Eindexamen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Plasticafval, Huisartsen, Spanwijdte en lichaamslengte, Levensduur van apparaten, Eitje koken op vakantie.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (6), lineaire verbanden (5) en statistiek (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Exponentiële groei3-4, 6-8, 186
Lineaire verbanden1, 11-13, 155
Statistiek2, 9-10, 14, 165
Formules en grafieken5, 17, 19-204

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens wiskunde A havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over exponentiële groei (30% van de vragen, gemiddeld 17%) en lineaire verbanden (25% van de vragen, gemiddeld 13%). Minder over formules en grafieken (20% van de vragen, gemiddeld 30%) en statistiek (25% van de vragen, gemiddeld 33%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Plasticafval

Jaarlijks produceren wij een grote hoeveelheid plasticafval. Een groot deel hiervan wordt ingezameld en daarna gerecycled, verbrand of op een afvalberg gestort. Het deel dat niet wordt ingezameld, wordt niet verwerkt.

In de figuur zie je voor Europa welk deel van het plasticafval in 2005 en in 2019 werd gerecyled, verbrand, gestort of niet verwerkt.

figuur

verwerking20052019
gerecycled712
verbrand2038
gestort6244
niet verwerkt116

In 2005 werd er in Europa in totaal 12,26 miljoen ton plasticafval geproduceerd. In 2019 was dit gestegen naar 15,26 miljoen ton.

Vraag 1 3 punten

Bereken hoeveel miljoen ton plasticafval in 2019 meer werd gerecycled dan in 2005. Geef je antwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord
  • Aflezen dat in 2005 7% en in 2019 12% werd gerecycled.
  • In 2005 werd 0,07 × 12,26 = 0,8582 en in 2019 0,12 × 15,26 = 1,8312 miljoen ton gerecycled.
  • Het verschil is 0,97 miljoen ton.

Opmerking

De percentages mogen worden afgelezen met een marge van 1 procentpunt.

In de figuur is te zien dat in 2005 in Europa 62% van het plasticafval werd gestort. In 2019 was dit percentage gedaald naar 44%. We nemen aan dat het percentage gestort plasticafval in de periode 2005 - 2019 lineair is gedaald.

Vraag 2 4 punten

Bereken hoeveel procent van het plasticafval in 2011 werd gestort. Geef je antwoord als geheel getal.

Bekijk het antwoord
  • In 14 jaar is de afname 18 procentpunten.
  • De jaarlijkse afname is 18/14 = 1,28… procentpunten.
  • In 2011 geldt 62 − 6 × (18/14) = 54,2…%.
  • Het antwoord is 54%.

Het gewicht aan plasticafval dat jaarlijks wereldwijd wordt geproduceerd neemt exponentieel toe. Elke 15 jaar komt er 132% bij.

Vraag 3 4 punten

Bereken de procentuele toename per jaar. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor per 15 jaar is 2,32.
  • De jaarlijkse groeifactor is $2{,}32^{1/15}$; of beschrijven hoe $g^{15}=2{,}32$ kan worden opgelost.
  • De jaarlijkse groeifactor is 1,0577…
  • De procentuele toename is 5,8%.

Opmerking

Bij rekenen met 132/15: geen scorepunten. Bij rekenen met 2,32/15: maximaal 1 scorepunt.

De afgelopen decennia nam wereldwijd het percentage verbrand plasticafval P_b toe. Het percentage gestort plasticafval P_s en het percentage niet verwerkt plasticafval P_nv namen wereldwijd juist af. Bij benadering geldt:

P_b=0{,}42t+13{,}17\quad\text{(formule 1)}

P_s=-0{,}47t+55{,}73\quad\text{(formule 2)}

P_{nv}=-0{,}24t+25{,}95\quad\text{(formule 3)}

Hierin is t het aantal jaren na 2005.

In 2005 was P_b kleiner dan P_s . Volgens formule 1 en 2 komt er echter een moment waarop P_b groter zal zijn dan P_s .

Vraag 4 3 punten

Bereken hoeveel gehele jaren na 2005 dit voor het eerst zo is.

Bekijk het antwoord
  • Bij gelijke percentages geldt $0{,}42t+13{,}17=-0{,}47t+55{,}73$.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • De oplossing is t = 47,8…; het eerste gehele aantal jaren is 48.

Opmerking

Alternatieve route, ieder element 1 punt: bij t=47 is P_b=32,91 en P_s=33,64; bij t=48 is P_b=33,33 en P_s=33,17; conclusie 48 jaar. Beoordeel één complete route, tel routes niet bij elkaar op.

Voor de toekomst zijn we vooral geïnteresseerd in het percentage wereldwijd gerecycled plasticafval $P_r$. Omdat de vier percentages $P_b$, $P_s$, $P_{nv}$ en $P_r$ samen 100% moeten zijn, kun je met behulp van formule 1, 2 en 3 een formule opstellen voor $P_r$. Deze formule is van de vorm:

P_r=\ldots\cdot t+\ldots\quad\text{(formule 4)}

Hierin is t het aantal jaren na 2005.

Op de puntjes in formule 4 moeten getallen staan.

Vraag 5 4 punten

Bereken de getallen die op de puntjes in formule 4 moeten staan. Geef je antwoorden in twee decimalen.

Bekijk het antwoord
  • $100=P_b+P_s+P_{nv}+P_r$.
  • $100=0{,}42t+13{,}17-0{,}47t+55{,}73-0{,}24t+25{,}95+P_r$.
  • $100=94{,}85-0{,}29t+P_r$.
  • $P_r=0{,}29t+5{,}15$: de getallen zijn 0,29 en 5,15.

Opmerking

Alternatieve route, ieder element 1 punt: P_r=100−P_b−P_s−P_nv; bij t=0 is P_r=5,15; bij t=1 is P_r=5,44; de jaarlijkse toename is 0,29. Beoordeel één complete route.

Huisartsen

Een groot deel van de huisartsen in Nederland heeft een eigen praktijk of werkt op vaste basis in de praktijk van een andere huisarts. Het andere (kleinere) deel van de huisartsen vervangt op flexibele basis collegahuisartsen. Deze huisartsen worden wisselende waarnemers genoemd.

Het aantal wisselende waarnemers H_W stijgt snel en kan benaderd worden met de volgende formule:

H_W=1983\cdot1{,}0576^t\quad\text{(formule 1)}

Hierin is t het aantal jaren, met t=0 op 1 januari 2015.

Vraag 6 3 punten

Bereken hoeveel gehele jaren het volgens formule 1 minimaal duurt voordat het aantal wisselende waarnemers is verdubbeld.

Bekijk het antwoord
  • Bij verdubbeling geldt $1983\cdot1{,}0576^t=2\cdot1983$ of een gelijkwaardige vergelijking.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • t = 12,3…; minimaal 13 gehele jaren.

Opmerking

Alternatieve route, ieder element 1 punt: bij t=12 is H_W=3883,1…; bij t=13 is H_W=4106,7…; conclusie 13 jaar omdat 2×1983=3966. Beoordeel één complete route.

Het totaal aantal huisartsen stijgt ook, maar minder snel. Tussen 1 januari 2006 en 1 januari 2015 is het totaal aantal huisartsen lineair gestegen tot 11 622. Dit was een toename van 20%. Uit deze gegevens is af te leiden dat in deze periode het totaal aantal huisartsen jaarlijks toenam met 215 huisartsen (afgerond op gehelen). De berekening van deze jaarlijkse toename op basis van de gegevens geeft een resultaat met meer cijfers achter de komma.

Vraag 7 3 punten

Voer deze berekening uit en geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • Op 1 januari 2006 waren er 11622/1,2 = 9685 huisartsen.
  • In 9 jaar kwamen er 11622 − 9685 = 1937 huisartsen bij.
  • De jaarlijkse toename is 1937/9 = 215,22…; het antwoord is 215,2.

We nemen aan dat de toename van het totaal aantal huisartsen zich na 2015 op dezelfde wijze voortzet. Voor het totaal aantal huisartsen H_Totaal geldt dan bij benadering:

H_{Totaal}=215t+11622\quad\text{(formule 2)}

Hierin is t het aantal jaren, met t=0 op 1 januari 2015.

Vraag 8 4 punten

Bereken met behulp van formule 1 en 2 in welk jaar op 1 januari het aantal wisselende waarnemers voor het eerst meer is dan de helft van het totaal aantal huisartsen.

Bekijk het antwoord
  • $1983\cdot1{,}0576^t=\frac12(215t+11622)$, of een gelijkwaardige vergelijking.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • De oplossing is t = 26,2…
  • Het eerste gehele aantal jaren is 27; het antwoord is 1 januari 2042.

Opmerking

Rekenen met een nauwkeurigere jaarlijkse toename dan 215 kost geen scorepunten.

Ondanks het stijgende aantal huisartsen is er een tekort. Daarom is het belangrijk dat voldoende geneeskundestudenten voor het beroep van huisarts kiezen.

Aan geneeskundestudenten is gevraagd of ze huisarts willen worden. In de figuur zie je de resultaten bij deze vraag.

Horizontale gestapelde percentages voor eerste en zesde studiejaar.
figuur: resultaten bij de vraag ‘Zou je huisarts willen worden?’ — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

In de figuur is te zien dat er een verschil is in de mate waarin geneeskundestudenten uit het eerste studiejaar en uit het zesde studiejaar een voorkeur hebben om huisarts te worden.

Vraag 9 4 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of dit verschil groot, middelmatig of gering is.

Bekijk het antwoord
  • Cumulatieve percentages eerste studiejaar: 12, 36, 50, 88, 100.
  • Cumulatieve percentages zesde studiejaar: 3, 22, 37, 81, 100.
  • Absolute verschillen V_cp: 9, 14, 13, 7, 0.
  • max V_cp = 14 ≤ 20; het verschil is gering.

De vraag ‘Zou je huisarts willen worden?’ is slechts aan een deel van de geneeskundestudenten in het zesde studiejaar gesteld. Het gaat dus om een steekproef. Van de geneeskundestudenten uit het zesde studiejaar die deelnamen aan de steekproef gaf 19% het antwoord ‘ja’. Op basis van de steekproefomvang is berekend dat het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het percentage geneeskundestudenten uit het zesde studiejaar dat ‘ja’ heeft geantwoord [13,91;24,09] is.

Vraag 10 4 punten

Bereken met behulp van het formuleblad de steekproefomvang onder de geneeskundestudenten in het zesde studiejaar.

Bekijk het antwoord
  • De percentages worden omgezet naar proporties.
  • $4\sqrt{0{,}19(1-0{,}19)/n}=0{,}2409-0{,}1391$, of een gelijkwaardige vergelijking.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • De oplossing is n = 237,6…; de steekproefomvang is 238.

Spanwijdte en lichaamslengte

Bij de meeste mensen is de spanwijdte van de armen S net iets groter dan de lichaamslengte L. Zie figuur 1.

Met de volgende formule kun je de verhouding V tussen S en L berekenen:

Mens met horizontale maat S voor spanwijdte en verticale maat L voor lichaamslengte.
figuur 1 — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

V=\frac{S}{L}\quad\text{met S en L in meter}

Het vermoeden bestaat dat de grootte van de verhouding V van invloed is op de prestatie van sporters binnen de vechtsport.

In 2019 vochten de twee Nederlandse vechters Rico Verhoeven en Badr Hari tegen elkaar. Rico was 1,96 m lang met V = 1,071 en Badr was 1,98 m lang met V = 1,079 .

Vraag 11 3 punten

Bereken het verschil in spanwijdte tussen deze twee vechters. Geef je antwoord in hele centimeters.

Bekijk het antwoord
  • $1{,}071=S_{Rico}/1{,}96$ en $1{,}079=S_{Badr}/1{,}98$.
  • S_Rico = 2,099… m en S_Badr = 2,136… m.
  • Het verschil is 0,037… m; afgerond 4 cm.

Onder andere bij de vechtsport MMA (mixed martial arts) is onderzocht of de verhouding V van invloed is op de prestatie van de vechters. In het onderzoek kwamen een laagste en een hoogste waarde van V voor:

  • vechter A had de laagste waarde van V
  • vechter B had de hoogste waarde van V

Stel dat vechter A en vechter B dezelfde spanwijdte hebben.

Vraag 12 2 punten

Leg uit welke van de twee vechters dan de grootste lichaamslengte heeft.

Bekijk het antwoord
  • $S/L_A<S/L_B$ bij gelijke S.
  • Dus L_A>L_B: vechter A heeft de grootste lichaamslengte.

Opmerking

Alternatief: passende waarden voor S, V_A en V_B kiezen met V_A<V_B (1 punt); L_A en de kleinere L_B berekenen en vechter A concluderen (1 punt).

In het onderzoek kwam ook een vechter voor met een spanwijdte die 2,5 cm langer was dan zijn lichaamslengte. Voor deze vechter geldt dus S = L + 0,025 . De verhouding V die bij de vechter hoort is V = 1,01445 .

Vraag 13 3 punten

Bereken de lichaamslengte van deze vechter in meter. Geef je antwoord in twee decimalen.

Bekijk het antwoord
  • $1{,}01445=(L+0{,}025)/L$.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • L = 1,730… m; het antwoord is 1,73 m.

De UFC, de grootste MMA-organisatie ter wereld, verdeelt de vechters in acht verschillende gewichtsklassen. In 2018 is per gewichtsklasse onderzoek gedaan naar de verhouding V van de vechters. In de tabel zijn de resultaten te zien van een steekproef onder de vechters uit de vier lichtste gewichtsklassen.

tabel

gewichtsklasseminimumgemiddeldemaximumstandaardafwijking
vlieggewicht0,9841,0101,0670,021
bantamgewicht0,9561,0231,0770,028
vedergewicht0,9421,0221,0750,027
lichtgewicht0,9851,0291,0580,028

Vraag 14 3 punten

Onderzoek met behulp van het formuleblad of het verschil in de verhouding V tussen de gewichtsklassen ‘vlieggewicht’ en ‘lichtgewicht’ groot, middelmatig of gering is.

Bekijk het antwoord
  • $E=(1{,}029-1{,}010)/(\frac12(0{,}028+0{,}021))$.
  • E = 0,77…
  • 0,4 < E ≤ 0,8; het verschil is middelmatig.

In figuur 2 is voor de vier zwaarste gewichtsklassen de verdeling van de verhouding V met boxplots weergegeven. Met een zwarte stip is voor elke gewichtsklasse de waarde van de verhouding V voor de kampioen aangegeven.

Boxplots van verhouding V voor vier gewichtsklassen, met een zwarte stip voor elke kampioen.
figuur 2 — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

Op basis van figuur 2 worden drie uitspraken gedaan:

I De kampioen in elk van de vier gewichtsklassen behoort tot de 25% vechters met de hoogste waarde van V in die gewichtsklasse.

II De meerderheid van de vechters in elk van de vier gewichtsklassen heeft een verhouding V met een waarde groter dan 1,025.

III Op basis van de vuistregels op het formuleblad is het verschil tussen elk tweetal gewichtsklassen gering, als we kijken naar de verdeling van de verhouding V.

Vraag 15 3 punten

Leg van elke uitspraak uit of deze juist is.

Bekijk het antwoord
  • Uitspraak I is onjuist, want in de klasse ‘middengewicht’ en/of de klasse ‘licht-zwaargewicht’ behoort de kampioen tot de 25% vechters met de laagste waarde van V (1)
  • Uitspraak II is juist, want bij alle vier de gewichtsklassen ligt de mediaan van de verhouding V boven de 1,025 (1)
  • Uitspraak III is juist, want voor elk tweetal gewichtsklassen geldt dat de boxen elkaar overlappen en dat de medianen in de box van de andere boxplot liggen (1)

Levensduur van apparaten

Een apparaat, zoals een vaatwasser of een stofzuiger, gaat na verloop van tijd een keer kapot. Het apparaat is dan aan het einde van zijn levensduur.

Een fabrikant heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de levensduur van twee van zijn vaatwassers: type A en type B. De onderzoeksresultaten zijn verwerkt in de figuur.

Doorgetrokken curve type A en gestippelde curve type B; horizontaal jaren, verticaal percentage kapot.
figuur: percentage kapotte vaatwassers na t gebruiksjaren — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

In de figuur kun je bijvoorbeeld aflezen dat van beide typen vaatwassers 80% nog werkte na ongeveer 5,5 gebruiksjaren.

Het aantal gebruiksjaren t waarbij 25% van de vaatwassers nog werkte, is voor type A en type B verschillend.

Vraag 16 3 punten

Bepaal het verschil in jaren tussen deze twee aantallen gebruiksjaren. Geef je antwoord in één decimaal en licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord
  • Aflezen bij 75% kapot.
  • t = 8,7 jaar voor type A en t = 7,4 jaar voor type B, of de horizontale afstand tussen de grafieken bepalen.
  • Het verschil is 1,3 jaar.

Opmerking

Aflezen op een andere hoogte dan 75%: maximaal 1 punt. Afleeswaarden voor de jaren mogen 0,1 jaar afwijken; het verschil mag 0,2 jaar afwijken.

Fabrikanten gebruiken formules om het percentage P van de apparaten dat kapot is na t gebruiksjaren te schatten. Zo’n formule is van de vorm:

P=100\left(1-0{,}368^{(t/s)^v}\right)\quad\text{(formule 1)}

Hierin zijn s en v vaste waarden, die horen bij een bepaald apparaat.

Een fabrikant gebruikt formule 1 voor de levensduur van zijn broodroosters. Bij de broodroosters horen s=4 en v=2. Formule 1 is dan te herleiden tot:

P=100-100\cdot0{,}368^{0{,}0625t^2}\quad\text{(formule 2)}

Met P het percentage van de apparaten dat kapot is na t gebruiksjaren.

Vraag 17 4 punten

Geef deze herleiding.

Bekijk het antwoord
  • $P=100(1-0{,}368^{(t/4)^2})$.
  • $P=100-100\cdot0{,}368^{(t/4)^2}$.
  • $P=100-100\cdot0{,}368^{t^2/4^2}$.
  • $P=100-100\cdot0{,}368^{(1/16)t^2}=100-100\cdot0{,}368^{0{,}0625t^2}$.

Vraag 18 3 punten

Bereken hoeveel procent van de broodroosters volgens formule 2 gedurende het derde gebruiksjaar kapot zal gaan. Geef je antwoord in hele procenten.

Bekijk het antwoord
  • Bij t=2 is P=22,1…%.
  • Bij t=3 is P=43,0…%.
  • Het verschil is afgerond 21%.

Opmerking

Als gerekend is met t=3 en t=4: maximaal 2 scorepunten.

Op den duur gaan alle broodroosters een keer kapot.

Vraag 19 3 punten

Beredeneer dit met behulp van formule 2, zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden.

Bekijk het antwoord
  • Als t heel groot wordt, wordt 0,0625t² heel groot.
  • $0{,}368^{0{,}0625t^2}$ wordt dan ongeveer 0, omdat de groeifactor kleiner is dan 1.
  • P wordt ongeveer 100 − 100 × 0 = 100; dus alle broodroosters gaan kapot.

Een fabrikant gebruikt formule 1 voor de levensduur van zijn stofzuigers. Bij de stofzuigers hoort v=3. Uit een marktonderzoek is bekend dat 736 van de 920 verkochte stofzuigers kapot waren na zes gebruiksjaren.

Vraag 20 4 punten

Bereken met behulp van formule 1 de waarde van s die bij deze stofzuigers hoort. Geef je antwoord in één decimaal.

Bekijk het antwoord
  • P = (736/920) × 100 = 80%.
  • $100(1-0{,}368^{(6/s)^3})=80$.
  • Beschrijven hoe deze vergelijking wordt opgelost.
  • s = 5,1.

Eitje koken op vakantie

Richard gaat in de zomer op kampeervakantie, eerst naar de Zuid-Franse kust op zeeniveau en later naar de Franse Alpen op 2000 meter boven zeeniveau. Op beide plaatsen gaat hij dagelijks een ei koken met dezelfde gasbrander, dezelfde pan en evenveel water met dezelfde begintemperatuur. Hij vraagt zich af op welke plaats het bereiden van het ei het langst zal duren.

Pan op een gasbrander op een bergachtige kampeerplek.
Tourist Equipment Tools Camping Gas Over Stockfoto 1286011660/Shutterstock

Om het ei te bereiden, warmt Richard eerst het water van 10 °C op tot de kooktemperatuur. De opwarming verloopt op beide plaatsen lineair met een snelheid van 14,5 °C per minuut. Zodra het water kookt, legt hij er een ei in en laat dit net zo lang in het kokende water liggen tot het hardgekookt is.

De luchtdruk in de bergen is lager dan op zeeniveau. Zie figuur 1, waarin het verband is weergegeven tussen de luchtdruk en de hoogte boven zeeniveau.

Luchtdruk in mbar als functie van hoogte boven zeeniveau in km.
figuur 1 — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

Door de lagere luchtdruk in de bergen, kookt water daar bij een lagere temperatuur dan op zeeniveau. Zie figuur 2, waarin het verband is weergegeven tussen de luchtdruk en de temperatuur waarbij water kookt.

Luchtdruk in mbar op een logaritmische as als functie van de kooktemperatuur van water in °C.
figuur 2 — Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, 2026

Het duurt in de bergen dus korter om het water aan de kook te brengen. Maar door de lagere kooktemperatuur moet een ei op 2000 meter boven zeeniveau 2 minuten langer in het kokende water liggen dan op zeeniveau tot het hardgekookt is. De totale tijd die nodig is om water aan de kook te brengen en om het ei te koken tot het hardgekookt is, noemen we de bereidingstijd.

Vraag 21 7 punten

Onderzoek of de bereidingstijd van een ei op 2000 meter boven zeeniveau langer of korter is dan op zeeniveau en bereken het verschil in bereidingstijd. Geef je antwoord in hele seconden.

Bekijk het antwoord
  • Op zeeniveau is de luchtdruk 1000 mbar en kookt water bij 100 °C.
  • Opwarmtijd op zeeniveau: (100−10)/14,5 = 6,20… min.
  • Op 2000 m is de luchtdruk 800 mbar en kookt water bij 94 °C.
  • Opwarmtijd op 2000 m: (94−10)/14,5 = 5,79… min.
  • De opwarmtijd is op 2000 m 6,20… − 5,79… = 0,41… min korter.
  • De bereidingstijd is op 2000 m 2 − 0,41… = 1,58… min langer.
  • Het verschil in bereidingstijd is 60 × 1,58… = 95,1… s; op 2000 m duurt het 95 s langer.

Opmerking

Kooktemperaturen mogen worden afgelezen met een marge van 1 °C. Alternatief: na beide opwarmtijden de tijden omzetten naar seconden (1 punt), 120 seconden extra kooktijd op 2000 m meenemen (1 punt), en 95 seconden langer concluderen (1 punt); de eerste vier antwoordelementen zijn hetzelfde. Beoordeel één route.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Wiskunde A 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens wiskunde A havo

Hoe ToetsChecker wiskunde A per vraagtype nakijkt, lees je op wiskunde A toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2 telt 20 vragen. De meeste vragen gaan over exponentiële groei (6), lineaire verbanden (5) en statistiek (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A havo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-2/ha-1024-a-26-2-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A havo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.