Eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Visus, Klarinet, De voorsteekpas 1), Nibud Scholierenonderzoek, Postzegels.
Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1 loopt tot vraag 23. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (9), exponentiële groei (5) en formules en grafieken (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Statistiek | 10-12, 14-18, 23 | 9 |
| Exponentiële groei | 2, 5-6, 19-20 | 5 |
| Formules en grafieken | 3-4, 7, 9, 13 | 5 |
| Lineaire verbanden | 8, 22 | 2 |
| Machtsverbanden | 1 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over statistiek (41% van de vragen, gemiddeld 32%). Minder over formules en grafieken (23% van de vragen, gemiddeld 29%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Visus
Om te bepalen hoe goed iemands ogen functioneren, wordt vaak gebruikgemaakt van de Snellenkaart. De letters op deze kaart moeten vanaf een afstand van 20 feet (ongeveer 6 meter) worden gelezen. Zie de figuur.
figuur
De visus is een maat voor de gezichtsscherpte. Deze maat kan met behulp van de Snellenkaart worden uitgedrukt in een score S. Iemand met normaal functionerende ogen kan de letters op regel 8 nog wel lezen, maar de letters op regel 9 niet meer. Bij normaal functionerende ogen hoort een score S = 20 20 = 1 . Als een persoon nog kleinere letters kan lezen, dan is de score S groter dan 1. Bij de onderste regel 11 hoort bijvoorbeeld de score S = 10
20 = 2 .
Iemand met S = 0,5 moet alles van tweemaal zo dichtbij bekijken om hetzelfde op de Snellenkaart te kunnen zien als iemand met S = 1 . Iemand met S = 0,1 moet tienmaal zo dichtbij staan, enzovoort.
Klaas en Lidy laten hun visus meten. Klaas kan regel 2 nog wel lezen, maar regel 3 niet meer. Lidy kan regel 7 nog wel lezen, maar regel 8 niet meer.
Vraag 1 3 punten
Bereken hoeveel keer zo dicht Klaas bij de Snellenkaart moet staan als Lidy om hetzelfde te kunnen lezen als Lidy.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking 100 Voor het antwoord = 4 zonder toelichting, maximaal 1 scorepunt 25 toekennen.
Er zijn meerdere maten voor de gezichtsscherpte. Voorbeelden hiervan zijn de logMAR-schaal1) en de ETDRS-letterscore2).
Het verband tussen de score S volgens de Snellenkaart en de score M op de logMAR-schaal wordt gegeven door formule 1. Voor het verband tussen de score S en de ETDRS-letterscore E geldt formule 2:
S = 10− M (formule 1)
E −85 S = 10 50 (formule 2)
De Wereldgezondheidsorganisatie noemt mensen met een score S tussen 0,05 en 0,3 slechtziend.
Vraag 2 3 punten
Welke scores van M op de logMAR-schaal komen overeen met de scores S = 0,05 en S = 0,3 ? Geef je antwoorden in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als slechts voor één van de twee waarden van S de bijbehorende waarde van M is gevonden, voor deze vraag maximaal 2 scorepunten toekennen.
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) stelt als keuringseis dat S minimaal 0,5 moet zijn. Janne heeft een ETDRS-letterscore van 75.
Vraag 3 3 punten
Wordt Janne goedgekeurd door het CBR? Licht je antwoord toe met een berekening.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als het antwoord is gevonden door het oplossen van de vergelijking
E −85
10 50 = 0,5 , hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Aan de hand van formule 1 en formule 2 kan beredeneerd worden dat als M groter wordt, E kleiner zal worden.
Vraag 4 3 punten
Geef deze redenering, zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Als M groter wordt, (wordt –M kleiner, dus) wordt S kleiner (1)
- Als S kleiner wordt, wordt kleiner (1)
- Dan (wordt E − 85 kleiner, dus) wordt E kleiner (1)
Door de twee formules te combineren, kan het volgende verband tussen M en E worden afgeleid:
E
- 85 −M = 50
Vraag 5 3 punten
Leid hieruit een formule af waarbij E wordt uitgedrukt in M.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het eerste antwoordelement mag voor een niet volledig juist antwoord
1 scorepunt worden toegekend.
Klarinet
Een klarinet is een houten blaasinstrument. Alle mogelijke tonen die op het instrument kunnen worden gespeeld, worden samen het bereik genoemd. Het bereik van een klarinet is bijna vier octaven. Een octaaf bestaat uit 12 opeenvolgende toonafstanden. Zie de tabel. Elke voorafgaande of opeenvolgende octaaf heeft dezelfde namen voor de tonen in dat octaaf.
De frequentie van een toon wordt gegeven in hertz (Hz), dit is het aantal trillingen per seconde. Bij een hogere toon hoort een hogere frequentie. Als je eenzelfde toon één octaaf hoger speelt, wordt de frequentie twee keer zo groot. Er bestaat een exponentieel verband tussen de frequenties en de tonen in de tabel: van elke volgende toon neemt de frequentie met een vast percentage toe. In de tabel zie je van enkele tonen de frequenties.
tabel Voorbeeld van een octaaf toon A Bes B C Des D Es E F Ges G As A frequentie
440 587 880 (Hz)
In de tabel is de frequentie van de D-toon afgerond op hele Hz.
Vraag 6 4 punten
Bereken op basis van de frequenties van de A-tonen uit de tabel de frequentie van de D-toon. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen 1
- Als gerekend wordt met (880
- 440) , voor deze vraag maximaal 12
2 scorepunten toekennen. 880
- Als gerekend wordt met :12 , voor deze vraag maximaal 440
2 scorepunten toekennen. 587
- Als gerekend wordt met , voor deze vraag geen scorepunten 440 toekennen.
In de figuur wordt op een logaritmische schaalverdeling het bereik van verschillende instrumenten aangegeven.
figuur
De laagste toon die een klarinet kan laten horen is een D. De hoogste toon is een A.
Vraag 7 3 punten
Bereken aan de hand van bovenstaande gegevens, de tabel en de figuur de laagste en de hoogste frequentie die een klarinet kan bereiken. Geef je antwoorden in een geheel aantal Hz.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gerekend is met de in de vorige vraag berekende frequentie van de D-toon, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Een klarinettist moet altijd eerst een korte tijd inspelen om de klarinet op een vaste temperatuur van 31 °C te brengen. Als de klarinet koud is, klinken de tonen namelijk lager dan als de klarinet warm is. Dit komt omdat de snelheid van het geluid afhankelijk is van de temperatuur. Dit verband wordt gegeven door de formule: v = 20 273 + T Hierin is v de snelheid van het geluid (in m/s) en T de temperatuur (in °C).
Met de formule kun je bijvoorbeeld berekenen dat bij een temperatuur van
20 °C de snelheid van het geluid ongeveer 342 m/s is. Bij een temperatuur van 31 °C is deze snelheid ongeveer 349 m/s.
Vraag 8 4 punten
Bereken hoeveel graden de temperatuur moet toenemen om de snelheid van het geluid te laten stijgen van 339 m/s naar 349 m/s. Geef je antwoord in een geheel aantal graden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gerekend is met de temperatuur 31,5025 (°C) die volgens de formule hoort bij v = 349 , hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Een toon van de klarinet is te horen als er lucht in de klarinetbuis in trilling gebracht wordt. Door tijdens het spelen gaatjes in de klarinetbuis open of dicht te doen, verandert de lengte L van het gedeelte van de klarinetbuis waarin de lucht trilt. De frequentie van een toon die op een klarinet gespeeld wordt, kun je berekenen met de formule: v f = 4L Hierin is f de frequentie van de toon (in Hz), v de snelheid van het geluid in de klarinet (in m/s) en L de lengte van het gedeelte van de klarinetbuis waarin de lucht trilt (in m).
Els speelt op haar klarinet met de eerder genoemde temperatuur van
31 °C een toon die klinkt met een frequentie van precies 440 Hz. Deze toon had bij het begin van het inspelen op de klarinet met een temperatuur van 20 °C een andere frequentie dan nu de klarinet een temperatuur van 31 °C heeft.
Vraag 9 3 punten
Bereken deze frequentie. Geef je antwoord in een geheel aantal Hz.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als gerekend is met uit de formule berekende nauwkeuriger waarden van de geluidssnelheid, leidend tot het eindantwoord 432 (Hz), hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
De voorsteekpas 1)
In de zomermaanden worden pretparken druk bezocht. De wachttijden voor de attracties kunnen dan sterk oplopen. De wachttijd voor een attractie kan berekend worden met de formule: r·S W= 2(1
- r ) Hierin is W de gemiddelde wachttijd van een willekeurige bezoeker in minuten en r de bezettingsgraad van de attractie ( 0 < r < 1 ). Als voor de bezettingsgraad bijvoorbeeld geldt dat r = 0,85 , betekent dit dat gemiddeld 85% van de plaatsen in de attractie bezet is. S is de bedieningstijd per bezoeker in seconden. Als bijvoorbeeld een attractie elke 10 minuten
100 bezoekers kan bedienen, geldt:
600 seconden S = 6 (= ).
100 bezoekers
In Walibi Belgium is de achtbaan Vampire een populaire attractie, die in de zomermaanden een bezettingsgraad van 98% heeft. De Vampire kan iedere vier minuten 80 bezoekers bedienen.
Vraag 10 3 punten
Bereken hoeveel minuten de gemiddelde wachttijd van een bezoeker voor de Vampire in de zomermaanden is.
Bekijk het antwoord
- S= =3 (1)
- W= (1)
- Het antwoord: 73,5 (of 74) (minuten) (1)
In de zomer van 2013 introduceerde Walibi Belgium een zogenoemde voorsteekpas. Met deze pas kan een bezoeker voorrang krijgen bij de attracties. Daardoor zal de wachttijd voor een bezoeker zonder deze pas langer worden.
Er zijn nu twee formules voor de wachttijd voor een attractie, namelijk een formule voor de gemiddelde wachttijd W p in minuten van een bezoeker met de voorsteekpas en een formule voor de gemiddelde wachttijd Wz in minuten van een bezoeker zonder voorsteekpas: r·S r·S Wp = en Wz = 2(1
- a · r ) 2(1
- r )(1
- a · r ) Hierin is a het gedeelte van de bezoekers met een voorsteekpas ( 0 < a < 1 ).
noot 1 ‘Voorsteken’ is een Vlaams woord voor ‘inhalen, voordringen’.
Een andere bekende attractie van Walibi Belgium is de Cobra. Deze attractie heeft een bezettingsgraad van 95% (dus r = 0,95 ) en een bedieningstijd van 6 seconden per bezoeker (dus S = 6 ).
Op 6 juli 2013 kocht 10% van de bezoekers een voorsteekpas, dus a = 0,10 .
Vraag 11 4 punten
Bereken voor deze dag het verschil in wachttijd bij de Cobra tussen bezoekers zonder voorsteekpas en bezoekers met voorsteekpas. Geef je antwoord in gehele minuten.
Bekijk het antwoord
- S = 6, r = 0,95 en a = 0,10 invullen in de formules van W p en Wz (1)
- W p = 3,1... (1)
- Wz = 62,9... (1)
- Het antwoord: (het verschil is) 60 (minuten) (1)
De wachttijd van de bezoekers zonder voorsteekpas wordt groter als meer bezoekers een voorsteekpas kopen. De directie van Walibi Belgium wil dat de wachttijd van bezoekers zonder voorsteekpas bij de Cobra maximaal 80 minuten is.
Vraag 12 4 punten
Bereken hoeveel procent van de bezoekers dan maximaal een voorsteekpas mag hebben. Geef je antwoord in één decimaal.
Bekijk het antwoord
- De vergelijking = 80 moet worden opgelost (1)
- Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
- De oplossing is a = 0,3026… (1)
- Het antwoord: (maximaal) 30,2(%) (1)
Voor de Cobra kan de formule van de wachttijd voor bezoekers zonder voorsteekpas worden herleid tot: 5,7 Wz = 0,10
- ... · a
Vraag 13 3 punten
Geef deze herleiding. Rond het getal dat op de puntjes moet staan niet af.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Wz = (1p)
2 · (1
- 0,95) · (1
- 0,95a) 5, 7
- Dit geeft Wz = (1) 0,10 · (1
- 0,95a) 5, 7
- Het antwoord: Wz = (1) 0,10
- 0,095a
Nibud Scholierenonderzoek
Het Nibud Scholierenonderzoek brengt het financiële gedrag van scholieren in het voortgezet onderwijs in kaart. De populatie van dit onderzoek bestaat uit alle vmbo-, havo- en vwo- scholieren in de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar. Van een aselecte steekproef van 3260 scholieren uit de populatie zijn gegevens beschikbaar gekomen via online vragenlijsten. We gaan ervan uit dat deze steekproef representatief is.
1530 scholieren in de steekproef hebben een bijbaantje.
Vraag 14 3 punten
Bereken het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie scholieren met een bijbaantje. Geef de getallen in je antwoord in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
1530
In het rapport staat een tabel met informatie over het gemiddeld aantal uren per week dat een scholier met een bijbaantje werkt (zie tabel 1).
tabel 1 Bijbaan: gemiddeld aantal uren per week onderwijsniveau en klas bijbaan (uren per week) vmbo bovenbouw (klas 3 en 4) 9 havo / vwo (klas 3) 6 havo bovenbouw (klas 4 en 5) 8 vwo bovenbouw (klas 4, 5 en 6) 6
Als je met behulp van het formuleblad een uitspraak wilt doen over het verschil tussen havo bovenbouwscholieren met een bijbaantje en vwo bovenbouwscholieren met een bijbaantje in het aantal uren dat zij werken, dan heb je meer informatie of misschien wel heel andere informatie nodig dan die in tabel 1 staat.
Vraag 15 4 punten
Beschrijf twee manieren om met behulp van het formuleblad een uitspraak te doen over dit verschil tussen deze twee groepen, en geef voor beide manieren aan welke informatie je dan (extra) nodig hebt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor elk van de manieren mag uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend, met een maximum van in totaal 4 scorepunten.
In de steekproef bedroeg het gemiddelde inkomen van een scholier met een bijbaantje 112 euro per maand. De mediaan was 65 euro. In de figuur zie je drie frequentieverdelingen afgebeeld waarvan er één de frequentieverdeling van het inkomen per maand van een scholier met een bijbaantje in de steekproef weergeeft.
figuur
Vraag 16 2 punten
Welke van de drie frequentieverdelingen is dat? Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als alleen het antwoord B is gegeven zonder toelichting of met een onjuiste toelichting, voor deze vraag geen scorepunten toekennen.
Het Nibud wil het inkomen van scholieren met een bijbaantje ook per onderwijsniveau in kaart brengen. Dat hebben ze gedaan door tabel 2 in hun onderzoeksrapport te zetten.
tabel 2 Bijbaan: inkomen (in euro) per maand van 15- en 16-jarigen onderwijsniveau en klas gemiddelde mediaan vmbo bovenbouw (klas 3 en 4) 149 107 havo / vwo (klas 3) 93 65 havo bovenbouw (klas 4 en 5) 181 142 vwo bovenbouw (klas 4, 5 en 6) 130 101
Deze tabel is gebaseerd op scholieren in de steekproef die 15 of 16 jaar zijn.
Vraag 17 2 punten
Leg uit waarom men niet heeft gekozen voor scholieren in de steekproef die 17 of 18 jaar zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor deze vraag mogen uitsluitend 0 of 2 scorepunten worden toegekend.
Voor het laatste onderdeel van deze opgave kijken we niet naar het inkomen van scholieren, maar naar een aspect van de uitgaven van scholieren. Dit aspect betreft de vraag hoe vaak scholieren spijt hebben na het doen van een aankoop. Van 1200 aselect gekozen respondenten (600 jongens en 600 meisjes) is bekend hoe vaak zij spijt hebben na het doen van een aankoop. De resultaten zijn weergegeven in een relatieve frequentietabel, zie tabel 3.
tabel 3 Spijt na het doen van een aankoop jongens meisjes totaal nooit / zelden 16% 8% 12% meestal niet 65% 61% 63% meestal wel 19% 29% 24% vaak / altijd 0% 2% 1%
Vraag 18 5 punten
Onderzoek met behulp van het formuleblad of het verschil tussen jongens en meisjes in hoe vaak zij spijt hebben na het doen van een aankoop gering, middelmatig of groot is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord:
- De cumulatieve relatieve frequentietabel opstellen (2p)
jongens meisjes nooit / zelden 16 (8) meestal niet 81 (69) meestal wel 100 (98) vaak / altijd 100 100
- Een kruistabel van de absolute aantallen maken door de eerste twee en
486 414 de laatste twee rijen samen te nemen geeft (2)
114 186
486 ·186
- 414 ·114
Opmerkingen
- Voor het eerste antwoordelement van het eerste alternatief en het eerste en tweede antwoordelement van het tweede alternatief mag voor een niet volledig juist antwoord 1 scorepunt worden toegekend.
- Als in de kruistabel percentages worden gebruikt in plaats van absolute aantallen, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.
Postzegels
Mensen sturen steeds minder brieven en kaarten. Postzegels zijn in Nederland de afgelopen jaren flink duurder geworden. Elk jaar op
1 januari wordt de prijs zo nodig aangepast. In de figuur zie je de postzegelprijs (in centen) en het aantal brieven/kaarten (in miljarden) dat bezorgd werd in de jaren 2005-2016.
figuur
Je kunt in de figuur bijvoorbeeld aflezen dat op 1 januari 2007 de postzegelprijs 44 cent was en dat er in het jaar 2007 4,8 miljard brieven/kaarten werden bezorgd.
Op 1 januari 2010 kostte een postzegel 44 cent. Op 1 januari 2014 was de prijs gestegen tot 64 cent. Veronderstel dat in de periode 2010-2014 de postzegelprijs exponentieel groeide.
Vraag 19 4 punten
Bereken met de bovengenoemde gegevens uit 2010 en 2014 het jaarlijkse groeipercentage van de postzegelprijs. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen 1
- Als gerekend wordt met (64
- 44) 4 , voor deze vraag maximaal
2 scorepunten toekennen. 64
- Als gerekend wordt met : 4 , voor deze vraag maximaal 44
2 scorepunten toekennen.
In de periode 2010-2016 nam het aantal brieven/kaarten dat jaarlijks werd bezorgd bij benadering lineair af. Er werd in 2016 voorspeld dat deze afname zich nog een aantal jaren op deze manier zou voortzetten.
Vraag 20 4 punten
Bereken met de aantallen uit 2010 en 2016 hoeveel miljard brieven/kaarten er in 2020 volgens deze voorspelling bezorgd zouden worden. Geef je antwoord in één decimaal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij het aflezen van het aantal brieven/kaarten is een marge van 0,05 (mld) toegestaan.
In de tabel zie je voor 2015 en 2016 onder andere het aantal bezorgde brieven/kaarten en de bijbehorende opbrengst. Dit is het totale bedrag dat aan postzegels is verkocht dat op al die brieven/kaarten is geplakt. De opbrengst in 2016 was lager dan die in 2015, ondanks de verhoging van de postzegelprijs van € 0,69 naar € 0,73.
tabel brieven/kaarten jaar aantal stuks opbrengst postzegelprijs (in miljoenen) (in miljoenen euro’s) (cent)
2015 2401 1961 69
2016 2213 1877 73
Voor het versturen van brieven/kaarten tot 20 gram heb je 1 postzegel nodig. Voor het versturen van brieven/kaarten vanaf 20 gram tot 50 gram moet je 2 postzegels plakken, en vanaf 50 tot 100 gram 3 postzegels. Neem aan dat op alle brieven/kaarten maximaal 3 postzegels zijn geplakt.
Vraag 21 2 punten
Leg met behulp van de tabel uit dat op een deel van de brieven/kaarten in
2015 meer dan 1 postzegel moet zijn geplakt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Als op alle brieven/kaarten 1 postzegel zou zitten, dan zou de opbrengst 2401 · 0, 69 = 1656, 69 (mln euro) zijn (1)
- De opbrengst is echter hoger (namelijk 1961 (mln euro)), dus moeten er brieven/kaarten met meer dan 1 postzegel zijn geweest (1)
Neem aan dat in 2016 op 88% van de brieven/kaarten 1 postzegel werd geplakt en op de overige brieven/kaarten 2 of 3 postzegels. Je kunt dan met behulp van de tabel de volgende vergelijking opstellen om het aantal brieven/kaarten met 2 postzegels te berekenen: 0,73 · 1947, 44 + 1, 46 · x + 2,19 · (265,56
- x) = 1877 Hierin is x het aantal brieven/kaarten met 2 postzegels in miljoenen.
Vraag 22 3 punten
Leg met berekeningen uit hoe je aan de getallen 1947,44 en 1, 46 en 2,19 en 265,56 in deze vergelijking kunt komen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1947, 44 = 0,88 · 2213 (1)
- 1, 46 = 2 · 0, 73 en 2,19 = 3 · 0, 73 (1)
- 265,56 = 0,12 · 2213 (of 265,56 = 2213 − 1947, 44 ) (1)
Vraag 23 3 punten
Bereken het percentage brieven/kaarten met 2 postzegels in 2016. Geef je antwoord in hele procenten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de vergelijking 0, 73 ·1947, 44 + 1, 46 · x + 2,19 · (265,56 − x) = 1877 kan worden opgelost (1)
- De oplossing is x = 172,8... (1)
- ·100 = 7,8... , dus het antwoord is 8(%) (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-21-1-o
Andere examens wiskunde A havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1?
Het centraal examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1 loopt tot vraag 23. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over statistiek (9), exponentiële groei (5) en formules en grafieken (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2021, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-1/ha-1024-a-21-1-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.