onderzoek ‘Health Behaviour in School-aged Children’ dat sinds 1985 uitgevoerd wordt, bevat informatie over het beweeggedrag van jongeren in Nederland. Deze opgave gaat over het deel van dit onderzoek dat betrekking heeft op jongeren in het reguliere voortgezet onderwijs in de eerste vier leerjaren. Deze groep beschouwen we in deze opgave als de onderzoekspopulatie. Aan het onderzoek deden

67 scholen mee. We nemen aan dat deze groep scholen een aselecte en representatieve steekproef vormt uit alle scholen voor regulier voortgezet onderwijs.

Onder de deelnemende scholen waren er scholen met een groot aantal klassen en scholen met een klein aantal klassen. De onderzoekers kregen van deze scholen een lijst van alle klassen van de eerste vier leerjaren. Uit elke lijst trokken de onderzoekers vervolgens aselect uit elk leerjaar één klas. Alle leerlingen uit die getrokken klassen deden mee aan het onderzoek.

De leerlingen die op deze manier in de steekproef terecht zouden komen, vormen geen aselecte steekproef uit de onderzoekspopulatie.

Vraag 10 2 punten

Leg dit uit.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als alleen opgemerkt wordt dat de steekproef aselect is als iedere leerling dezelfde kans heeft om in de steekproef terecht te komen, voor deze vraag

1 scorepunt toekennen.

De onderzoekers hebben het bovengenoemde probleem uiteindelijk opgelost. In de rest van de opgave nemen we aan dat de steekproef aselect en representatief is.

Aan de leerlingen zijn onder andere de volgende vragen over bewegen gesteld:

  • Doe je minstens twee keer per week aan sport of speel je minstens twee keer per week buiten?
  • Ben je lid van een sportclub?
  • Op hoeveel dagen van de afgelopen zeven dagen was je ten minste één uur per dag bezig met lichaamsbeweging?

Van de leerlingen waren een aantal kenmerken bekend, zoals:

  • geslacht (meisje, jongen)
  • schoolniveau (vmbo, havo, vwo)
  • gezinswelvaart (laag, midden, hoog)

De drie genoemde kenmerken zijn kwalitatieve variabelen.

Vraag 11 3 punten

Geef van elk van de drie kenmerken aan of het wel of geen ordinale variabele is. Licht bij elk kenmerk je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als bij een antwoordelement de toelichting ontbreekt of onjuist is, voor dit antwoordelement geen scorepunt toekennen.

In tabel 1 is te zien hoeveel meisjes en hoeveel jongens aan het onderzoek deelnamen. Ook is te zien hoeveel procent van de meisjes en hoeveel procent van de jongens minstens twee keer per week sport of buiten speelt.

[tabel 1: zie het originele examen] meisjes jongens totaal aantal deelnemers onderzoek 2736 2835 5571 percentage dat minstens twee keer 76,4 84,2 80,4 per week sport of buiten speelt

Je kunt nu het 95%-betrouwbaarheidsinterval berekenen voor de populatieproportie van het aantal meisjes dat minstens twee keer per week sport of buiten speelt. Hetzelfde kun je doen voor de jongens.

Vraag 12 5 punten

Onderzoek of deze twee 95%-betrouwbaarheidsintervallen elkaar overlappen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als alleen de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval voor de meisjes berekend wordt en de ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval voor de jongens, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

In tabel 2 zie je het aantal leerlingen dat aan het onderzoek deelnam uitgesplitst naar schoolniveau, met daarbij het aantal leerlingen dat lid is van een sportclub.

[tabel 2: zie het originele examen] vmbo havo vwo aantal deelnemers

2745 1612 1214 onderzoek aantal dat lid is van

1779 1188 981 een sportclub

Op basis van tabel 2 kun je een uitspraak doen over het verschil tussen het aantal havo-leerlingen en het aantal vwo-leerlingen in Nederland dat lid is van een sportclub.

Vraag 13 4 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of dat verschil groot, middelmatig of gering is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een correcte kruistabel (2p)

havo vwo (totaal) wel lid 1188 981 (2169) geen lid 424 233 (657) (totaal) (1612) (1214) (2826)

1188 ⋅ 233

  • 981 ⋅ 424

Opmerking Voor het eerste antwoordelement voor elke fout 1 scorepunt in mindering brengen met een maximum van 2 scorepunten.

In tabel 3 staat het aantal deelnemende leerlingen en het gemiddelde aantal dagen dat zij in de afgelopen zeven dagen minstens één uur per dag bezig waren met lichaamsbeweging, uitgesplitst naar gezinswelvaart.

[tabel 3: zie het originele examen] gezinswelvaart laag midden hoog aantal deelnemers onderzoek 680 3097 1794 gemiddeld aantal dagen met minstens 3,8 4,2 4,6 één uur lichaamsbeweging

Op basis van tabel 3 wil Yarah het gemiddelde aantal dagen (met minstens één uur lichaamsbeweging) van de groepen laag en hoog met elkaar vergelijken. Hierbij wil Yarah gebruikmaken van de effectgrootte zoals die op het formuleblad is weergegeven.

Veronderstel dat de standaardafwijking S1 voor de groep met lage gezinswelvaart even groot is als de standaardafwijking S 2 voor de groep met hoge gezinswelvaart, dus S1 = S 2 = S .

Vraag 14 4 punten

Bereken voor welke waarden van S het verschil middelmatig is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor antwoorden als 1 ≤ S ≤ 2 , 1 < S < 2 , 1 < S ≤ 2 en ‘tussen 1 en 2’ geen scorepunten in mindering brengen.

Formules in de F1

Formule 1 (F1) is de hoogste klasse in de autosport. Gedurende het jaar worden er races gehouden op circuits in verschillende landen. In deze opgave kijken we naar enkele formules in de F1 die het verschil kunnen bepalen tussen winnen en verliezen.

In een F1-race moet de coureur steeds inschatten met welke snelheid hij een bocht kan nemen. Voor de scherpte van de bocht geldt: hoe kleiner de straal r van de bocht, hoe scherper de bocht. Zie de figuur.

figuur

Als de coureur sneller rijdt dan de maximale bochtensnelheid v, vliegt hij uit de bocht. Onder bepaalde omstandigheden geldt voor een bepaald type F1-auto het volgende verband tussen v en r: 4,026 ⋅ v 2 r= (formule 1) ( 7644 + 0,1929 ⋅ v ) 0,8 2

Hierin is r de straal van de bocht in meter en v de maximale bochtensnelheid in km per uur.

Een coureur nadert een bocht met een straal van 80 meter.

Vraag 15 3 punten

Bereken met behulp van formule 1 voor deze bocht de maximale bochtensnelheid in hele km per uur.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

4, 026 ⋅ v 2

  • De vergelijking 80 = moet worden opgelost (1) ( 7644 + 0,1929 ⋅ v ) 2 0,8

Op de uitwerkbijlage staat een schets van de grafiek die hoort bij het verband van formule 1. In deze schets is de maximale bochtensnelheid v uitgezet tegen de straal r van de bocht.

Vraag 16 2 punten

Geef in de grafiek op de uitwerkbijlage het gebied aan waar de coureur uit de bocht vliegt. Licht je antwoord toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als er geen juiste toelichting is gegeven, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.

Omdat de banden gedurende de race slijten, verliezen ze grip op het wegdek en lopen de rondetijden op. Daarom worden tijdens zogeheten pitstops de banden te verwisseld voor nieuwe, maar dat wisselen kost wel tijd (pitstraat inrijden, banden wisselen, pitstraat uitrijden).

Voor een bepaald type F1-auto kan het totale tijdverlies T in een race als gevolg van slijtage van de banden en het aantal pitstops, worden gegeven door de formule: 0,5 ⋅ b ⋅ L2 T= + n⋅P (formule 2) n +1 Hierin is:

  • T het totale tijdverlies in seconden
  • b de bandenslijtage, een getal dat onder andere afhangt van het circuit
  • L het aantal ronden van de race
  • n het aantal pitstops in de race
  • P het gemiddelde tijdverlies in seconden per pitstop

Als we bij een race van 60 ronden uitgaan van een bandenslijtage van 0,1 en een gemiddeld tijdverlies van 20 seconden per pitstop, dan kunnen we formule 2 herleiden tot de formule: 20n 2 + 20n + 180 T= (formule 3) n +1

Vraag 17 4 punten

Geef deze herleiding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • T= + n ⋅ 20 (1) n +1 180
  • T= + 20n (1) n +1

180 + 20n( n + 1)

Vraag 18 3 punten

Bereken met behulp van formule 3 het optimale aantal pitstops voor de bovenstaande race van 60 ronden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in het eerste antwoordalternatief bij het tweede antwoordelement alleen n = 2 met T = 100 wordt genoemd, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.

Als het gemiddelde tijdverlies per pitstop zou kunnen afnemen, dan kan het optimale aantal pitstops misschien toenemen om het totale tijdverlies in de race zo klein mogelijk te houden.

Op een ander circuit, waar de race 45 ronden duurt, geldt voor een bepaalde F1-auto een bandenslijtage van 0,3. Je kunt dan met de volgende formule het optimale aantal pitstops bepalen: 3 N = −1 + 45 (formule 4)

20 P Hierin is N het (onafgeronde) optimale aantal pitstops en P het gemiddelde tijdverlies in seconden per pitstop.

Op dit circuit geldt voor deze F1-auto dat het gemiddelde tijdverlies van een pitstop 24,8 seconden is. Uit de formule volgt dan dat N ongeveer 2,5 is. Er moet een keuze gemaakt worden of er nu 2 of 3 pitstops moeten plaatsvinden. Deze keuze zou makkelijker zijn als N precies 3 was geweest.

Vraag 19 4 punten

Bereken hoeveel korter het gemiddelde tijdverlies per pitstop moet zijn om uit te komen op een optimaal aantal pitstops van precies 3. Geef je antwoord in seconden en in één decimaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De vergelijking −1 + 45 = 3 moet worden opgelost (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • De oplossing: P = 18,98... (1)
  • Het antwoord: 5,8 (seconden)(korter per pitstop) (1)

Vraag 20 3 punten

Beredeneer met formule 4, zonder getallenvoorbeelden te gebruiken of een schets/tekening van de grafiek van N te maken, dat N toeneemt als het gemiddelde tijdverlies per pitstop afneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Als P kleiner wordt, dan wordt groter (1)
  • Als groter wordt, dan wordt ook groter (1)
  • Dus wordt ook −1 + 45 groter (dus N neemt toe) (1)

Wel het huis, maar niet de grond

Als je een huis koopt, word je normaal gesproken niet alleen eigenaar van het huis, maar ook van de grond waar het huis op staat. Voor de betaling sluit de koper meestal een hypotheek af. Dit is een lening die in maandelijkse termijnen met rente moet worden terugbetaald binnen een afgesproken termijn, de zogenoemde looptijd.

Soms wil een koper een huis kopen waarvoor de bank geen hypotheek wil geven omdat het huis eigenlijk te duur is voor de koper. In zo’n geval kan de koper besluiten tot duo-koop. Je koopt dan wel het huis, maar niet de grond. De maandelijkse hypotheekkosten zijn dan lager, maar er moet dan ook een maandelijks bedrag voor het huren van de grond worden betaald.

Bij duo-koop wordt de huurprijs van de grond bepaald aan de hand van twee percentages:

  • G: het grondpercentage, dat is de procentuele waarde van de grond ten opzichte van de prijs van huis en grond samen.
  • H: het huurpercentage, dat is het percentage van de waarde van de grond dat jaarlijks aan huur voor de grond betaald moet worden. Bijvoorbeeld: voor een huis dat inclusief de grond € 200 000 kost en waarvoor geldt dat G = 25 en H = 6, is de waarde van de grond € 50 000 en zal bij duo-koop de huur van de grond € 3000 per jaar, dus € 250 per maand zijn.

Nicolette en Fouad willen een huis kopen in Den Haag. Het huis kost inclusief de grond € 240 000. Ze willen hiervoor een hypotheek afsluiten met een looptijd van 30 jaar. In de tabel staat een aanbieding van een bank voor beide manieren van kopen.

tabel Kosten voor een huis (inclusief grond) van € 240 000 gewone koop duo-koop huis en grond (koop) huis (koop) grond (huur) hypotheekkosten hypotheekkosten G = 35; H = 1,5 € 774 per maand € 505 per maand

De hypotheekkosten en de huurprijs van de grond veranderen niet tijdens de looptijd. We nemen aan dat de percentages G en H ook niet veranderen tijdens de looptijd.

Het huis en de grond worden in de loop van de 30 jaar meer waard. We nemen aan dat de waarde van zowel het huis als de grond jaarlijks met 2% toeneemt.

Nicolette en Fouad overwegen het huis met duo-koop te kopen. Daarmee zijn de maandelijkse kosten lager dan bij de gewone koop.

Na de looptijd van 30 jaar verwachten ze voldoende geld te hebben om de grond alsnog te kopen, uiteraard voor de prijs die de grond op dat moment waard is. Dit zal betekenen dat de totale kosten over de looptijd van 30 jaar bij duo-koop hoger zullen zijn dan bij gewone koop.

Nicolette en Fouad willen het huis met duo-koop kopen als de totale kosten daarbij minder dan € 100 000 hoger zijn dan bij gewone koop. Als dat niet zo is, gaat de koop niet door.

Vraag 21 7 punten

Onderzoek of Nicolette en Fouad het huis in Den Haag wel of niet zullen kopen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De totale hypotheekkosten zijn bij gewone koop 30 ⋅12 ⋅ 774 ( = 278 640 ) (euro) en bij duo-koop 30 ⋅12 ⋅ 505 ( = 181 800 ) (euro) (1p)
  • De jaarlijkse huurprijs van de grond is 0, 015 ⋅ 84 000 ( = 1260 ) (euro) (1p)
  • Het verschil tussen de kosten bij duo-koop en bij gewone koop is

181 800 + 37 800 + 152 154

  • 278 640 = 93114 (euro) (1p)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2023, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-23-1-o

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1?

Het centraal examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over statistiek (8), formules en grafieken (7) en exponentiële groei (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2023, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-23-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2023, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.